blog | werkgroep caraïbische letteren

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (12)

door Willem van Lit
Deel 12 gaat over ‘het volk’, de armoede en de basiscondities om tolerantie tot ontwikkeling te brengen.
Curaçao. Foto © Bea Moedt
De vierde lijn waarlangs ik het pleidooi voor tolerantie laat lopen, begint met een wat merkwaardige titel. Het gaat hier om de basiscondities voor veel groepen in de samenleving (dikwijls genoemd met een amorf begrip ‘volk’) die van dag tot dag moeten knokken om overeind te blijven. Iemand op Curaçao zei me eens: “een ware held is degene die vandaag nog geen idee heeft hoe hij de volgende dag zal doorkomen”. Hij keek me veelbetekenend aan. Ik zweeg en dacht, dan zijn er op dit eiland veel helden. Dat geldt voor meer Caribische eilanden. Als je maar genoeg helden hebt, dan weet je zeker dat de samenleving op den duur ontwricht raakt. Armoede is geweld. Dat is een axioma. Mahatma Gandhi wist dit al. Armoede ontneemt mensen de mogelijkheden op een effectieve manier deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Het ontbreekt hen aan middelen, bekwaamheden en veiligheid keuzes te maken. Daarbij kunnen zij (meestal deels) ook geen gebruikmaken van hun burgerlijke rechten [1]. Uit de lezingenbundel, waar ik Jeanette Juliet – Pablo citeer, staat een overzicht van de armoedesituatie op de Nederlandse Antillen. Deze is substantieel. Ik zal hier verder niet veel details naar voren halen. Ik volsta hier met de opmerking dat in 2005 een vijfde deel van de bevolking met duizend gulden of minder de maand door moeten komen. Dat is nog geen vijfhonderd euro. De groep die het meest te lijden heeft onder armoede, zijn vrouwen (als moeders). Het analfabetisme is hoog, evenals de jeugdwerkeloosheid. De situatie is ná die tijd niet verbeterd. In 2010 bericht de stichting Mai (een stichting die zich inzet tegen armoede) dat op Curaçao ruim 30% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Dit bericht komt ook bij RNW terug op 5 oktober 2010. De armoedegrens is dan 940 Antilliaanse guldens.
Curaçao. Foto © Bea Moedt
“Velen vragen me, waarom maak je je druk om een totaal achterlijk eiland, dat door en door corrupt is, en geen enkele neiging heeft dat te veranderen? Wat moet ik zeggen?”. Jacob Gelt Dekker stelde op 16 augustus 2012 deze vraag op Facebook. Het betreft hier een vraag over Curaçao. Zoals gewoonlijk kreeg hij tientallen reacties. Een van de reacties was de volgende. “Het probleem is niet (alleen) dat de politici/regering corrupt zou zijn, het allergrootste probleem is dat de mensen niet kunnen samenwerken, dat een steeds groter deel van de bevolking alleen maar aan zichzelf denkt en alleen geïnteresseerd is in materiële zaken (uiteraard voor zichzelf). EN dat zij die zichzelf daarin niet op eigen (legale) kracht kunnen voorzien, aangewakkerd worden tegen hen die het WEL hebben. En door het ontbreken van rolemodels en het slechte voorbeeld van onze bestuurders steeds weer van mening zijn dat stelen geoorloofd is om aan hun behoefte naar materiële zaken te voldoen. want het is allang geen stelen meer om de honger te stillen. Het gaat om blackberries, plasma tv’ s, laptops, gouden sieraden, etc.”. Deze reactie was van een mevrouw – ik noem haar voor het gemak even A – die docent is op de UNA en die bij een van mijn afleveringen van dit boek op Facebook de opmerking had geplaatst dat ze meer belang hecht aan empirisch wetenschappelijk onderzoek en dat ze daarom niet veel ziet in mijn stukken.
Haar reactie komt neer op het volgende:
1)       mensen op het eiland kunnen niet samenwerken;
2)       steeds meer mensen denken door begeerte bevangen alleen maar aan zichzelf;
3)       echte armoede is niet aan de orde; het gaat enkel om afgunst;
4)       politici en bestuurders stimuleren het verkeerde gedrag;
5)       het volk heeft geen goede rolmodellen/voorbeelden.
 
Ik haal deze opvatting – want dat is het – die met enige stelligheid is verwoord met opzet hier aan om een aantal redenen. Hij viel me op omdat ze qua inhoud en formulering aansluit bij hetgeen ik hier bespreek: de ontwikkeling van de verdraagzaamheid. Ten eerste geeft A hiermee aan dat mensen niet kúnnen samenwerken. Ieder gaat voor zichzelf. Ruilinteractie – de interactie voor dienst en wederdienst – is dus niet mogelijk. Er bestaat dan ook geen basis voor het op gang brengen van de noodzakelijke dynamiek in onderlinge menselijke verhoudingen, waarbij de waardigheid wordt gerespecteerd. Het gebrek aan dit vermogen komt niet voort uit armoede of drang tot levensbehoud. Het komt wel voort uit afgunst en begeerte. Daarbij, het ontbreekt aan leiderschap en goed voorbeeldgedrag van bestuurders en regering; die hebben geen enkele intentie en wil dit vermogen bij te brengen of te ontwikkelen. Erger nog: zij versterken met hun voorbeelden de afbreuk aan verdraagzaamheid door onevenwichtigheid in ruilinteractie aan te moedigen.
Een tweede opmerking is dat in deze opvatting de ondertoon van verwijten te lezen is. Dat gebeurt wel meer bij dergelijke stellingen: het volk begrijpt het niet, is misleid, kan niet of wil niet anders. De vraag blijft dan: wát precies kunnen of willen mensen niet? Waaruit bestaat die misleiding dan en wát begrijpt het volk niet? In deze opmerking draait het om het niet-kunnen door begeerte en afgunst gedreven. Het verwijt blijft hetzelfde. In feite is het een vorm van beschaming, een opvatting die ‘het volk’ wegzet en waartegen niet veel te doen is. Dergelijke beschamingen komen meer voor; het is een steeds terugkerende houding van minachting die hiermee naar voren komt. In dit boek komt dit op meerdere plaatsen tot uiting. Ik verwijs naar hoofdstuk vier onder ‘De tragedie van de herinnering’ waarbij Marcha en Verweel zeggen dat mensen zichzelf en de samenleving in gijzeling houden door beschaming en angst en dat men op een eiland woont waar men zegt dat men “kampioen is in het ten ondergaan”. Voorts in hetzelfde hoofdstuk onder ‘De ultieme behoefte onaantastbaar te zijn’, waarbij gezegd is dat sluwheid en listigheid verzetsdaden voor zelfredzaamheid zijn. Onder ‘Geschiedenis maken’ laat ik Jandi Paula zeggen dat de negroïde bevolking identiteit ontbeert; men zou vervreemd zijn, waardoor er allerlei uitwassen zijn in de samenleving. Girigori is in zijn proefschrift over de tambú nog het meest stellig (zie hoofdstuk vijf onder ‘De tambú als totem’) als hij zegt dat er sprake is van (moreel) verval, dat mensen zijn ontaard en verwelkt en dat men de weg kwijt is. Men psychologiseert erop los met onderhuidse verwijten en terechtwijzingen. Dit laatste ligt in de lijn van wat A over “delen van de bevolking” zegt.
Miriam Sluis
 
‘Brood en spelen’. Dat is dikwijls wat als eerste opkomt als je een dergelijke vraag hoort. In elk geval is duidelijk dat er een verschil is tussen de opvattingen van mevrouw A of de ideeën van publicisten en opiniemakers als Marcha, Verweel, Paula, Allen, Girigori of Miriam Sluis willen van het volk én wat het volk zelf vindt. Opiniemakers willen onder andere dat mensen meer gaan samenwerken, dat zij minder egocentrisch gaan leven, dat ze minder materialistisch zijn, zich minder moeten laten misleiden (door de commercie bijvoorbeeld) en dat zij meer patriottistisch zijn. Ze vinden dat mensen minder angstig moeten zijn, minder afgunstig en minder behept moeten zijn door begeerte. Zij vinden ook dat mensen zich meer bewust moeten zijn van hun afkomst, dat ze zich sluwer en geslepener moeten gedragen en dat ze zichzelf bewust verloochenen en zich schamen voor hun verleden. Dit is nog maar een voorlopige lijst, denk ik, maar het is nogal wat. Wat ‘het volk’ niet allemaal zou moeten, willen, denken, voelen, zijn, doen, enz.
Doorgaans gaat dat volk zijn eigen gang. Het heeft te maken met de tred van dag in dag uit, de keuzes die wat minder bevlogen of verheven zijn. Sommigen kunnen niet anders dan van moment tot moment overleven, het eigen belang in de gaten houden, uitkijken dat men geen loer wordt gedraaid of meegaan in de waan van de dag. En of dat altijd zo redelijk is? Tja. En dan moet men zich nog allerlei verwijten van opiniemakers laten welgevallen. Merci!
Voor ‘het volk’ wil men doorgaans steeds het ‘hogere’, het betere, elan, inzet, een kloeke geest met daadkracht en motivatie. Men wil dat mensen sociaal gedrag vertonen, op elkaar zijn ingesteld en bereid zijn zich over elkaar te ontfermen. Men eist mensen die ferm, weloverwogen en bewust in het leven staan: verheven. De vraag is dan: wat is redelijk? Wat is volgens de rede als het gaat om de wil en de leefwijze van het volk?
Het volk. Het volk wordt vaak aangeroepen in tijden van nood en bij vertwijfeling. Het volk lijkt een amorfe massa, een abstractie, die men oproept in het geweer te komen en die men lethargie verwijt, die nooit luistert. Het volk doet maar wat. Maar het volk is geen homogene klomp onwil; het is een volkomen heterogeen samenstel van groepen die allemaal een eigen positie innemen en een eigen belang hebben. Ongeveer een derde van dat volk op Curaçao verkeert in armoede. De grote meerderheid daarvan zijn vrouwen en kinderen, die het meest te lijden hebben. Daarna de immigranten, illegaal of niet. Voorts is de jeugdwerkeloosheid hoog. En laten we de ouderen in dit verband ook niet vergeten te noemen. Op deze manier hebben we al uiteenlopende groepen te pakken die in hun eigen positie dagelijks heldentoeren moeten uithalen om de volgende dag te halen. Als men verder denkt, dan kan men nog meer subgroepen onderscheiden met allemaal hun specifieke kenmerk en belang. Armoede isoleert en ontneemt mensen mogelijkheden, bekwaamheden en veiligheid om beroep te doen op hun burgerlijke rechten. Zij zijn niet in staat te voldoen aan de hooggestemde oproepen en de verwachtingen van opinieleiders. Dat armoede geweld is, wil zeggen dat mensen dit ervaren als één grote wandaad. En men wil wandaad met wandaad vergelden, zoals dat in de gedachte van ruilinteractie past. Het is het simpele mechanisme van de sociale dialectiek. Hierbij gaan mijn gedachten uit naar wat Boeli van Leeuwen schreef in De eerste Adam (zie mijn hoofdstuk 2, onder ‘De pioniers’). Twee oude bekenden (priesters) komen op Curaçao uit bij een vrouw die kennelijk van plan is haar kind om te brengen: “Ze hield het kind nu naast de teil tegen de grond gedrukt. Adam liet haar los en zei zacht en dringend: ‘Dunami e jioe’ (vert. ‘geef mij het kind’). Ze sloeg plotseling dubbel, bleef met haar kin op de rand van de teil liggen en begon spasmodisch te braken. Adam stak zijn hand uit en zei weer zacht gebiedend: ‘Dunami e jioe’. De vrouw kwam op haar knieën overeind, haar kin en hals glinsterend van schuimend braaksel, de tong kwijlend uit de mond en liet het kind los. Adam nam het kind in de kromming van zijn rechterarm en keerde zich om het aan Pater Bodin door te geven. Net toen hij zich had omgedraaid, greep de vrouw naast de teil een keukenmes, sprong overeind en stak het mes met een zoevend geluid tot aan de greep in zijn rug”. Ik herhaal deze passage hier omdat het in de kern uitdrukt waar het om gaat: de opiniemakers die willen redden, krijgen – uit wanhoop – zelf het mes in de rug. Boeli van Leeuwen had het niet schrijnender kunnen verwoorden.
De rede, dat wat redelijk is, ligt hier ergens tussenin, tussen wat opiniemakers zeggen dat het volk moet voelen, denken, willen en doen (een thymotische drang van eer) en wat de mensen zelf doen, hun behoeften en dagelijkse leefpatroon. Voor velen de noodzaak te overleven, instinctief zelfbehoud, het materiële, ja. Voor velen zijn die minimale condities nog niet vanzelfsprekend [2]. De geneigdheden die voortkomen uit lijfsbehoud of de noodzaak tot overleven rekent men tot het instinctieve deel van de menselijke geest; het is het deel waarover ook dieren beschikken. Het andere deel, dat men als het hogere of nobele betitelt, is hetgeen de mens zou onderscheiden van het dier: het vermogen tot een (moreel) oordeel, het sociale leven en de mogelijkheid tot het maken van weloverwogen keuzes. Hiertoe wordt dan ook de thymotische energie gerekend, zoals bevlogenheid die mensen kan stimuleren.
(wordt vervolgd)

 


[1]Juliet – Pablo, Jeanette. ‘Een structureel en integraal armoedebeleid is op de Nederlandse Antillen nooit gevoerd’, pag. 14. Uit de bundel: Een aanzet tot integrale ontwikkeling. UNA-lezingen 2005.
[2]Peter Venmans beschrijft dit aan de hand van Plato en Hume, waarbij de rede (logos) een tussenpositie inneemt bij ‘epithimia’ – dit is de begeerte, die als de lage driften wordt gezien – en ‘thymos’, het hogere of nobele streven. Het derde deel van de ziel, pag. 42 – 61.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter