Wie wij morgen zijn
Babs Gons en de vraag naar verantwoordelijkheid in een verhard klimaat
Met Wie zijn we morgen bundelt Babs Gons de gedichten die ontstonden tijdens haar dichterschap van Nederland (2023–2025) en in de jaren daaromheen. Wat op het eerste gezicht een verzameling gelegenheidsteksten zou kunnen zijn, blijkt een opvallend coherente bundel. Gons brengt persoonlijke, maatschappelijke en historische lijnen samen in een poëzie die zich nadrukkelijk tot de wereld richt. In een tijd waarin het maatschappelijke klimaat zichtbaar verhardt, stelt deze bundel een eenvoudige maar indringende vraag: niet alleen wie wij zijn, maar wie wij bereid zijn te worden.
De stem als vertrekpunt
Wat onmiddellijk opvalt is hoe sterk de bundel geworteld blijft in de orale traditie waaruit Gons voortkomt. Haar achtergrond in de spoken word is hier geen stilistisch kenmerk, maar een dragend principe. Cadans, herhaling en ritmische opbouw geven de gedichten hun kracht; ze zijn geschreven om te klinken, om gehoord en gedeeld te worden.
In een gedicht als We werden gebombardeerd wordt die techniek ingezet om een ervaring van voortdurende dreiging voelbaar te maken. Door alledaagse handelingen telkens te laten botsen met geweld, krijgt het gedicht een accumulatieve werking: wat begint als beschrijving, wordt gaandeweg bijna lichamelijk. Die directheid typeert de bundel als geheel.

Daarmee positioneert Gons zich anders dan meer beschouwende stemmen in het huidige debat. Waar schrijvers als Karin Amatmoekrim de historische en structurele dimensies van ongelijkheid analyseren, en Janice Deul de mechanismen van representatie en uitsluiting kritisch bevraagt, verplaatst Gons vergelijkbare thematiek naar het register van ervaring en aanspreking. Haar poëzie wil niet alleen duiden, maar iets in beweging zetten.
Geschiedenis als morele spiegel
Die inzet wordt al in het openingsgedicht zichtbaar. De vraag aan welke kant van de geschiedenis wij zouden hebben gestaan, wordt niet als vrijblijvende gedachteoefening gesteld, maar als morele confrontatie. Het verleden verschijnt niet als afgesloten periode, maar als maatstaf voor het heden.
In verschillende gedichten keert dat besef terug. De slavernijgeschiedenis, diaspora en vergeten verhalen, zoals die van zwarte soldaten, worden niet uitgewerkt als historische reconstructies, maar als elementen van een gedeeld en doorwerkend verleden. Figuren en geschiedenissen resoneren in het nu, waardoor de vraag uit de titel steeds opnieuw geladen wordt. ‘Morgen’ fungeert daarbij niet als abstract toekomstbeeld, maar als verlengstuk van wat al aanwezig is.
Zorg als tegenkracht
Wat de bundel onderscheidt, is dat zij niet blijft steken in het aanwijzen van onrecht. Steeds opnieuw verschuift de aandacht naar zorg en aandacht als elementaire voorwaarden voor samenleven. Gons schrijft over wat vaak buiten beeld blijft: mantelzorg, rouwarbeid, stille eenzaamheid.
In Er zou een gedicht moeten zijn richt zij zich expliciet op degenen die het leven van anderen dragen. In Het stille sterven confronteert zij de lezer met een eenzaamheid die zich aan het zicht onttrekt. Deze gedichten maken duidelijk dat de crisis die hier wordt opgeroepen niet alleen politiek of institutioneel is, maar ook relationeel van aard.
Diezelfde invalshoek krijgt scherpte in gedichten die raken aan migratie en grenzen. In Alsof we buren zijn wordt solidariteit teruggebracht tot herkenbare handelingen, juist op het moment dat die niet langer vanzelfsprekend zijn. De politieke spanning schuilt hier niet in grote woorden, maar in het alledaagse gebaar.
Het ‘wij’ als voorstel
De bundel wordt gedragen door een nadrukkelijk ‘wij’. Dat ‘wij’ is ruim en uitnodigend, maar niet vrijblijvend. Het fungeert als een voorstel: een manier om gemeenschap te denken voorbij de uitsluiting die het publieke debat vaak bepaalt.
Tegelijkertijd roept dit ‘wij’ ook spanning op. Het veronderstelt een gedeelde verantwoordelijkheid die niet vanzelf spreekt. De gedichten formuleren die verantwoordelijkheid veelal helder en expliciet, waardoor er minder ruimte ontstaat voor twijfel of tegenspraak. Dat geeft de bundel overtuigingskracht, maar kan in de geschreven vorm ook de behoefte oproepen aan meer frictie en meerduidigheid.
Poëtica en positie
Die helderheid hangt samen met een expliciete poëtische keuze. In Een beschaafd gedicht keert Gons zich tegen een traditie waarin terughoudendheid en neutraliteit de norm zijn. In plaats daarvan kiest zij voor een poëzie die ruimte maakt voor emotie, ritme en veelstemmigheid, en die zich niet losmaakt van de gemeenschap waarin zij ontstaat.
Daarmee neemt zij een duidelijke positie in binnen het literaire veld. Haar werk sluit aan bij een bredere beweging waarin vragen rond geschiedenis, identiteit en rechtvaardigheid centraal staan, maar onderscheidt zich door de nadruk op stem en voordracht.. Waar anderen analyseren of bevragen, kiest Gons ervoor om te spreken en te verbinden.
Slot
Wat Wie zijn we morgen overtuigend maakt, is niet dat de bundel antwoorden aanreikt, maar dat zij de vraag blijft herhalen en verdiepen. De gedichten bewegen zich telkens rond dezelfde kern, zonder die volledig vast te leggen.
Niet elk gedicht zoekt de complexiteit op en niet overal ontstaat spanning, maar de inzet is consequent. Samenleven verschijnt hier niet als abstract ideaal, maar als een dagelijkse praktijk van aandacht, zorg en verantwoordelijkheid.
In een tijd waarin de neiging tot afbakening en verharding toeneemt, biedt Gons geen sluitend alternatief, maar een houding. In die zin is deze bundel geen eindpunt, maar een uitnodiging: om opnieuw te kijken naar onze verhouding tot elkaar.
Wie wij morgen zijn, suggereert deze poëzie, wordt bepaald door wat wij vandaag bereid zijn te erkennen, en door de mate waarin wij daarin verantwoordelijkheid nemen.