blog | werkgroep caraïbische letteren

VOC-mentaliteit!?

door Christine F. Samsom

Tijdens de algemene beschouwingen in het najaar van 2006 in de Nederlandse Tweede Kamer zorgde de toenmalige minister-president Jan-Peter Balkenende voor consternatie met zijn controversiële uitspraak: ‘….. Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet. (…) Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! ….. Toch?’

 

balkenende voc mentaliteit

Kamerleden protesteerden, media brachten het groots in de publiciteit, opiniemakers gaven hun mening en Surinamers in Amsterdam organiseerden een lawaai-demonstratie en eisten excuses. Was de ‘Vereenigde Oostindische Compagnie’ (VOC) voor Balkenende een toonbeeld van moed, ondernemerszin en daadkracht, voor heel veel anderen was die VOC vooral een voorbeeld van kolonisatie, geweld, onderdrukking, economische uitbuiting, slavernij en slavenhandel, kortom winst maken ten koste van elke moraal, desnoods door jezelf te verkopen!
De gewraakte uitspraak was voor de schrijfster Cordula Rooijendijk, gepromoveerd geograaf en adjunct-directeur van een basisschool, die al een aantal boeken had geschreven over diverse onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis (van dijkenbouwers, droogmakers en schoolmeesters tot computers) de aanleiding om in 2014 uit te komen met het boek Vrije jongens, een geschiedenis van de Nederlandse handel. Zij deed dat aan de hand van een aantal figuren die zich in hun tijd ontpopten tot inventieve, gewiekste, vaak wetten omzeilende handelaren, die ze weer tot leven wekte in zeven hoofdstukken. Daarvoor opende ze vele archieven die tegenstribbelden, ‘alsof de stramme spieren wat moeten worden opgerekt’ (p.17).
De lezer wordt voorgesteld aan zeven vrije jongens: Albert van de Korenmarkt in Zutphen, Hanzekoopman in hout en zout in de vijftiende eeuw; Hinrick van Hasselt met wie we meevaren naar Bergen in Noorwegen om illegaal stokvis op te halen; Claes Adriaenszoon van Adrichem, die kort na de moord op Willem van Oranje (1584) burgemeester van Delft werd, van wie maar drie van de elf kinderen bleven leven, en in wiens tijd werd gezegd dat ‘Hollanders meesters in te vervalsen vrachtbrieven waren (p.106); Louis de Geer, die de Zweedse nationaliteit verwierf en een steenrijke wapenhandelaar werd èn concurrent van de WIC in slavenhandel ; Jan Jacobszoon Reeps die, nadat hij zijn geluk eerst bij de VOC had beproefd en daarna Brazilië wilde koloniseren, na een spannende schipbreuk bij Belém in Suriname terechtkwam, waar hij drie plantages verwierf; Anthony van Hoboken die tussen 1831 en 1842 onder valse voorwendsels 2300 slaven van Afrika naar Indië verhandelde, ondanks het feit dat de Engelsen de slavenhandel al in 1807 hadden verboden en de slavernij in 1833 hadden afgeschaft; en tenslotte Jacob van Eeghen die eigenlijk het etiket van Vrije Jongen niet kan worden opgeplakt. Hij is namelijk de enige in de rij die zich evenals zijn nakomelingen, hield aan de hoge moraal van de doopsgezinden: geen handel in wapens en slaven, geen groot verschil tussen arm en rijk en zich strikt houden aan wet en recht. Zou dat handelshuis, als een soort fairtrade-avant-la-lettre, als enige van de zeven daarom de eeuwen hebben doorstaan en tot de dag van vandaag op dezelfde manier handel drijven?

vrije_jongens1
Deze bonte stoet van mannen (en niet te vergeten vrouwen die de zaken overnamen als manlief in het buitenland of dood was) geven de sfeer van de VOC goed weer. Voor liefhebbers van geschiedenis een boek om van te smullen, te griezelen en/of af te keuren.

Codula Rooijendijk, Vrije jongens, een geschiedenis van de Nederlandse handel, uitg. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen. ISBN 978 90 450 1952 9

1 comment to “VOC-mentaliteit!?”

  • [bedreiging worden verwijderd; bij deze / vanwege de webredactie]

Your response at Ruud van Broekhoven

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter