Van jollof tot tomtom: culinaire routes tussen West-Afrika en Suriname
De laatste jaren is de aandacht voor culinaire diaspora sterk toegenomen. Publicaties als Black Food van Bryant Terry en Code Noir van Laleini Lewis laten zien hoe voedselgeschiedenis onlosmakelijk verbonden is met migratie, identiteit en koloniale structuren. Tegen die achtergrond lijkt The Jollof Club van Nicolas Aquaa zich in een bekend veld te begeven. Toch onderscheidt dit boek zich door zijn uitgesproken persoonlijke invalshoek. Aquaa beschrijft zijn culinaire ontwikkeling als een zoektocht naar zijn West-Afrikaanse wortels: een reis die loopt van Friesland naar Nigeria en Ghana, en via Londen terug naar Nederland. Aquaa’s zoektocht begint daarbij niet bij een vanzelfsprekende verbondenheid met zijn afkomst, maar juist bij een periode van afwijzing, waarin hij afstand neemt van het eten en de cultuur van zijn ouders.
Die persoonlijke “journey” nodigt uit tot een andere lezing. Want wie de recepten en verhalen in dit boek naast de Surinaamse keuken legt, ziet niet alleen een herontdekking van oorsprong, maar ook een doorwerking van diezelfde oorsprong binnen de trans-Atlantische wereld. Gerechten als pindasoep en ingrediënten als kookbanaan (plantain), maken zichtbaar hoe culinaire tradities zich langs koloniale routes hebben verplaatst en gevormd, vaak onder omstandigheden die verre van vrijwillig waren.

Pindasoep als culinair archief
In Aquaa’s recept voor groundnut soup herkennen we onmiddellijk de contouren van wat in Suriname bekendstaat als pindasoep. Kip, pinda en peper vormen in beide gevallen de basis, maar het zijn juist de verschillen die het verhaal vertellen. Waar Aquaa’s soep wordt gegeten met een swallow, een compacte, zetmeelrijke bal, bijvoorbeeld van rijst, cassave of yam, die dient om sauzen op te nemen verschijnt in Suriname de tomtom: balletjes van groene of rijpe kookbanaan, soms in een mengvorm, die een vergelijkbare functie vervullen.
Nog sprekender is de aanwezigheid van zoutvlees in de Surinaamse variant. Waar Aquaa uitgaat van kip of parelhoen, is de combinatie van kip en zoutvlees in Suriname vrijwel vanzelfsprekend. Dat detail wijst op een andere historische context: die van de plantage-economie en Europese conserveringstechnieken. In die zin wordt de pindasoep meer dan een gerecht; het wordt een culinair archief waarin de sporen van gedwongen verplaatsing van mensen én hun kennis en koloniale invloed zijn vastgelegd.
De verschillen zitten niet alleen in ingrediënten, maar ook in gebruik. Hoewel pindasoep tegenwoordig ook met rijst wordt gegeten, blijft de combinatie met tomtom voor velen de meer traditionele vorm. Daarmee blijft een oudere structuur zichtbaar, waarin de maaltijd draait om het combineren van een geconcentreerde saus met een zetmeelrijke drager, een principe dat direct verwant is aan West-Afrikaanse eetgewoonten.
Kookbanaan en de grammatica van het eten
Naast pindasoep laat ook het gebruik van kookbanaan zien hoe diep deze culinaire verbindingen reiken. Met kookbanaan bedoelen we de zetmeelrijke banaansoort die in Suriname doorgaans simpelweg als ‘banaan’ wordt aangeduid, ter onderscheiding van de zoete ‘bacove’. In The Jollof Club verschijnt kookbanaan in uiteenlopende vormen: gebakken, gefrituurd of verwerkt in stoofgerechten, als een vanzelfsprekend onderdeel van de West-Afrikaanse keuken.
In Suriname en het bredere Caraïbische gebied vervult hetzelfde ingrediënt een vergelijkbare, maar anders uitgewerkte rol. Het verschijnt als bijgerecht, als zoet-hartige tegenhanger, maar vooral ook in de vorm van tomtom. In die vorm wordt kookbanaan een dragend element van de maaltijd, vergelijkbaar met swallows in West-Afrika. Functioneel zijn deze vormen vrijwel identiek: beide dienen om sauzen en soepen te begeleiden en te structureren.

Toch zit er een betekenisvolle verschuiving in. Waar kookbanaan in West-Afrikaanse gerechten vaak onderdeel is van een groter culinair geheel, wordt het in Suriname soms het centrum van de maaltijdstructuur zelf. Wat daar een ingrediënt is, wordt hier drager. In deze verschuiving wordt duidelijk hoe culinaire tradities zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden. De kookbanaan blijft hetzelfde product, maar maakt deel uit van een andere culinaire grammatica: een grammatica die gevormd is door beschikbaarheid, smaakontwikkeling en historische context.
Geen vrijblijvende migratie
Het is verleidelijk om deze overeenkomsten te beschrijven in termen van culinaire uitwisseling of migratie. Maar zulke termen verhullen de historische realiteit. De aanwezigheid van West-Afrikaanse gerechten en ingrediënten in de Caraïben is niet het resultaat van vrijwillige verspreiding, maar van koloniale routes en gedwongen verplaatsing. In het bijzonder de trans-Atlantische slavernij heeft niet alleen mensen verplaatst, maar ook kennis, technieken en smaken, vaak onder omstandigheden van verlies en geweld.
Dat maakt de continuïteit van deze culinaire tradities des te betekenisvoller. Pindasoep en kookbanaan zijn geen neutrale ingrediënten; ze dragen een geschiedenis met zich mee. Tegelijk zijn ze voorbeelden van aanpassing en vernieuwing. In Suriname zijn deze gerechten niet simpelweg bewaard gebleven, maar veranderd, verrijkt en ingebed in een nieuwe culturele context. Juist in die combinatie van continuïteit en transformatie ligt hun kracht.
Terugvinden en voortleven
In dat licht krijgt Aquaa’s persoonlijke zoektocht een extra lading. Zijn culinaire ontwikkeling moet bovendien worden begrepen tegen de achtergrond van een jeugd in Friesland, waarin aanpassing en het wegdrukken van afkomst lange tijd een rol speelden. Waar hij zijn Afrikaanse culinaire identiteit opnieuw moet ontdekken, na een jeugd waarin hij afstand nam van zijn afkomst, laat de Caraïbische keuken zien hoe diezelfde tradities elders zijn blijven voortleven. Niet onveranderd, maar ook niet verloren.
De Surinaamse pindasoep en het gebruik van kookbanaan maken zichtbaar hoe diezelfde culinaire lijnen generaties lang zijn blijven doorwerken. Zijn reis is er een van terugvinden; de Caraïbische keuken toont hoe diezelfde tradities zijn blijven voortleven.
Slot
Tegelijk is The Jollof Club nadrukkelijk ook gewoon een kookboek in de volle betekenis van het woord. Aquaa biedt een breed en goed toegankelijk repertoire aan recepten – van jollof rice en suya tot soepen en ‘small chops’ – die uitnodigen om zelf mee aan de slag te gaan en die, juist in hun directheid, overtuigen. De kracht van het boek ligt daarmee niet alleen in het vertellen van een verhaal, maar ook in het overbrengen van smaak: gerechten die helder zijn uitgelegd en in de praktijk goed te maken blijken. Dat wij hier een andere lezing kiezen, doet daar niets aan af, maar laat juist zien dat het boek naast culinair kompas ook ruimte biedt voor een bredere interpretatie.
The Jollof Club is daarmee meer dan een kookboek en zelfs meer dan een culinair memoir. Het is een uitnodiging om anders te kijken: niet alleen naar gerechten, maar naar de routes die zij hebben afgelegd. Door Aquaa’s persoonlijke reis te volgen en deze te verbinden met de Surinaamse en Caraïbische context, wordt zichtbaar hoe voedsel een geschiedenis draagt die verder reikt dan het bord.
Misschien ligt juist daar de grootste waarde van dit boek: het maakt duidelijk dat eten niet alleen verbindt, maar ook een geschiedenis bewaart: een geschiedenis die niet altijd zichtbaar is, maar wel in smaak en gebruik herkenbaar blijft.