blog | werkgroep caraïbische letteren

Waar! Waar zijn de dichters gebleven?

door Els Moor
Schrijver Rappa ( Robby Parabirsing) hield op 27 juni een inleiding over nieuwe ontwikkelingen in de Surinaamse dichtkunst.  Hij begon met een gedicht van de jonge dichter Gianni Wip, waarvan de eerste regel de titel van Rappa’s  inleiding en ook van dit artikel is: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’[zie de integrale tekst van Rappa’s lezing hieronder – red. CU]
Marlon Tjung Agnie, illustratie uit Rappa’s Fromoe Archie (1984)
Rappa begint met terug te kijken. Vanaf de zestiger jaren tot de periode rond de onafhankelijkheid, srefidensi’  bloeide de eigen poëzie in Suriname. De dichtkunst maakte deel uit van  de bewustwording van de eigenheid van Suriname wat betreft cultuur en kunst. De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ is daar een duidelijk voorbeeld van. In 1970 verscheen de eerste druk van de door Shrinivasi samengestelde bundel  Wortoe d’e tan abra, waarin gedichten van zeventien dichters, geschreven vanaf 1957,  in het Sranan en in het Nederlands, staan. Als ik de bundel nu weer doorblader, begrijp ik de regel van  Gianni Wip steeds beter: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’ In deze bundel staan veel  gedichten van hoge kwaliteit, die ‘klassiek’geworden zijn in de loop van de tijd, vooral ook in het Sranan. Iedereen kent toch ‘bro’ van Trefossa, ‘wan’ van Dobru, of  ‘orfeu negro’ (‘mi sa singi/a son/ opo kon) van Michael Slory? Eind jaren zeventig  behoorde de bundel tot het lesmateriaal van de kweekschool, het SPI. Wekelijks las ik een gedicht met de studenten en we spraken erover: wat is er zo bijzonder aan dit gedicht? Wat spreekt ons erin aan? Sommige studenten kenden al gauw gedichten uit het hoofd en droegen die voor. Dan genoten we van de mooie klankeffecten, vooral in het Sranan.
Rappa heeft het niet over over de kwaliteit van deze gedichten. Hij geeft aan hoe het verdergaat met de poëzie in Suriname tot en met de vele literaire festivals van de laatste jaren, waar  gedichten van nieuwe Surinaamse dichters, ook veel vrouwen,  klonken en  in bundels werden aangeboden, ook in het Engels. Suriname is dan deel geworden van  het Caraïbisch gebied, ook op het gebied van literatuur.
Rappa stelt een belangrijke vraag als hij het heeft over de vaak tijdgebonden ‘producten van dichtenden’ uit de jaren tachtig: konden die wel allemaal gerekend worden tot ‘poëzie’? Wat valt daar wel of niet onder? En de rijmpjes uit onze kleuter- en lagere schooltijd? Waar moet een dichter allemaal rekening mee houden? Is een dichter wel vrij? Dit houdt hem kennelijk bezig. In 2010 stelde hij een boekje samen met: 41 spontane reacties op het gedicht “Recreëren te Domburg” van  Alphons Levens. Individuele meningen komen erin voor over het gedicht van Levens en veel reacties van de inzenders op elkaars stukken.  Het is interessant om het boekje weer te lezen. Wat eruit naar voren komt is dat Levens gedichten maakt die een beeld geven van de maatschappij van alledag, informatieve poëzie dus, gericht op een algemeen publiek, vooral van krantenlezers. ‘Prozaïsche poëzie’, lezen we in een van de reacties. Het gedicht  heeft wel degelijk kenmerken van poëzie, zoals de vorm in strofen,  maar experimenten met klank, symboliek en woordkeus ontbreken, kenmerken van die poëzie die onder ‘literaire kunst’ valt.  De realistische inhoud  maakt de gedichten van Levens wel herkenbaar voor een groot leespubliek. 
Dat brengt ons bij een belangrijk punt: een gedicht wordt geschreven met een bepaald doel en voor een bepaald publiek. Daarnee hangen taal en vorm dan samen. Versjes voor jonge kinderen moeten aansluiten bij hun leefwereld, en speels en creatief zijn. ‘Een blie  bla  bloe blawki / zat op een tie ta toe takje/ dat tie ta toe takje/ brie bra broe brak […]’. Het staat in de bundel Popki Patu1 van  Orlando Emanuels en niet alleen kleine, maar ook grotere kinderen vinden het een leuk, ‘spel met de taal’, en ze zingen het en dansen erop. Een andere doelgroep kan het personeel en de relaties van een grote firma zijn in verband met  een jubileumboek, waarin ook een gedicht staat dat de oprichter, of directeur, eert. Zo’n gedicht zal niet spottend zijn, maar liefdevol en in keurige bewoordingen. 
Gedichten kunnen ook kunst zijn, literaire kunst. Literaire kunst en beeldende kunst zijn vergelijkbaar, maar beeldende kunst zie je echt voor je en literaire kunst moet je lezen en dan maar afwachten of de woorden beelden worden, hun materiaal is de taal en dat  is voor velen heel moeilijk. Dat is minder het geval met de mooie gedichten in het Sranan uit Wortoe d’e tan abra. Maar wat maakt een werk tot ‘kunst’?
Soekri Irodikromo – Wayang, verbeelding I, acryl op doek, 70 x 70 cm
‘Maskers’ heet een schilderij van Soeki Irodikromo uit 1992 dat afgedrukt staat in Talent; Uit de kunstcollectie van de Centrale Bank van Suriname (2007). Steve Ammersingh schrijft erbij: ‘De maskers staan voor het beeld dat mensen voor elkaar plegen op te houden, iets anders dan het ware gezicht. Mooie maskers om te bekoren, te verlokken, te verbloemen. Lelijke maskers om te intimideren, af  te schrikken, onverschillige maskers om te verhullen, te verbergen.’ In de wirwar van kleuren komen de maskers met zo verschillende uitdrukkingen helder over. Je kijkt ernaar, je geniet, je ontdekt de symboliek. Je kijkt er vaker naar en steeds ontdek je weer iets in de combinatie van vormen, kleuren en voorstelling. Het werk is gemaakt vanuit de javaanse cultuur, maar het is voor iedereen op de wereld, het is universeel. Dat is kunst.
Ron Flu – De Kwaadspreeksters

‘De kwaadspreeksters’ van Ron Flu is ook kunst. Geen ‘mooie’kunst, maar kunst die spot met een negatief aspect van iedere samenleving (waar ook ter wereld!). Het werk van Ron Flu groeide langzaam naar een geheel eigen stijl toe: sociale onrechtvaardigheden en  misstanden beeldt hij uit met een spottende humor  die je niet gauw vergeet. Het spel van vorm, kleur en uitbeelding van het thema maakt dit werk tot eenmeesterwerk. Mocht een dichter bij dit beeldend kunstwerk een gedicht willen maken, dan zal de taal fel moeten zijn, kwaadaardig en beslist niet fatsoenlijk, een gedicht met veel spot en een schokkend klankenspel. Een dichter hoeft, vooral als hij over de samenleving schrijft beslist niet altijd ‘netjes’ te zijn. Zo is de realiteit ook niet. Als ie er maar mee speelt!

Hetzelfde spel; dat met beelden in specifieke vormen en kleuren gespeeld wordt in de beeldende kunst  maakt ook gedichten tot kunst. Dan  zit er altijd meer in het gedicht  dan je bij eerste lezing denkt, het heeft diepte, door de creatieve  samenhang van inhoud vorm en taal, van beelden en werkelijkheid, van raadsel en herkenbaarheid.  Met goede poëzie blijf je bezig. Steeds weer nieuwe ontdekkingen! 

1 comment to “Waar! Waar zijn de dichters gebleven?”

  • Ach, Els, laten we het relativeren. Nederland heeft er wel duizend, allemaal professionele dichters volgens de samensteller van de Nederlandse Poezie Encyclopedie – maar niet een (1) dichter die zich kan meten met een Nobelprijswinnaar poezie.

    Misschien is er in een oogwenk een Surinaamse dichter(es) zich aan het warmlopen, (gelukkig) nog niet gecanoniseerd, maar met een sterk eigen geluid, krachtig genoeg om met de creolisering van beschavingen in Suriname een echte mondiale vernieuwer te worden. Je weet het niet…

    Je collega en dispuutsgenote Hanneke Eggels

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter