‘Verboden Taal’ toont schokkend tijdsbeeld
Over wat toen ‘normaal’ was en nu nog (soms) is
Met allerlei terloops beschreven voorbeelden laat Ruthline Margarita in haar debuutroman zien dat het niet alleen verboden was om de eigen taal te spreken, maar ook wat ‘normaal’ gevonden werd en nu nog (soms) is in het leven van jongeren die op groeien in een koloniale samenleving.
De lezer wordt door Margarita meegenomen in het leven op Curaçao en Amsterdam tijdens de jaren vijftig tot begin zeventig , waarbinnen iedereen de opdracht krijgt vanuit allerlei koloniale gedachten om de eigen identiteit te verbergen en de Nederlandse cultuur te omarmen. De roman gaat daardoor over veel meer dan ‘de verboden taal’.

Met allerlei indirecte en directe aanwijzingen krijgt de hoofdpersoon van jongs af aan aangeleerd dat het Nederlands en de Westerse cultuur ‘netjes’ is. Veel netter dan de eigen landstaal, het Papiamentu. Die taal gaat met de lokale cultuur op allerlei manieren ingeprent worden als ‘dom’, onderontwikkeld en inferieur. In het dagelijks leven krijgt de taal denigrerend omschrijvingen als ‘tiki toki’-taal en indirect daarmee ook de eigen roepnaam, huidskleur, haardracht en manieren van lopen, dansen en klederdracht. Kortom de eigen identiteit.
In de roman is een hoofdrol weggelegd voor het jonge meisje Yu. Zij staat in de tekst omschreven als een heel zwart meisje, het zwartste meisje in haar familie. Aanvankelijk woont zij met haar beide ouders, in een van de armere buurten van Curaçao. Het huis is een krot met een lekkend dak onder de rook van de raffinaderij. Na enige tijd woont zij alleen nog met haar moeder. Vader is namelijk met grote regelmaat ‘aan de wandel’.
ALGEMEEN BESCHAAFD NEDERLANDS (ABN)
Alle emoties droomt en fantaseert zij in haar landstaal, maar bijna overal is het in het openbaar zingen en spreken van de landstaal Papiamentu verboden. Het spreken levert op school straf op terwijl het in de samenleving vooral gezien wordt als ‘niet netjes’. Op school bestaat de straf voor Yu uit het moeten schrijven van ‘strafregels’. Het strafwerk maakt zij thuis, maar laat zij doelbewust niet aan haar moeder weten. Uit andere orale geschiedenisverhalen kennen we inmiddels ook nog straffen als ‘in de hoek staan’ en ‘de mond spoelen met zeep’. Dit koloniale beleid heeft ertoe geleid dat het ABN ook voor schrijfster Margarita weinig tot geen geheimen kent.
De roman is werkelijk prachtig en prettig geschreven, met milde humor en sterke observaties. De lezer gaat mee op reis in het levensverhaal van hoofdpersoon Yu, in allerlei gebeurtenissen die bij de lezer zelfvertedering en verontwaardiging kunnen oproepen weet de schrijfster vooral ruimte te laten aan de lezer. Het is hierdoor een boek dat je als lezer eigenlijk pas weglegt als je het uit hebt.
In het levensverhaal van Yu blijft het Nederlands wel de taal uit de kolonie. De koloniale taal die opgelegd is. Het verbod op de eigen landstaal is een bijna standaard onderdeel van de koloniale onderdrukking van de eigen identiteit waardoor de verplichting ontstaat cultureel te veranderen en een andere mentaliteit aan te nemen. Enige decennia geleden werd dit al eens door schrijver Edgar Cairo treffend omschreven als het ‘bestaansverdriet’. Tegenwoordig geven jongeren als (stads)dichter: Gershwin Bonevacia dit de veel krachtigere titel ’culturele genocide’.
NETJES
Nog meer culturele gebeurtenissen en gedragingen worden besproken ’Hoewel we arm waren op Curaçao, kocht moeder Martina nooit tweedehands kleren voor ons. Ze naaide onze kleren zelf’. ‘Ze zorgde er ondanks haar armoede voor dat wij er netjes en schoon bijliepen’. (p.183). Het begrip ‘netjes’ is een woord dat regelmatig terugkeert als een belangrijk iets in het leven van Yu. Zo is het Yu ook geleerd om alle witte mevrouwen in Punda aan te spreken met ‘mevrouw’ Aangekomen in Nederland zal Yu dit ook lange tijd doen bij de witte Nederlandse vrouw van haar vader. Die haar later vraagt om haar aan te spreken met ‘stiefmoeder’. Yu heeft daar veel moeite mee omdat het voelt als een verraad naar haar biologische moeder op Curaçao en omdat het breekt met de culturele traditie dat ‘alle witte vrouwen in die tijd ‘mevrouw’ genoemd worden.

NAAR NEDERLAND: HULANDA
Nadat haar ouders al enige tijd gescheiden leven vertrekt vader naar Nederland. Weer later, als ze al jarenlang niet meer van hem hebben vernomen, ontvangt moeder Martina op een dag een brief met de tekst: ‘Ik woon in Amsterdam, je kunt de eerste vier kinderen naar Nederland laten overkomen. Ik stuur geld voor tickets.’ Moeder Martina was net zo verbaasd als toen hij vertrok, maar tegelijkertijd blij en trots, want haar kinderen kregen de kans om naar Hulanda te gaan. Dat zou betekenen dat háár kinderen daar in Hulanda zouden gaan studeren en dat zij een beter leven kregen dan ze tot nu toe hadden op Curaçao’ (p.93)
In het voor haar beruchte Hulanda aangekomen, halverwege de jaren 60, krijgt zij opnieuw te horen dat haar eigen taal en daarmee ook andere belangrijke onderdelen van haar Caribische cultuur verboden zijn. Bij haar vader aangekomen met haar broertje en zusje krijgt zij te maken met een stiefmoeder. Een hagelwitte vrouw, die aangeeft dat er thuis alleen ‘netjes’ gesproken mag worden, wat wil zeggen: Nederlands. Het Papiamentu spreken is verboden, levert een straf op. Het directe gevolg is dat haar broertje en zusje haar niet meer aanspreken met Yu maar met het haar officiële naam: Leonora. ‘Ook ik noemde mijn broertje en zus niet meer bij hun nomber de cariño, troetelnaam, maar bij hun officiële namen’ (p. 117)
ZWARTE KINDERTJES
Vader blijkt met het naar Nederland halen van de kinderen een geheel eigen agenda te hebben. Ze zijn naar Amsterdam gekomen omdat zijn partner graag ‘zwarte kindertjes’ wilde. Met hun komst dacht hij haar meer aan huis te binden waardoor voor hem meer ruimte zou ontstaan om de deur uit en ‘aan de boemel te gaan’. Daarnaast was het hip om vooral zwarte kinderen te adopteren. Na dit ontdekt te hebben beschrijft Yu dit als dat zij ongewild onderdeel is van het project ‘Zwarte kindjes met zwarte vader’.

HET WEZENTJE
Taal speelt alle momenten een rol in het leven van Yu als het enige dat haar nog rest van haar eigen identiteit. Zij spreekt met zichzelf over het gemis aan typische geuren en geluiden inclusief het genieten van het lokale eten en de felle middagzon. Het is allemaal prachtig beschreven in zinnen als: ’ ik ben geboren’ in het Papiamentu, want dat was mijn eeuwige taal en in het Nederlands voelde ik het niet. Maar ik hoopte dat stiefmam mij niet zou horen, anders werd het vroeg naar bed gaan, de straf voor het in huis spreken van mi idioma, het Papiamentu, die verboden taal’ (p182.).
Ook heeft zij een eigen uitweg gevonden voor als zij geconfronteerd is met emoties als pijn, verdriet, schrik en zich niet lekker voelen. De oplossing voor het geconfronteerd worden met emoties, waardoor ieder mens terugkeert naar zijn oorspronkelijk taal, is voor Yu het regelmatig opzoek gaan ‘naar het wezentje van mijn koortsdromen’. Yu kent zo een ‘engel’ die haar met raad en daad bijstaat om bepaalde gebeurtenissen te duiden of eraan te ontsnappen.
GEVOLGEN VAN EIGEN TAAL NIET MOGEN SPREKEN
Het boek Verboden taal geeft dus door de ogen van Yu een tijdsbeeld over wat in de tweede helft 20ste eeuw ‘normaal’ was en nu nog (soms) is. De lezer krijgt pijnlijk beschreven in wat voor schokkende cultuur kinderen toen leefde zowel op Curaçao als in Nederland en hoe ze, zoals Yu, (moesten) beschikken over een enorme veerkracht. Voor de lezer is tussen de regels door het Nederlandse cultuurkolonialisme voelbaar en het slavernijverleden zichtbaar met haar verziekte relaties gebaseerd op huidskleur zonder dat schrijfster Margarita de begrippen superieur en inferieur expliciet uitspreekt. Het levert een leven op bestaande uit wanbegrip, eenzaamheid en gekrenktheid. Een leven van ‘nergens bij horen, overal tussen vallen en waarin de eigen identiteit moet worden weggestopt’. De dagelijkse praktijk bestond toen uit wijken met slagbomen en het niet als netjes bestempelen van de eigen landstaal die je bovendien niet ver of verder kon brengen. Zeker niet als je wilde gaan studeren. Terwijl tegenwoordig steeds vaker geroepen wordt dat men het best vanuit de eigen landstaal meerdere andere talen aangeleerd kan krijgen, liefst zo vroeg mogelijk.
Fragment Papiamentu, de taal van jouw moeder, van een vader die er nooit was en je beschermde of naar school ging om de juffrouwen en meneer Treurniet te vertellen dat het slaan van een kind niet pedagogisch was. Papiamentu, de taal van jouw grootmoeder en jouw grootmoeders moeder. De taal van jouw eiland, jouw traditie, jouw cultuur en hart. Die taal was opeens een ‘verboden taal’. ‘Verwarrend was het, omdat Curaçao een onderdeel was van Hulanda – we deelden hetzelfde paspoort. Het Curaçao waar je strafwerk of tikken op je vingers kreeg met een liniaal wanneer je geen Hulandes maar Papiamentu sprak op school. Verwarrend!’ (p.103)

School
Bijzonder aan de roman is dat het woord school tientallen keren voorbij komt, maar dat Yu geen kanttekeningen maakt bij het lesmateriaal. Het gehele schoolsysteem is namelijk ingericht met Nederlandse lesmethodes en geschiedenis. Met leesboekjes als ‘Vlugge Slang’. Van leeftijdsgenoot en historicus Boi Antoin is de informatie dat iedereen die in de jaren 60 de lagere school bezocht van de fraters, uit dit boekje les kreeg waarin teksten zijn te lezen als: ‘ Njoka hoefde niet naar school. Er was geen school. De negers hebben zelf geen scholen. De missionarissen bouwen scholen in de negerdorpen. Njoka en de andere negerjongetjes leerden niets. Vader en moeder leren ze ook niets. Ja, iets leren ze wel ; maar ‘t is niet veel goeds : ze leren stelen, liegen, vechten, schelden en nog meer boze dingen — net als hier de stoute straatbengels (p.8).
Cees Luckhardt