blog | werkgroep caraïbische letteren

Koloniale stemmen over de hereniging met het moederland in 1816

door Wim Rutgers

 

‘Heil! Vrienden Rey, Heil! Op deez’ blyde dag’ zong gouvernementstolk A.S. Delvalle op 7 maart 1816, toen de Curaçaose elite uitbundig vierde dat de kolonie weer Nederlands gebied was. Deze ’blijde dag’ was niet in november 1813, zoals het Europese deel van het Koninkrijk zijn tweehonderdjarige onafhankelijkheid vierde, maar in maart 1816 toen in de kolonie ‘Curaçao en onderhorigheden’ de bestuursoverdracht na een negenjarig Engels Tussenbewind (1807 – 1816) naar een koloniaal Nederlands bewind plaatsvond.

opname/scan 2002

Gouverneur-generaal Albert Kikkert. Portret Rijksmuseum

Met de herdenking van de landing van de latere Koning Willem I op het Scheveningse strand op 30 november 1813 begonnen in Nederland de herdenkingsplechtigheden van tweehonderd jaar koninkrijk. Maar een vergelijkbare landing vond op Curaçao pas op 27 januari 1816 plaats toen het Z.M. linieschip de ‘Prins van Oranje’ in de haven van Willemstad arriveerde met de Nederlandse gouverneur-generaal Albert Kikkert, getrouwd met de Curaçaose Anna Maria Cornelia van Uytrecht, die het bestuur na het Engelse tussenbewind van 1807 – 1816 overnam. Hij was overigens al op 20 november 1814 benoemd als gouverneur-generaal, een benoeming die per 1 januari 1815 zou ingaan. Maar kennelijk maakte de oud marineofficier geen grote haast naar Curaçao te vertrekken, een eiland dat hij al goed kende door eerder verblijf, zijn huwelijk en als eigenaar van de twee plantages San Juan en Pannekoek.
Aan boord bevond zich een uitgebreid koloniaal gezelschap om het Nederlandse bestuur handen en voeten te geven, onder wie Lamaison, Elsevier, Nuboer, Boyé, Van Paddenburgh en vele militaire autoriteiten als H.J. Abbring, S. Plats, R.F. van Raders en J.M. van Eps. Johan Hartog vermeldt in Curaçao, van kolonie tot autonomie (1961: 645) iedereen uitvoerig, inclusief de te vervullen functies op het eiland.

Die aankomst op 27 januari 1816 of de bestuursoverdracht op 4 maart 1816 waren voor de kolonie hét moment waarop de Nederlandse vlag weer op het Fort wapperde. Kunsthistoricus Adi Martis wees in de catalogus die verscheen ter gelegenheid van de in Museum de Fundatie in Zwolle, Nederland, georganiseerde tentoonstelling Tropisch Koninkrijk hier ook al op. De bestuursoverdracht op Aruba vond op 11 maart 1816 plaats met de benoeming van L.C. Boyé tot commandeur. Bonaire volgde op 7 mei 1816.

Terzijde wil ik opmerken dat velen van het Curaçaose gezelschap na lange jaren nog steeds op het eiland woonden. Het eiland was geen kolonie waar Europeanen in korte tijd rijk wilden worden om vervolgens weer snel naar het moederland te repatriëren. Men kwam om te blijven en zo ontstond er een lokale elite van bestuurders, handelaren, militairen, onderwijzers en predikanten – de hiervoor genoemde namen getuigen ervan.
In zijn ‘ aanspraak’ tot het bestuur van het eiland drukte gouverneur generaal Kikkert dit als volgt uit: “Ik ben in hetzelve geen vreemdeling, vele jaren van mijn besten leeftijd heb ik hier met genoegen doorgebracht; ik heb hier mijne familie en mijne eigendommen; ik ben hier niet gekomen, om in hetzelve schatten te vergaderen, met buit beladen tot mijn geboorteland terug te keren, neen! mijne reeds gevorderde jaren voorspellen mij, dat ik nimmer mijn vaderland weder zien, maar hier mijne dagen eindigen, hier mijne eeuwige rustplaats vinden zal.
Waarom zou ik mij dan behoeven te verrijken met de vruchten van het zweet en bloed der inwoonders ? waarom zou ik dan mij hunne haat en verachting waardig maken, mijne eigene eer, die ik altijd onbevlekt gehandhaafd heb, bezwalken, en mijne gedachtenis voor volgende geslachten schandvlekken?
Neen! mijn geboorteland voor altijd vaarwel gezegd hebbende, erken ik dit Eiland voor mijn eigen vaderland, alle mijne zorgen zullen aan dit land gewijd zijn; mij met het brood mijns bescheiden deels vergenoegende, hoop ik hier met eere te leven, en, met de bewustheid van welgedaan te hebben, ten grave te dalen, om voor altijd te leven in de harten van dankbare nakomelingen.” (The Curacao Gazette, 8 maart 1816; geciteerd uit Twee ‘Aanspraken’ van den gouverneur-generaal a. Kikkert in 1816 medegedeeld door W.M. Hoyer. West Indische Gids 17, 1935-1936: 250 – 255) Dat de gouverneur-generaal dit zo nadrukkelijk denkt te moeten vermelden geeft overigens wel te denken over wat kennelijk de algemene mentaliteit in deze was. Albert Kikkert zou al na drie jaar in 1819 overlijden.

De officiële overdracht van het Engelse tussenbestuur aan Nederland vond plaats op 4 maart 1816, een feit dat uitbundig gevierd werd. De nieuwe gouverneur-generaal gaf op 7 maart 1816 een daverende receptie, waar de feestelijkheden met dichterlijke toespraken rijkelijk met liquide middelen overgoten werden voor de leden van het garnizoen, vertegenwoordigers van de handel en andere aanzienlijke inwoners. Het werd geen volksfeest, hoe kon dat ook in een tijd dat de slavernij nog het sociale leven bepaalde tussen vrij en onvrij.

 

The Curacao Gazette

De Curaçaosche Courant, die tot dan nog The Curaçao Gazette heette en in het Engels verscheen, het enige nieuwsblad in die dagen, schreef in een uitgebreid en enthousiast verslag over niet minder dan zeven toasts, die alle vermeld werden met de toevoeging: “A number of other toasts were likewise given, but the above mentioned are the principal.” Het glas werd geheven op de koning, op het Verenigd Koninkrijk, de prins van Oranje en zijn gezin, op het schip De Prins van Oranje en zijn bemanning, op de vertrekkende Engelse bewindvoerder Le Couteur, de Verenigde Staten en tenslotte: “may the union between Holland and Great Britain be everlasting.” Het moet een vrolijke boel geweest zijn als elk geheven glas ook werd leeg gedronken. Het feest werd opgeluisterd met toespraakjes en vooral gedichten vol vaderlandsliefde en aanhankelijkheid aan de nieuwe koning Willem I. The Curaçao Gazette deed op 8 maart 1816 uitvoerig verslag van de ‘Change of Flag’.

Er werd door de blanke bevolking uitbundig feest gevierd. Welsprekendheid en poëzie begeleidden in die tijd de hoogtijdagen. Zo zong gouvernementstolk A.S. Delvalle in vier strofen vol uitroeptekens een door hemzelf vervaardigde rijmelarij op een Franse wijs, waarbij hij Kikkert in de slotzang aansprak als zoon van Neptunes, misschien wegens zijn naam, maar Kikkert was immers marineofficier geweest.

Heil! Vrienden Rey, Heil! Op deez’ blyde dag,
Niets zal voortaan, uw geluk verstoren,
Ziet wat beleid, wat ware deugd vermag,
Nederlands roem, is opnieuw herboren.
Welaan! Vereend u thans met my,
Om God voor zo veel gunst te loven,
Zingt, Juicht, en zyt van harten bly, (bis)
En roept verheugt, Oranje boven!!!!

Neptunes Zoon! Door God hier heen geleid,
Gedoog ons rondom u te scharen,
Ons goed en bloed zullen door uw beleid,
Steeds veilig zyn, vry van angst en gevaren.
Welaan! Vereend u thans met my,
Om god voor zo veel gunst te loven,
Zingt, Juicht en zyt van harten bly, (bis)
En roep verheugt, Oranje Boven!!!!

 

Willem I

Koning Willem I

Ook in die dagen waren God, Nederland en Oranje al onverbrekelijk één. Die Oranjetraditie kreeg in de krant een vervolg op 24 augustus 1816, de verjaardag van de koning, toen de gouverneur-generaal een feestelijke ‘aanspraak’ richtte tot de ‘troepen bevelhebbers, officieren en soldaten’, die hij dichterlijk besloot met een verwijzing naar de Vader des Vaderlands.

Mogt Nederland zins lang op d’Eersten Willem boogen
Zyn naneef onze vorst, aan God en deugd verpand
Is dierbaar aan ons hart, ja waardig in onz’ oogen
De naam van Vader van ’t herstelde Nederland.
Lang leeve de Koning.

De net gearriveerde landsonderwijzer G.G. van Paddenburgh maakte met een lang gedicht van zes strofen van elk tien versregels reclame voor zijn op te richten school ‘op den verbeterden Hollandschen voet’. Hij werd zelfs na honderd jaar nog weer eervol herdacht omdat de Curaçaosche Courant op 17 maart 1916 bij de herdenking van het eeuwfeest der Hollandse hereniging van 1816, zijn gedicht nogmaals integraal afdrukte als ‘bewijs’ dat ook aan het begin van de 19e eeuw het eiland ‘berijders van de Pegasus’ kende. Uit dit lange gedicht citeer ik alleen de tweede strofe.

Triumf! Wy zyn nu eng vereend met ’t Moederland
Geen vreemde wet heerscht meer, aan dit zoo dierbaar strand
Wy kunnen Neerlandsch vorst ook thans de onzen noemen
Een vrolijk op den naam van Nederlanders roemen.
Dra wordt geleden leed en rampen bly verzoet,
Als handel ’t vrye land in welvaart bloeyen doet;
Een milde overvloed de schaarschheid weg kan weeren
Welk bly vooruitzicht lacht ons in de toekomst aan?
Wie voelt door hoop gevleid, zyn hart niet vrolyk slaan?
Wie dankt Gods Almagt niet, die dus ons lot deed keeren.

Op zondag 10 maart 1816 hield de predikant van de Lutherse gemeente, J. Muller J.A.Z., een Leerrede by gelegenheid der gelukkig hereeniging van het eiland Curaçao met het Koningryk Nederland, gepubliceerd door William Lee (Pamflet KB 24310; ook op internet).

De dominee hield de gemeente vooral het gevoel van dankbaarheid voor, dankbaarheid aan de koning en de vlag maar bovenal dankbaarheid aan God. Uit de lange preek met voorgezang en diverse keren tussenzang, zoals dat in die tijd gewoonte was, citeer ik een centrale passage, waarrond de preek gebouwd was: “ Met welke gewaarwordingen van gezindheden behoren wy de nieuwe veranderde orde der dingen in onzen burgerstaat aantenemen?

IMMERS

I Als eene weldaad van God
Dit is de dag dien de Heer maakt

II Met de gewaarwording van dankvolle vreugde
Laten wy ons verheugen en op denzelve vrolyk zyn

III Met hoop en vertrouwen op God
O Heer! Help! O Heer! Laat het welgelukken!“

Rond dit thema gaf de dominee een staaltje van voordrachtskunst vol retorische kunstgrepen als herhaling, climax, retorische vragen, gelardeerd met bijbelcitaten en keurig in drie delen verdeeld. De preek richtte zich niet tegen bezetter Engeland, maar tegen dwingeland Frankrijk als veroorzaker van de grote oorlog. Ook in de kerk, juist in de protestantse kerk waren God, Nederland en Oranje onverbrekelijk verbonden, gepersonifieerd in de aanwezigheid tijdens de kerkdienst van de gouverneur-generaal, het bestuur en het militair gezag.

Nu is der volken druk
Veranderd in geluk
De blydschap mag herleven,
En op ons aanschyn zweven.
De tong, lang moê van klagen,
Zal van Gods lof gewagen.

slavenprokl

 

Vijftig jaar later
Op 3 maart 1866, drie jaar na de emancipatie en één jaar na de opheffing van een strenge preventieve censuur die vanaf 1820 in de kolonie van kracht geweest was, herdacht ‘eene nog levende stem’ bij monde van C.M. Nuboer het halve eeuwfeest van de hereniging met moederland Nederland in een lang gedicht van twaalf octaven, waarin de dichter de verworvenheden van vijftig jaar koloniaal bewind kritiekloos bezingt. Ik citeer de derde en laatste strofe die de Nederlandse driekleur centraal stellen.

By Oranje, groen en palmen
Zy die heil’ge vaan geplant,
En men hoore ons feestlied galmen
Van het Curaçaosche strand.
Wil. O God! dat dundoek sparen,
Waar wy ’t vochtig oog op slaan,
En laat het weer Vyftig jaren
Voor geen ander ondergaan!

Leeft en pryst dan allerwegen,
Tot by ’t late nageslacht,
Hem! die, Curaçao ten zegen,
Er de heil’ge driekleur bragt!
Brave Curaçaonaren,
Gun me uw tolk te zyn op ’t feest;
Heden zyn wy vyftig jaren,
Vry, door Hollands vlag geweest!

Het zal duidelijk zijn dat het enthousiasme beperkt bleef tot een kleine groep van de bevolking en nauwelijks of niet tot het volk doordrong. Koloniale literatuurgeschiedenis blijft beperkt tot de koloniale elite. Het vieren van de vrijheid na de Engelse bezetting en Franse overheersing van het moederland beperkte zich tot de kleine blanke groep van kolonisten die in de slavenmaatschappij geen moment stilstond dat ze zelf vrijheid vierde maar het grootste deel van de bevolking in een maatschappij waarin slavernij heerste geen vrijheid gunde.

In de lokale literatuurgeschiedenis onderscheiden we drie perioden: die van de passanten die tijdelijk op onze eiland verbleven en schreven met een Europese bril voor een Europees lezerspubliek, de kolonisten die van buiten kwamen maar bleven, en tenslotte de eigenlijke authentieke literatuur door lokale auteurs. De hiervoor geciteerde fragmenten van gedichten in de Curaçaosche Courant zijn die van de tweede groep, de koloniale auteurs die het moederland kritiekloos bejubelden maar daarbij tegelijkertijd lokale onderwerpen aansneden en die lokaal publiceerden ten behoeve van een lokaal leespubliek: het nulde hoofdstuk van de Antillaanse literatuur dat aan de eigenlijke literatuur voorafgaat.

Op 4 maart 2016 was het tweehonderd jaar geleden zijn dat de Curaçaosche Courant voor het eerst in het Nederlands verscheen. Voor letterkundige bijdragen in dat blad, zie Wim Rutgers: Het nulde hoofdstuk van de Antilliaanse literatuur; koloniale poëzie in de Curaçoasche Courant. Oranjestad: Editorial Charuba 1988.

 

Curacao koninkrijk

Koningsdag Curaçao. Foto © Michiel van Kempen

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter