blog | werkgroep caraïbische letteren

´Zij zwichtten niet´ – Van Randwijklezing Lilian Gonçalves – Ho Kang You

H.M. van Randwijklezing 5 mei 2019

door Lilian Gonçalves – Ho Kang You

Het is Bevrijdingsdag en ik heb de eer de H.M. van Randwijklezing te mogen houden.

Dat is ook een uitdaging. De Tweede Wereldoorlog maakte ik niet mee. Ik werd in 1946 in Suriname geboren, na de strijd en ver van het strijdtoneel. Toch maakte ik later wel een bezetting mee. Niet door een vreemde mogendheid, maar door landgenoten na een militaire coup.

Kogelgaten in Bastion Veere, Fort Zeelandia, Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

Onderdrukking, niet van buitenaf maar van binnenuit, die leidde tot de bezetting en daarmee uitschakeling van democratische en rechtstatelijke instituties en die onontkoombaar gevolgd werd door verzet.

Daarover wil ik u vertellen. Over de strijd van moedige burgers tegen onderdrukking en voor het heroveren van de vrijheid en de rechtsstaat.
Over de zoektocht van slachtoffers en nabestaanden naar gerechtigheid. En over hoe ik vluchteling werd en na het herstel van de democratie in Suriname toch vreemdeling in eigen land bleef.

I.

Ik woon nu meer dan 35 jaar in Nederland, maar was pas één keer eerder in Zeeland. Toch heb ik er een band mee en die band heeft een naam: Fort Zeelandia.

In 1667, tijdens de Tweede Engelse Oorlog, veroverde een vloot van de Staten van Zeeland de kolonie Suriname met een verrassingsaanval op de Engelsen. Fort Willoughby werd Fort Zeelandia.

Het was daar dat op 8 december 1982 vijftien critici van legerleider Desi Bouterse werden gemarteld en standrechtelijke geëxecuteerd. De hoofdverdachte van deze afschuwelijke misdrijven – ik noemde zijn naam al – is tegenwoordig president van de Republiek Suriname.

Maar over hem wil ik het niet hebben, nog niet.
Een groot onrecht bij terreur van staatswege is dat de namen van de daders nog lang naklinken, terwijl die van de slachtoffers al snel wegebben in de tijd. Vandaag wil ik een bescheiden poging tot rechtsherstel doen.
Een van deze vijftien critici was Kenneth Gonçalves, deken van de Orde van Advocaten. Laat mij u over hem vertellen.

II.

Kenneth werd op 16 november 1940 in Paramaribo geboren als zoon van Carlos Gonçalves en Agnes van Vollevelde.
Carlos deed de financiën van een grote Libanese handelszaak. Agnes was modiste. Tot haar tachtigste maakte zij prachtige bruidsjurken. Agnes was ook heel geëngageerd. Zij volgde tot haar dood de politieke ontwikkelingen op de voet. Ze genoot van de politieke discussies met haar oogappel Kenneth.

Kenneth werd als veertienjarige op de boot gezet naar Nederland, met een hutkoffer, een driedelig grijs pak en een herennecessaire. Hij kreeg één boek mee: Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp ten Have. Zo wapenden zijn ouders Kenneth voor zijn Europese educatie, waarvoor zij lang hadden moeten sparen. Dat boek had hij misschien wel nodig. De aanleiding voor zijn vertrek naar Nederland was dat hij vanwege wangedrag van school was gestuurd. Overigens net als alle anderen in zijn klas, wat Agnes deed vermoeden dat het onderwijs niet deugde. Volgens haar had de intelligente Kenneth zich op school stierlijk verveeld. Vandaar dat zij besloot dat scholing in Nederland hem de beste kansen zou bieden zijn talenten te ontplooien.

Over zijn tijd op het Haagse Montessori Lyceum weet ik weinig. Kenneth heeft me wel verteld dat hij altijd het voornemen heeft gehad terug te keren naar Suriname om zijn land te dienen. Hij zag het als pure noodzaak daartoe in Nederland kennis te vergaren, vooral ook financieel-economische. Al heel jong las hij de jaarverslagen van Philips!

Kenneth studeerde rechten in Groningen en Amsterdam. Zijn eerste baan was als docent op het Institute of Social Studies in Den Haag. De vele werkstukken over corruptie en over de systematische verbetering van het overheidsapparaat waartoe hij zijn studenten inspireerde, nam hij later mee naar Suriname.

Via een directeurschap van het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van Suriname in Nederland, werd hij Directeur van het Kabinet van Minister-President Johan Adolf Pengel. Het was 1969. Kenneth was terug in Suriname.

In datzelfde jaar trad Jules Sedney aan als premier van Suriname. Het was een periode van grote sociale onrust en stakingen, maar ook van inspirerende discussies over de toekomstige status van Suriname. Suriname moest onafhankelijk worden en dat moest goed worden voorbereid. Als directeur van het kabinet was Kenneth de motor voor de voorbereiding van de transitie. Hij schreef speeches voor de Minister-President waarin hij met veel verve zijn ideeën voor een democratische samenleving met actieve burgerparticipatie naar voren kon brengen.

Ook ik had in Nederland rechten gestudeerd en was een jaar na Kenneth teruggekeerd naar Suriname. Het was mijn droom om advocaat te worden. Net terug in Paramaribo, kwam ik de Minister-President tegen. Hij zocht een jurist voor zijn kabinet. Hij hield me voor dat ik, kijkend over zijn schouder, mijn land beter zou leren kennen en zo goed geëquipeerd de advocatuur in zou kunnen gaan. Zo belandde ik als jurist in algemene dienst op het Kabinet van de Minister-President en ontmoette ik Kenneth Gonçalves. Ik had op slag meer oog voor de directeur dan voor de Minister-President.

In 1972 begonnen Kenneth en ik een advocatenkantoor. Kenneth werd onder meer advocaat van de Moederbond. De voorzitter van deze vakbondskoepel was Cyril Daal. Ook hij zou in 1982 één van de slachtoffers van de Decembermoorden worden.

Tijdens zijn Nederlandse schooltijd had Kenneth gewoond bij advocaat Van `t Hoff Stolk, een strafpleiter die hij bewonderde. In onze praktijk deed Kenneth ook strafzaken. Hij was vooral geïnteresseerd in de verdediging van moordverdachten – een fascinatie waarvan wij toen de bittere ironie natuurlijk niet beseften.

Wij gaven juridisch advies over tal van ontwikkelingsprojecten, zoals de bouw van de grote spoorweg vanaf de kust tot diep in het binnenland voor de bauxietontginning en -exploitatie in West-Suriname. Van de spoorwegbouwer kregen we ten afscheid een boek: How the West was won. En zo voelde het. We namen gulzig deel aan een groot en spannend avontuur, de opbouw van Suriname. Dit was de reden waarom onze generatie, na een opleiding in Nederland, was teruggekeerd.

Maar er waren ook grote sociale verschillen. Vooral in de arbeidsrelaties werd duidelijk dat we in een ontwikkelingsland leefden. Zonder sociaal vangnet, waren de cao-onderhandelingen hard en tijdrovend. Over iedere gulden werd onderhandeld, desnoods gestreden.

We werkten hard en aan het einde van de dag troffen we elkaar in de buitensociëteit Het Park. Daar werd tot diep in de nacht onder de amandelboom gediscussieerd over politiek, de onafhankelijkheid, maar, met een goed glas whisky, ging het tot in de kleine uurtjes ook over roddel en achterklap.

Het tropenleven was heerlijk. In het weekend gingen we varen op de Marowijnerivier. Bij zonsopgang deinden we stil op die eindeloos brede rivier en luisterden naar de vogels. Een bezoek aan het Indianendorp Galibi was een feest met rum en kasiri (cassavebier). `s Avonds keken we naar de zeeschildpadden op het strand. Dit was Switi Sranan, heerlijk Suriname, en wij waren de gelukkige bewoners van dit paradijs.

III.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk. Zoals velen van onze generatie waren Kenneth en ik voorstander van een onafhankelijk Suriname. Het kolonialisme moest de wereld uit. Maar de manier waarop de onafhankelijkheid tot stand kwam, verdiende geen schoonheidsprijs. Het gebeurde overhaast en met geringe parlementaire legitimatie. Er kwam een nieuwe Grondwet en Suriname kreeg een eigen leger. Ogenschijnlijk veranderde er verder niet veel.

Toch behielden we vertrouwen in de onafhankelijkheid. Suriname leek een stevige, geen perfecte, maar wel een stevige rechtsstaat. De tijd was voorbij dat alle rechters uit Nederland kwamen. Er was een redelijk functionerend parlement, de Staten van Suriname, en een bekwaam ambtenarenapparaat met Surinaamse leidinggevenden.

Er zou wel een transformatie nodig zijn van de koloniale economie, maar daar kwamen ontwikkelingsgelden uit Nederland voor beschikbaar. Kortom, de democratie was verzekerd.

Dat was in veel landen op ons continent heel anders. Toen we voor onderhandelingen in Brazilië waren, zagen we de onverhulde censuur van het militaire bewind aldaar. In de krant O Globo waren hele stukken wit of zwart – onvoorstelbaar in ons Switi Sranan.

Maar op 25 februari 1980 voegt Suriname zich naar de dan geldende Zuid-Amerikaanse normaliteit. Het politiebureau in Paramaribo wordt kapotgeschoten. De regering wordt afgezet. Binnen 24 uur presenteert het Militair Gezag zich op televisie. Mijn nichtje Nathalie zegt dat ze goed moet kijken, want dit zal ze later moeten leren bij geschiedenis.

Wat was er gebeurd?

In 1979 was onrust ontstaan binnen het leger. Militairen wilden een vakbond oprichten, maar de Minister-President was daar tegen. Dit conflict liep hoog op en leidde tot de zogenaamde Sergeantencoup op 25 februari 1980.
Hadden wij dit zien aankomen, in de late uurtjes discussiërend onder de amandelboom in buitensociëteit Het Park? Nee. De coup kwam voor velen van ons als een donderslag bij heldere hemel. Tot onze verbazing was er onder de bevolking ook blijdschap. Veel Surinamers hoopten dat de sergeanten de oude politiek met zijn cliëntelisme aan de kant zouden zetten. Dat het voor iedereen beter zou worden.
De dag na de coup heerste er een vreemde sfeer op ons advocatenkantoor. Sommigen waren zichtbaar blij met de militaire machtsgreep. Kenneth riep alle medewerkers bij elkaar rond de grote mahoniehouten vergadertafel. Hij hield, formeel en plechtig, een toespraak. Daarin zette hij uiteen dat deze coup het einde van de democratische rechtstaat inluidde, dat er geen enkele reden tot vreugde kon zijn en alle reden tot bezorgdheid. Toen pas realiseerde iedereen zich wat er echt aan de hand was.

Ook de militairen zelf maakten al snel duidelijk met harde hand te regeren. Op tv werden beelden vertoond van soldaten die burgers afranselden. Mijn broer Milton werd in 1980 vermoord, zeer waarschijnlijk door militairen. En in maart 1982 werd sergeant Wilfred Hawker, verdacht van een couppoging tegen het Militair Gezag, gewond en vastgebonden op een brancard op televisie getoond. Hij werd op last van het Militair Gezag op zijn brancard standrechtelijk geëxecuteerd.

We maakten ons zorgen. Over Suriname, over onze toekomst, over die van Valérie, ons dochtertje. Voor tirannen zwicht je niet, maar wat doe je wel?

De Orde van Advocaten besloot unaniem zijn ernstige afkeuring over de executie van sergeant Hawker uit te spreken in een brief aan de president van de Republiek Suriname. De Orde vreesde dat het niet bij deze executie zou blijven, dat recht definitief zou moeten wijken voor macht.

Ondertussen was Kenneth Gonçalves gekozen tot deken van de Orde van Advocaten. Ook Harold Riedewald, Eddy Hoost en John Baboeram maakten deel uit van het bestuur van de Orde. Ook zij zouden op 8 december 1982 sterven in Fort Zeelandia.

Tussen augustus en begin december 1982 stelde de Orde van Advocaten ernstige schendingen van het recht systematisch aan de kaak. Zo werden in augustus twee verdachten van een coup, na onderzoek door de Rechter-Commissaris in strafzaken, in vrijheid gesteld. De militaire politie hield hen direct opnieuw aan. De Orde beklaagde zich daarover in een brief aan het Militair Gezag, gericht aan de Bevelhebber van het Nationaal Leger Luitenant-kolonel D.D. Bouterse.

In die paar maanden tussen augustus en december drong de Orde aan op een staatsbestel op democratische grondslagen en verklaarde zich bereid al het mogelijke te doen ter verwezenlijking daarvan. Samen met religieuze organisaties, vakbonden, de vrouwenbeweging, het bedrijfsleven, de pers, landbouwers en medici verenigde de Orde van Advocaten zich in de Associatie voor Democratische Vernieuwing.

Op 15 november 1982, het Divali-feest, feest van het licht, hield de voorzitter van het Beleidscentrum Luitenant-kolonel D.D. Bouterse een televisierede waarin hij aankondigde op welke wijze de leiding van het revolutionair proces een waarachtige democratie zou vestigen gebaseerd op structuren in de samenleving en met inspraak van het volk. De uitgangspunten waren weinig geruststellend. Betoogd werd dat de sociaal en economische belangenbehartiging de essentie is van de democratie. Die zou verwezenlijkt worden door consultatie, participatie, controle en verantwoording door volkscommittee`s en raden. Deze instituten werden door de leiding zelf gecreëerd en niet gekozen op basis van algemene verkiezingen.

In reactie op de televisierede richtte de Associatie voor Democratie Vernieuwing zich in een brief van 23 november 1982 tot de Voorzitter van het Beleidscentrum. De Associatie schreef onomwonden dat het standpunt van het Militair Gezag over de staatsordening getuigde van een totalitaire staatsopvatting, niet van een democratische. De Associatie schreef dat een staatsordening die beantwoordt aan de uitgangspunten van een moderne rechtsstaat, een bestuur kent dat gekozen wordt op basis van eerlijke en geheime verkiezingen en dat functioneert in een evenwichtig politiek systeem, waarin grondrechten gegarandeerd worden. De Associatie pleitte ook voor een heroriëntatie op de positie van het leger.

De rode draad in deze correspondentie is de oproep aan het Militair Gezag tot dialoog om op vreedzame wijze uit de politieke impasse te komen en de democratische rechtstaat te herstellen. Het lukte de Associatie niet om de militaire machthebbers tot een vreedzame dialoog te bewegen. Integendeel. In de nacht van 7 op 8 december werden zestien mannen door de militairen opgepakt, onder hen Kenneth Gonçalves.

Ik heb Kenneth nooit meer levend terug gezien. Samen met 14 anderen, waaronder drie collega`s, werd hij ernstig gemarteld en geëxecuteerd. De voortdurende oproep tot dialoog om te komen tot een democratische staatsordening werd in Fort Zeelandia beantwoord met een overdaad aan kogels.

IV.

In die fatale nacht van 8 december 1982, nu bijna 37 jaar geleden, begon voor ons, nabestaanden, de zoektocht naar waarheid en gerechtigheid.

Vijf jaar later zou er een einde komen aan het militaire bewind. Na verkiezingen in november 1987 keerde het burgerbestuur terug, maar de nieuwe grondwet belastte het Surinaamse leger met het beschermen van de hoogste rechten en vrijheden van land en volk, en met het dienen van de rechtsorde! De regering stelde geen onderzoek in naar de mensenrechtenschendingen onder het militaire bewind. Om verjaring van de Decembermoorden te voorkomen verzochten wij als nabestaanden het Hof van Justitie in Paramaribo in oktober 2000 een onderzoek en vervolging te gelasten. Nog diezelfde maand werd ons verzoek toegewezen. Pas zeven jaar later werden de verdachten, onder wie Desire Delano Bouterse, gedagvaard.

Toen het proces voor de Krijgsraad begon was ik internationaal voorzitter van Amnesty International. In een persbericht juichte Amnesty toe dat na 25 jaar eindelijk berechting zou plaatsvinden. Tegelijkertijd was Amnesty, met het oog op eerlijkprocesgaranties, kritisch over de keuze voor een Krijgsraad, mede omdat er ook burgers terecht zouden moeten staan. Om belangenverstrengeling te vermijden had ik geen stem in de opstelling van Amnesty. In mijn hart had ik de pest aan die kritische noot. Als nabestaande was ik gewoon blij dat er eindelijk recht zou worden gedaan. Als jurist begreep ik Amnesty natuurlijk wel.

Het is nu bijna twaalf jaar geleden dat het proces voor de Krijgsraad begon. Sindsdien verloopt het proces tergend traag.

Met grote tussenpozen hield de Krijgsraad zitting op de voormalige marinebasis te Boxtel, buiten Paramaribo. Ik heb zo veel mogelijk zittingen bijgewoond. Het was afschuwelijk om in de rechtszaal telkens weer met de verdachten te worden geconfronteerd. Het was even afschuwelijk de hoofdverdachte er nooit te hebben gezien.

Ik herinner mij een zitting waarop militairen werden gehoord die op 8 december 1982 in Fort Zeelandia aanwezig waren. Het aanhoren van sommige verklaringen was ronduit choquerend. Ze vertelden nonchalant wie geschoten had en hoe dat was toegegaan, als ware het een ordinaire jachtpartij. Minder verbazingwekkend, misschien, maar even pijnlijk was het haperende geheugen van veel verdachten en getuigen; zij konden zich niets herinneren van die nacht waarin vijftien mensen in Fort Zeelandia werden vermoord.

2010 zorgde voor een historische wending in het Decembermoordenproces: de hoofdverdachte, D.D. Bouterse, werd gekozen tot president van Suriname.

Ik was verbijsterd. In 1980 werden wij overvallen door de militaire coup. De militairen hadden sindsdien laten zien waartoe zij in staat en bereid waren. En nu werd de toenmalige leider van de militaire coup, hoofdverdachte van meervoudige moord, democratisch gekozen tot staatshoofd en regeringsleider. Dit was geen zwichten voor een tiran; hij werd willens en wetens op het schild gehesen.

Even vrezen wij dat het proces wordt stilgelegd. Natuurlijk zijn er de afgelopen jaren ex-dictators vervolgd, zoals in Uruguay en Argentinië. Maar in Suriname is de dictator nu als president terug in het centrum van de politieke macht, is hij opperbevelhebber van het leger en benoemt hij rechters. De beveiliging van de Krijgsraad komt in handen van een dienst die onder rechtstreeks gezag staat van de president, of van de hoofdverdachte van de Decembermoorden. Het is waar wat ze zeggen: bij God en in Suriname is alles mogelijk. In ieder geval dat laatste klopt.

In 2012 wijzigt de Nationale Assemblee, waarin de partij van de president een meerderheid heeft, de Amnestiewet van 1989. De bestaande wet had al betrekking op misdrijven begaan tussen 1985 en 1992. De gewijzigde wet verruimt de reikwijdte tot misdrijven tegen het leven vanaf 1980. De wet beoogt overduidelijk amnestie te verlenen aan Bouterse en alle andere verdachten van de Decembermoorden.

Op de zitting van de Krijgsraad van 13 april 2012 stelt de Auditeur-Militair (de militaire aanklager) dat de nieuwe amnestiewet verdere vervolging voor de Decembermoorden verbiedt, maar dat dit mogelijk in strijd is met het grondwettelijk verbod van inmenging in lopende strafzaken. De Krijgsraad oordeelt dat hij niet bevoegd is om de Amnestiewet rechtstreeks aan dit grondwettelijk inmengingsverbod te toetsen. Die bevoegdheid komt volgens de Grondwet toe aan een Constitutioneel Hof. De Krijgsraad schorst de vervolging totdat over het Constitutionele vraagstuk is beslist.

En zo belanden wij bij Kafka in Suriname. De wetgever meent dat de Krijgsraad gebonden is aan de gewijzigde Amnestiewet; het Openbaar Ministerie wijst op de Grondwet die inmenging in een lopende strafzaak verbiedt; de Krijgsraad beroept zich op de Grondwet die voor constitutionele toetsing van de Amnestiewet verwijst naar het Constitutioneel Hof, dat nog niet bestaat, waarvoor de noodzakelijke wetgeving nog niet bestaat en waarvan de leden zullen worden benoemd door de democratisch gekozen president van Suriname, hoofdverdachte in het Decembermoordenproces en voornaamste beneficiënt van de nieuwe amnestiewet.

Op een massabijeenkomst van zijn partij noemt de president tegenstanders van de amnestiewet staatsvijanden. Botst de rechtsstaat op de democratie? Wij, nabestaanden – en we zijn vast en zeker ook staatsvijanden –, vragen het ons vertwijfeld af.

Hoe nu verder? De redding komt van onverwachte zijde, letterlijk uit verdachte hoek. Een voormalige militair zegt onschuldig te zijn en wil dat ook bevestigd zien in een vrijspraak door de Krijgsraad. De schorsing van de vervolging vanwege de Amnestiewet ontneemt hem die mogelijkheid. Hij gaat daarom in hoger beroep tegen de schorsing. Op 27 januari 2014 doet het Hof van Justitie uitspraak in het hoger beroep. Het Hof oordeelt dat de schorsing van de vervolging in strijd is met het Wetboek van Strafvordering. Het Hof benadrukt voorts dat de Krijgsraad zich er kennelijk geen rekenschap van heeft gegeven dat de eerste vervolgingsdaad dateerde van twaalf jaar geleden, zodat het recht van verdachte op berechting binnen redelijke termijn al ruimschoots was overschreden. Toch is er ruim een jaar later nog geen beweging in het proces. Ten einde raad doen advocaten van de nabestaanden op 12 mei 2015 een verzoek bij het Hof van Justitie om de Procureur-Generaal te bevelen de vervolging voort te zetten. Op 27 november 2015 beveelt het Hof van Justitie de vervolging tegen Bouterse en zijn medeverdachten voort te zetten.

Het constitutionele vraagstuk is nog steeds niet opgelost, maar op 9 juni 2016 hakt de Krijgsraad eindelijk de knoop door. Hij laat de gewijzigde amnestiewet buiten beschouwing, geeft voorrang aan het recht van verdachten op een eerlijk proces binnen redelijke termijn en hervat de strafzaak. Op 30 juni 2016 zal de Auditeur Militair zijn requisitoir houden.

Een dag voordat de strafzaak zal worden voortgezet, doet de regering van de inmiddels herkozen president Bouterse, nog één poging tot obstructie. De Procureur-Generaal krijgt het bevel om met onmiddellijke ingang de vervolging te stoppen. Volgens de Grondwet bepaalt de regering het algemene vervolgingsbeleid en kan zij om redenen van staatsveiligheid ook in concrete gevallen de Procureur-Generaal bevelen omtrent de vervolging.

Weer wordt het Decembermoordenproces vertraagd.

De Krijgsraad besluit op 30 januari 2017 dat het bevel van de regering verdere vervolging niet in de weg staat. Het bevel is immers gericht tot de Procureur-Generaal en niet tot de Krijgsraad. Het Openbaar Ministerie tekent hoger beroep aan bij het Hof van Justitie. Dit beroep faalt. De zitting van de Krijgsraad wordt hervat op 28 juni 2017. De Auditeur-Militair houdt onmiddellijk zijn requisitoir.

Bijna 35 jaar na de Decembermoorden, bijna zeventien jaar na aanvang van het proces hoor ik de militaire aanklager eindelijk zeggen:

“De onherstelbare schade aangericht aan de slachtoffers, hun nabestaanden en het Surinaams volk maakt dat de vervolging de Krijgsraad vraagt de verdachte voor het wettig en overtuigend bewezen geachte te willen opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.”

En weer wachten wij, inmiddels al twee jaar. Niet op een proces, niet op de voortzetting ervan, maar op een vonnis.

Na de standrechtelijke executie van sergeant Hawker was evident dat de toenmalige Surinaamse militaire machthebbers niet schroomden met grof geweld op te treden tegen verzet. Toch aarzelden veel critici niet om, slechts gewapend met een pen, zich uit te spreken tegen de dictatuur. In die donkere dagen zei Kenneth mij dat hij niet zou willen dat zijn dochter hem later zou vragen wat hij toen eigenlijk had gedaan. Zijn dochter kan het hem niet meer vragen, maar ze weet het antwoord. Kenneth Gonçalves is niet gezwicht.

Aan Kenneths moeder werd eens gevraagd wat er met Desi Bouterse moest gebeuren. Zij begon niet over straf en vergelding. De bruidsjurkenontwerpster zei dat ze Bouterse graag eens in de ogen zou kijken en vragen: waarom heb jij dit met mijn zoon gedaan?

V.

Na de Decembermoorden ben ik nog bijna een jaar in Suriname gebleven waarin ik de advocatenpraktijk voortzette. Het was een angstige, bedreigende en bevreemdende periode. Soms werd ik `s nachts plotseling wakker. Vanwege de avondklok was het buiten doodstil. Ik wachtte op het geluid van naderende auto’s. In de nacht haalden ze mensen op. Maar ook schrok ik soms wakker omdat ik me afvroeg of ik door al die narigheid niet vergeten was hoger beroep in te stellen voor een cliënt. Te midden van het grote onrecht probeerde ik het kleine recht te blijven nastreven, misschien als houvast in een ontwrichte wereld.

Maar na een jaar vluchtte ik. Op 26 november 1983 landde ik met mijn dochter, onze dochter, Valérie op Schiphol. Het was een grauwe dag. Uit mijn Leidse jaren wist ik dat die dag professor Cleveringa zou worden herdacht. Ook hij verzette zich met het woord. Tegen de Nazi’s. Het gaf mij op een vreemde manier wat moed om juist op deze dag aan te komen in Nederland.

Ik vraag asiel aan en Valérie en ik krijgen de status van politiek vluchteling. Ik vraag niet de Nederlandse nationaliteit aan. Ik ben niet van plan te blijven. Ik ga terug! Ik weet alleen niet wanneer.
We gaan aan de slag. Huis op orde en een leuke school voor Valérie, die nu vier jaar is. Ik heb geluk en kan direct aan het werk als advocaat op een gerenommeerd kantoor. We gaan het wel redden, zij en ik, in Nederland.

Iedere vrijdag moet ik mij als vluchteling melden bij de Vreemdelingendienst op het Waterlooplein. Daar zit ik dan in mijn “power suit” en tel de verloren declarabele uren. De wachtkamer is altijd vol. Als ik alvast ga staan omdat ik bijna aan de beurt ben, wordt me door een ambtenaar toegesnauwd onmiddellijk weer te gaan zitten. Hij klinkt autoritair en confronteert mij weer met willekeurige machtsuitoefening, ook als is het nu van een kleine ambtenaar in gewone tijden.

De maanden verstrijken en het gaat niet beter in Suriname. Ik begin me te realiseren dat onze situatie, vooral die van mijn dochtertje, kwetsbaar is. Mijn enige broer is in 1980 vermoord, mijn man twee jaar later. Een groot deel van de familie is gevlucht. Als mij iets overkomt, is Valérie beter af in Nederland. Ik besluit om toch de Nederlandse nationaliteit aan te vragen.

Die krijg ik, als een prinses, per kerende post. Daar ligt mijn nieuwe nationaliteit, dreigend op de deurmat. Ik weet mij geen raad.
Ik ben Surinaamse.

Dat onbehagen over mijn nieuwe nationaliteit ebt langzaam weg. Het gaat ons goed in Nederland. Ik ben dankbaar en erkentelijk en ik voel me hier thuis. Niet alleen in de straat waar ik woon, of op de Albert Cuypmarkt of de meer deftige markt op mijn pleintje, en in mijn buurtcafé Welling, maar ook te midden van mijn vrienden, van Amnesty en zoveel andere besturen, tussen ondernemers, ambtenaren, Kamerleden en ministers.

Toen ik jaren geleden in Nederland aankwam voelde ik mij ontheemd, maar welkom. Het voorbehoud kwam van mij, niet van Nederland.
Nu vraag ik mij af, als ik nú onder gelijke omstandigheden zou moeten vluchten zou ik dan nog welkom zijn. Of zouden de mensen onder wie ik me nu zo thuis voel er meer in zien om mij met een klein kind aan de hand direct na aankomst heen te zenden, naar een vluchtelingenkamp, naar mijn regio van herkomst. Zou dat een menswaardige plek zijn of een erbarmelijk opvangkamp? Ik weet het niet en ik ben bezorgd omdat ik op een van de grootste problemen van onze tijd, de migratie, inclusief de gedwongen migratie, de vlucht, waar ik zelf ook deel van uitmaak, steeds minder medemenselijke antwoorden zie.

VI.

In 2015 mocht ik figureren in de documentaire Suriname Revisited over 40 jaar onafhankelijkheid. Dat was voor mij een unieke gelegenheid om mijn land vanuit verschillende invalshoeken te bezien. Ik kwam daardoor in gesprek met veel mensen in Suriname die ik niet kende, ook met jongeren.

Het gaat economisch slecht, de middenstand is door de inflatie weggevaagd en de armoede is toegenomen. Het onderwijs is hollend achteruitgegaan, de geschiedenisboekjes worden gecensureerd, mensenrechtenonderwijs is verboden.

Ik had confronterende gesprekken met jongeren die nadrukkelijk verkondigden dat we de Decembermoorden achter ons moesten laten, vergeten en vergeven, het was al zo lang geleden. Ook was er soms een schrijnende ondertoon. Jij bent weggegaan en je hebt het goed in Nederland, je hebt hier geen recht van spreken meer. Ik voelde mij vreemdeling in eigen land. Suriname – het is toch ook mijn land?
En toch… het was een positieve ervaring mensen te ontmoeten die onder moeilijke omstandigheden hun idealen proberen te verwezenlijken.

En er zijn tekenen van hoop. De civil society laat weer duidelijk van zich horen in Suriname. Toen bekend werd dat de President aan de Procureur-Generaal ontslag had aangezegd, omdat deze hem niet tegen vervolging had kunnen beschermen, kwam er van alle kanten kritiek. Bijna alle organisaties die zich in 1982 verenigd hadden in de Associatie voor Democratie richtten weer protesten tot het gezag. Ook de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie lieten van zich horen.

De man die als bevelhebber de Grondwet aan de kant zette, voert als president, met de Grondwet in de hand, strijd tegen de Staat om de loop van het recht tegen te gaan. Niettemin wordt in de media uitvoerig en inhoudelijk over de Grondwet gedebatteerd door juristen, journalisten en vele anderen. Het militaire bewind heeft tegenstanders gedood, maar in de jaren na het militaire bestuur is de Grondwet geen dode letter geweest. Dit biedt hoop dat de formele democratie in Suriname langzaam maar zeker ook een materiële democratie wordt: een samenleving gestoeld op principes van de ware democratie waar de Associatie voor Democratie voor heeft gestreden!

VII.

Toen ik de uitnodiging kreeg om hier vandaag te komen spreken, dacht ik terug aan een dag in 1984. Ik zit in tram 16 op weg naar de Vreemdelingendienst. Bij het Weteringcircuit zie ik voor het eerst de dichtregels: “Een volk dat voor tirannen zwicht zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Ik krijg een brok in mijn keel en thuisgekomen zoek ik op wie Van Randwijk was.

Vandaag vieren wij zijn moed en die van alle anderen die zich met gevaar voor eigen leven hebben ingezet voor onze vrijheid. Die viering en herdenking is nodig, niet alleen vanwege de geschiedenis die wij niet mogen vergeten, maar ook omdat die vrijheidsstrijd nog dagelijks gevoerd moet worden. In Suriname. In Soedan. In Venezuela.
De weg is lang en vol tegenslagen, ik kan u dat verzekeren.
Henk van Randwijk bemoedigt verder te bouwen aan een wereld die niet voor tirannen zwicht.

Ik dank u voor uw aandacht.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter