blog | werkgroep caraïbische letteren

Ter herinnering aan Anil Ramdas

door Lila Gobardhan-Rambocus

Op 16 februari 2012 verraste Anil Ramdas vriend en vijand met zijn zelfgekozen dood. Ter herinnering, een jaar na zijn dood, deze bijgewerkte presentatie van 28 maart 2012 in TBL Cinemas (Paramaribo).
Anil Ramdas. Foto: OHM
Het afgelopen jaar is er, ook in Suriname, veel over Anil Ramdas gezegd. Hoe kan het ook anders. Anil was niet iemand die je kon leren kennen zonder dat hij indruk op je maakte. Of je hem nou persoonlijk leerde kennen of door zijn werk. Anil was een uitgesproken persoonlijkheid, in de meest letterlijke zin. Hij nam geen blad voor de mond en hoewel niet altijd in dank afgenomen, kon men er niet onderuit: hij deed dat met grote zeggingskracht. Anil was een messcherp én gedoceerd schrijver, die door zijn eruditie en zijn gevoel voor humor niet anders kon dan de aandacht van mensen op te eisen en vast te houden.
Over de Anil zoals we hem in zijn werk leren kennen, wil ik kort het een en ander zeggen. Wat voor persoon was deze Anil als we bijvoorbeeld kijken naar zijn bundel columns met de uitdagende titel Zonder liefde valt best te leven? Correspondentie uit India. Al aan de openingszinnen ziet men hoe speels Anil kan zijn. Leest u maar.
‘Rinki is een slim weeskind. Nou ja, kind, ze is inmiddels 23 en eigenlijk ook niet echt wees.’ Anil heeft hier nauwelijks twee zinnen gezegd of hij heeft onze aandacht al volledig opgeëist door te beginnen te praten over een weeskind, dat al in de volgende zin geen kind meer blijkt te zijn en in feite ook geen wees is. En dan zijn we er natuurlijk ontzettend benieuwd naar waarom Anil haar eerst aanduidde als wees. Dus we lezen snel verder:
“Haar ongehuwde moeder liet haar achter bij familieleden in een sloppenwijk in Delhi en vertrok als werkster naar het Midden-Oosten, naar Koeweit of Dubai; Rinki weet het niet precies en het kan haar niet schelen ook.” (Zonder liefde valt best te leven(1), p.76-78)
Merkt u al hoe hij schrijft? Hoe het komt dat je móet doorlezen als je Anil zijn werk leest?
En in dit fragment van zegge en schrijven drie zinnen laat Ramdas ons niet alleen zijn schrijftalent zien, maar ook zijn sociaal engagement. Hij plaatst ons midden in de sloppenwijken van Delhi, confronteert ons met het verschijnsel van gastarbeiders naar rijke Midden-Oostenlanden en introduceert haast als terloops even het probleem van de ongehuwde moeder.
Anil laat in dit verhaal het ontluisterende van de sloppenwijken van Delhi zodanig zien, dat hij zich doet kennen als een schrijver met gevoel, een schrijver met compassie, die daar praat, en zonder veel omhaal van woorden laat zien wat hij ons wil laten zien. En dat is ook een van Anils sterke kanten: hij kan ook heel onderkoeld schrijven en juist daardoor het schrijnende van een situatie naar voren halen. En wie wil weten hoe het verder ging met Rinki en waarom Anil de titel Zonder liefde valt best te leven voor dit stuk heeft gekozen, ja, die zal het boek zelf moeten lezen.
De situatie waarin Rinki verkeert, is wel heel wat anders dan we in de zo populaire Bollywoodfilms gewoonlijk zien, waar we vaak meer de glitter en glamour tegenkomen. En toch heeft Anil zich ook intensief – zoals bij alles wat hij deed –beziggehouden met Bollywoodfilms, een verschijnsel dat hem intrigeerde en waarover hij dan ook aardig wat geschreven heeft. Ik noem bijvoorbeeld zijn columns en de column over de film Dilwale Dulhania Le Jayenge (De ware minnaar krijgt de bruid) uit 1995 met in de hoofdrollen Kajol en Sharukh Khan (Zonder liefde valt best te leven, p.80-87). Anil was waarschijnlijk gefascineerd door de fascinatie van de Bollywoodfilmliefhebbers, afkomstig uit een land dat zoveel schrijnende armoede kent.
So far so good, zullen sommigen onder u denken, maar tot nu toe heb ik niets gehoord over wat men Anil niet in dank zou kunnen afnemen. Wel voor die personen onder u heb ik het volgende fragment uitgekozen. Het is het verhaal ‘Kinderfoto’ uit De beroepsherinneraar en andere verhalen.
“Zes weken na de geboorte van hun eerste zoon besloten ze naar de studio van de Chinese fotograaf in de stad te gaan. Ze kamde het haar van haar kind in de mooiste kuif van de wereld en trok hem het nieuwe hemdje aan dat ze voor die gelegenheid in een koffertje met geurige kamferbolletjes had bewaard. Hij wreef intussen zijn fiets schoon en controleerde de schroeven van de bagagedrager. Ze zou zitten wiebelen, met het kind op de arm, vandaar. Toen ze naar buitenkwam vroeg ze lachend of de fiets ook op de foto moest, maar hij reageerde geprikkeld. Het was de eerste keer dat hij zo’n eind zou fietsen, met zijn vrouw en zoon achterop, en hij gaf nog een extra draai aan het schroefje, waar toch al geen beweging in zat. Hij controleerde of hij zijn portemonnee bij zich had, met het briefje van tien gulden erin. De foto zou acht gulden vijftig kosten, had hij gehoord. Dat was veel geld, maar goed, eerste zoon.
   Anderhalf jaar later herhaalde het tafereel zich. De eerste dochter. Hij vond het wat overdreven, maar de moeder stond erop. Waarom de jongen wel en het meisje niet? Het tweede kind kreeg een gebloemd jurkje aan, dat ook naar kamfer rook, maar in de studio moest worden uitgetrokken omdat ze erop had gespuugd. Halfnaakt op een tafeltje waarop ze een handdoek had gespreid, tegen de achtergrond van een slordig geschilderd strand met palmbomen. Het kind begon vreselijk te huilen, rammelaars en troostende woordjes hielpen niet, ze werd opgetild en gesust, voorzichtig weer op de handdoek gelegd, waarop ze weer begon te krijsen. De Chinees zei dat hij niet telkens de lampen aan en uit kon doen.
  Toen het derde kind geboren werd zei ze niets. Hij bespaarde acht gulden vijftig.
Het vierde kind, een meisje, …” (De beroepsherinneraar en andere verhalen, p.13).
Wel, ik hoef u niet te vertellen waarom sommigen niet alles wat Anil schrijft even leuk vinden, waarom ze vinden dat Anil Hindostanen vaker belachelijk maakt. Want zegt u nou eens eerlijk: had u bij dit fragment, toen ik bij het vierde kind was gekomen al niet direct het idee dat het om een Hindostaans gezin ging? Nou, het ging dus inderdaad om een Hindostaans gezin. Het verhaal speelt zich overigens af in de tijd van de Beatles, in de zestiger jaren dus.
Maar niet alleen Hindostanen zijn het mikpunt van zijn spot. Meerderen onder u zullen wel de commentaren – ook de minder positieve – in onze kranten gelezen hebben na het verschijnen van de essaybundel Paramaribo de vrolijkste stad in de jungle, die in 2009 verscheen en de actuele situatie beschrijft. Anil was hier van november 2006 tot eind 2007 om het materiaal te vergaren. Het op het achterplat voorkomende fragment uit het boek, dat hier volgt, laat al zien waarom sommigen gebelgd waren.
‘Zo vierde men in Paramaribo nu ineens ook carnaval. Een katholiek feest, in een land waar de meerderheid van christenen bestond uit protestanten, hervormden en leden van de Evangelische Broedergemeente, en verder hindoes en moslims, die ook niet zo geneigd waren om op straat de blote billen te schudden. Als excuus werd gebruikt dat er in Paramaribo nu ook veel Brazilianen woonden. De schatting van het percentage Brazilianen in Paramaribo liep uiteen, maar geen enkele kwam boven de tien procent. Waarom zou het carnavalsfeest dan ineens zo groots moeten worden gevierd? Wacht even, we laten geen excuus aan ons voorbijgaan. Er moest wat te dansen zijn.
  De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de Braziliaanse carnavalsmuziek niet om aan te horen was. En dat was geen kwestie van smaak, maar van de beschikking over trommelvliezen en een normaal verstand. Het was een gestamp en een primitief gegil waarbij je zou willen dat een hogere instantie ingreep, maar niemand greep in, in Paramaribo.’ (Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle)
Nu volgen drie commentaren van bekende Nederlandse kranten op het boek waar ik het eerder over had: Zonder liefde valt best te leven. Van het Nederlands dagblad: ‘Anil Ramdas schrijft met een brede blik, bravoure en geestdrift over het land van zijn voorouders.’, het NRC Handelsblad: ‘Een sfeerrijke en mooie bundel.’, en Trouw: ‘Elegant, erudiet en interessant.’
Als we alleen al deze drie commentaren lezen, begrijpen we waarom zoveel Surinamers zo trots zijn op Anil, hoe vaak hij ze ook op de korrel nam. En hij deed dat echt niet alleen met Hindostanen, zoals we in het fragment uit Paramaribo de vrolijkste stad in de jungle hebben kunnen merken.
Anil had niet alleen een scherpe pen als het om anderen ging, hij dreef ook vaker de spot met zichzelf en was er niet bang voor zichzelf te kijk te zetten. Van die zelfspot zijn er verschillende voorbeelden in zijn werk te vinden. En dat hij zichzelf te kijk durfde te zetten blijkt bijvoorbeeld uit een interview dat hij in 2009 afstond en waarin hij onder andere sprak over zijn drankprobleem.
Tot slot wil ik nog een klein fragment opnemen uit Badal, de enige roman van Anil. Badal bevat veel biografische elementen. Voordat ik het fragment opneem, wil ik u de scène schetsen waar we ons middenin bevinden. Het gezin heeft bezoek: familie en kennisen van Badals vrouw, allemaal Surinamers die geen kranten lezen, ook geen boeken (lezen we). Ze worden beschreven als mensen met onschuldige, kleine ambities, met overzichtelijke, afgebakende werkelijkheden. En dan komt het stukje overpeinzing van Badal, waarmee ik wil besluiten, omdat dit fragment Anil op het lijf geschreven lijkt. Ondanks zijn soms bijtende spot en ondanks alle aanzien dat hij genoot, keek Anil beslist niet neer op de mensen die zo vaak het onderwerp van zijn spot geweest waren.
‘Hij voelde zich er los van, alsof hij toekeek, als een voyeur, alsof hij er geen natuurlijk deel van uitmaakte. Net zo goed als hij ook in dat andere leven van flamboyante schrijvers een waarnemer was, toekeek. Als een kind naar de grotemensenwereld’. (Badal, p. 61-62).
Anil Ramdas:
De beroepsherinneraar en andere verhalen, 1996
Zonder liefde valt best te leven? Correspondentie uit India, 2004
Paramaribo de vrolijkste stad in de jungle, 2009
Badal, 2011
Alle uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter