blog | werkgroep caraïbische letteren

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (13)

Pagina’s uit Voyage autour du monde
 
door Willem van Lit
Deel 13 heeft een kort vervolg op de vraag wat het volk wil: de conditie voor democratisering. Daarna de aanzet tot de vraag hoe wen zich kan bevrijden uit de pathetische omhelzing.
Wat wil het volk? (vervolg)
Welvaart democratiseert. Dat is duidelijk. Het is meerdere malen aangetoond. Het brengt verschuiving teweeg in machtsverhoudingen en sociale structuren. Groepen die hierdoor traditioneel hun positie zien wankelen roepen hier wel andere dingen over, bijvoorbeeld dat geld niet gelukkig maakt en dat mensen alleen nog maar denken aan materiële zaken. Indien mensen qua middelen boven armoede uitstijgen, ontwikkelen zij eveneens de condities tot wat men het hogere kan noemen. De piramide van Maslov geeft dat in alle eenvoud weer. Door welvaart en democratisering kan men vrijheid ervaren en kan men actief deelnemen aan de maatschappelijke discussie. Het schept ruimte in betrekkingen en hierdoor kan de ruilinteractie van dienst en wederdienst op gang komen op basis van erkend eigenbelang. Men hoeft dan niet meer afhankelijk te zijn van gunsten, patronage en vernederingen van bedeling. Het is dan ook niet meer zó hard nodig op zoek te gaan naar identiteit die in afkomst genesteld zou zijn, de voedingswortel, enz. om die vervolgens om te zetten in een militante geest en een verzetscultuur. Sommigen zullen ook dit weer jammer vinden, maar dat alles is dan overbodig geworden (zo het al ooit nodig was) als een oude lap, die men als nostalgisch object nog bewaart voor folkloristisch gebruik, zoals de lensu di kabes (hoofddoek). De vrijheid tot ruil van dienst en wederdienst schept mogelijkheden tot hernieuwde empathie, die gebaseerd is op zelfbewuste identiteit. Deze identiteit kent zijn oorsprong in de sociale positie vanuit het beginsel van ‘ken uzelf’, waardig, erkend en onderscheidend van de ander, de uniciteit en authenticiteit in de voortdurend veranderende context van omgang in het dagelijkse leven. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid tot het oefenen van verdraagzaamheid: het vermogen tot tolerantie.
Verdergaande democratisering schept de condities. Het wil nog niet zeggen dat het dan ook daadwerkelijk gebeurt. Men zou kunnen zeggen dat democratisering en welvaart een hygiënische werking hebben op de instelling ervan, de menswaardigheid en de beleving van vrijheid. Het dynamiseren zelf en het beoefenen van eerbied, zoals ik dat eerder heb genoemd, moeten dan nog gaan groeien of tot ontwikkeling worden gebracht.
Ontvlechten uit de pathetische omhelzing
Ik schrijf mezelf naar het einde van dit boek toe: het idee dat ik in een beslissende fase kom. De afgelopen weken heb ik de voorgaande teksten steeds weer doorgelezen. Ik heb andere schrijvers geraadpleegd. Ik heb anderen gevraagd naar hun opvattingen en ideeën en ik heb de actualiteit gevolgd met reacties van het publiek. Doordat ik zó geconcentreerd ben op het onderwerp, denk ik dat ik misschien wel eens overdrijf en de zaken te groots en belangrijk maak.
 
Professor Emmer stelt in de laatste lezing in de serie over het Nederlands kolonialisme[1]dat dit verschijnsel een reliek is uit het verleden dat na verloop van tijd herdacht zal worden als de gaslamp of de stoomtram. Het heeft uiteindelijk weinig of niets betekend als je het op mondiale schaal bekijkt en in de totale geschiedenis van de mensheid. Dit is in feite zijn eindconclusie; het is nuchter en enigszins teleurstellend of geruststellend misschien, zowel voor degenen die het (schandelijk) object zijn voor het kolonialisme als voor degenen die hun trots en identiteit hebben ontleend aan het bezit van overzeese gebiedsdelen. Teleurstellend, omdat de thymotische energie van bezieling en trots vergeefs is geweest, maar ook omdat ook dezelfde energie van woede en verontwaardiging alleen maar zelfkwelling moet zijn geweest. Geruststellend omdat het verschijnsel als zodanig óver is en de rust is weergekeerd na eeuwen opschudding en ellende. In alle eenvoud lijkt Emmer voorbij te lopen aan de dingen die eens de geesten en de verhoudingen in vuur en vlam hebben gezet. Men vergeet kennelijk heel snel het bestaan van deze gloeiende energie, de dwepende inspanningen, die daarbij een rol speelden. Ik denk dat het toch iets verder gaat dan het uitdoven van de laatste gaslamp of de laatste rit van de stoomtram.
Het draait in de Koninkrijksverhoudingen bij de stagnerende ontwikkelingen nog vaak om lethargie, het cynisme en laaiende woede-uitbarstingen en deze hebben nog steeds een vernietigend effect op het onderlinge vertrouwen. Het stelsel van boosheid ligt als een brei onder de korst van de cultuur van verzet. Die barst regelmatig open, gevoed door de brandstof van beschaming. Maar er zijn wel degelijk mogelijkheden los te komen uit die eeuwigdurend lijkende verwurging. Hierbij moeten we de energie die eerst de woede heeft gevoed op een andere wijze gaan gebruiken. Het moet de kracht zijn die het elan gaat voeden voor verdraagzaamheid, doordat men direct en daadwerkelijk gaat ervaren dat dit iets oplevert. Deze dynamiek moeten mensen gaan ervaren in de sociale betrekkingen, daar waar we in onderlinge afhankelijkheidsrelaties (wat sociale betrekkingen altijd zijn) op basis van eigenwaarde een constructieve werkelijkheid ontwikkelen. Dat zijn grote woorden, maar het gaat in de kern altijd om algemeen menselijke waarden, die gestalte krijgen in de noodzaak tot verdraagzaamheid. Onderlinge afhankelijkheid noodzaakt tot tolerantie. Het gaat daarbij om waardigheid en waarheid, maar ook om vrijheid en broederschap, de wil zich niet af te sluiten van het ongeluk van anderen. Dit is de sociale dimensie die de cultuur steeds weer vernieuwt in een dynamische relatiegerichte identiteit. Iemand zei dat culturen niet kunnen botsen; het zijn mensen die in hun onderlinge betrekkingen – en dus afhankelijkheden – elkaar tegenkomen: de sociale component. En daar ligt het aangrijpingspunt voor het ontwikkelen van het vermogen tot tolerantie.
Het innerlijk besef van de noodzaak tot tolerantie leidt ertoe dat we zullen moeten aangeven hoe deze gerealiseerd zal worden. Als we bedenken dat verdraagzaamheid dé voorwaarde is voor het ontsnappen uit lethargie, de wrange manie, de slopende teloorgang en het bijtend cynisme, dan moeten de uitnodigingen tot verwerkelijking van hernieuwde betrekkingen aanstekelijk, haalbaar en concreet genoeg zijn. Doelstellingen worden doorgaans in de bevelende vorm gesteld: het imperatief van ‘men dient’ of ‘u moet’. Deze dwingende formuleringen nodigen doorgaans niet uit tot veranderingen, zeker niet als het gaat om verziekte verhoudingen waarin het conflict muurvast zit. In deze gevallen helpen ook rationeel bedoelde argumenten niet. De uitnodigingen zullen dus aantrekkelijk moeten zijn (dit is een imperatief aan de inhoud en de vorm). Men zal ze dan ervaren als belangrijk voor de eigen situatie, het antwoord op de vraag: “Wat heb ik er aan? Wat zit er voor mij in?” Dit is het beginsel van de ruilinteractie, zoals ik die eerder heb verwoord. Het zijn de basisvoorwaarden die in elke onderhandelingssituatie naar voren komen. Op deze manier trachten we het vermogen van de redelijkheid op gang te brengen. Het gaat bij het formuleren van de vragen deel te nemen aan hernieuwde betrekkingen om de navolgende elementen:
…tolerantie… uit: Gandalf
·       Toepassen van de ruilinteractie: het belang van alle betrokken groepen centraal zetten;
·       Doelstellingen formuleren in de vorm van uitnodigingen;
·       Doelstellingen formuleren die direct en alleen maar betrekking hebben op de onderlinge sociale verhoudingen;
·       De voortdurende dynamiek weergeven: het oefenen van eerbied. Dit betekent dat de elementen van het voorgestelde programma iteratief geformuleerd zijn: een situatie waaraan voortdurend wordt gewerkt. Tolerantie is geen statisch vermogen.
·       Wederzijdse betrokkenheid centraal zetten. De ruilinteractie mag niet eenzijdig zijn.
(wordt vervolgd)


[1]Emmer, Piet, 2012 – CD “Koloniale geschiedenis, hoorcollege over Nederland en de Europese expansie overzee”, door Leonard Blussé en Piet Emmer. Uitg. NRC Academie. Studium Generale Universiteit Leiden, deel 10, “de Dekolonisatie”. 

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter