blog | werkgroep caraïbische letteren

Cola Debrot-lezing door Nobelprijswinnaar Derek Walcott (Saint Lucia)

door Renée Jansen

Op dinsdag 20 mei 2008 hield Derek Walcott de eerste Cola Debrot-lezing. Renée Jansen, die gedurende zijn bezoek aan Nederland zijn personal assistent was, doet verslag.

 

walcott3

Terwijl Derek Walcott in een rustige kamer achteraf briefjes in zijn Selected Poems steekt bij de gedichten die hij wil gaan voorlezen, stromen in de aula van de Universiteit van Amsterdam de mensen binnen. Dit zal de eerste worden van een reeks tweejaarlijkse Cola Debrot-lezingen (een initiatief van de Werkgroep Caraïbische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde), die hun naam te danken hebben aan de Antilliaanse dichter, romancier, toneelschrijver en politicus Cola Debrot. Debrot is vooral bekend geworden om zijn novelle Mijn zuster de Negerin en heeft ook op het gebied van de politiek veel voor de Antillen betekend. Dat de eerste Debrot-lezing zal worden gegeven door de Nobelprijswinnaar die (naast een groot aantal dichtbundels en toneelstukken) het wereldberoemde epos Omeros heeft geschreven, staat bijna garant voor een goede aftrap.

 

diner_walcott_nienhuis

Diner ter ere van Derek Walcott (foto: @ Bert Nienhuis)

 

Er zit dan ook een groot aantal schrijvers uit de West in de zaal, waarvan een deel ook aanwezig was bij het besloten erediner dat vlak ervoor in de Amsterdamse Academische Club voor Walcott is gehouden. Ook grote Nederlandse namen als Nelleke Noordervliet ontbreken niet. Walcott is een begaafd spreker, en het publiek zit dan ook vanaf het begin op het puntje van zijn stoel. Hij opent luchtig, en heeft dan ook al snel de lachers op zijn hand. Walcott wordt echter heel serieus wanneer hij vertelt hoe hij met het personage van Helena (Omeros) een duidelijk doel voor ogen had. Veel donkere vrouwen, zo zegt hij, leven met het gevoel dat zij nooit kunnen concurreren met de schoonheid van een blanke. Helena moest bewijzen dat een zwarte vrouw, net als een blanke, van een totale schoonheid kan zijn. Ze had tot doel het zelfvertrouwen van zwarte vrouwen te versterken.

 

antoine_de_kom_walcott

Antoine de Kom draagt voor uit eigen werk – gadegeslagen door Joyce Goggin en Derek Walcott foto © Bert Nienhuis

 

Al vrij snel gaat Walcott over op het voordragen uit eigen werk (‘I am not going to lecture you, I am going to read’). Het aantal gedichten dat hij voorleest is vrij groot, maar steeds kan je een speld horen vallen. De zaal hangt aan zijn lippen. Na de voordracht is er ruimte voor vragen vanuit het publiek. Bij de masterclass eerder in de week bleek al dat Walcott pas écht goed op gang komt wanneer er vragen worden gesteld. Elke vraag die gesteld werd, beantwoordde hij met een inspirerend betoog. Ook nu is dit het geval, hoewel de vragen zelf niet altijd tot inspirerende antwoorden oproepen (de eerste persoon die naar voren komt, vraagt zich bijvoorbeeld af of Walcott bang is dat de global warming zal leiden tot het verdwijnen van de Caraïbische cultuur).
Walcott vertelt hoe zijn moeder hem altijd heeft gesteund in zijn wens om schrijver te worden. Verder maakt hij duidelijk dat er voor hem eigenlijk niet zoiets bestaat als ‘dichterlijke inspiratie’. Schrijven is altijd werken, zegt hij, en een gedicht komt echt niet aan een touwtje uit de hemel zakken. ‘Refine the craft; don’t wait to be inspired.’ Wanneer de positie van gemarginaliseerde groepen schrijvers aan de orde komt, volgt een vurig betoog over de manier waarop Caraïbische schrijvers van zichzelf kunnen laten horen, en dat de steun van de overheid hierbij nodig is. En niemand, zegt hij, kan zeggen dat de ene taal beter is dan de andere, of meer geschikt voor de literatuur. ‘There’s no such thing as a debased language as long as it communicates!’. Wanneer Walcott vertrekt om te gaan signeren in Boekhandel Athenaeum, waar rijen mensen met hun boeken staan te wachten, laat hij een groep mensen achter die hem zo mogelijk nog meer bewondert dan eerst, en die -ondanks wat Walcott daarover te zeggen zou hebben- boordevol inspiratie zit.

Persoonlijk verslag van het bezoek van Derek Walcott

‘Are you afraid of me? Are you terrified?’ Dat was het eerste dat Derek Walcott tegen mij zei. Ik trok mijn rok nog maar eens recht en antwoordde eerlijk dat dit inderdaad het geval was. Het prachtige boeket dat ik hem vervolgens aanbood, wuifde hij weg. ‘Give it to the lady at the reception, will you..’. Samen met de anderen die waren gekomen om Mr. and Mrs. Walcott (‘No! It’s Sigrid! We’re not married!’) te verwelkomen, gingen we zitten in de lounge van het Ambassade Hotel. Het ongemak dat ik voelde doordat ik niet alleen met Derek Walcott, maar ook met mensen zoals schrijfster Annette de Vries en Lilian Gonçalves van Amnesty International zat te praten, werd versterkt door de kroonluchters aan het plafond, de prachtige stoelen, de originele schilderijen, en het zonder twijfel zeer kostbare aardewerk in de vitrine. Maar ik wist pas écht niet meer waar op mijn stoel ik moest zitten, toen meneer Walcott mij vroeg of ik zijn schema wel tot in de puntjes uit mijn hoofd kende en of ik al een restaurant had gereserveerd voor de volgende dag. ‘Very incompetent’ baste hij toen bleek dat ik niet wist wat zijn kamernummer voor die nacht zou zijn. En ook al drukte Michiel van Kempen me later op het hart dat het in feite een heel aardige man was, en zei Annette de Vries (die eigenlijk helemaal niet zo heel intimiderend bleek) dat ik me er maar niets van aan moest trekken, het mocht niet baten.

Thuisgekomen begon ik koortsachtig nog wat extra recensies over zijn werk door te nemen (stel dat hij me daarover ook zou overhoren?), en de volgende dag gierden de zenuwen door me heen toen ik naar het hotel fietste om meneer Walcott op te halen voor de persconferentie. Tot overmaat van ramp kwam de man alléén naar beneden, zonder zijn sympathieke partner!
‘Do you really think you’re the first thing I want to see in the morning?’ was zijn begroeting, maar nu lachte hij er bemoedigend bij. Tijdens de persconferentie vroeg hij mij tot mijn grote verbazing of ik alsjeblieft mee wilde lopen met hem en de fotograaf en of ik erbij wilde zijn tijdens zijn interview. Toen hij na afloop onomwonden commentaar op de interviewer gaf, en ik een schaterlach niet kon bedwingen, was het ijs gebroken. Derek bleef me af en toe op de proef stellen (‘Show me where the nearest bookstore is. Is it far?’ ‘Its right there at the corner, Sir.’ ‘Derek. It’s Derek! And I told you to show me where it was, not to give me directions!’), maar ik begreep nu dat ik dat niet al te serieus moest nemen. Even later zaten we bij café Esprit koffie te drinken (‘What? Trendy? You don’t want to be seen in there with an old guy?’). Derek, die met alle bedienden een praatje maakte, nam één hap van zijn broodje, om het vervolgens in te laten pakken: ‘You take it home, Renée. Jezus, how do they expect a man to have a proper lunch after eating this?’ En die behoorlijke lunch, die kwam er. Een uur later zat ik samen met Derek, Sigrid en Michiel verse pasta te eten in de bibliotheek van het Ambassade Hotel, waar alle boeken in de kast (ik zag in de gauwigheid namen als Salman Rushdie staan) gesigneerd waren. Ik kneep mezelf stiekem even in mijn arm om me ervan te overtuigen dat dit écht een Nobelprijswinnaar was met wie ik zo casual zat te eten en te praten.
Dit gevoel werd versterkt toen ik bij de masterclass die Derek gaf Abdelkader Benali en Tommy Wieringa zag zitten. Walcott wilde per se dat ik vooraan zat. Er werden steeds vragen gesteld vanuit het publiek, waar hij antwoord op gaf. Het was erg indrukwekkend om te horen hoe hij op een (helaas niet altijd even indrukwekkende) vraag kon reageren met een minutenlange redevoering. Het was niet alleen zijn charisma en talent voor redevoering waardoor iedereen op het puntje van zijn stoel zat. De manier waarop hij over literatuur sprak, was buitengewoon inspirerend. Hij gaf aan dat hij, door zoiets universeels als het werk van Homeros voor de uitwerking van Caraïbische thematiek te gebruiken, de gemarginaliseerde Caraïben als het ware universeel had proberen te maken en er zo ruimte voor had willen creëren binnen het discours. ‘Mimicry’ in de context van gekoloniseerde auteurs was niet alleen maar een belediging. Het kon ook iets positiefs zijn. Iedereen heeft voorbeelden, zo zei hij. Je kunt de ideeën van een ander opnieuw vormen, er iets mee doen. ‘Great artists don’t have the time to be original’ zei hij zelfs. Dat er met voorbeelden iets waardevols kan worden gedaan, en er door middel van literatuur een stem kan worden gegeven aan een minderheid, dat zijn natuurlijk hoopvolle berichten voor schrijvers, critici en literatuurwetenschappers. De bewondering in de zaal was te voelen en toen ik tijdens de signeersessie naast hem zat (‘sit here darling, sit here please’), merkte ik pas echt hoe groot zijn aanzien was binnen de literatuurwereld. Daarna, toen we met een groepje mensen in een Indiaas restaurant gingen eten (alle vervoer gebeurde uiteraard met een taxi), kwam ik erachter dat schrijvers ook gewoon mensen zijn, met wie je zelfs best goed kan praten. Ik kneep mezelf nog maar eens in mijn arm toen ik met Antoine de Kom zat te praten over het verschil in schrijfprocessen bij proza en poëzie.
De volgende dag ben ik de hele dag alleen met Derek en Sigrid opgetrokken. Dat was bijzonder leuk, aangezien beiden spraakzaam zijn, met een typische schrijversblik naar dingen kijken en een geweldig gevoel voor humor hebben. Voor het eerst in mijn leven zat ik op een rondvaartboot (en ja, dat is best leuk!) en at ik in Hotel de l’Europe. Derek was helemaal weg van Amsterdam en zei dat hij nog nooit een stad had gezien die zo elegant was. Misschien zou hij er zelfs wel wat van zijn schilderijen gaan exposeren, volgend jaar. Die middag was een erediner in de Amsterdamse Academische Club, waar met name schrijvers, acteurs en critici aanwezig waren die iets met de Caraïben te maken hadden. Nu begonnen de zenuwen toch wel weer even op te spelen, zeker toen ik naast mijn menukaart die van Tommy Wieringa zag liggen. Hij bleek gelukkig een erg aardige kerel en niet te beroerd om even met een blozende studente van 19 te kletsen. Ik was erg onder de indruk van de voordracht van Antoine de Kom en van Felix Burleson en Paulette Smit, die een fragment speelden uit Walcotts toneelstuk Viva Detroit!.

De Cola Debrotlezing die volgde in de aula van de Universiteit van Amsterdam was opnieuw bijzonder. Derek vertelde eerst in het kort iets over zijn werk. Zo kwam ik erachter dat hij met het personage van Helena uit Omeros als doel had gehad de mensen te laten zien dat ook een zwarte vrouw van een totale schoonheid kon zijn. Vervolgens las hij een groot aantal gedichten voor. Iedereen was hierdoor erg geraakt, en het was dan ook enigszins ontnuchterend toen de eerste vraag uit het publiek de volgende was: ‘Well, Sir, regarding the problem of the global warming and the rising of the sea, are you afraid St. Lucia will disappear? Are you afraid your culture will vanish before your eyes?’. Op de een of andere manier slaagde hij erin zelfs hierop een serieus antwoord te geven, en gelukkig werden de vragen daarna iets minder tenenkrommend. Na – wat mij betreft meteen gevleugelde – uitspraken te hebben gedaan als ‘There’s no such thing as a debased language as long as it communicates’, en: ‘refine the craft; don’t wait to be inspired’, gingen we naar de Athenaeum Boekhandel voor een signeersessie. Hoewel Derek erg moe was, slaagde hij er toch nog in te lachen tegen de jongen van de global warming-vraag (die hem overigens begroette met: ‘long time no see’) en grapjes tegen mij te maken.

Woensdag, de laatste dag van de Walcotts in Amsterdam, had ik de eer om een storyboard te mogen maken voor het toneelstuk dat hij dit najaar in Londen gaat regisseren. In de lounge van het Ambassade Hotel, waar ik nu enigszins aan was gewend, zat ik druk te knippen en te plakken terwijl Walcott naast mij aan zijn nieuwste gedicht werkte. Toen hij mij even later vroeg om het voor hem uit te typen, voelde ik me erg speciaal (ook aangezien het personeel van het hotel, dat nu wist dat ik Dereks personal assistent was, alles deed om het me naar mijn zin te maken). Op het moment dat ik, door mijn opkomende tranen heen omdat ik het gedicht zo ontroerend vond, ‘the clear grey eyes of Renée’ tegenkwam, viel ik welhaast van mijn stoel. Ik ben hem meteen gaan vragen of het een grapje was. Hij zei van niet. ‘You’re such a joy, Renée’. Dat vond ik nou precies ook van hem. En van de tijd die ik had doorgebracht met hem en Sigrid. Ze lieten me duidelijk merken dat zij ook blij waren geweest met mijn gezelschap. Wie had dat op de dag van hun aankomst gedacht?

Toen we in de taxi naar Schiphol zaten, werd ik wagenziek. Terwijl Sigrid mij een plastic tasje gaf en Derek zei ‘Try to puke Renee, try to puke’, bedacht ik me opeens weer dat het de alom aanbeden Nobelprijswinnaar was die dit tegen me zei en moest ik ondanks mijn misselijkheid vreselijk lachen. Op het moment dat Derek en Sigrid door de douane zouden gaan, moest ik toch even een traantje wegpinken. Wat een geweldige paar dagen waren het geweest, en daar gingen ze alweer. Geroerd liep ik weg. – Gelukkig bedacht ik me net op tijd dat het manuscript van het gedicht met mijn naam erin, dat ik had mogen houden, nog aan de kar van Derek hing. Totaal ontnuchterd (als mensen eens wisten dat ik dat gedicht bijna was vergeten) rende ik op mijn torenhoge hakken dwars over het vliegveld terug naar de douane. Ze stonden er nog. Nadat ik me ervan had verzekerd dat ik nu écht alles had, gaf ik Derek en Sigrid nog een laatste zoen. ‘Come visit my play in London, Renée. Or visit us in St. Lucia’. Dat was het dan. Daar gaan ze, op naar Jamaica. Op naar de volgende persconferentie, het volgende literaire festival, de volgende signeersessie. Op naar, waarschijnlijk, de volgende personal assistent. Misschien doe ík het wel. Ga ik The burial at Thebes zien in Londen. Wie weet tot ziens.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter