Toeten noch blazen
door Tommy Wieringa
In Vrij Nederland wordt de staatssecretaris van Cultuur geïnterviewd. Het gesprek maakt veel duidelijk. Wie hoopt dat Halbe Zijlstra ondanks eerdere berichtgeving misschien toch over enig verstand van zaken beschikt, liefst over het terrein waarop hij werkzaam is, zal teleurgesteld zijn. Op de vraag of je een kenner moet zijn om een goede staatssecretaris van Cultuur te worden, antwoordt hij: ‘Het woord “kenner” roept al op dat je tot een groep met een bepaalde smaak moet behoren om een oordeel over kunst te hebben. Maar kunst is heel breed, van het Nederlands Danstheater tot musicals. Ik vind dat je ver moet blijven van het oordeel dat het een beter is dan het ander.’
De staatssecretaris heeft geen mening. Hij heeft ook geen oordeel. Laat staan een opvatting. Hij heeft het vermoeden dat je van kennis een oordeel krijgt: om niet het gevaar te lopen een oordeel op te lopen, heeft hij liever ook geen kennis. Zo kan hij zich niet branden aan de vraag of Hamlet misschien veelzeggender is dan Miss Saigon. Zijn wezenlijke desinteresse in de cultuur is hier handig als strategie vermomd.
Halbe Zijlstra heeft geen inhoudelijke graadmeters om te bepalen of iets waardevol is of niet. Ook op adviezen van de Raad voor Cultuur wil hij zich niet verlaten – te elitair. Het enige meetinstrument dat hij betrouwbaar acht, is de aanwezigheid van publiek. ‘Kunst is voor de maatschappij’, zegt hij. ‘Als de maatschappij niet bereid is ernaartoe te gaan, is er iets fundamenteel verkeerd. Je moet wel aan de belastingbetaler blijven denken.’
Zijn methode doet sterk denken aan de bolsjewistische praktijken die worden beschreven in Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman. Sovjetkunst moest door het volk begrepen en geliefd kunnen worden – boeren en arbeiders recenseerden opera en ballet. Over Tsjaikovski’s Zwanenmeer in het Bolsjoj Theater schreef een werkman: ‘Het gaat over de liefde van een prins voor een prinses, en, als gevolg van zijn verraad, over een stervende zwaan. Van alle saaie verhalen is dit wel het allersaaiste. Hier zit werkelijk niemand op te wachten. Drie van ons – we waren met z’n zevenen – vielen steeds in slaap. Die kregen af en toe een duw van de mensen achter ons: “Hé jongens, niet snurken.” En wij? We hebben geléden.’
Deze kunstkritiek, schrijft Westerman, verscheen in Arbeiders over literatuur, theater en muziek, een boek uit 1926 waarin het proletariaat afrekent met Poesjkin, Tsjechov, Tolstoi en alles ‘wat voorbij en afgestorven is’.
De geschiedenis leert dat voor zo’n afrekening niet veel nodig is. Onwetendheid, geladen met agressieve frustratie over alles wat je niet begrijpt – het iconoclasme kan beginnen.