blog | werkgroep caraïbische letteren

Toespraak bij de eerste officiële Herdenking van de sterfdag van Anton de Kom

Erebegraafplaats Loenen, 24 april 2024

door Michiel van Kempen

Anton de Kom: vooraanstaand figuur in de nationale bevrijdingsstrijd van Suriname, actief in de communistische beweging in Nederland, activist in het verzet tegen het nazisme, opgepakt in 1944 in Den Haag door de Sicherheitsdienst, overgebracht naar de cellenbarakken in Scheveningen, vervolgens naar Vught, dan naar het concentratiekamp Sachsenhausen Heinkel en tenslotte naar Neuengamme-Sandbostel, waar hij op 24 april 1945, veertien dagen voor de Duitse capitulatie, overlijdt. Anton de Kom, schrijver van politieke artikelen en pamfletten en van Wij slaven van Suriname, dat misschien wel het allerbelangrijkste boek uit de dekoloniserende geschiedschrijving van Suriname is. Schrijver ook van romans, van een filmscenario, van gedichten en van Anansitori.

Foto’s Gábor Pusztai

De Kom is na de oorlog lang vergeten, maar zijn gedachtegoed speelde wel degelijk een rol bij de nationalistische beweging Wie Eegie Sanie die na de oorlog in Nederland ontstond, om later in Suriname mee de basis te leggen voor de strijd om politieke onafhankelijkheid. Wij slaven van Suriname, verschenen in 1934, werd pas 37 jaar na verschijning herdrukt. Leidse studenten hadden het boek ontdekt als hun eigen historisch-politieke bijbel die hen de weg wees uit de Nederlandse framing van de koloniale geschiedenis in de West. Zij typten het hele boek over en stencilden het in allerlei vormen met telkens wisselende omslagen. Zo bleef De Kom levend, en verscheen er in 1971 ook een echte herdruk. Er verschenen zelfs acht drukken van Wij slaven van Suriname voordat het boek de enorme boost kreeg toen het boek in 2020 in de Canon van de Nederlandse geschiedenis werd opgenomen. Het schoot opeens door naar de eerste plaats in de top tien van best verkochte boeken. Inmiddels zijn er 16 drukken, werd het boek in vereenvoudigde taal opgenomen in de serie Leeslicht en verscheen er een becommentarieerde versie in de reeks Tekst in context voor middelbare scholieren. Het is ook vertaald in het Duits en het Engels, zodat ook internationaal duidelijk kan worden dat De Koms boek al jaren verscheen vóór andere toonaangevende Caraïbische geschiedschrijvingen uitkwamen, zoals die van C.L.R. James en Eric Williams.

Anton de Kom. Portret door Robert Bosari.

Sinds 2020 is de stroom publicaties over de grote Surinamer niet meer opgehouden. Hij is nu ongetwijfeld de bekendste en belangrijkste figuur uit de Surinaamse geschiedenis. Voor het publiek hier in Nederland. Maar laten we niet vergeten dat hij die positie voor bepaalde groepen al eerder had, zoals ik zojuist al aangaf. En Wij slaven van Suriname kwam ook niet zomaar uit de lucht vallen in een historisch vacuüm. Daarom wil ik u even meenemen naar de West in de jaren ’20 en ‘30 en laten zien binnen welke context het boek ontstond.

Een bekende publicist over Suriname, C.H. de Goeje verbleef als jong luitenant in Su­ri­name en keerde er na twintig jaar, in 1928, terug. Was er veel veranderd, vond hij? Ik citeer:

Ja, hier en daar leek het iets minder landelijk en ou­der­wetsch gemoedelijk dan voorheen. Het Gouverne­mentsplein is niet meer zoo vrij als vroeger, aan den Water­kant verdwenen boomen en verrezen loodsen; de wegen kregen nette goten; de auto verscheen. Maar nog altijd zijn er de houten huizen die een zoo zachte stem­ming geven, het heldere zand der wegen, het groen, de kwetteren­de vogels; en de koto-missies met hun wijde rokken en heel de ver­de­re bonte bevolking. Overdag het weelderige tropen­gevoel; ‘s avonds op de rivier wel­dadige stilte; en dan met het aanbreken van den dag hoog boven ons het getjirp der groene papegaaien, die paarsge­wijze uit het Oosten komen overvlie­gen.

Wat uit dit idyllische stemmingsbeeld echter naar voren komt, is de godgeklaagde armoede die in Su­ri­name geleden werd. Huisgezinnen leefden van een paar gulden per week, in 1925 was 80 procent van de bevolking besmet met de wormziekte anchylo-stomi­asis en 1 tot 3 procent met lepra. De gemiddelde leeftijd van de Su­ri­namers lag op 32 jaar. Die situatie werd nog schrijn­en­der na de New Yorkse beurskrach van 1929. De werkloos­heid steeg met sprongen en de trek naar de hoofdstad van velen die door de landbouwcrisis getroffen waren, vergrootte de verpaupering van de Paramari­bose stadsbevol­king. Poten­tieel was het land rijk aan wat mijnbouw, akkerbouw en bosbouw zouden kunnen opbrengen, maar van die rijkdom was nau­we­lijks iets te merken.

Prof. Michiel van Kempen tijdens zijn herdenkingstoespraak.

Tussen 1920 en 1940 waren koffie en suiker de voornaamste exportgewassen van Su­ri­name, maar het bleef tobben met de landbouw. De jaren ’30 waren voor duizenden een gu­ya­ba­ten (goejavetijd): een periode die men probeerde door te komen op een stukje groene goe­jave of manja met zout. Bauxiet zou de kurk worden waarop de Su­ri­naamse economie vanaf de jaren ’30 bleef drij­ven.

Honger en radeloosheid leidden in de jaren 1931-1933 tot werklo­zenonrust, waar het Ko­loniaal Bestuur repressief en krampachtig op rea­geerde. Toen Anton de Kom in 1933 in Su­ri­name terugkeerde, werd hij door vakbondsman Theo de Sanders in De Banier van Waar­heid en Recht begroet als `De Messias van het Su­r­i­naamsch proletari­aat’ die iets wil doen `ter voorlichting en opheffing van zijne verdrukte domgehouden landgeno­ten’. Met zijn charismatische persoonlijkheid wist De Kom grote groepen arbeiders te mobiliseren, vooral van Javaanse afkomst. In De Banier van Waarheid en Recht publiceerde Bok Sark in de ja­ren 1932-1935 indringende brieven over de erbarmelijke omstandigheden waaronder de Javanen op de plantages moesten leven en werken. Daarin trad deze Javaanse contractarbeidster van de plantage Mariënburg naar buiten als een bijzonder kritisch denkend activiste. In 1992 onthulde Klaas Breu­nissen dat het ging om een man, Salikin Hardjo, die in 1910 te Malang, Java, was ge­boren, in 1920 naar Su­ri­name was gekomen waar zijn vader in de bauxietindustrie werkte, en die zelf na zijn schooltijd als zetter bij de drukkerij van De Banier werk had ge­vonden. Salikin Hardjo heeft kans gezien de identiteit van Bok Sark zestig jaar verbor­gen te houden. Hij zette de godgeklaagde omstan­dig­he­den van de Javaanse contract­arbeid zo beeldend neer dat het voor de lezer hel­der wordt waarom De Koms roep om rechtvaardigheid zoveel weerklank kon vinden.

De antikoloniale protesten in Paramaribo op 7 februari 1933. De mensen eisten de vrijlating van Anton de Kom die zonder vorm van proces was vastgezet in Fort Zeelandia. De protesten werden bloedig onderdrukt: 2 doden en 22 gewonden.

De Kom ging eind 1932 naar Suriname omdat zijn moeder op sterven lag maar hij kwam te laat. Daarop opende hij een kantoortje, waar hij begon met het noteren van alle klachten van de plantage-arbeiders. Het Koloniaal Bestuurder zag dat als een vorm van opruiing en arresteerde De Kom, waarop de mensen de straat op gingen om te vragen om zijn vrijlating. Uit­einde­lijk liep de situatie op 7 februari 1933 uit de hand en vielen er twee doden en 22 ge­wonden in de straten van Paramaribo. De Kom werd door het Koloniale Bestuur op de boot naar Nederland gezet. De rellen rond De Kom hebben wel een extra stimulans gegeven aan de organisatie van de Su­ri­naamse arbeiders. Er kwamen vakbonden die actief werkten aan verbetering van de leefomstan­digheden van haar leden; een enkeling dacht al na over dekolonisatie, maar de ideeën daarover zouden pas in de naoorlogse vakbeweging en onafhanke­lijk­heidsbe­we­ging worden uitgewerkt.

En zie nu eens wat er gebeurde met een van die ‘oproerige’ vakbondsleiders, die toch uiteindelijk niets anders eisten dan een bord met eten en een menswaardig bestaan.

Louis Doedel

Louis Doedel werd op Curaçao opgepakt omdat hij aan de verkeerde kant van de Emmabrug liep, en hij werd naar zijn vaderland Suriname gedeporteerd. Daar protesteerde hij met een wit geschminkt gezicht bij het gouverneurspaleis – penba-wit, de kleur van de leba’s bij wintirituelen: kon het beledigender naar de goed christelijke gouverneur toe? Hij werd opgesloten in de psychiatrische inrichting Wolfenbuttel, waar hij compleet vergeten werd, tientallen jaren lang tot ver na de oorlog, en hij pas kort voor zijn dood weer herinnerd werd.

De autoriteiten in de Nederlandse koloniën hebben altijd veel harder opgetreden tegen geluiden van verzet en protest, dan de autoriteiten hier in Nederland. Dat gebeurde op Curaçao, in Suriname en in Indonesië. Harder, om niet te zeggen: compleet verkrampt, bang dat zou worden getornd aan de koloniale melkkoe die maar bleef geven en geven.

Het is ook daarom dat op Curaçao een van de felste criticasters van het koloniale bewind, Pedro Pablo Medardo de Marchena, werd opgepakt, gedeporteerd naar Bonaire en voor jaren werd weggesloten van elk publiek leven. Wie was die Medardo de Marchena? Dat is recent geboekstaafd in een boekje waarin Aart Broek het leven van de man heeft vastgelegd en zijn belangrijkste pamflet heeft vertaald uit het Papiaments, onder de titel Medardo de Marchena; staatsgevaarlijk in koloniaal Curaçao. De antikoloniale vulkaan is gaan rommelen in de eerste decennia van de 20ste eeuw op Curaçao en in 1929 barst die uit en komt Medardo de Marchena met zijn pamflet Ignorancia ó Educando un pueblo [Onwetendheid of De vorming van een volk]. In de eerste alinea van dat pamflet zet hij al direct neer wat hem voor ogen staat:

Deze uitgave kan hen [de gekleurde mensen van het eiland] helpen zich te bevrijden van allerlei vernederingen en uitbuiting die hen ten deel vallen, vanwege de vreselijke plaag die steeds meer terrein wint en die nooit wordt bestreden en bekend staat onder de naam onwetendheid. (p. 81)

We horen natuurlijk al de echo die vijf jaar later zal opklinken uit het boek van Anton de Kom:

Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft. Daarom wil dit boek trachten het zelfrespect der Surinamers op te wekken en voorts de onjuistheid aantonen van de vredesbedoelingen der Hollanders ten tijde der slavernij.

Met zijn pamflet pleit Marchena voor algemeen kiesrecht dat de plaats moet innemen van het stemrecht van een plutocratische, zichzelf verrijkende elite. Hij breekt een lans om ruim baan te geven aan een vrije pers als onafhankelijk tegenwicht voor de drie paapse kranten van het eiland. En hij vindt dat er een vakbond moet komen voor het personeel van de grote raffinaderij, zodat het dan ook net als elders ter wereld een achturige werkdag kan krijgen. En hoe komt het dat die er nog niet was? Ik citeer:

Aan wie hebben we deze achterstand te danken, mijn geachte lezers? […] Het zijn die blanke mannen met blauwe ogen, die op vrouwen lijken door de manier waarop ze gekleed zijn en die zowel Rome als Nederland tot vaderland hebben. Zij zijn schuldig aan deze achterstand van Curaçao, terwijl onze gekleurde bevolking al bijna vier generaties geniet van de emancipatie. Ja, mijn geachte lezers, het is die meneer pastoor, die u zo vereert in plaats van God. Vraag waarom deze man nog steeds in Romeinse kledij rondloopt, een oude mode van duizend jaar geleden, terwijl dit in Europa niet meer kan. Hij zou stenen naar zijn hoofd krijgen. (p. 86-88)

Maar nóg vroeger dan De Marchena, drie jaar eerder, in 1926, schreef een Surinamer woorden, zonder welke het boek van De Kom niet denkbaar zou zij n geweest. Het is Albert Helman die een sensitief portret van zijn land geeft in Zuid-Zuid-West, een land- en volkbeschrijving geschreven vol heimwee vanuit Amsterdam, maar die eindigt met de beroemdste epiloog uit de Surinaamse letteren, een antikoloniale karwats met striemende woorden aan het adres van de Hollanders:

Inderdaad, gij zijt een achtenswaardig volk, met vele schoone leuzen. En de werkelijkheid? Een ver land dat ik verschrompelen zie tot een dorre woestijn. En ik durf het u zeggen, zondagsbrave kooplieden: dit is UW schuld. Want naamt ge bezit van dit land – ik wil niet spreken over recht of onrecht, God weet dit alleen – waarom heeft het uw liefde niet meer, nu gij niet langer spreken kunt over het Dividend?

Het is dit citaat dat De Kom op pagina 183 van Wij slaven van Suriname opneemt, naast nog andere citaten elders in zijn boek. Zo plaatst hij zichzelf in een lijn van mensen met moed, schrijvende vrijheidsstrijders als Multatuli, Helman, Medardo de Marchena, Salikin Hardjo, een lijn die ná hem zou worden voortgezet door Assid, Eddy Bruma, R. Dobru, Michael Slory en anderen.

Bij de herdenking op 24 april 2024 in Loenen hield Nericha Marchena, lid van het Apeldoornse slavernijcomité, een roerende korte toespraak.

In de jaren van de Duitse bezetting sloot De Kom zich aan bij het Binnenlands Verzet. Hij verstrekt reporterskopij aan de illegale pers, zoals aan het Haagse blad De Vonk en later het landelijke verzetsblad De Vonk, hij bekommerde zich om de distributie van linkse literatuur en de verspreiding van berichten die hij ontving via zijn kristalontvanger. Hij nam deel aan discussies over het naoorlogse toekomstige bestel van Nederland dat de weg van ontzuiling en een linkse, antikoloniale koers zou moeten volgen. Zoals zijn kameraad Nico Wijnen concludeerde: ‘Er zijn mensen voor minder gearresteerd.’ (Ontleend aan Nico Wijnen in A. de Kom zijn strijd en ideeën, p. 23.)

Door verraad werd De Kom op 7 augustus 1944 door de SD gearresteerd. De oorlogsjaren hadden eens te meer de heldenmoed bewezen waarmee hij de grootheid kon opbrengen om zij aan zij te vechten met de nazaten van de koloniale bezetters van zijn land, een moed die toonde hoe Anton de Kom een principieel vechter was voor de vrijheid van de mens, ongeacht huidskleur, nationaliteit of zelfs de wandaden van de koloniale voorouders van andere verzetsstrijders.


Klik hier voor een verslag van de herdenking.

2 Trackbacks/Pings

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter