blog | werkgroep caraïbische letteren

Toespraak tot Jit Narain bij de presentatie van Dat wij zongen

Tiende Caraïbische Letterendag, Rotterdam, HNI, 8 oktober 2022

door Rita Rahman

Dames en heren,

Fijn dat ik op deze viering van de 10de Letteren Dag van de Werkgroep Caribische Letteren, het eerste en ingezegende exemplaar van Dat wij zongen mag overhandigen aan Jit Narain, u allen wel bekend als een van de grote dichters van Suriname.

Impressies van de Tiende Caraïbische Letterdag. Midden rechts overhandiging van Dat wij zongen door Rita Rahman aan Jit Narain

Djietnarainsing Baldewsing is zijn echte naam, en ik heb hem leren kennen op de Algemene Middelbare School voor vwo in Paramaribo. Na de AMS gingen onze wegen uit elkaar, hij vertrok naar Leiden voor de opleiding tot arts en ik begon, in het kader van de campagne studeren in eigen land, aan de opleiding tot leraar wiskunde in Paramaribo. Daarop volgde mijn eerste plaatsing als leraar wiskunde en Nederlands in bauxietstad Moengo in het district Marowijne. Een half jaar na de plaatsing in Moengo heb ik samen met mijn man in die dagen, Bram Behr, precies op de grens tussen Moengo en het dorp Wonoredjo van nazaten van contractarbeiders uit Yogjakarta, een bibliotheek opgezet om het lezen en schrijven onder jongeren in de wijde omgeving te bevorderen. Een van onze trouwe vrijwillige medewerkers in de bibliotheek in die tijd was Marian Markelo, die zojuist het plengoffer bracht en jouw exemplaar van Dat wij zongen inzegende.

Wat de bibliotheek Moengo betrof, het hield behalve het in bruikleen aanbieden van boeken (schenkingen uit Nederland en Paramaribo), ook in dat er een dag in de week, op vrijdag, de jonge schrijversmiddag was, waarbij geoefend werd in het schrijven van artikelen en columns voor onder andere de krant Kofoe en halfjaarlijks een wedstrijd korte verhalen-schrijven plaats had, maar ook dat er op woensdagavond  om de veertien dagen een filmvertoning was van wat wij de betere film noemden, in bruikleen van het Cultureel Centrum Suriname en ook van Cineclub Vrijheid films in Amsterdam.

Dames en Heren, het was 1971, en de indrukwekkende literaire levensgeschiedenis van Jit Narain heb ik daarna slechts op grote afstand gevolgd. In 1979 studeerde hij af als huisarts en begon een huisartsenpraktijk in Den Haag, en dat viel samen met zijn actieve betrokkenheid bij de politiek-culturele organisatie van Hindoestanen in de stad. Vanaf die tijd groeide de grote verdienste van Jit Narain op het vlak van de emancipatie van Sranami, de taal van de contractarbeiders uit Brits Indië die vanaf 1873 door de Nederlandse koloniale macht in Suriname uit India werden gehaald om na de afschaffing van de slavernij, op de plantages tewerkgesteld te worden.

Zo richtte Jit Narain in 1978 de politiek-culturele organisatie Jumpa Rajguru op, vernoemd naar de leider van de contractarbeidersopstand op de suikerplantage Alliance in het district Commewijne in 1902, en verscheen zijn debuutbundel Dal bhat chatni. Dat jaar verscheen ook de langspeelplaat Haryari met teksten uit de dichtbundel, die Jit zong.

Dal bhat chatni [Rijst, gele erwten, chutney] verwijst naar het dagelijkse voedsel van de een­voudige Hindoestaan, en zet de toon van Narains werk. Hij schrijft over de contractarbeider uit Brits Indië, die ondertussen aan het eind van de contractarbeidperiode begonnen was als kleine boer/ kleine landbouwer, en in Suriname emancipeerde tot belangrijke lokale voedselproducent, gaandeweg ook handelaar, leraar, jurist, arts en politiek leider werd. Echter, rond de onafhankelijkheidsvoorbereiding in 1975, migreerden vele nazaten van de contractarbeiders uit het voormalig Brits-Indië, thans de onafhankelijke Federale Republiek India, naar Nederland en vestigden zich in o.a. Den Haag.

Tegen deze achtergrond publiceer­de Jit Narain in Den Haag in eerste instantie tweetalige dichtenbundels: in Sarnámi, de taal die zich in Suriname onder de contractarbeiders heeft ontwikkeld en hun emancipatie begeleidde; en in het Nederlands, de taal die zij zich in Den Haag meer eigen moesten maken voor hun integratie in Nederland, maar vanaf 1990 publiceerde Jit Narain nog uitslui­tend in het Neder­lands.

Zijn werk ver­scheen eerst in Hindoestaanse tijdschriften als Lalla Rookh en Aisa Samachar, maar later ook in De Gids, De Ware Tijd Literair, De Tweede Ronde en Poëzie­krant en in de Spiegel van de Surinaam­se poëzie (1995). Jit Narain oefende grote invloed uit op Surinaams-Hindoestaanse dichters (Chitra Gajadin, Gharietje Choenni, Cándani). Overigens schreven deze dichters behalve in het Sarnámi ook in het Neder­lands, en op den duur bleek Narains invloed misschien nog het sterkst te zijn geweest in zijn aanmoe­diging om de Hindoestaanse cultuur in Neder­lands­talig werk neer te zetten.

Jit, je verenigt in je werken op een meeslepende wijze maat­schappijkriti­sche en liefdespoëzie, met een eerbetoon aan je grootou­ders die uit India kwamen en in Suriname niet datgene vonden waar­van zij gedroomd hadden. De migratie van India naar Suriname bleek na aankomst vooral een vorm van mislei­ding van con­tractanten, die gelukkig nog hun taal hadden en konden ontwikkelen tot het Sarnámi, de taal gevormd op de nieuwe oever in Suriname en vervolgens mee gekoerst over zee naar weer een andere oever in Nederland, met die taal heb je weerstand kunnen bieden tegen wat je de historische misleiding noemt.

Ik durf te stellen dat je gedachtegoed en bewustzijn naadloos aansluiten bij Dat wij zongen. De keuze van de schrijvers wier nalatenschap aan de orde komt in Dat wij zongen, is echter geheel overgelaten aan de jongere generatie schrijvers die daarop mochten reflecteren. Jij en met jou vele andere bekende Caribische schrijvers, zitten niet in die persoonlijke keuze, maar gelukkig geeft dat mij de gelegenheid om het eerste exemplaar aan je te kunnen en mogen overhandigen.

Ik heb Dat wij zongen met grote interesse en herkenning gelezen, en ik kan je verzekeren, je krijgt geen kat in de zak.    

Dat wij zongen onthult het grenzeloze karakter van literatuur, als kruisbestuiving van culturen, talen en geschiedenissen, ook tussen en binnen de West (het Caraïbisch deel van het Koninkrijk en Suriname) enerzijds en Nederland anderzijds, en wel vanaf rond het begin van de 20ste eeuw. Het heeft vanaf die begin dagen van de 20ste eeuw echter nog wel ruim 100 jaar geduurd voordat de Werkgroep Caraïbische letteren als werkgroep van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, in 2006 werd opgericht. Vele van de schrijvers wier werk besproken wordt in de bundel, hebben zelf de oprichting van de Werkgroep niet meer meegemaakt. Hun lange strijd voor erkenning van de bijdrage van Caraïbisch proza en poëzie aan de verrijking van de NL-taal, en het denken en bewustzijn daarvan, ging daaraan vooraf. Dat geldt ook voor de bevrijding en verrijking van het Papiamentu, het Sarnámi en het Sranan in Nederland en in de West.

Eén van de gespreksrondes, v.l.n.r. interviewers Milouska Meulens en Raoul de Jong, met Ken Mangroelal, Dean Bowen, Shantie Singh, Sanne van Hassel. Foto © Lex Veerkamp

Het zijn vandaag 20 Caraïbische schrijvers die in Dat wij zongen in de schijnwerpers staan, en er leeft het besef dat er nog velen zijn die belichting verdienen voor hun bijdrage. Wij zullen moeten blijven zingen… en bijdragen aan bevrijding uit het Nederlands koloniaal verleden. Het gaat om dekolonisatie zowel in de hoofden en harten van de nazaten van de gekoloniseerde, de Antillianen en de Surinamers, waarvan eerst enkelen, toen velen naar Nederland reisden, als het gaat om de dekolonisatie in de hoofden en harten van de nazaten van de kolonisatoren, de koloniale macht, de planters, de slavenhandelaars, de slavenhouders, de aanbrengers van contractarbeiders en allen in Nederland die tot op heden de vruchten mogen plukken van de kolonisatie en de plantage-economie. De erkenning van de gelijkwaardige bijdrage aan proza en poëzie in Nederland vanuit de voormalige kolonies, aan taalverrijking en cultureel bewustzijn wederzijds, vraagt ook om de erkenning van de achterstelling en de uitsluiting van cultuurdragers in de koloniale en postkoloniale tijd. Er is wederzijds behoefte aan nieuwe verbinding in gelijkwaardigheid, integratie met nog meer proza en poëzie over de gewenste gelijkwaardige verbinding, in wederzijds verrijkte talen.

Wat ik al lezend in Dat wij zongen beter ben gaan beseffen is:

  1. Culturen beïnvloeden elkaar en mengen, en dat gebeurt van twee kanten, onder uitdrukkelijke voorwaarde dat het mengen een kwestie van vrije selectie is, zo tonen de gebroeders Penard, maar ook Frank Martinus Arion aan. Frank Martinus brengt scherp in beeld brengt : zijn <–versus-> anders zijn; thuis <-> gemis; wortel schieten <-> grond onder de voeten afbrokkelen.  

Ook laat Edgar Cairo in zijn grote oeuvre van meer dan 40 werken zien, dat er in de culturele verbinding in taal iets nieuws ontstaat, en daar moet ruimte voor gemaakt worden: taalvernieuwing en stapeling van identiteiten; en dat naast de schoonheid van het ongerijmde van Bernardo Ashetu; en de eenzaamheid in den vreemde, van Albert Helman.

2.           In de strijd tegen het wegcijferen van je cultuur en kunst, in de strijd voor het je plek veroveren, moet je als schrijver je eigen tegenverhaal lanceren en afrekenen met witte karikaturale beelden ook al brengt het eenzaamheid en pijn. Besef dat het verdringen van het koloniaal verleden en afgrendelen van bewustwording over dat verleden in het nationale zelfbeeld in Nederland nog hardnekkig voortleeft. Wederzijdse dekolonisatie van het denken, hoezeer ook wederzijds bevrijdend, vraagt om gerichte en bewuste inzet. Albert Helman wijst naar de woorden van Frantz Fanon die opriep het nieuw geluid te laten doorbreken. Ken Mangroelal roept in navolging van Fanon en Helman op “Schrijf, laat je stem horen, schrijf het andere geluid, niet alleen in de marges van de literatuur, maar voluit in haar boezem”. 

3.           De spagaat van immigrant-emigrant-remigrant. De leegte over de grens dwingt tot zelfreflectie tot diep in de ziel, zo laten schrijvers als Ferrier, Vianen, Ramdas, Helman, Ombre, Faverey, Ashetu en Roemer zien. Het is daarbij niet alleen worstelen met het koloniaal verleden, maar het wordt soms ook het worstelen met een vervreemdende diasporavisie op het heden in het thuisland.

4.           Taal valt niet direct, niet klakkeloos te vertalen, er hoort ook een andere manier van denken en zien bij. Dat geldt voor literatuur in Papiamentu/o, Sranan en Sarnámi naar Nederlands en omgekeerd. Belangrijke leidraad van Papa Koenders daarbij: als je een nieuwe taal moet leren, doe het goed. Geen koloniaal papagaaienonderwijs maar zelfrespect en zelfreflectie voor strijd en solidariteit. Edgar Cairo: neem kennis van de beelden van elkaar en werk aan nieuwe beelden, die je promoot in een nieuwe verbinding. Dat bruggen slaan in Nederland tussen beleveniswereld en denkwereld zou wellicht nog meer tot haar recht kunnen komen door de literaire activiteiten van de nieuwe generatie van bi-culturele schrijvers en dichters: Julien Ignacio, Raoul de Jong , Shantie Singh, Dean Bowen, Tessa Leuwsha, Chris Polanen, Michael Tedja, Roberta Petzoldt, Rihana Jamaludin, Milouska Meulens en anderen.

Gespreskronde met v.l.n.r. interviewers Milouska Meulens en Raoul de Jong, met Roberta Petzoldt, Chris Polanen en Marian Markelo.

De Werkgroep Caraïische Letteren verbindt zich ook vandaag weer aan haar missie om Caraïbische Letteren in Nederland onder de aandacht te brengen en te houden evenals de bijdrage daarvan aan de taalverrijking in Nederland en in Suriname en het Caribisch deel van het Koninkrijk te bevorderen. Onze brugfunctie naar schrijvers en dichters in de Caribische regio, in Suriname en in het Caribisch deel van het Koninkrijk is daarbij essentieel.

De Werkgroep fungeert praktisch als een platform van uitdagende literaire uitwisseling in Nederland waarbij met regelmaat in deelname door vertegenwoordigers uit de Caraïbische regio wordt voorzien en regiobepaalde onderwerpen aan de orde worden gesteld, terwijl in samenwerking met de leerstoel Caraïische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam en de blog Caraïbisch Uitzicht een breed netwerk aan relaties en een voortdurende dialoog over historische, culturele en literaire ontwikkelingen wordt gefaciliteerd.

Allerbeste Jit Narain, mag ik je uitnodigen om het eerste exemplaar van Dat wij zongen in handen te nemen. Je zult er veel in terug herkennen van wat en waarom jij schreef en schrijft.

Rita Rahman, voorzitter Werkgroep Caraïbische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letteren.  

10de Caraïbische Letterendag: huldiging van Ronald Snijders, winnaar van de Boy Edgar Prijs 2022, door Gerda Havertong. Foto © Lex Veerkamp

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter