blog | werkgroep caraïbische letteren

Wij zijn koloniale lezers

door Remco Raben

Zojuist legde ik de laatste hand aan een stukje over de romans van Carry van Bruggen over Deli. Ze schreef er drie: de verhalenbundel ’n Badreisje in de tropen (1909) en de romans Goenong-Djatti (1909) en Een Indisch huwelijk (1921).

Het was nogal een uitdaging om dit werk te analyseren. Bij eerste lezing lijken de romans en verhalenbundel nogal oppervlakkig en een beetje taartig. Ze spelen zich vooral op de voorgalerij af en gaan over de roddels en relaties van de Europese elite in het plantersbolwerk Deli. Ik had de opdracht om het werk op ‘postkoloniale’ wijze te lezen, maar dat beloofde geen spannende exercitie te worden. Van Bruggens observaties van de omringende samenleving zijn schetsmatig en in onze ogen zelfs racistisch. Aziaten verschijnen slechts in de kleuren bruin, geel en zwart en Indische Nederlanders zijn promiscue en emotioneel labiel. De meeste koloniale clichés blijven intact. Voor een koloniale lezer is het vrij vlak; voor een postkoloniaal criticus te rolbevestigend.

Er zijn drie redenen waarom deze boeken toch vreselijk interessant zijn. In de eerste plaats tonen ze waar Carry van Bruggen in de periode van schrijven mee bezig was – en dat was iets anders dan een beschrijving van de plantagesamenleving. Ten tweede laat ze iets heel belangrijks zien over de vreemdheid van de expat in de tropen. En ten slotte zegt haar werk iets over onszelf.

Carry van Bruggen schreef tijdens haar driejarig verblijf in Medan voor de Deli-Courant, waar haar man Kees hoofdredacteur was. Ze maakte onder meer wekelijks de rubriek ‘Iets voor onze dames’. Die stukjes gingen vaak over de positie van vrouwen en sneden progressieve onderwerpen als reformjurken en de noodzaak van vrouwelijke artsen aan. Vreemd is dat literatuurhistorici nauwelijks naar die columns hebben gekeken, want ze werpen een ander licht op haar romans. Met deze bril lezend, zien we dat zij herhaaldelijk commentaar op de sekseconventies levert en meer bezig is met vraagstukken over vrouwelijke individualiteit en de instabiliteit van huwelijkse ideaalbeelden dan met koloniale maatschappijkritiek.

Toch komt de koloniale samenleving er beslist niet genadig van af. Van Bruggen laat in haar romans duidelijk zien hoezeer Hollandse mensen in wezen vreemdelingen in de kolonie zijn. Het meest expliciet maakt Van Bruggen dit punt in het verhaal ‘Bij ’t heengaan’ in ’n Badreisje in de tropen. Ze schrijft: ‘[De Nederlanders] zijn geen deel van ’t land. Ze hooren er ook niet, evenmin als je-zelf.’ Veel van haar werk gaat over vervreemding en ontworteling.

Er is nóg iets anders aan de hand met die verhalen. Tot nu toe werden ze meestal gelezen als een beschrijving van de planterssamenleving in Deli. Maar daarin vielen Van Bruggens werken nu juist tegen. Ze zou er te kort zijn geweest en weinig affiniteit met Indië hebben ontwikkeld. Het ‘Indische’ gehalte van de romans zou te gering zijn. Dat oordeel heeft te maken met de mythevorming rond wat Indische letteren behelzen.

Veel literatuurhistorici die zich met koloniale literatuur bezighouden gaan ervan uit dat ‘Indische’ romans doorgaans een sterk documentair karakter hebben. De vader van deze gedachte was de schrijver en literatuurhistoricus Rob Nieuwenhuys. Hij beweerde dat de koloniale literatuur voortkwam uit de brieven naar huis en dat ze bedoeld was om aan het thuisfront verslag te doen van het leven in de kolonie. Zou het waar zijn? Zou de koloniale roman bij uitstek autobiografisch zijn, meer dan een andere willekeurige roman? Of zijn wij het, de lezers, die dit in de romans willen zien om deelgenoot te worden in het koloniale avontuur?

Kennelijk beoordelen we schrijvers van koloniale romans vooral op hun vermogen de koloniale samenleving te documenteren. Carry van Bruggens werken, zo is herhaaldelijk beweerd, schieten daarin tekort. Maar zegt dat nu iets over de schrijver of over de lezers? De koloniale samenleving oefent een eindeloze aantrekkingskracht uit. Het documentaire verlangen zit net zo hard in de beschouwer als in de schrijver.

Wij zijn koloniale lezers.

Het uitgebreide stuk, als het het oordeel van de redactie overleeft, verschijnt volgend jaar in een bundel van Jacqueline Bel, Rick Honings en Coen van ’t Veer, getiteld De koloniale spiegel.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter