blog | werkgroep caraïbische letteren

Vreemdelingen in het paradijs (15)

door Willem van Lit

In dit vervolg een aanzet tot een beschouwing over het boek Zoutrif van Miriam Sluis. Zij probeert de geschiedenis van ellende tastbaar, hoorbaar en ruikbaar te maken. In het volgende deel de tweede helft van deze beschouwing.
Miriam Sluis, Foto Facebook

Met een zweem van huiver, de last van eeuwen
Miriam Sluis, een Nederlandse journaliste die al diverse jaren op Curaçao woont, schreef Zoutrif. Het is een boek waarvan ik aanvankelijk dacht dat ik wilde dat ik het zelf had geschreven. Ze heeft veel historisch onderzoek gedaan. Ze is op jacht geweest in archieven en ze heeft uren en dagen in de mondi bij St. Willibrordus en de oude plantage Rif St. Marie op Curaçao rondgezworven op zoek naar spullen en overblijfselen, die konden getuigen van het verleden. Ze heeft met veel bekende en onbekende Curaçaoënaars gesproken. Ze wisselt fictie af met werkelijke verhalen en onderzoek. Ze laat feiten en opvattingen horen. Ze reconstrueert sleutelpassages van de Curaçaose geschiedenis in de context van de plantage Rif St. Marie. Ze laat zien hoe levens en locaties op soms verbazingwekkende wijze met elkaar verbonden zijn. Hoewel in het boek een bepaalde opbouw wordt nagestreefd – in haar historische verhalen zit een chronologische opeenvolging – blijft het een beetje een lappendeken, waarbij de lezer aan de hand probeert te blijven van de vertelster.

Ze wil geschiedenis verlenen en dat is zo ongeveer hetzelfde als een gezicht verlenen, reliëf krijgen in patronen en verschijnselen en op deze manier pijn blootleggen; ze wil het mysterieuze aan het licht brengen, zodat duidelijk is wat er gebeurt. In haar voorwoord schrijft ze: “Op de slavenmuur blaast de noordoostpassaat mijn haar uit mijn gezicht. Is het toeval dat de protesten tegen de toenemende Nederlandse invloed escaleren op het moment dat het resort (nabijde oude plantage Rif St. Marie –WvL) steeds verder ontwikkeld wordt? Het voelt niet als toeval. Het voelt als een culminatie van wat ik de afgelopen tweeënhalf jaar heb onderzocht in relatie tot Zoutrif; de invloed van het slavernijverleden op de verhoudingen in de huidige Curaçaose samenleving én op het staatkundige proces waaruit het eiland over drie tot vijf jaar als land tevoorschijn moet komen”[1].

De Liggende Indiaan, Bandabao, Curaçao. Foto: @ Michiel van Kempen

Ze probeert het tastbare, het materieel feitelijke van het verleden – de slavenmuur als symbool voor onderdrukking – te verbinden met het heden – de huidige ontwikkeling van een vakantiepark – én de toekomst – over drie tot vijf jaar. Smoel geven via het gevoel (“het voelt als culminatie …”). Een land een gezicht geven. Maar het wordt niet goed duidelijk. Er zitten veel vaagheden in de geschiedenis en de lijn is niet zo gemakkelijk door te trekken. Velen proberen het: de geschiedenis te interpreteren.

Het boek draait om Rif St. Marie. Sluis heeft hierover contact met een beambte van de dienst die gaat over ruimtelijke ordening op het eiland. Ze zegt dat ze onderzoek doet naar mondialisering en dat “Rif St. Marie daarvan een symbool is; al vierhonderd jaar”. De beambte wil haar wel helpen maar zegt: “’Rif St. Marie’, zegt Janga langzaam ‘is een heel gevoelig gebied’.” Terughoudend legt hij uit dat de oude plantage al jarenlang inzet is van een rechtszaak tussen een projectontwikkelaar en de Curaçaose overheid. Dat betekent dat er geen openheid is; het klinkt dreigend en het werkt geheimzinnigheid in de hand. Speculaties. Mysteries. Niemand weet het fijne.[2]

“Curaçao was een groot mysterie. Ik zag van alles maar kon niets plaatsen. Alsof er van alles broeide, maar ik wist niet wat”[3] Dat was toen Sluis voor het eerst op het eiland kwam, schrijft ze. Het liet haar niet meer los. Ze gaat op zoek naar betekenis, de achterkant van het hetgeen zich vertoont. Het is geheimzinnigheid troef en ze laat de lezer daarin mee bewegen. Ze denkt: “Wat op Rif is gebeurd, is veel groter, universeler ook. Rif vertelt een verhaal van onderdrukking en geloochende schaamte. Dat is niet alleen een Curaçaos verhaal”[4]. Dat klinkt cryptisch. De vraag is: groter of universeler dan wat dan? Mondialisering ook? Hoe ver strekt het verhaal van geloochende schaamte dan? Dat blijft tussen de regels hangen. Het blijft achter in de spanning van een niet afgemaakte redenering. Maar het intrigeert de lezer wel.

Haar zoektocht gaat verder: de vroege geschiedenis van de plantage met de eerste eigenaars, de slaven, de eerste slavenoproer met de moord op de plantage-eigenaar in 1716. Ze verhaalt over de herdenking van de opstand van 1795 en dat maakt indruk op haar. Er ligt constant een zweem van huiver en ontzetting over de verhalen, alsof ze het soms zelf niet kan geloven dat het gegaan is zoals ze het zelf opschrijft. Er is afstand; ze vertelt met ingehouden respect en met onderhuids de sluimering van het niet kunnen begrijpen met soms wat ongrijpbare formuleringen. Als ze verteld heeft over de herdenking van de opstand van 1795, zegt ze: “Zolang alles bij het oude blijft, de scheidslijnen overeind staan en de Ruta Tula louter voor zwarte Curaçaoënaars is bedoeld, zal de pijnlijk harde Curaçaose lach over het stoffige diabaas blijven klinken”.

De schamperheid; dat zit in die lach. De herinnering aan de loden last van eeuwen. De slavengang en alles wat ermee samenhangt: de smerigheid, de verdrukking, het werk, de straffen, de verkrachtingen en andere vernederingen. Zo stelt Sluis het voor. En alles blijft bij het oude. Dat is de verwachting. Waarom zou het anders worden? En ze probeert de generaties van Afro-Caribische families ook namen te geven; ze vlooit door de namenlijsten (inventarislijsten) van de plantages en ze zoekt naar verbindingen met het heden in die namen. Aanvankelijk zonder achternaam: Maria, Agathie, Tula, Constantia, later achternamen: Fecunda of Martina. Ze zoekt naar vrijbrieven (waarbij slaven gemanumitteerd werden) en borderellen (de bewijzen van vrijlating in 1863).

Ze probeert ook de voortgang in tijd bij de plantage-eigenaars te vertellen, de opvolging. Rif St. Marie is dikwijls in andere handen overgegaan. Er komen voor Curaçao bekende namen voorbij: Reijninck, Daal, Jesurun, Capriles, Van Uytrecht bijvoorbeeld. Nederlandse en Joodse families. Het zijn ook fragmenten van familiesaga’s: hun zorgen, gevechten tegen verval en natuur, inspanningen om overeind te blijven. Het gaat om het soms harde bestaan bij de winning van indigo, maïs of zout. Het optimisme en doorzettingsvermogen, maar ook teloorgang en grofheid, de hebzucht, inhaligheid en arrogantie.

Ze probeert mensen te materialiseren, gezichten te tonen, aanraakbaar te maken en hen te laten spreken, maar dat blijft natuurlijk moeilijk, zo niet onmogelijk. “Ik voel het slavernijverleden door mijn vingers glippen en ik wil iets tastbaars zien”[5]. Ze zoekt in de hitte tussen de cactussen en de stekelige wabistruiken.

Na 1863 – het jaar van de afschaffing van de slavernij – moeten herinneringen op gang komen. Dat gaat eerst met proberen het te vergeten, maar het trauma blijft. Daarna komen de herdenkingen, de musea en de gedenkstenen, publicaties over de era van de grote schaamte. Sluis laat het een historicus zeggen: “De historie van de Afro-Curaçaoënaar moet een geschiedenis worden als iedere andere. Maar deze rouwperiode duurt misschien nog twintig jaar”. Sluis vindt dat optimistisch. “Twintig jaar, om al die pijn, schaamte en krenking weg te werken”. [6]

 

Ze speurt naar de bewegingen van mensen in de eerste jaren na 1863 toen iedereen op zoek was naar een nieuwe plek, een andere bestemming, maar ook geborgenheid. Bij Willibrodus (dat toen nog niet zo heette), maar ook op andere plekken op het eiland kwam de katholieke kerk naar voren. Missieposten. Maar ook hier trad de beschaming op. Mensen die op zoek waren naar een nieuwe plek en die ook wel de gemeenschap rond de kerk zochten, merkten dat de pastoors soms strikte regels hanteerden. Kinderen die buiten het huwelijk waren geboren, – en er waren er die na verkrachting door de meesters ter wereld waren gekomen – werden niet gedoopt of begraven in gewijde grond. Ze werden niet opgenomen in de gemeenschap. Sluis waart rond in de kerk bij Willibrordus, een kerk die symbool staat voor de invloed van de katholieke kerk. Ze merkt suggestief op:

“Net naast de ingang klappert het gordijn van de biechtstoel in de wind. Door het gaas kijk ik naar binnen. Als niet-kerkelijke heeft de biecht mij altijd verwonderd. Ik snap niet goed hoe iemand door een ultieme onderwerping, waarbij de diepste geheimen in een donker hokje moeten worden prijsgegeven, met een schoon geweten door het leven kan gaan. Het bordje aan de buitenkant maakt een griezelige indruk. ‘Oefening van berouw,’ staat erop. ‘Barmhartige God ik heb spijt van mijn zonden omdat ik uw straffen heb verdiend. Maar vooral omdat ik mijn grootste weldoener en het hoogste goed heb beledigd. Ik verfoei al mijn zonden en beloof, met de hulp van uw genade, mijn leven te beteren en niet meer te zondigen. Heer, wees mij daarbij genadig’.
Ik slik en vraag me af hoe dit soort boodschappen aankwamen bij mensen die onder de slavernij waren grootgebracht. De psychologische druk sluit wel erg goed aan bij het eerdere concept van een allesoverheersende shon en zijn bullenpees-hanterende bomba”.

Zo’n bordje met deze tekst. Zou dat ook de geest vertolken uit de jaren zestig en zeventig van de 19e eeuw? Misschien, maar kun je dit dan één op één doortrekken naar het heden? Religie vertegenwoordigt ook rituelen, waar mensen troost aan ontleenden en dit nog steeds doen. Ook de biecht is zo’n ritueel, de tekst vaak niet meer dan een prevelement. Maar de betekenis is duidelijk natuurlijk. Het gaat om de greep van de kolonisator via de kerk op het volk. Sluis interviewt in dit verband ook Rose Mary Allen. Zij zegt dat de kerk bij het vestigen van haar parochies en kerken voor strategische posities koos op het eiland. Zoiets lijkt me voor de hand te liggen.

“’Jazeker, sociale controle was essentieel in de beschavingsmissie van de Curaçaose priesters’, zegt Rose Mary. De zwarte plattelandsbevolking moest gedrag vermijden dat als negatief werd gezien en zich er juist op richten een hende drechi, ofwel een fatsoenlijk mens te worden. Ze plooit haar neus. ‘Mensen die buiten het land van de kerk op Mondi Afó gingen wonen, werden als krakers gezien en met de nek aangekeken. Ze werden bagamundu genoemd, een scheldnaam die sommigen juist als geuzennaam opvatten. Degenen die wel op het land van de kerk woonden, moesten zich aan de regels van de kerk houden, anders werden ze eraf gegooid’”.

Bedoeld wordt dat er geen vrijheid heerste en verzet werd buiten de orde geplaatst. Ik denk ook dat het een normaal patroon was in die dagen. In feite wordt zoiets heden ten dage nog gedaan en niet alleen op Curaçao. Sociale controle en beschaming door de kerk was geen exclusiviteit voor dat deel van de wereld waar de katholieke kerk zijn invloed deed gelden. Het is ook niet exclusief voor de katholieke kerk. Beschaming is praktijk bij meer religies. Het is universeel.

(wordt vervolgd)

[1] Sluis, Zoutrif, pag.10 – 11.

[2] Sluis, Zoutrif, pag. 20

[3] Sluis, Zoutrif, pag. 20.

[4] Sluis, Zoutrif, pag. 21

[5] Sluis, Zoutrif, pag. 103

[6] Sluis, Zoutrif, pag. 98.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter