blog | werkgroep caraïbische letteren

Wetenschappers bepleiten Koninkrijkscultuurfonds

Den Haag – Tien wetenschappers uit alle delen van het Koninkrijk vinden dat er een fonds moet komen om de samenwerking op de terreinen van cultuur, cultuureducatie en -wetenschap tussen Nederland, Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba te bevorderen.

 

Prof.dr. Gert Oostindie en dr. Valika Smeulders overhandigen het pleidooi voor een Koninkrijksbreed cultuurfonds aan vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk Thom de Graaf.

De tien hebben als team van Traveling Caribbean Heritage Koninkrijksdag aangegrepen om daarvoor te pleiten. Zij wijzen er op dat de leemte die is ontstaan door de opheffing van de Adviesraad voor Culturele Samenwerking en Sticusa eind jaren tachtig nooit is ingevuld, in de veronderstelling dat Nederland en de Caribische delen toch uit elkaar zouden gaan.

Het tegenovergestelde is gebeurd: sinds de staatkundige hervorming van 2010 hebben de eilanden bestuurlijk alleen maar een intensievere, directe relatie met Den Haag gekregen. Maar niet op het gebied van cultuur, cultuureducatie en -wetenschap en ,,dat moet anders, en dat kan ook anders, met beperkte middelen, zeg enkele miljoenen euro op jaarbasis – en mits de betrokken landen hiertoe de politieke wil uitspreken”, aldus de tien wetenschappers.

Een pleidooi voor culturele samenwerking in het Koninkrijk

Het Koninkrijk der Nederlanden is trans-Atlantisch en zal dat vermoedelijk nog lang zijn. De afgelopen decennia zijn de betrekkingen tussen Nederland aan de Noordzee en de Caribische delen van het Koninkrijk geïntensiveerd, door migratie, maar ook in bestuurlijke zin. Het uit 1954 daterende Statuut biedt alle ruimte voor zo’n versterking van de bestuurlijke betrekkingen tussen de autonome landen van het Koninkrijk. Bij de ontmanteling van de Nederlandse Antillen in 2010 zijn drie Caribische eilanden zelfs in Nederland geïntegreerd. Er wordt dan ook op vele terreinen intensief samengewerkt, in traditionele domeinen zoals Buitenlandse Zaken en Defensie, maar bij voorbeeld ook in de sfeer van rechtshandhaving en financieel beleid. De taken die de Koninkrijksregering heeft worden vandaag ruimer gedefinieerd dan voorheen, of het nu gaat om het waarborgen van deugdelijk bestuur of het stimuleren van samenwerking op zich.

Er zijn echter ook terreinen waar die samenwerking niet of onvoldoende gestalte krijgt. Een daarvan is het domein van cultuur, cultuureducatie en -wetenschap. Dit zijn domeinen die krachtens het Statuut primair tot de aangelegenheden van de afzonderlijke landen behoren, en dat moet vooral zo blijven. Het is echter wel opmerkelijk dat de Koninkrijksregering sinds de ontmanteling van de Adviesraad voor Culturele Samenwerking en de Sticusa, eind jaren tachtig, geen serieus initiatief meer heeft genomen om de samenwerking op dit terrein institutioneel vorm te geven. Dat is vreemd. Die ontmanteling eertijds was ooit gedacht als element van het definitieve afscheid dat Nederland en de Antillen van elkaar zouden nemen. Dat afscheid kwam er niet, maar deze breuk werd niet hersteld.

Vreemd dus, maar ook betreurenswaardig. Al decennia vindt alle samenwerking in de sfeer van cultuur, cultuureducatie en -wetenschap plaats op ad hoc-basis. Gezien de asymmetrie in schaal en middelen zijn de Caribische (ei)landen daarbij gewoonlijk de vragende partij, en is de Haagse belangstelling veelal lauw – er zijn altijd belangrijker zaken te bespreken, ook in de sfeer van Koninkrijksrelaties. Dat verhoudt zich slecht met basisbegrippen van het Statuut als ‘wederkerigheid’ en ‘gelijkwaardigheid’. Het verhoudt zich ook slecht met het streven diversiteit in Nederland en in het Koninkrijk serieus te nemen.

De afwezigheid van een overkoepelende instantie die de culturele samenwerking binnen het Koninkrijk coördineert betekent dat er weinig lijn en continuïteit is te ontdekken in allerlei op zich mooie en constructieve vormen van samenwerking die wél zijn ontwikkeld. Op een enkel terrein, zoals dat van de monumentenzorg, lijkt de trans-Atlantische samenwerking solide. Op andere terreinen, zoals dat van de kunsten, hebben Nederlandse instanties zoals het Mondriaan Fonds en het Fonds Podiumkunsten enig budget gereserveerd voor Nederlands-Caribische aanvragen. Maar op de terreinen die wij het best kennen en waar wij de afgelopen decennia hebben samengewerkt – cultureel erfgoed, geschiedenis en canon, onderzoek naar geschiedenis en cultuur – zagen we een bescheiden reeks van op zichzelf staande projecten, maar weinig samenhang en lange adem. Dat is niet vreemd. Voor cultureel erfgoed en cultuureducatie zijn er wat lokale potjes op de eilanden, maar die reiken niet ver; fondsen voor historisch en antropologisch onderzoek zijn er vrijwel niet. Voor Nederlandse fondsen is het Caribische deel van het Koninkrijk op zijn best een bijzaak, en weten potentiële Caribische partners deze fondsen niet goed te vinden. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar de Cariben heeft het ministerie van OCW dan wel sinds 2014 via NWO geoormerkte middelen beschikbaar gesteld, maar daar geldt weer dat onderzoek naar cultuur en geschiedenis hiervan slechts een klein deel uitmaakt, terwijl er bovendien geen garantie van continuïteit is.

Dat moet anders, en dat kan ook anders, met beperkte middelen, zeg enkele miljoenen euro op jaarbasis – en mits de betrokken landen hiertoe de politieke wil uitspreken. Wat wij bepleiten is dat in Koninkrijksverband meerjarig fondsen beschikbaar worden gesteld voor samenwerking op de terreinen van cultuur, cultuureducatie en -wetenschap, en dat dit ook institutioneel wordt vormgegeven. Het is niet onredelijk dat het zoveel rijkere Nederland het leeuwendeel van de begroting voor zijn rekening neemt. Van de Caribische partners mag een uitgesproken betrokkenheid worden gevraagd en ook concrete bijdragen, ook in natura.

Hoe dit precies vorm moet krijgen is een punt van later zorg – eerst gaat het om het wederzijds uitspreken van een bereidheid. Vervolgens kan worden besproken of er moet worden aangestuurd op het aanhaken bij een bestaand fonds, zoals het Prins Bernhard Cultuurfonds, bij instituties als de nationale UNESCO-commissies of bij de Nederlands-Caribische universiteiten, dan wel of er iets nieuws in het leven moet worden geroepen, hoe dan ook los van de politiek – zo is althans onze overtuiging. In alle gevallen zou de belangrijkste taak van dit gremium zijn het ontwikkelen van een duidelijke visie op deze domeinen, de ondersteuning van de trans-Atlantische samenwerking en het toezicht op de evenwichtige verdeling van het jaarlijkse budget.

Wat mogen wij inhoudelijk van zo’n fonds verwachten, afgezien van het bevorderen van samenwerking en continuïteit en het toezicht houden op kwaliteit? Het is niet aan ons hier al voortvarend van alles in te vullen, maar wij kunnen wel wat voorbeelden geven. Zo denken wij uiteraard aan het opsporen, bestuderen, conserveren en uitwisselen van cultureel erfgoed in de breedste zin, en aan cultuureducatie, maar meer specifiek ook aan zaken als het opbouwen van een digitale infrastructuur voor het Nederlands-Caribische cultureel erfgoed of het naar een hoger niveau brengen van debatten over al dan niet gedeeld cultureel erfgoed, over gezamenlijke geschiedenis, historische canons en hun plaats in het onderwijs, over hedendaagse culturele diversiteit én samenhang, en over de talen van het Koninkrijk. Zo kan dit initiatief een bijdrage leveren aan het verbinden van particuliere, niet-gouvernementele cultuur- en erfgoedorganisaties in de verschillende landen en eilanden van het Koninkrijk.

Het Koninkrijk heeft zo’n impuls nodig, omdat wij elkaar aan weerszijden van de Atlantische oceaan serieus moeten nemen, omdat er over en weer nog zoveel van elkaar te leren is, en omdat zoveel mooie initiatieven nu blijven steken in bestuurlijk drijfzand. Dat kan anders, er is voor ons allen een wereld te winnen als we ook in de sfeer van cultuur en erfgoed meer en beter samenwerken.

Het team van Traveling Caribbean Heritage

Dr. Rose Mary Allen, University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez
Dr. Luc Alofs, Universiteit van Aruba
Dr. Artwell Cain, Universiteit van Aruba
Dr. Liesbeth Echteld, University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez
Liliane de Geus, MA MSc, Fuhikubo Bonaire
Dr. Margo Groenewoud, University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez
Prof.dr. Gert Oostindie, KITLV & Universiteit Leiden
Dr. Angela Roe, University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez
Dr. Valika Smeulders, KITLV
Prof.dr. Alex van Stipriaan, Erasmus Universiteit Rotterdam & KITLV

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter