blog | werkgroep caraïbische letteren

Verdwijning, verdriet, liefdesgeschenken, familieberaad, verhuizing en aanpassing

Fragment 6 van mijn opa’s biografie

door Brispath Mahabier

liefde heb ik voor de ouden (…)
uit wie wij voortkomen’
(Cándani, z.j. Een zoetwaterlied. Paramaribo: Canna, 2000.)

En toch, ondanks deze respectvolle houding, die ik onderschrijf, gelden in mijn actuele levensfase langzamerhand ook de volgende woorden. Waarom zou ik dit niet toegeven?

‘(…) raakt de groene herinnering
tussen maalstenen
verpulverd (…)
(Raj Ramdas, Kahán hai tu / Waar is zij. Rotterdam: Maya, 2003. )

6.1 De verdwijning van de zilveren hansuli van mijn áji

Een hansuli. Illustratie: Gang Kalpoe (2020)

Mijn 58-jarige áji (oma van vaderskant) overleed in onze woning in Magenta in 1948 na een kortstondig ziekbed. Wat haar precies scheelde, is mij nooit verteld. Misschien heeft onze familie dit ook niet geweten. Zes van oma’s dochters en andere familieleden hebben haar laatste dagen en sommigen ook haar ultieme levensuren in de nacht meegemaakt. Eigenlijk was er geen sprake van een doodsbed in de letterlijke zin van het woord. We hadden in die tijd geen echte ledikanten. Een ieder van ons gezin sliep op de grond op onderlakens van losgemaakte en aaneengenaaide lichtbruine rietsuikerzakken van jute en met daarop een laken gemaakt van Amerikaanse meelzakken van wit en stevig katoen. Ook onze dekens waren thuis door mijn moeder en een tante van hetzelfde materiaal vervaardigd. Het tarwemeel kwam van St. Paul-Minneapolis in de VS. Alleen onze opa sliep op een khatiyá.

Twee weken na de begrafenis van oma – in een hoek, tegen de achtergrens van ons huurperceel – en het uitvoeren van de gebruikelijke complexe dodenrituelen (o.a. shráddha, dasgátr en terahi, resp. op de 10e en de 13e dag) onder (bege)leiding van onze huispriester R. Doebé, ontstond er volkomen onverwacht, binnen enkele uren, een hevig conflict met verreikende triestige consequenties, tussen mijn opa en zijn enige schoondochter, mijn moeder.

Oma’s Ramayan van Tulsi Das

Oma’s kleding, sieraden (oorringen, pols- en enkelbanden), familieboekje, amuletten, katoenen zakje met spaargeld, drie Hindiboeken: Ramāyan, Dān Lilā en Hanumān Cālisā keurig gewikkeld in rode lappen stof, een kleurenplaatje van Shiva en Pārvati, een inklapbare houten standaard voor de dikke Ramāyan van Tulsi Dās en een paar andere kleine spullen, werden verzameld en in onze galerij netjes op een jutezak neergelegd.

Mijn ájá (opa, de vader van mijn vader) merkte als eerste op, dat de zware fraai gedecoreerde zilveren halsband (hansuli) van mijn áji er niet bij zat. Lichte paniek maakte zich meester van mijn opa. Ook mijn moeder werd nerveus. Aanvankelijk dacht iedereen aan verlegging. Twee tantes hielpen mee om te zoeken naar de verdwenen kostbaarheid. Ook ik hielp ijverig mee. Mijn moeder dacht, dat ik het misschien tussen mijn speelgoed (een kartonnen doos met conservenblikjes, oude knikkers, opgevouwen gekleurd vliegerpapier, een oude beschadigde zwarte haarkam, een mok zonder handvat met beschadigde randen, een tiental kroondoppen, een oude kardhan (een zwart heupkoordje voor jongens als afweermiddel), enkele kleine lege flesjes, kurkjes en koperen centjes) gelegd kon hebben. Helaas: er zat geen halsband van oma in mijn bewaardoos. Ons hele huis – veel huisraad en kleding hadden we niet – werd enkele keren overhoop gehaald en minutieus doorzocht. Ook in en rondom ons huis, in het kippenhok, op de begroeide vijveroever, bij de wasplaats, in het gras onder de waslijn en in de koeienstal werd er nauwkeurig gezocht. Echter, zonder succes: de halsband leek verdwenen, ‘opgelost’ zonder één zichtbaar spoor achter te laten! Een – op korte termijn – onoplosbaar en naargeestig raadsel, dat een familiedrama tot gevolg zou hebben! De ware toedracht van deze vervreemding, zou dankzij de eerlijkheid van de moeder van mijn neef-pandit Doni Mahangi, vele maanden later – voor ons te laat – aan het licht komen. De ontknoping was minder dramatisch.

6.2 Ruzie, verdriet en verwijdering

Schoondochter D. Mahabier-Hiralal

Toen het kleinood niet gevonden werd, geraakte mijn ájá (opa) absoluut uit zijn normale doen. Hij, over het algemeen een rustige man van eenenvijftig, verloor zijn emotioneel evenwicht en ‘explodeerde’. Dit gedrag was voor mij volkomen nieuw. In zijn impulsiviteit beweerde opa, dat mijn moeder, zijn schoondochter, de hypocriete boosdoener was. Zijn vermoeden maakte hij in niet mis te verstane woorden duidelijk. Mijn moeder zou na de begrafenis van mijn oma het ontbrekende sieraad stiekem aan haar oudere zus hebben gegeven. Dit zou moeder gedaan hebben, toen haar zuster bij de waterput meehielp om het beddengoed en de kleding van mijn oma schoon te wassen.

Door deze hardop uitgesproken beschuldiging was iedereen perplex. Slechts enkele ogenblikken heerste er doodse stilte. Mijn moeder herwon haar tegenwoordigheid van geest. Op deze aantijging volgde bijna direct haar verwerende verbale reactie. Zij ontkende de pijnlijke beschuldiging in alle toonaarden. Grootvader bleef op boze toon zijn vermoeden in korte zinnen herhalen. Hij had slechts een vermoeden, dat hij steeds als een constatering verwoordde. Het waren alleen woorden – helaas zonder scepsis en aanvaardbare bewijskracht.

Mijn moeder ontkende voortdurend feller en feller. Zij liet zich niet monddood maken. Dat heeft ze in haar leven nooit gedaan. Zij kon met haar krachtige stem mijn grootvader gemakkelijk overstemmen. Voor het eerst zag ik mijn moeder zo boos. Deze beschuldiging van diefstal en de ontkenning ervan werden dagelijks enkele malen herhaald. Beiden slingerden harde verwijten naar elkaars hoofd. Er werd – gelukkig – niet uitgescholden. Zij verkeerden op voet van oorlog. Ze voerden op bepaalde uren van de dag een aanhoudende woordenstrijd, één van beschuldiging en ontkenning. Vooral in de vooravond laaide het gekibbel steeds weer op. Er heerste dan een grimmige sfeer in ons huisje.

Onze moeder kreeg morele steun van twee tantes, zusters van mijn vader. Zij geloofden in haar onschuld; evenzo haar zuster en broer. Ook mijn moeders zuster ontkende iets met de diefstal te maken te hebben. Zij en mijn moeder waren bereid om op het ‘heilige’ boek Ramáyan in aanwezigheid van een pandit (geestelijke) te ‘zweren’.

Opa vertelde geen verhalen meer en we zaten dezer dagen ook niet meer op en bij zijn khatiyá (houten slaapbank en gevlochten touw). Moeder ging vroeg naar bed. Op sommige avonden heerste er rust. Gelukkig.

Verdrietig smeekte ik enkele keren mijn opa en moeder om met hun gehakketak op te houden. Dan was het een half uur of wat langer stil. Maar geen van de twee wilde wijken voor de ander. Ook tranen van mijn zusje, broertje en van mij hadden geen langdurig effect. Drie dochters van opa en hun echtgenoten kwamen dagelijks langs en probeerden hem te kalmeren. Zij deden een beroep op onze moeder om maar te zwijgen. Zij hoopten dat de boosheid van opa zou wegebben.

Het verdwenen sieraad was wekenlang niet alleen een bron van verbale strijd tussen schoonvader en -dochter. Soms gebeurde er meer, dan bleef het niet alleen bij woorden. Zo vloog een keer een pan met kokende rijst door de lucht en belandde op de vochtige vuilnisbelt voorbij de afwastafel. Maiyá (moeder) serveerde op de gebruikelijke, dagelijkse manier een thariyá (een platte koperen schotel) met daarin het middageten en een lotá (drinkbeker van koper) met water op ons tafeltje, maar mijn grootvader gooide uit boosheid beide voorwerpen naar buiten. Het eten viel met een plof in de voortuin tot groot genoegen van onze altijd hongerige kippen.

Mijn moeder reageerde furieus. Voor haar was nu de maat vol. Zij besloot geen eten meer voor haar schoonvader te bereiden. Onze moeder vertelde de volgende dag haar besluit aan enkele familieleden en buurtgenoten die zij sprak. Twee van haar nanads (zusters van haar echtgenoot), die dichtbij ons woonden, waren het met haar rigoureuze beslissing niet eens. Deze stap zou alleen maar een verdere escalatie tot gevolg hebben. Zij probeerden onze moeder te overtuigen om van haar voorgenomen rancuneuze actie af te zien. Zo wensten zij verdere verscherping van het conflict te voorkomen. Maar moeder liet zich niet vermurwen.

Bijna vier weken lang waren er – met onderbrekingen – verbale confrontaties tussen beide kemphanen. Mijn moeder diende mijn grootvader krachtig van repliek. Soms deed ze er een schepje bovenop. Zij kon opa met gemak overschreeuwen. Ik vond deze ruzies vreselijk. In de namiddag wenste ik weleens, dat het geen avond zou worden, dat de avond snel voorbij zou gaan of dat het hard zou regenen. Maar het werd erger en erger: niet alleen in de avond, maar ook in de vroege ochtenduren werd er gekibbeld.

Moeder bleef herhalen, dat ze met haar hand op de oude Ramáyan van Tulsi Dás, die we in huis hadden, wilde zweren, dat zij onschuldig was. Zij wenste ook van opa een soortgelijke handeling. Op den duur gaf opa zich verbaal gewonnen. Hij zweeg en negeerde zijn schoondochter. De spanning in ons gezin verdween in geen geval. De dagelijkse verhitte schreeuwpartijen wel. Er heerste relatieve rust. Ik lag niet meer in het donker te piekeren. Mijn zusje huilde niet meer en ik hoefde minder bang te zijn voor bedplassen. Verdrietig, zwijgzaam, chagrijnig en elkaars nabijheid zoveel mogelijk vermijdend, verwaarloosden opa en moeder hun dagelijkse werkzaamheden niet. In de groentetuin werkte elk van hen afzonderlijk, het vee werd gehoed, beide koeien werden gemolken en het voorerf geharkt.

Een groot deel van onze volwassen familieleden en onze buurtgenoten, eigenlijk bijna ons gehele dorp, wist wat er al een tijdje bij ons gaande was. Iedereen betreurde deze gang van zaken, maar tegelijkertijd verbaasde men zich ook over de spoorloze halsband. Opa begon zelf zijn eten – meestal khiccari (gekruide rijst gekookt met gele gespleten erwten en kruiden), gebakken cassave of zoete aardappel met catni, mithá bhát (rijst in volle melk met rietsuiker gekookt) of met fijngesneden ui en peper en gebakken kippenei – in de koeienstal te bereiden. Soms roosterde opa groene bakbananen op een houtvuur. De bananen en andere groentes kreeg hij – ook wij – van zijn dochter Parbhoedei en haar zachtaardige, ijverige man Niranjan Someer. Dan gaf opa ons, de drie kinderen, elk een warm banaantje. Opa sliep niet meer in ons huis, maar op een zoldertje in de koeienstal op een matras van rijststro. Om de ene dag sliep ik bij hem. Gelukkig mocht dit van mijn moeder. Ik raakte vertrouwd met de geluiden die de koeien in de nacht maakten en ook met de penetrante mest- en urinegeur, die permanent in de stal hing, ondanks de dagelijkse schoonmaak van het stalgedeelte.

Voorzichtige interventiepogingen van enkele familieleden en gezaghebbende buurtgenoten hadden nog altijd geen succes. Een verzoening leek niet meer mogelijk. Opa hield halsstarrig voet bij stuk: eerst moest de halsband terug. Deze teruggave was zijn enige eis. Moeder was niet bij machte hem tegemoetkomen: immers, zij had de halsband niet gestolen; haar zuster evenmin. Ik weet niet, of opa in die dagen ooit enigszins aan de juistheid van zijn vermoeden heeft getwijfeld. Hij leek zo overtuigd van zijn gelijk.

6.3 Opa’s enige liefdesgeschenken

Dat zoekgeraakte sieraad, de zilveren halsband, was samen met twee slanke enkelbanden (kará) – eveneens van zilver – het enige cadeau dat mijn grootvader in zijn leven aan mijn oma, kennelijk zijn grote liefde, had kunnen gegeven. Opa had het niet breed. Deze sieraden hadden blijkbaar grote emotionele waarde voor hem en voor oma. Hij had hoogstwaarschijnlijk met veel inspanning en zuinigheid het geld bij elkaar gespaard en deze sieraden uit verborgen passie aan oma gegeven. Enkele dochters waren hiervan op de hoogte. Pas later, nadat het ontvreemde sieraad terug was, zou opa vertellen, dat oma en opa lang geleden afgesproken hadden, dat hun jongste dochter Parbhoedei de halsband en de beide enkelbanden na de dood van oma zou erven. Zij was het enige biologische kind van mijn ájá, het levende symbool van de diepgaande, hartstochtelijke relatie tussen deze twee mensen. Een liefdesrelatie die op het eerste gezicht niet te zien was. In die dagen werd uiterlijk vertoon en openlijke uiting van innigheid en tederheid tussen man en vrouw, vooral in het bijzijn van anderen, niet op prijs gesteld.

De meeste arme Hindoestaanse plattelandsvrouwen droegen vóór 1950 overwegend zilveren sieraden, vooral veel polsbanden (curiyá’s). Goud, in de vorm van een vingerring en een halsketting, kwam langzamerhand met de groei van de welvaart in de jaren vijftig steeds meer in zwang. Een bruid die een gouden armband en een tilari (halssieraad, collier) meekreeg, oogstte veel bewondering en aanzien.

6.4 Familieberaad en verdeling

Mijn moeder besloot om Magenta met spoed te verlaten en probeerde elders onderdak te vinden. Voor haar was de maat vol, maar misschien was ze moe gestreden. Zij wilde met haar drie kinderen naar haar broer verhuizen. Moeder nam het initiatief en benaderde niet alleen haar broer, maar ook twee zusters van mijn vader. Drie van mijn ooms en twee oudere buurtgenoten met gezag, die ook goed bevriend waren met onze familie, waren bereid om te bemiddelen c.q. de inboedelverdeling te begeleiden. Er zal waarschijnlijk vooroverleg tussen hen zijn geweest. Er werd een soort familie-pancáyat (raad van vijf) op een afgesproken namiddag bij ons belegd. Ook de enige broer van mijn moeder en een aantal andere familieleden waren als getuigen aanwezig. Het onvermijdelijke ging gebeuren. Babu N. Sheombarsing gaf namens de bemiddelaars te kennen, dat zij het verder uit elkaar vallen van het al incomplete gezin zouden betreuren. Vooral de drie jonge kinderen hadden al zoveel voor hun kiezen gehad. In vier jaar waren hun vader en oma overleden en ze hadden twee verhuizingen achter de rug. Door een ruimtelijke scheiding zou het verdwenen sieraad niet gevonden worden. Beide ruziënde partijen werden door hen voor de laatste keer aangehoord. Opa en moeder herhaalden kort en bondig hun onoverbrugbare standpunten. Ook nu bleek een verzoening uitgesloten. Een tante, de moeder van Ramdew Raghoebier die een goede band met beide ‘rivalen’ had, nam het woord. Zij deed een ultieme poging om de ontstane kloof, vooral in het belang van de drie kleine kinderen en de familie te overbruggen. Haar indringend beroep op haar káká (vaders jongere broer) en bhawji (schoonzuster) had geen succes. Evenmin werd haar bereidheid om een nieuwe hansuli te kopen, door haar káká aanvaard. Mijn moeder voelde zich diep gekwetst en ongelukkig. Zij wilde met haar kinderen Magenta het liefst terstond verlaten.

Ook de broer van mijn moeder had liever een andere oplossing gezien, maar was bereid om zijn zusje met haar kinderen op te vangen. Deze oom van mij woonde niet ver van ons huis in de aangrenzende Vierkinderenweg. Mijn moeder mocht, het grootste deel van het keukengerei, beddengoed, meer dan de helft van de kippen, evenzo van de rijstvoorraad, al haar sieraden en een jonge melkkoe met haar kalfje meenemen. Moeder kreeg een klein deel van het spaargeld mee. De kleine schuld bij de lokale winkelier nam mijn opa voor zijn rekening. Een eigendomsperceel op naam van mijn vader, alleen geschikt voor rijstteelt, bleef in het bezit van mijn moeder. Juridisch kon dat niet anders. Wel gaf opa zijn wens te kennen, dat vaders perceel niet verkocht mocht worden. Dat perceel was een aandenken aan mijn vader, dat hij met zijn eerste spaargeld had gekocht.

6.5 Verhuizing naar de Vierkinderenweg

De verdeling van de goederen – begeleid door de vijf ouderen en in stilte gadegeslagen door alle aanwezigen – vond in de vooravond, bij het vallen van de schemering plaats, want dan zaten de kippen in hun hok en konden ze gemakkelijk gepakt worden. Dat was mijn taak. Elk hoekje van ons kippenhok met een zoldertje kende ik. Die taak volbracht ik ongezien huilend. Binnen een half uur was de splitsing van onze bezittingen achter de rug. Een aantal jonge buurtgenoten van mijn mámá (oom, moeders broer) droegen de goederen, die mijn moeder toekwamen, naar onze nieuwe woonplek, op een afstand van ongeveer twintig minuten lopen tussen de rijstakkers. Zachtjes huilend ging ik met mijn oom en de anderen mee. Mijn zusje en broertje aan elke hand van mijn moeder sloten samen met moederszuster de rij van ‘dragers’ af. Onderweg stikten twee kippen bijna in een van de jutezakken. In de haast en door de spanning was men vergeten om enkele ventilatiegaten in die jutezak te maken. Een van die kippen, een leghen, was van mij. Die had ik van mijn jongste tante gekregen. Die twee slap geworden kippen werden niet weggegooid. Er werd even gestopt om hun hals half door te snijden.

Bij mijn oom waren er een vijftiental mensen, waaronder enkele kinderen van de buren aanwezig. We werden verwelkomd door vier nichten en Chakkan, een neef die driekwart jaar ouder was dan ik. Een van de nichten was drie jaartjes ouder. Mijn oom en tante (mámi) hadden twee dochters, mijn mausi (zuster van mijn moeder) had twee meisjes en een zoon. De meeste aanwezigen kende ik oppervlakkig. Die avond werd er veel en vooral door elkaar gesproken. Wij, mijn broertje, zusje en ik, zwegen. Ik was een beetje bang voor mijn mámi (vrouw van mijn moeders broer). Zij zag er een beetje anders uit: groter dan mijn moeder en haar zuster, met een opvallend lichte huidskleur, ze had een of twee gouden tanden, een smalle neus, pus-pus-ái (kattenogen) en een krachtige heldere stem. Later zou ik erachter komen, dat ze je doordringend en intimiderend kon aankijken, als je tegensputterde of niet snel genoeg deed wat ze wenste. Maar ze had wel een aardige glimlach waarbij de twee gouden tanden zichtbaar werden. Sommige buurtgenoten zagen op tegen haar. Misschien had dit ook te maken met haar lichte huidskleur… Ik miste mijn opa heel erg. Vermoeid en overmand door ingehouden verdriet viel ook ik in slaap, naast mijn broertje en zusje. Nog voordat het kippenvlees in masálá (Hindoestaanse gemalen kruidenmix) gaar was.

Gelukkig had de familie- en dorpsraad bedongen, dat de drie kinderen vrij hun opa en andere familieleden van mijn vaderskant mochten bezoeken. Daar heb ik al de volgende dag gebruik van gemaakt. Er werd met hulp van mijn twee ooms van moederszijde en enkele hulpvaardige buurtgenoten binnen een maand een eenvoudig huisje met een lemen vloer voor ons gebouwd. Het dak was van palmbladeren en de muren van afvalplanken en palissaden (parsará: pinapalmstengels in de lengte aan een kant opengesneden en platgeslagen). Moeder kookte in een hoek van ons huisje op twee zelfgemaakte kleiovens. Onze beide koeien en kippen kregen een plekje onder een aangebouwd afdak. Ons woninkje stond nog geen tien meter van de smalle onverharde weg af, op een kleine terp, pal aan de overkant van het huis van onze mausi (moederszuster) en schuin tegenover de woning van onze oom (mámá). Voor de aanleg van de terp was er aarde uitgegraven, waardoor er naast ons huis een langgerekte diepe kuil van een meter of twaalf was ontstaan die bijna het hele jaar door water bevatte. Hierin groeiden bloeiende waterlelies en leefden talrijke kikkers, die in de regentijd in de vooravond hun ‘gezang’ aanhieven om de avondstilte te doorbreken.

6.6 Aanpassing: vele klusjes en toch niet ongelukkig

In de twee en een half jaar, waarin wij op het perceel van onze mámá (oom, moeders broer) in de Vierkinderenweg woonden, heb ik als een jongen van zeven tot tien jaar veel nieuwe kennis opgedaan. Ook hier waren er in het eerste jaar lichte wrijvingen tussen mijn moeder en mijn gorki mámi (de lichtkleurige vrouw van mijn moeders broer). Zij was niet alleen in haar gezin dominant, maar had ook veel te vertellen over de kinderen van de twee zusters van haar echtgenoot. Wij gehoorzaamden haar zoveel mogelijk. Mijn zachtaardige, donkere oom had minder te vertellen, desondanks ontging hem niets. Hij was heel aardig voor mij en mijn neef. Onze mámá hoorde en zag alles, al zweeg hij vaak.

Mijn moeder was van mening, dat mijn mámi (tante) mij en mijn iets oudere neef teveel karweitjes liet opknappen, terwijl haar beide dochters – mijn moeder noemde hen soms in haar boosheid duno dulári’s (twee lievelingen) – ontzien werden. Meestal moest ik voor enkele boodschappen lopend naar de buurtwinkel aan de Magentaweg, soms vlak voor zonsondergang. Eigenlijk ging ik graag naar die winkel, want dan kon ik vlug mijn opa, die op vijf minuten lopen van de winkel woonde, bezoeken. Soms keerde ik een beetje verlaat in de halfduisternis door de rijstvelden terug. In de droge tijd, na de rijstoogst, was dit geen probleem, want dan kon men mij al in de verte zien terugkeren. De rijstakkers waren dan bijna onbegroeid. Enige tijd na het oogsten lagen de rijststengels plat. Maar als de rijstaanplant hoog opgegroeid was, kon er wel sprake zijn van enig gevaar. Dan zag je op bepaalde delen van de smalle dammetjes niet of nauwelijks mijn hoofd boven de toppen van de opgeschoten rijsthalmen. Volgens mijn moeder kon ik een slang of een krokodil tegenkomen of uitglijden en in het water vallen. Zij was bevreesd voor verdrinkingsdood, waaraan ik in de Uitkijkpolder enkele jaren geleden ternauwernood ontsnapt was.

Hanumán Chálisá (boekje)
Mahávir Swámi (devatá)

Baijnath Hiralal, mijn oom (moeders broer), die een open oor had voor de opmerkingen van mijn moeder, stelde voor dat ik voortaan veel eerder naar de winkel moest gaan en zoveel mogelijk boodschappen in één keer moest halen. Ook vond hij het raadzaam, dat ik altijd een stevige stok en een jhori, een zelfgemaakte schoudertas, bij me had. Hiermee had mijn moeder vrede. Bovendien leerde mijn oom mij een paar regels van twee bekende mantrá’s en enkele ‘heilige’ versregels uit de Hanumán Chálisá, die ik op de terugweg, als het laat werd, zachtjes repeterend moest prevelen, zingen of reciteren om een beschermend effect te verkrijgen. Dit populaire gebedenboekje is gewijd aan Mahávir Swámi, die ook wel Hanumán Swámi wordt genoemd. Hij is een God van sanátani hindoes met het gezicht van een aap en het lichaam van een mens. Hanumán Swámi wordt door zijn vereerders zeer gewaardeerd: Hij staat symbool voor loyaliteit en Zijn devoten verwachten van Hem kracht, kennis en bescherming.

Meestal moest ik brandhout naar de keuken te brengen. Er werd op hout gekookt. Dan weer moest ik ook de koe van mijn oom verplaatsen naar een plek met gras. Een doorn in de ogen van mijn moeder was, dat ik reeds in het eerste jaar vaak en te lang – vooral in het plantseizoen – op de rijstakkers van mijn oom moest helpen. Soms, ook als het regende, moest ik met een vlijmscherpe houwer het gras dat boven het water uitstak, helpen wieden op de geploegde en geëgde rijstvelden die al onder water stonden. Met een stevige stok van een meter, me staande houdend met mijn linkerhand bij mijn linkervoet om verwonding met de houwer te voorkomen. Mijn oudere neef moest eveneens meehelpen. Dit werk vond mijn moeder gevaarlijk. Zij vreesde vooral voor een blikseminslag. (Jaren later werd mijn oom werkelijk door een blikseminslag op een van zijn akkers zwaar getroffen, maar hij overleefde het.)

In de groentetuin van mijn oom en tante hielp ik graag. Dan werkte ik samen met mijn tante en haar oudste dochter. Wij hadden geen eigen groentetuin. Het aanaarden van tajerblad- en kousenbandplantjes lag mij goed. Een deel van de oogst kregen wij.

Gaandeweg werd het gekibbel tussen mijn moeder en tante minder, vooral door toedoen van Gattu, mijn oudste nicht die heel aardig met ons omging en onze náni (moeders moeder, een niet-geronselde Indiase). Onze náni mochten we helpen als ze spaghetti maakte. De uitgerolde deeg werd in fijne, dunne slierten gesneden, in de zon gedroogd en daarna in volle melk en water met suiker gekookt. Ook Soniya, de jongere zus van Gattu, die enkele maanden jonger was dan ik, was aardig. Dit geldt ook voor onze andere nichten Pallu, Sumintra en onze neef Chakkan, kinderen van moeders zuster.

Gattu hielp vaak mee, ook zonder dat dat haar gevraagd werd. Zij mocht mij graag. Ook mijn moeder had een goede band met haar. Ik raakte bevriend met een van de twee vriendinnen van Gattu, een buurmeisje van ons. Gezellig was het om in de droge tijd met ons negenen verstoppertje te spelen, terwijl de volwassenen van hun middagdutje genoten. Dat gaf veel pret. De drie kinderen van mijn mausi (zuster van mijn moeder) waren heel aardig, zo ook de kinderen van drie buren. Mijn moeder en mijn mausi gingen als vriendinnen met elkaar om en ze vormden een gesloten front tegenover mijn mámi. Hun band werd nog hechter toen mijn oom, de echtgenoot van mijn moeders zuster, plotseling kwam te overlijden.

Klik hier voor deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5 van deze serie.

5 comments to “Verdwijning, verdriet, liefdesgeschenken, familieberaad, verhuizing en aanpassing”

  • Ontroerend en zeer herkenbaar…………grijpt me zeer aan.
    Treffend en gevoelig beschreven………
    Je weergave is als een gemeenschappelijke bron die ons laat ervaren van hoever wij komen………..

  • De verdwijning van de hansulie : zoveel onenigheid , verdriet en ellende .
    Het dragen van sieraden liet zien dat er iemand was die om je gaf , dat je vrouwzijn werd gerespecteerd en gewaardeerd. Wie weet hoe lang en met hoeveel liefde aja had gespaard om dit sieraad voor zijn vrouw te kunnen kopen en aan haar te kunnen geven . Het was/is ook gebruikelijk om dit aan de volgende generatie door te geven .
    Dat deze man , die bekend stond als lief en goedaardig , zo in woede uitbrak en je moeder ten onrechte van diefstal beschuldigde , geeft oa aan hoe groot zijn verdriet was .
    En hoe ellendig moet je moeder zich niet gevoeld hebben om ten onrechte beschuldigd te worden .

    Degene die de hansulie had meegenomen , hoe heeft die met haar geweten kunnen leven ?
    Wetende wat voor ellende zij veroorzaakt had ?

  • Een heel ontroerend verhaal.Als kleinkind veel meegemaakt en nu zo’n verhaal goed neerzetten,
    vind ik wel heel bijzonder.

  • Met chirurgische precisie heeft Bris de escalatie van het conflict tussen zijn moeder en zijn ájá, na het verdwijnen van de hansuli, beschreven. Zeer helder en plastisch heeft hij de emotionele en fysieke spagaat beschreven waarin hij jaren heeft geleefd. Zijn kristalhelder kinderhart is voelbaar in de beschrijving van het conflict waarbij hij GEEN partij kon kiezen voor één van de in hevig conflict verwikkeld geraakte personen.
    Treffend is de enorme focus van de ájá van Bris voor het verdwenen sieraad waarin hij zijn ziel en zaligheid had gestopt. Het was geen gewone hansuli voor hem; de hansuli was symbolisch de waardevolle houvast die overbleef na het heengaan van zijn vrouw van wie zielsveel heeft gehouden. De schenking van de hansuli aan zijn enige dochter, de enige doorluik van zijn DNA, zou een grote rol spelen bij de verwerking van zijn immens verlies.
    De felheid waarmee Bris zijn moeder haar onschuld heeft verdedigd, roept associaties op met een vechtende leeuwin.
    De magnifieke beschrijving van het conflict heeft de allure van de script voor een film, een waargebeurde film.

    Bris, proficiat met je fabuleuze beschrijving. Namaste.

  • Heer Mahabier,

    Wat heeft u het bovenstaand uit uw jonge jaren met uiterste toewijding omschreven.
    Het vergt een enorm diepgravend aandachtigheid, om het brein te bewegen om
    pakweg 75 jaar geleden opgeslagen herinneringen op te halen. Ter vergelijking.
    Velen onder ons, kunnen zich gebeurtenissen uit het verre verleden nimmer navertellen.
    Uw geheugen capaciteit is formidabel. Met genot, heb ik hetgeen u schreef over uw
    familie gelezen. Het plattelandsleven, heb ik ook beleefd en kan mij uitstekend vinden
    datgene u zo nauwkeurig met ons heeft gedeeld. Onze voorouders hechtten uit dat
    tijdsbestek heel veel waarde aan geërfde sierraden. Dat gold als een soort familie status.
    Mijn nanie( grootmoeder moeders kant) droeg ook een hansuli en dat was een erfstuk
    waar zij heel alert op. Mij vertelde zij ooit, dat indien het ooit zoekraakt zij onmiddellijk
    ten einde raad zou geraken. Het fungeerde banden met diepe wortels die vele generaties
    in de betreffende stam circuleerde. Met dank voor uw perfectie, de heer S.Marhé.

4 Trackbacks/Pings

Your response at Roberto Manniesing

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter