blog | werkgroep caraïbische letteren

Van minderwaardigheid bevrijd

Roland Colastica: Vuurwerk in mijn hoofd

‘Witte mensen zijn slechte mensen. Dat zegt mijn vader en mijn vader spreekt altijd de waarheid.’
‘Ik denk dat je vader zich vergist,’ zegt de lerares.
‘Dat kan niet.’
‘Jij en je vader zijn slaven van jullie eigen minderwaardigheidsgevoel,’ zegt Taïma. ‘Mijn oma heeft mij alles over de slavernij verteld. En het klopt dat er nog steeds sprake is van onderdrukking op ons eiland. Maar mijn oma zegt ook dat dat ons niet het recht geeft mensen om hun afkomst of hun huidskleur te veroordelen, want dan doen we precies wat de blanken altijd gedaan hebben. We moeten ons bevrijden van het slavengevoel dat nog steeds in ons hoofd zit. Alleen als we dat doen, kunnen we vooruitkomen en ons volwaardige mensen voelen.’ (p 76)
Emancipate yourselves from mental slaveryis het motto dat Roland Colastica aan zijn jeugdroman heeft meegegeven. Het komt uit Redemption Song, het beroemde lied van Bob Marley en is het thema van Vuurwerk in mijn hoofd. De hoofdpersoon, de twaalf of dertienjarige Jurcell worstelt met verschillende vooroordelen. Maar eind goed, al goed. Nadat hij in een emotionele achtbaan door elkaar is geschud blijft Jurcell zijn moraal erg hoog en maakt hij verstandige keuzes. Aan het begin van het boek wordt hij al voor de keuze gesteld om bij een inbraak honden te vergiftigen met wat vlees. Maar daar is hij vastberaden in: ‘Ik dood geen honden, geen hagedissen, geen katten, geen enkel levend wezen. Ik dood niet.’ Goed, hij doet wel mee aan de inbraak, dus moraal, nou ja, maar later meer hierover. De schrijver maakt ook weer niet een te brave jonge held van zijn hoofdpersoon. Een bladzijde verder als Jurcell over de muur klimt om een fiets te stelen vraagt hij zich af waar hij mee bezig is. ‘Waarom maak ik alles altijd moeilijker dan het is? Waar is die zak met vergiftigd vlees? Gewoon over de muur kieperen, vijf minuten wachten, en iedereen is van die monsters af. Niet alleen ik, maar ook de buren, de postbode, de krantenjongen.’ Dit relativerende is een sterk punt van Colastica. Het is de kracht van een monoloog in het theater, waarbij het publiek kan meeleven met de innerlijke twijfels van een personage, of beter gezegd de dialogue interieur. Colastica is op zijn sterkt als hij dialogen schrijft. Overigens neemt Jurcell geen deel aan het gesprek aan het begin van dit artikel.
Vuurwerk in mijn hoofd. 140 pagina’s, 13 hoofdstukken. Het verhaal begint met De kalebassenoorlog, Jurcell voelt zich erg in de put, zijn ouders zijn uit elkaar gegaan, mama heeft geen tijd voor hem, hij moet bij oma logeren, dus als hem gevraagd wordt zich bij een straatbende aan te sluiten dan voelt hij zich ineens weer, al is het door verkeerde vriendjes, gewaardeerd. In het gevecht met een andere bende krijgt hij een kalebas tegen zijn achterhoofd en raakt buiten westen.
Hoofdstuk twee is het begin van een lange flashback, drie maanden eerder: hoe het zover gekomen is, in hoofdstuk tien gaat het verhaal verder vanaf de kalebassenhersenschudding – de titel slaat op de donderende koppijn – en in het laatste hoofdstuk is het twee maanden verder. In deze vijf maanden gebeurt er heel wat met Jurcell, Colastica verweeft verschillende motieven kleurig ineen. Bijvoorbeeld de slungeligheid van een puberende jongen in de kalverliefde:
“Jurcell gluurt weer naar Taïma. Ja hoor, ze ligt nog steeds naar Gerrit te kijken. Gelukkig heeft Gerrit het niet door. Zou Taïma op witte jongens vallen, op makamba’s, net als alle andere meisjes uit de buurt, die altijd gillen: ‘Ik trouw nóóit met een zwarte…’? Gerrit is wit, spierwit, met blond haar en blauwgroene ogen.
Rare gozer. Hij stond vanochtend opeens voor de klas. Met de directeur. ‘Dit is Gerrit,’ zei de directeur, ‘Gerrit Schreers. Hij is jullie nieuwe klasgenoot. Ik reken erop dat jullie snel vrienden zullen worden.’
Jurcell kent Gerrit al langer. Van voetbal. Ze spelen al meer dan een jaar in hetzelfde elftal. Maar vrienden zijn ze niet. Jurcell zou wel willen, maar Gerrit wil nooit met hem praten. Gerrit kan geweldig voetballen. Samen vormen ze de aanval van Willemstad. Knappe jongen die hen tegenhoudt. Gerrit is van de voorzetten, Jurcell van de goals. Maar als er weer eens is gescoord vallen ze elkaar niet in de armen, een high five is alles wat eraf kan. Jurcell heeft geen idee waar Gerrit woont of op welke school hij eerst zat. En al helemaal niet waarom hij opeens hier is. Misschien kunnen ze nu vrienden worden. Maar dan moet hij wel van Taïma afblijven.
Nou ja, waar maak ik me druk om, denkt Jurcell. Ik gá toch niet met Taïma? Ze is toch niet mijn verloofde of zo? Ik zou niet eens willen. Ze moet zelf maar weten wat ze doet. Ze mag best naar een andere jongen kijken.” (p 16)
Taïma is veel handiger. En is zich daarvan bewust. ‘Moet je zien hoe ik me opgetut heb. Voor jou! Maar zoiets zij jij natuurlijk niet.’ (p 115)
De loyaliteit van een kind aan beide ouders als die ruziën is een ander motief. “Ik kan mama niet in de steek laten. Zij heeft me nodig om voor haar op te komen. En papa heeft mij ook nodig, anders is het twee tegen een. Ik moet er voor allebei zijn.” (p 67)
Papa is ooit de beroemdste voetballer van Curaçao geweest, Richard Ricardo, de verschrikkelijke machoman, hij scharrelt zelfs met de geschiedenisjuf van Jurcell. Moeder blijft in het verhaal naamloos, mevrouw Ricardo, ook al weten we dat ze ooit sportkoningin van het jaar is geweest, totdat ze zijn machogedrag kotsbeu is. Dan volgt er een scène in de supermarkt, bij de kassa. Je staat in de rij, doet alsof je er niet bij bent, maar geniet er stiekem van, met zoveel plezier en humor hanteert Colastica de pen:
‘Dag mevrouw Ricardo,’ zegt het meisje dat daar zit. ‘Alles naar wens vandaag? Met u en natuurlijk ook met… met uw man?’
‘Ik ben mevrouw Rafaela, Odessa Rafaela. Die andere naam wil ik niet meer horen en het gaat je niks aan hoe het met mij gaat.’
‘Mama,’ fluistert Jurcell, ‘snauw de mensen niet zo af.’
‘Dat is allemaal jouw schuld,’ zegt mama. ‘Als jij je zou gedragen als de zoon van een Bekende Curaçaoënaar, zou een vakkenvuller mij niet de les hoeven te lezen over jouw opvoeding.’
Jurcells moeder praat zacht, maar het meisje achter de kassa heeft haar toch verstaan.
(En dan, als een soort vox populi, gaat ze door, niet beseffend dat ze het over mensen als zichzelf heeft, jh.)
‘Ik snap het,’ zegt ze. ‘Als je getrouwd bent met de beroemde Richard Ricardo, bemoeit iedereen zich natuurlijk met je privéleven. Dan ben je publiek bezit.’ Ze slaat de bedragen snel aan op de kassa en ratelt zelf nog sneller door.
‘Dat zal soms wel eens lastig zijn. Toch lijkt het me geweldig om met zo’n belangrijk persoon als uw man te mogen leven.’
Jurcell went zich af. Dit wordt oorlog, denkt hij.
‘Hij is nu bezig met een film, hè?’ zegt het meisje. ‘Ik lees alles in de kranten. Alles. En nu weet ik ook wat u vanavond gaat eten. Ik denk dat iedere vrouw op het eiland er wel eens van droomt om met die man van u samen te zijn. Toch?’ (p 63)
Nog een motief is het contact met geesten van voorouders. Oma langs vaders kant heeft een huisaltaar met beelden van heiligen en van aartsengel Michael. Ze kan in de askegel van een sigaar de toekomst zien en is regelmatig een medium door wie voorouders optreden. Maar ze bidt ook tot God voor het slapengaan. ‘Kan dat eigenlijk wel samen? Geloven in God en in geesten tegelijk?’ ‘Officieel niet,’ zegt oma, ‘maar ach, het is toch allemaal één pot nat.’ (p 101) Doodleuk vertelt de schrijver dat zij niet gelooft in de voorspellingen van een opa die met kiezelsteentjes dobbelt om de uitslag van de loterij te weten te komen. Oma is ook de figuur bij uitstek om via Jurcell de lezertjes een genuanceerd beeld over de slavernij van vroeger te geven.
Een puntje kritiek, waarom heet de taal van Curaçao Papiamento (p 56)? Dat spreken ze op Aruba, maar dit verhaal speelt zich af op Curaçao, waar Papiamentu wordt gesproken, of Papiaments zoals het in het Nederlands heet. En waarom worden de woorden die niet in het Nederlands zijn, schuin gedrukt als we ze voor het eerst tegenkomen. Moet er dan niet een woordenlijst achter in het boek? Maar deze woorden worden al in de tekst uitgelegd, waarom zijn ze dan toch schuin? En waarom wordt de sia-boom niet gewoon zadelboom genoemd, en de wayaká niet gewoon de pokhout, de Nederlandse benamingen. De auteur is overigens niet heel sterk in dit boek in de beschrijvingen van de omgeving. Er worden wel veel verschillende bomen genoemd, maar daar blijft het bij, het krijgt geen betekenis. Maar dit is een slechts een miniem puntje.
Roland ‘Roy’ Colastica (rechts) met Miep Diekman
 
Het sterkste motief in dit boek lijkt me de vriendschap. Niet de vriendschap met Randy, de leider van de straatbende. Jurcell in gesprek met Randy:
‘En waar is jouw vader dan?’
‘Ook weg. Gelukkig maar. Nu kan ik mezelf opvoeden.’
‘En je moeder dan?’
‘Ik ben een jongen. Ik wil niet door een vrouw opgevoed worden.’
‘En moet je niet naar school?’
‘Wat kan een juf mij leren? De straat is mijn huis, de straat is mijn school.’ (p 89).
Randy die tijdens de kalebassenoorlog tegenover de leider van de andere bende kwam te staan, een Nederlandse jongen, Gerrit. ‘Ik verslagen door een makamba? Nooit! En zeker niet door deze makamba.’ (p 14) Toch lukt het Colastica ook gevoelige kanten van Randy te schetsen, waardoor de lezer toch sympathie voor deze bendeleider kan opbrengen.
Maar het gaat om de vriendschap tussen Jurcell en Gerrit, die heeft Colastica aangrijpend uitgewerkt. Gerrit heeft geen leuk verleden, vader slaat moeder en hem bont en blauw, Gerrit steekt zijn vader neer en is daarom uit huis geplaatst in een inrichting op Curaçao. Colastica durft vooroordelen aan te pakken. Op bladzijde 16 vroeg Jurcell zich al af of ze misschien vrienden kunnen worden. Zoals dat in goede jeugdboeken kan gaan, gebeurt dat dan ook, zelfs als Gerrit weer naar Nederland wordt weggestuurd. In het laatste hoofdstuk gaat alles tenslotte goed, de verhouding tussen Taïma en Jurcell, Ricardo en Odessa zijn – nogal pardoes – weer samen, de film over Ricardo wordt vertoond, het publiek applaudisseert terwijl het doek valt.
Roland Colastica heeft een goed boek geschreven, een aanwinst voor de jeugdliteratuur. Hopelijk volgen er meer.
Roland Colastica, Vuurwerk in mijn hoofd, Uitgeverij Leopold, 2012, 140 bladzijden, voor lezers vanaf 10 jaar.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter