blog | werkgroep caraïbische letteren

Van Indianen en Arubanen (1)

door Fred de Haas

Wie kennis wil nemen van de Curaçaose en Arubaanse literatuur kan tegenwoordig beschikken over een aantal zeer lezenswaardige naslagwerken:  van Anton G. M. Claassen De navelstreng van mijn taal (1992);  van Wim Rutgers Beneden en Boven de wind (1996);  van Aart G. Broek – in samenwerking met Lucille Berry-Haseth, Sidney M. Joubert en anderen – De kleur van mijn eiland (2006), verschenen in het Papiaments onder de titel Pa saka Kara (1998);  van Henry Habibe Aruba in literair perspectief (2015).Wat opvalt is dat de auteurs van bovenstaande boeken de inhoud ervan elk op een andere manier omschrijven.

Claassen De navelstreng van mijn taal
Anton Claassen preciseert de inhoud als ‘levende poëzie van Aruba’, Wim Rutgers als ‘Antilliaanse literatuur’, Henry Habibe spreekt over ‘Aruba in literair perspectief’, Sidney Joubert en Lucille Berry over ‘Historia di literatura Papiamentu’ (Geschiedenis van de Papiamentstalige literatuur) en Aart G. Broek over ‘Ideologie en schrijven in het Papiamentu sinds 1863’ met als hoofdtitel ‘De kleur van mijn eiland: Aruba, Bonaire, Curaçao’.

Waarom geen eenvoudiger omschrijving? Om deze vraag te beantwoorden zou ik u het volgende oude raadsel willen opgeven: het heeft de brede, platte snavel van een eend, het snatert als een eend, het heeft bij het zoeken naar voedsel de kop onder water en de staart omhoog als een eend en het vliegt als een eend. Vraag: wat zou dat kunnen zijn? Antwoord: dat moet haast wel een eend zijn.

Zo zit het ook met de naam van de letterkunde van Aruba, Bonaire en Curaçao. We bladeren, bijvoorbeeld, in een bundel met prachtige Papiamentstalige gedichten. Ze zijn door een Arubaanse dichteres geschreven in de Arubaanse spelling, ze gaan o.a. over kinderen van ‘Oruba’, over de kusten van Aruba, over de Oudejaars ‘dande’ van Aruba en de metaforen zijn ontleend aan de natuur van Aruba. Vraag: wat is dat voor literatuur? Antwoord: dat moet haast wel Arubaanse literatuur zijn!

 

Hubert Booiultima

Hubert Booi. Portret door Nicolaas Porter

Waarmee is aangetoond dat het voor de hand ligt dat we voortaan zonder omwegen kunnen spreken van ‘Arubaanse literatuur’, ‘Curaçaose literatuur’ en ‘Bonairiaanse literatuur’. Vervolgens zou dan wel de vraag kunnen rijzen welke schrijvers bij de Arubaanse, de Bonairiaanse of de Curaçaose literatuur horen.
Als je zou uitgaan van de plaats waar ze geboren zijn dan zouden er al twee Papiamentstalige schrijvers van Aruba naar Bonaire moeten vertrekken: Hubert Booi en Frida Winklaar. Die zouden volgens dat criterium bij de Bonairiaanse literatuur horen. Ook zouden ze gezelschap krijgen van de Curaçaose auteur Joseph – Jopi – Hart die op Bonaire werd geboren.

De eerste ‘lyrische worstelaars’ in de Arubaanse literatuur
Toen er in het begin van de vorige eeuw op Aruba, net als op Curaçao weinig werk was voor de mensen, zijn er veel Antilliaanse arbeiders naar Cuba gegaan om daar te werken in de suikerrietvelden. Logisch dat velen daar heimwee hadden naar hun geboorteland. De volgende verzen uit die tijd hebben te maken met dat gevoel van heimwee (in mijn vertaling):

Wat heeft, anders dan eenzaamheid,
een Arubaan buiten zijn land te zoeken?
Alleen een Arubaan begrijpt
hoezeer op vreemde grond
verdriet gedijt.
In dit land is alles vreemd,
smaak en zin gaan hier verloren,
slechts Aruba kan bekoren,
bij Aruba wil ik horen!

Bovenstaande tekst is oorspronkelijk geschreven in het Papiaments door pater Stephan van de Pavert die aan het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw op Aruba werkte. Pierre Lauffer vond het Papiaments van de pater ‘un poko mankaron’, een beetje gebrekkig. Maar toch. Die tekst markeerde met de ‘Atardi’ van Frederik – Fechi – Beaujon het begin van de Arubaanse literatuur. Vandaar nog een paar versregels van Fechi waarin hij een sterrennacht beschrijft:

‘Ya e lampinan sin cadena, ma cariñoso
Ta plama nan luz arriba tera y lamá
Den silencio mi ta mira Hooiberg, majestuoso
Foi toer su otro compañeronan bandoná’

Pierre Lauffer zou het laatste vers ongetwijfeld ook ‘un poko mankaron’ hebben gevonden. En de historicus Johan Hartog zou de twee dichters waarschijnlijk allebei ‘lyrische worstelaars’ hebben genoemd, de naam waarmee hij de rijmelaars en verzenbakkers aanduidde die hun lyriek publiceerden in de ingezonden stukken van de krant waarvan hij indertijd hoofdredacteur was, de Amigoe di Curaçao.

Pavert Stephanus van de

 

Ik citeer deze verzen omdat ze het begin van de Papiamentstalige Arubaanse literatuur markeren en omdat ze gemaakt zijn door mensen die door een speling van het lot op het eiland Aruba terecht waren gekomen, respectievelijk een Nederlander en een persoon wiens voorouders uit Frankrijk kwamen, maar die zich zeker een echte Arubaan voelde.  Over wie een ‘echte’ Arubaan genoemd mag worden komen we dadelijk nog te spreken. Eerst nog even wat relevante feiten over het Papiaments dat zo’n lange weg heeft moeten afleggen voordat het als cultuurtaal doorbrak.

 

[wordt vervolgd]

2 comments to “Van Indianen en Arubanen (1)”

  • Het is niet de geboorteplaats die doorslaggevend is voor het criterium tot welke literatuur een auteur behoort, maar eerder het woonlandbeginsel – de thematiek en de taal die de auteur hanteert.

    • Dat lijkt mij ook.

2 Trackbacks/Pings

Your response at Quito Nicolaas

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter