Verboden Taal
een Antilliaans verhaal,
van Ruthline Margarita
Dubieuze titel. Voor meerdere uitleg vatbaar. Wel gesproken en levend, thuis en in onderlinge communicatie, dus hoezo verboden, maar mocht gedurende een lange periode op school niet worden gesproken. Papiamentu.
Lang geleden, maar er zijn nog twee, drie generaties die het niet als vak en verplicht eindexamen hebben gehad.
In dit lange verhaal -want het is in de strikte zin van het woord niet een roman te noemen- volgen we, de lezers, het wel en wee van het meisje Leonora, bijgenaamd Yu.

“Voor de duidelijkheid, mijn naam is Leonora en ik ben geboren op Curaçao, om precies te zijn op Bándariba aan de oostkant van het eiland. Voordat ik werd geboren, woonden mijn ouders bij wela parti di tata op Yotin Kòrtá met drie kinderen.
Maar dat samenwonen met iemand die met brua, zwarte magie, bezig was en die haar jongste zoon niet kon of wilde loslaten, ging op een gegeven moment niet meer. Te veel ruzies, manipulaties, hekserij en hocuspocus in huis.”
Verboden Taal is opgebouwd uit anekdotes en andersoortige verhalen, verdeeld over twee afdelingen, deel 1 Curaçao (19 verhalen) en deel 2 Hulanda (20).
“Mijn familie vond dat ik op een ‘Afrikaantje’ leek. Ik was te jong om te begrijpen wat ermee bedoeld werd, maar later begreep ik het beter. Het kwam erop neer dat van de eerste vier kinderen van mijn ouders ik degene was die het zwartst was. Ik had een te lang en zwart gezicht, met grote zwarte ogen die de wereld brutaal en bijna bozig in keken.”
Ruthline is al van kinds af aan het schrijven en tekenen, schilderen. Ze komt uit een artistieke familie, bijna alle familieleden zijn creatief, hetzij in de muziekwereld, de modewereld, het dichten of in het tekenen/schilderen. Maar zij is de eerste die een boek heeft geschreven. Van 190 bladzijden. Uitgegeven bij een echte uitgeverij, in tegenstelling tot haar eerste literaire debuut, de dichtbundel ‘Heb me vrij’, die ze in eigen beheer had uitgebracht. Ze schrijft omdat het een innerlijke drang is, omdat het moet. Het is in eerste instantie een uiting die verhelderend, of zo je wil therapeutisch, werkt voor de schrijver; maar als het geschreven is, – en door verschillende mensen gelezen en dan aangepast, weggelegd en na twee jaar weer opgepakt en verwerkt, gerijpt, aangemoedigd door verschillende lezers, – dan wordt het interessant bevonden om te delen met een grote groep lezers.
Op 10-jarige leeftijd wordt Yu door haar moeder naar Nederland gestuurd, waar de vader van het meisje woont. De moeder kan het niet meer aan. Ze stuurt niet Yu alleen, maar ook een dochter van 11 en een zoontje van 9 naar de man.
“Wat werd er van ons verwacht? Hoe zag onze vader eruit? Zou hij ons opwachten en herkennen? Waar gingen we wonen?”
Ze noemen de vader El-pa. Hij is met een witte stiefmam en ze wonen in Amsterdam. Als in 1969-70 de studentenopstand uitbreekt, wordt het oudst zusje ‘door twee politiemannen gruwelijk in elkaar geslagen. Ze had een behoorlijke bult op haar hoofd en een schaafwond aan haar been die hevig bloedde.’ Maanden later: “Zelf keek ik veel naar de mensen om me heen en probeerde te zien wat ze bedoelden wanneer ze iets zeiden of deden. Ik schreef alles wat ik deed op in mijn dagboek dat ik van stiefbroer Jopie voor mijn verjaardag had gekregen. Ook schreef ik veel brieven aan wela Didi, brieven die nooit werden verstuurd.”
Dankzij deze interesse en ingeboren schrijfdrift heeft Ruthline een boeiend lang verhaal geschreven, de moeite meer dan waard om te lezen, en in een taal gelardeerd met woorden uit een niet langer Verboden Taal.
Jeroen Heuvel