blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Zielinski Erich

Geef schrijver een eerlijke vergoeding

door Wilma Degeling

Voor hun taalvaardigheid en algemene ontwikkeling is het meer dan ooit nodig dat kinderen lezen. Zo leggen ze de basis voor hun functioneren in de samenleving.

Als je niet goed kunt lezen, ligt veel onderwijs buiten je bereik en kom je voor de meeste banen niet in aanmerking. Zelfs als je met je handen werkt of werkloos thuiszit en geen groot boekenliefhebber bent, moet je kunnen lezen. Al was het maar om bijvoorbeeld een brief over je zorgpolis te begrijpen. read on…

Drie kunstenaars, drie technieken

Een expositie van brons, keramiek en schilderijen opent op zondag 15 september in de Amsterdamse galerie Stam: Rudy Henriquez vertoont bronzen beelden, Patrick Mezas keramiekwerk en Luurd van der Dussen schilderijen.

Een uiterst gevarieerde tentoonstelling van drie technieken uitgevoerd door drie zeer verschillende kunstenaars.
Patrick Mezas (Curaçao 1954) werkt zeer realistisch en wil zijn beelden  zo natuurgetrouw mogelijk weergeven. In de  werkplaats van zijn vader maakte hij als kleine jongen al beeldjes en speelgoed van hout en kon hij zijn fantasie tot leven brengen. Als kunstenaar heeft hij zich door de jaren heen steeds meer toegelegd op het maken van portretten maar Patrick maakt ook stand­beelden, diersculpturen en  reliëfs in opdracht. Zijn werk wordt zowel in brons als kunsthars gegoten of uitgevoerd in klei.
Het robuuste doch sierlijke werk van Rudy Henriquez (Curaçao 1958) heeft een volledig eigen beeldtaal. Op het eerste gezicht lijkt eenvoud het sleutelwoord maar bij nadere beschouwing heeft het vaak een  verrassende diepgang en gelaagdheid. Een duidelijk statement is Rudy niet vreemd….
Luurd van der Dussen  (Haarlem 1967) legt zich toe op het maken van realistische olieverfschilderijen. Zijn stijl houdt het midden tussen fotorealisme en het lossere impressionisme.
In zijn werk laat hij de lichtinval sterk de sfeer bepalen. De onderwerpen van zijn schilderijen variëren van desolate landschappen tot sfeervolle Amsterdamse stadsgezichten.
De tentoonstelling gaat zondag 15 september feestelijk van start.
Om 15.30 uur wordt er officieel geopend en zal er gesproken worden door Maria Elena Cuartas.
Vanaf 14.00 uur bent u echter al van harte welkom.
Maria Elena Cuartas, tweede van links, tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008. Links van haar Tom van Deel, rechts Annette de Vries, Ernestine Comvalius, Aart Broek, Erich Zielinski. Geheel rechts Jos de Roo. Foto Bert Nienhuis

 

Galerie Stam  15 sep. 2013 tot 2 nov. 2013
Adresgegevens
Galerie Stam, Prinsengracht 356s, 1016 JA Amsterdam
Tel. 06-50975955
Openingstijden:
Wo 11.00 tot 17.00
Do 11.00 tot 17.00
Vr 11.00 tot 17.00

Za 11.00 tot 17.00

Erich Zielinski

Portret van de Antilliaanse schrijver Erich Zielinski, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 49b in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

De Hemelvaart van Erich Zielinski

door Fred de Haas

Bellen was niet nodig. De deur van het Leidse appartement van Erich Zielinski stond wagenwijd open. ‘Drentabo’ klonk een hartelijke stem. Ik zag een rijzige gestalte in mijn richting komen.

Erich Zielinski. Foto © Nicolaas Porter

September 2010. De tijd van de Slotverklaring. De tijd van 10-10-10. Erich was adviseur voor Curaçao, samen met de gentleman-politicus Don Martina.

Ik kende Erich Zielinski uit de tijd van het Curaçaose tijdschrift Vitó, waarvan hij de oprichter was. Hij liep zich in de zestiger jaren van de vorige eeuw het vuur uit de sloffen om dat deel van de Curaçaose bevolking dat Nederlands las op de hoogte te stellen van de (wan) toestanden op het eiland.

– Waarom ben je eigenlijk plotseling met Vitó opgehouden? Erich zweeg even.
– Ja, weet je, ik ging toen weer studeren… en mijn vrouw vond het ook niet zo leuk…
– Ben je onder druk gezet?

Ik drong niet verder aan. We gingen over naar de actualiteit.

– Ze zouden het Engels als onderwijstaal op de scholen willen invoeren, zei hij.
– Wie?
– Pueblo Soberano. Ze hebben dat stuk van je in de Amigoe gelezen en ze willen dat als uitgangspunt nemen.
– Je kent Wiels goed?
– Ja, en ik probeer hem een beetje in toom te houden. Erich maakte een dempend gebaar met zijn armen.
– Is dat nodig? We lachten allebei wat ongemakkelijk.
– Weet je dat ik er bijna geweest was? Man, ik heb in het ziekenhuis gelegen en ben geopereerd door een arts in Venezuela.
– Ben je nu weer de oude?
– Ik hoop het…
– Was je bang om dood te gaan?
– Helemaal niet. Erich haalde zijn schouders op.
– Heb je mijn laatste boek gelezen? vroeg ie.
– Ja
– Is je iets opgevallen?
– Niet direct.
– Nou dan heb je het niet gelezen. Ik voer daar een tango in. Dat had je op moeten vallen. Jij, als muzikant.
– Ja, dat herinner ik me, maar ik vind een tango nogal gewoon. Dat viel me niet op.

Erich keek me ongelovig aan. Ik had zijn boek écht gelezen en begon over de homoseksuele zoon van de hoofdfiguur. Maar Erich bleef toch vinden dat ik het niet had gelezen. Dat zag ik aan zijn gezicht. We spraken over van alles en nog wat. Maar het was vooral het samenzijn dat van belang was. Na zoveel jaar…

– Ik heb nog wat voor je meegenomen. Erich pakte iets uit zijn tas. In een mapje zaten een paar blaadjes.
– Dat zijn gedichten die je indertijd voor Vitó had geschreven. Ik heb ze al die tijd bewaard.

Er viel even een stilte.

– Wist je dat ze zelfs bij het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) in Leiden een paar afleveringen van Vitó hebben? zei ik.

We stonden op om naar buiten te gaan. Hij zette een pet op zijn hoofd. Ik lachte.

– Je lijkt net op een Zeeuwse boer.
– Een Duitse boer, zei Erich.
– Wat spraken jullie eigenlijk thuis voor een taal in je jonge jaren?
– Een rommeltje van Duits en Papiaments.
– Dan heb je je aardig bekwaamd in het Nederlands in de loop der jaren.
– Ja, de fraters, hè. Die waren goed. Daar leerde je wat van. En later in Nijmegen, de onderwijzersopleiding. Ze hadden me goed ingeprent dat ik met Papiaments niks kon. Die lui wisten hoe ze je een minderwaardigheidscomplex moesten aanpraten. Ik had de hele tijd het gevoel dat ik niks kon en dat mijn taal niet deugde. Ik zag dat Erich emotioneel werd. Hij bleef opvallend stil tijdens de rit.

Curacao, ca. 1969

Na een kwartiertje rijden waren we bij me thuis. Ik nam hem mee naar mijn studeerkamer.

– Ga even in mijn stoel zitten. Kijken hoe dat voelt.

Erich lachte.

– Dan ben ik echt bij je, hè?

Wéér hadden we het over van alles en nog wat. Vooral over het Vitó van de periode waarin Stanley Brown het hoofdredacteurschap van Vitó had overgenomen. Het ging er toen niet zachtzinnig aan toe.

Stanley Brown

In Vitó werd de aanval op de toen regerende DP (Democratische Partij) scherp ingezet. In hun artikelen en in een Open Brief aan de DP werden de grieven breed uitgemeten: de DP hersenspoelde de bevolking via hun kranten (Beurs, La Prensa, Democraat, Antorcha), ze censureerden en blokkeerden de toegang tot radio en TV, ze kochten mensen om, ze deden niets aan het feit dat er Curaçaoënaars in huizen zonder licht, water etc. woonden, de banken wilden geen geld lenen aan niet-DP-ers, er waren geen goede ziektekostenverzekeringen, er was alleen een minimumloon voor bepaalde groepen, met Justitie was het slecht gesteld (klassejustitie). Ricardo Isebia: ‘Resultado di e Gobernacion di Gobierno Democraat (despues di 12 aña) ta mas o menos 15.000 hende sin trabow, i cu Hamber i Miseria ta reina riba nos isla’ (het resultaat van de DP regering, na 12 jaar, was dat er 15.000 mensen zonder werk zaten en dat er honger en ellende op ons eiland heersen), enzovoorts.

De revolutie van idealisten tegen opportunisten was begonnen!, zo luidde het in de ‘Karta abierta pa Partido Democraat’ die als vlugschrift uit de stencilmachine van de hoofdredactie was gerold.

De toenmalige minister-president Efrain -‘Fein’ – Jonckheer verdedigde zijn DP (hij was de oprichter) met hand en tand. Volgens hem had nog nooit iemand op de Antillen honger geleden. Anders hadden de mensen toch niet op de DP gestemd?

– Ja, zo kon je het óók zien.

Jonckheer had overigens ook de pest aan Nederland en daarom weigerde hij, bijvoorbeeld, voor de actie Bon Bini (een grote actie ter bevordering van het toerisme) bloembakken te laten plaatsen in de stad. Bloemen deden teveel denken aan die verdomde Hollanders: ‘Zijn de Antillen onafhankelijk? Vormen zij nog een wingewest (!) van Nederland? Is de Koningin gouverneur van de Nederlandse Antillen of is de gouverneur van de Nederlandse Antillen staatshoofd van Nederland? Welke bevoegdheden heeft de Antilliaanse premier?’ Deze retorische, lichtelijk idiote vragen van Jonckheer aan een zekere mevrouw Kooy van Bon Bini, lagen ten grondslag aan de beslissing om geen bloembakken te plaatsen (zie Jaargang III No. 4 van Vitó). ‘Fein’ wilde wel cactussen laten planten om het typisch Curaçaose karakter te accentueren.

– Ja, dat was zo ongeveer het niveau van de politiek in die tijd!
– Niet veel verschil met nu, vond Erich.
– Lijkt me nu nog erger.
– Is ’t ook.

Ook was Vitó niks te beroerd om te ventileren wat het van de Kerk vond:

‘Keer op keer als we de grote mooie kerken zien die Curaçao bezit, vragen we ons af welke God daar aanbeden wordt. De God van de werkeloze neger uit een krot op Wishi of de God van de Shell-employé op Julianadorp. God is dood. Zijn kerk is één grote trustmaatschappij geworden. […] Vitó houdt de kerk verantwoordelijk voor de armoede, de wanhopige toestand waarin Curaçao verkeert, omdat ze niet mee heeft gewerkt om de oorzaken te verwijderen. De armoede van vandaag is een gevolg van onbeperkte kinderproduktie, niet adequate, verouderde schoolopleidingen die door zijn Nederlandse, katholieke oriëntatie 70% van de bevolking een minderwaardigheidscomplex bezorgt. […] Onze geestelijken hadden in plaats van zich druk te maken over de gouden hemel, de eeuwigdurende zaligheid, het moderniseren van hun kleding, hun kerkliturgie, zich druk moeten maken over het onrecht dat hun parochianen geschiedt’. […] ‘Nu is het te laat. De Curaçaose jongere staat niet alleen onverschillig tegenover de kerk, nee, hij spreekt er zelfs met minachting over. Hij weet dat hij op eigen benen moet staan, dat hij zijn problemen zelf moet oplossen en geen donder te verwachten heeft van pastoors die er geen moer van begrijpen’.

– Dat was in 1967, Erich.
– Hm…je bedoelt..
– Ja, dat bedoel ik.

We bladerden verder in Vitó. Advertenties van S.E.L. Maduro, Interconti, Lam Yuan, Cordia, La Ganga, Esperanza, El Louvre…

– Weet je nog hoe Jaap Kion van de Beurs- en Nieuwsberichten waar jij nog hoofdredacteur van bent geweest die arme Bongers, die toen rector van Maria Immaculata was, onder druk heeft gezet omdat ie had toegestaan dat er op de uitnodigingen van een reünistengroepje een advertentie van Vitó had gestaan?
– Die arme Bongers moest toen in een zoekertje verklaren dat de school niets te maken had met Vitó.
– Toen was ie al Prins Carnaval…

We lachten als een Duitse boer met kiespijn en bladerden verder door de oude jaargang.

Vitó omschreef venijnig en met goed analytisch vermogen de Curaçaose regering uit de zestiger jaren van de vorige eeuw: een klein groepje bestuurders (meestal blanke Protestanten, Joden, Vrijmetselaars en vertegenwoordigers van de katholieke kerk) hield de rest van het eiland (lees: de zwarte Curaçaoënaars) gegijzeld: ‘Nan ta e kolonisadornan moderno ku a bula tuma tur kos ofer ora Ulanda a disidí di duna su kolonianan autonomía. Y al fin al kabo nan a resultá mas teribel, mas fanatiko, mas sinberguensa, mas haragan ainda ke kolonisadornan makamba mes’ (Zij zijn de moderne kolonisators die als de weerlicht de hele zaak hebben overgenomen toen Nederland had besloten zijn kolonies autonomie te verlenen. En uiteindelijk zijn ze nog verschrikkelijker, fanatieker, schofteriger, hebberiger gebleken dan de Hollanders. Vitó, Jaargang III, no 4).

– Het liep toen tegen de verkiezingen en de ene politicus had nog mooiere plannen dan de andere.
– Ze waren allemaal tegen de dictatuur van de DP.

Papy Jesurun wilde met z’n U.R.A. (Union Reformista Antiyano) een structurele wijziging van de maatschappij bewerkstelligen.

– Alle werklozen inzetten in de soevenirindustrie, lokale artiesten en de folklore stimuleren
– Ja, georganiseerde werkverschaffing invoeren.
– Weg met de dictators. De voorzitter van z’n partij mocht niet herkiesbaar zijn!
– Sociale rechtvaardigheid.
– Papy kreeg trouwens flink op z’n donder in Vitó. Herinner je je die open brief aan de U.R.A. nog?

We lazen nog één keer bladzij 12 van Jaargang III no 1:

‘ […] Vanaf het begin deugde de U.R.A. eigenlijk niet. Hij is nog steeds een met tin en plastic opgevuld N.V.P. wrak, dat elke maand gerubbingcompound wordt om de vlekjes en krassen weg te werken. Als U.R.A. werkelijk de boel wil veranderen, een politieke partij van jongeren zijn, moeten ze ophouden met O.H.-en en doelloos vergaderen. […] Sodemieter die al te democratische, ruggegraatloze Papy Jesurun van de lijst. Die nietszeggende, ambtelijke toeristengids die op zijn borst klopt en zegt: Ik ken de jongeren. Ik ken de arbeider. En dan weer vooraan staat bij Bon Bini-acties en van de U.R.A. een kammetjes en ballpoints uitdelende Dale Carnegie club maakt. […] Als de leden van U.R.A. maar 10% konden opbrengen van de toewijding die de DP-leden hebben zou je hier iets kunnen beleven. Maar de DP-leden hebben iets om in te geloven: geld. De U.R.A-leden hebben geen flikker om in te geloven, geen idealen, geen conceptie. Ze lopen rond en kloppen op hun borst: ‘Wij durven’.

– Papy is later nog gevolmachtigd minister geworden in Nederland

We praten nog wat over een paar andere politici. Juancho Evertsz wilde geen vaste brug over de Annabaai. Was voorlopig niet nodig, vond ie. Hij wilde industrialiseren, de eerste levensbehoeften lokaal laten produceren.

– Juancho had overigens wel goed begrepen dat het Papiaments moest worden gepromoot.
– Ja, alle wetten moesten in het Papiaments worden vertaald, alle vergaderingen in het Papiaments worden gehouden, elke ambtenaar moest Papiaments kunnen spreken, omdat de Nederlandse taal niet goed werd begrepen.
– Hij vond dat de lesmethoden moesten worden aangepast aan de Antilliaanse denkwereld.
– En goede onderwijzers in de eerste klassen die het Papiaments beheersten.
– En ook geen benoemingen in het buitenland van vriendjes, maar alleen van mensen die bekwaam waren.

Weet je nog… die Nederlandse onderwijzer… Pietje van der Hoeven? Typische Hollander: steil en, in zijn geval, betrouwbaar. Pietje was ook tegen de DP. Hij vond dat de Autonomie ten goede moest komen aan de hele bevolking, ongeacht kleur, ras of geloof.

– Hij wilde meer contact met Nederland om de zaken soepeler te laten verlopen.
– En hij wilde ook een eind maken aan die wilde woekering van ambtenaren.
– Ja, maar dat duurde nog 30 jaar voor het zover was.
– Omdat hij onderwijzer was wist hij wat goed was voor de kinderen. Hij wilde o.a. schoolvoeding omdat een kind dat honger heeft niet kan leren.
– Ja, en studiezalen bouwen om de kinderen de gelegenheid te geven te studeren als ze dat thuis wegens ruimtegebrek niet konden.
– Echt een man die verandering wilde brengen in de slechte sociale omstandigheden op het eiland.
– Nihil novi sub sole…

Standbeeld voor Jonckheer voor het Riffort in Otrabanda. Foto © Michiel van Kempen

Wat had Jonckheer de pest aan Vitó! Hij noemde het een blad van vernieling en afbraak.

– En toen kwam Papa Godett
– De rest is geschiedenis…
– We zullen zien wat de huidige regering ervan bakt. Het ziet er niet geweldig uit. Overvallen en geweld. Nauwelijks in de hand te houden misdadigheid. Het onderwijs gaat snel bergafwaarts.
– Machteloze ingezonden stukken in de kranten
– De huidige regeerders hebben nu de kans om er iets van te maken. Als ze die kans niet grijpen dan…

We reden zwijgend terug naar zijn appartement aan de Leidse Morssingel. Rechts van ons het Museum van Volkenkunde, achter ons het Belastingkantoor. We mochten de singel ver genoeg oprijden om bij zijn flat te komen.

– Misschien kan je ooit nog eens wat over Vitó schrijven… het waren toch jongens die durfden…

Ik keek hem aan. Hij had een trieste uitdrukking op zijn gezicht.

– Dat beloof ik.

Erich glimlachte, zette zijn boerenpet op en gaf me een hand.

– Ben je, behalve met de politiek, nog met iets anders bezig? vroeg ik
– Ja, met een nogal ingewikkelde roman. Over een jaar zal ie wel af zijn. Ik speel er zelf een rol in.
– Heb je al een titel?
De Hemelvaart van Erich Zielinski.

Erich stierf ruim een jaar later. Op 15 februari 2012.

Ik heb mijn belofte aan hem ingelost.

Erich Zielinski

Portret van de Antilliaanse schrijver Erich Zielinski, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 49a in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Erich Zielinski: De mens achter de schrijver

 door Quito Nicolaas

In 2008 kwam ik Erich Zielinski voor het eerst tegen in Amsterdam en werd aan hem voorgesteld. Hij gaf mij een stevige hand en zei volgens een goed Antilliaans gebruik: “Ik ken jouw vader heel goed”, en ik keek hem een beetje verbaasd aan. Even was het stil, terwijl hij mijn hand nog vasthield en vervolgde: “Ja jouw vader is toch de duty station-manager bij de KLM en later bij de ALM geweest toch?” Op dat moment moest ik instemmend knikken en werd een basis gelegd voor een vruchtbare relatie. Tijdens de lezing in verband met de eerste Caraïbische Letterendag die we samen hadden bijgewoond, kwam hij naast mij zitten en na afloop spraken we elkaar nog urenlang. Hiermee gaf Zielinski aan dat hij een mensen mens was en veel waarde hechtte aan vriendschap en nieuwe gezichten in zijn vriendenkring.

Het decor

Schrijver Erich Zielinski had het vergeleken bij zijn collega-schrijvers anders en goed aangepakt. Hij hield rekening met z’n lezers en bood ze de nodige variatie aan qua plaats van handeling van zijn verhalen. Zijn debuutroman De Engelenbron speelde zich af op Curaçao. Hij hanteerde in tegenstelling tot andere clichéverhalen, een begrafenisondernemer als importeur van drugs. Voor zijn tweede roman De prijs van de zee had Zielinski zijn geboorte-eiland Bonaire als decor gekozen. In dit boek toonde hij een goede kenner van de vissersgemeenschap Playa Frans op Bonaire en werd een goed profiel van een besloten gemeenschap gegeven. In z’n derde roman Scott Zuyderling had hij het verhaal grotendeels in Nederland gesitueerd, waarin hij zelfs het taboe doorbrak om over een homorelatie te schrijven. Voor z’n romans was Zielinski op het idee gekomen om goed gebruik te maken van de rechtbankverslagen om zodoende zijn verhalen te construeren. Een andere bron dan een procesverbaal van de politie of het verslag van een strafproces is voor een auteur een geschenk uit de hemel.

Stichting Seru di Orashon

Erich toonde zich een een jurist pur sang toen hij besloot om o.a. zijn auteursrechten in de stichting Fundashon Seru di Orashon onder te brengen. Hiermee werden de verdiensten uit de boekenverkoop en andere literaire activiteiten van zijn prive-vermogen gescheiden. Opmerkelijk hierin is de stichtingsnaam Berg van het Gebed die in 2003 werd opgericht. Op zich doet het een beetje religieus aan of is het tenminste een teken dat de auteur rekening hield met het gegeven dat het leven op aarde ooit ophoudt te bestaan. Het gezin Zielinski was zeer gelovig en trouw aan de kerk. Moeder Zielinski gaf pianoles en was een zeer intelligente vrouw. De nalatenschap van de auteur – bestaande uit nog niet gepubliceerde manuscripten – kunnen nu aan de stichting worden overgedragen, voorzover dat nog niet is gebeurd.

Overtuiging

Voor zover bekend had hij weinig over de dood geschreven en evenmin in zijn poëzie kwam dit thema naar voren. In zijn laatste levensjaren en in aanloop naar de staatkundige veranderingen met ingang van 10-10-10, schreef hij een alternatieve staatsregeling voor zijn land Curaçao. Evenals Boeli van Leeuwen schreef hij een juridisch tractaat, ditmaal in de vorm van een ontwerp staatsregeling. B. van Leeuwen werd alom geprezen en vaak geciteerd uit z’n position paper De Nederlandse Antillen tussen Nederland en Venezuela (1972). Met zijn bijdrage in de vorm van een ontwerp en zijn aanwezigheid tijdens de laatste besprekingen in Den Haag 2010, toont Zielinski een ware independendista te zijn. Een besef dat langzaam aan groeide met de veranderingen in de Curaçaose samenleving en de maatschappelijke ontwikkelingen.

Rollen

Als tiener herinner ik mij Erich Zielinski als hoofdredacteur van Beurs & Nieuwberichten, in dezelfde tijd dat Augustin Diaz (ex-statenlid DP) hoofdredacteur was bij La Prensa. Zielinski was een mens die streefde naar veranderingen alsook vooruitgang en was niet verwonderlijk dat hij reeds in de jaren ’60 samen met anderen het blad Vitó oprichtte. In zijn carrière had hij verschillende rollen vertolkt: onderwijzer, bladredacteur, hoofdredacteur, advocaat en schrijver. Ook in literair opzicht wilde hij zich van de Grote Drie: B. van Leeuwen, T. Marugg en F.M. Arion onderscheiden en zijn lezers van een ander soort proza laten genieten. Door alledaagse gebeurtenissen te thematiseren stimuleerde hij een hoger bewustzijn onder zijn lezerspubliek.

[uit Caribe Magazine, 17 februari 2012]

Erich Zielinski – In memoriam

Erich Zielinski, november 2009, foto @ Michiel van Kempen

door Ezra de Haan

Als redacteur van Uitgeverij In de Knipscheer heb ik vaak met genoegen naar de verhalen van Erich Zielinski (1942-2012) mogen luisteren. Vrijwel ieder jaar bezocht hij de uitgeverij. Wat als een gesprek begon veranderde al snel in een monoloog. Zielinski was een causeur, een rasverteller. Mensen zoals hij hebben publiek nodig en zodra dat aanwezig is, steken ze van wal. Een gesprek over een nog te publiceren boek mondde uit in de zeer gedetailleerde beschrijving ervan, hoe het boek samenhing met zijn vorige werk, de politieke toestand van de Antillen, pikante anekdotes over alle genoegens van het leven, luid gedeclameerde gedichten in het Spaans of Nederlands en ervaringen uit zijn praktijk als advocaat. Die professie klonk door in de opbouw van zijn betoog. Iedere zijstap die hij tijdens zijn verhaal leek te maken had een bedoeling. Hij wist precies waar hij naartoe werkte. Geen zin, hoe meanderend ook, die niet kloppend was. Bij iedere ontmoeting werd ik mij bewust van zijn kwaliteiten als advocaat en als schrijver. Hij schreef zijn romans met een passie die bewonderenswaardig was. Steeds als hij over De engelenbron vertelde, hoorde ik hoe er emotie doorklonk in zijn beschrijvingen van de ervaringen en emoties van de personages. Hij schaamde zich daar niet voor. Hij vertelde hoe, tijdens het schrijven, de tranen hem soms in de ogen stonden. En ik geloofde hem.

Kort nadat Derek Walcott de Nobelprijs had ontvangen, bezocht ik een lezing van hem in Amsterdam. Tussen de aanwezigen zag ik meteen het gestalte van Erich Zielinski. Lang en groot als hij was, kwam hij mij als een reus voor. Een vriendelijke reus. Charmant als altijd schudde hij mij de hand. Hij vertelde mij dat hij Walcott eens flink de oren zou gaan wassen. Wat hij schreef en zei beviel Erich niet en het werd tijd dat iemand hem eens de waarheid zei. In stilte verheugde ik mij op de confrontatie. Twee intelligente mensen met Caribisch bloed beloofde een stevig verbaal vuurwerk. Erich nam naast mij op de harde, houten banken plaats en wachtte zijn beurt af. Zijn enorme lichaam paste amper en het viel mij op dat hij heftig transpireerde. Ik weet het toen aan drank of emoties. Plotseling stond hij op, boog zich naar mij toe en mompelde: jetlag. Hij was weg voor de boodschap tot mij doordrong. Die dag zag ik hem niet meer terug. Nog steeds vraag ik mij af of hij toen al last kreeg van de ziekte die hem later fataal zou worden.

Een andere ontmoeting met Erich Zielinski vond ook plaats in Amsterdam. Samen met Guus Bauer trof ik Erich, zoals afgesproken, in café de Zwart. We dronken een paar bladen bier leeg, betaalden en liepen daarna meteen door naar boekhandel Selexyz voor de presentatie van een James Bond-boek. De uitgever had als gimmick een kleine bar neergezet waar je cocktails kon krijgen. Shaken, not stirred. Erich wrong zijn corpus tussen de mensen door en bestelde drie cocktails. Waar ik nog aan de drank sipte, sloeg hij het longdrinkglas achterover alsof het een borrel betrof. Een blik naar de barman en het optrekken van zijn wenkbrauwen maakte duidelijk dat hij er nog een wilde. “Drie,’ klonk het rustig maar beslist en een knikje van het grote hoofd gaf aan dat de andere twee voor ons waren. Ik zag dat de barman er onrustig van werd. Er stonden meer mensen op hun cocktail te wachten. Maar of het verstandig was om iemand met het lichaam van een zwaargewicht bokser niet direct te bedienen… Het zweet stond op zijn voorhoofd en in een razend tempo probeerde hij een nieuwe rij cocktails te fabriceren. Erich had zijn glas inmiddels al lang weer achter de kiezen. ‘Jij,’ klonk het weer. Een vinger wees gebiedend naar het glas dat Erich veel te leeg was. En zo ging het door totdat alle flessen op de minibar bijna leeg waren. De barman zag dit met opluchting en durfde daar Erich op attent te maken. Die ging even op de tenen staan, als een grizzlybeer vlak voordat hij met zijn klauwen uithaalt. Weer gingen de zware wenkbrauwen omhoog.
Ik zie daar nog wat rum, ik zie wodka, wat sap… mix dat dan, man!
Weer werd een glas, nu met de laatste restjes, gevuld en soldaat gemaakt. ‘Wat gaan we nu doen?’ vroeg hij vervolgens broodje nuchter.

Het was dan ook een grote schok toen we een jaar later op de uitgeverij het bericht hoorden dat hij ernstig ziek was. Alvleesklierkanker en eigenlijk al opgegeven. Erich liet het er niet bij zitten. Hij ging de ziekte als een kerel te lijf, liet zich in Venezuela opereren en pakte daarmee de hoop op de kleine kans om het te overleven. Toen we hem, na zijn operatie weer zagen, was het moeilijk in hem dezelfde vriendelijke reus te herkennen. Erich had niet een maar wel twee of drie jassen uitgetrokken. Hij leek gekrompen,was grijs geworden. Maar zijn strijdlust en energie waren nog altijd aanwezig. Weer vertelde hij over zijn nog te schrijven boeken, de dichtbundel die al af was, zijn nieuwe kijk op het leven en zijn ervaringen als kankerpatiënt. Hij had geen behoefte aan medelijden, wat voor hem telde waren de boeken, zijn personages, een vertaling in het Engels en de mogelijke verfilmingen van zijn romans. Zelfs nadat hij de dood in de ogen had gekeken, wilde hij van geen wijken weten. Helaas was het een strijd die zelfs iemand met de vechtlust van Erich Zielinksi niet kon winnen. Wat van hem resteert zijn prettige herinneringen en de drie prachtige romans die hij schreef: De Engelenbron, De prijs van de zee en Scott Zuyderling. Hopelijk weet hij ons nog met wat nagelaten werk te verrassen als straks zijn laptop en manuscripten boven tafel komen. Curaçao heeft met Erich Zielinski een markant mens en een excellent schrijver verloren.

De tussenlanding op planeet aarde was het leven waard!

In Memoriam Erich Zielinski

 

door Franc Knipscheer

Tot op het laatste moment wilde ik niet echt geloven dat Erich Zielinski het loodje zou leggen. Hij leek immers een kat met zeven levens te zijn en volgens mij waren die nog niet alle zeven voorbij. Bij het afsluiten van een van die levens kon hij bijzonder troostrijk zijn voor hen die het met de eindigheid van één leven moesten stellen.

Op 11 augustus 2011 mailde hij me nog: ‘Waarschijnlijk ben ik in het najaar in Nederland.’ Dat was een vertrouwenwekkende aankondiging die hij sinds 2004 elk jaar deed en ook nakwam. Zijn bezoeken aan de uitgeverij hadden iets van een jaarlijks uitje, een feestje, dankzij zijn goedgemutstheid (altijd die zwarte alpinopet), met zowel van zijn als van onze kant traktaties op tafel. En natuurlijk werd er ook gewerkt aan de manuscripten. Maar afgelopen najaar is hij niet meer naar Nederland gekomen.

Erich Zielinski bleef altijd iets jongensachtig houden. Hij smeedde plannen, richtte fundashons op, die niet altijd een lang leven beschoren waren. Maar de plannen, de ideeën, dié waren belangrijk, die getuigden van zijn levenslust en enthousiasme. Toch was Erich Zielinski voor mij ook een man van de oude stempel, niet wat leeftijd betreft, maar simpelweg omdat hij moeiteloos lange strofen van de ene grote dichter na de andere (ik herinner me bijvoorbeeld Pierre Lauffer, Pablo Neruda, Koos Schuur) uit het hoofd kon (re)citeren – en inderdaad ongeacht of dat nu in het Nederlands, het Papiaments of het Spaans was. Kom daar nog maar eens om vandaag de dag. Daar was ik strontjaloers op.

Erich Zielinski was ook een ‘family man’. Zijn kinderen en kleinkinderen waren – eerlijk is eerlijk – de werkelijke reden om met regelmaat naar Nederland te komen… Hij mailde vorig jaar: ‘Ik zie van dag tot dag het leven aan: de planten en dieren in de tuin en vooral mijn kleinkinderen wanneer die op bezoek zijn.’

Aan een van zijn doktoren schreef hij bijna een jaar geleden als opdracht in De Engelenbron: ‘Aan een vriend en reisgenoot in de oneindigheid van tijd en ruimte in het universum; de tussenlanding op planeet aarde was het leven waard!’

 

Foto: @ Carlos E. Tramm

Erich Zielinski: ‘Wat er ook gebeurt, het leven gaat door.’


door Els Moor

Eergisteren overleed de Antilliaanse auteur Erich Zielinski. In januari 2004 kwam bij uitgeverij In de Knipscheer De Engelenbron uit, debuutroman van de Curaçaose advocaat Erich Zielinski (Bonaire, 1942). Al in juli dat jaar verscheen de tweede druk. De roman had snel succes, mede door de lovende kritieken. Zielinski beschrijft de handel en wandel van personages in de kleurrijke wijk Otrobanda, het decor voor drugs- en andere actuele problematiek. Hij doet dat op een manier die literaire meerwaarde aan de roman geeft, waardoor die uitstijgt boven het genre van de thriller. Als gast van het Winternachtenfestival ‘Werelden in ontmoeting’, is Zielinski momenteel in ons land. Een mooie gelegenheid voor een gesprek over zijn boek.

Zielinski bezoekt Suriname voor de eerste keer. Hij geniet van wandelingen door Paramaribo, waar hij veel van de Caribische leefwijze herkent, maar ook nieuwe ervaringen heeft. Het multiculturele straatbeeld fascineert hem.

Voor het gesprek gaan we op buiten, naar de gerestaureerde oude koffieplantage Frederiksdorp op de rechteroever van de Commewijnerivier. Op het terras van het hotel van de familie Hagemeyer genieten we van een heerlijke maaltijd.

Erich Zielinski schudt literatuurcriticus Rob Schouten de hand

Het boek ligt op tafel en ik vraag Erich waarover het gaat. ‘Het gaat over de mens’, zegt hij en neemt een slok bier, ‘de mens in Otrobanda die in het leven staat en wat er ook gebeurt, dat leven gaat door.’ Hij vertelt dan met verve over de personages die ondanks veelsoortige problemen en tegenstrijdige omstandigheden, leven onder één dak, van een oud huis in Otrobanda, een vriendelijk huis met bomen op het achtererf en voorop een naambordje: De Engelenbron. Zielinski kent het huis; hij heeft er zelf enkele jaren gewoond tijdens zijn kindertijd. De titel – De Engelenbron – waarschuwt de lezers al dat het niet alleen gaat om een drugsgebonden thriller. Wie zijn die personages? De centrale figuur, die banden heeft met alle anderen, is Monchín, oud-politieman. Hij werd ontslagen toen hij tijdens werktijd spiernaakt gesignaleerd werd in een bordeel. Sindsdien probeert hij te overleven, hij is hét voorbeeld van de escapist, die met een vrolijk gezicht aan de realiteit voorbijgaat. Zo vist hij iedere zaterdag met een vissersboot en brengt strijk en zet een tas met inhoud aan Petchie, van wie iedereen weet dat hij banden heeft met de Colombiaanse drugsmaffia. Petchie heeft zijn bijnaam te danken aan het feit dat hij altijd een pet draagt om de bij zijn geboorte ontstane misvorming van zijn hoofd te maskeren. Zelfs als hij, getroffen door een kogel, stervende is, maakt hij een vragend gebaar om zijn pet. Een andere centrale figuur is Hendrik, de zakenman die gedeeltelijk verlamd het bed houdt en met veel liefde verzorgd wordt door zijn Surinaams-Hindostaanse tweede vrouw Rona. Monchín is zijn huurder in De Engelenbron, door wie hij ook te maken krijgt met Aura, een prostituee uit de Dominicaanse Republiek en haar dochter Linda Rosa die in relatie staat tot Petchie.

Door bemiddeling van Petchie slikt Linda Rosa ‘bolita’s’, waarmee ze naar Holland zal vliegen, maar op de airport, voor de ogen van haar moeder, sterft Linda als er een ‘bolita’ bost [knapt] in haar maag. Petchie krijgt later spijt en wil Aura geld van haar dochter overhandigen. In haar mateloze verdriet en woede schiet Aura Petchie dan dood met het wapen van Monchín dat hij ergens had achtergelaten. Daardoor wordt niet Aura, maar Monchín de gedoodverfde schuldige. Hendrik regisseert vanuit zijn bed de uitvoering van de oplossing om geruisloos en onzichtbaar van het lijk af te komen. Iedereen denkt immers dat Petchie naar Venezuela gevlucht is na de dood van Linda. Met veel moeite gooien de huisgenoten het extreem zware lichaam in de put op het achtererf, waarna nota bene de Colombiaanse drugsbaas het klusje klaart om de put dicht te metselen, zonder dat hij weet wat zich erin bevindt.

‘Vormen die drugstoestanden een leidmotief in je boek, zoals bijvoorbeeld in “Blinde muren” van Roué Hupsel’, vraag ik de schrijver. ‘Nee, de achtergronden waartegen het verhaal zich afspeelt zijn voor mij het belangrijkst. Het gaat om de mens in Otrobanda, vormgegeven in de personages onder het dak van De Engelenbron. Hun levens zijn met elkaar verbonden onder dat dak. Het leven gaat door. Als de Colombiaan zijn job gedaan heeft, vraagt hij aan Monchín: “Ga je zaterdag weer vissen?” Het antwoord is: “Ja, ik ga vissen.” De lezers weten dan dat alles gewoon doorgaat.’
Ik constateer dat Erich Zielinski absoluut nergens moraliseert in zijn verhaal. ‘Nee’, zegt hij met overtuiging, ‘als advocaat kijk ik naar de feiten. De lezer is de rechter.’
‘Je preekt niet; zelfs Frank Martinus Arion doet dat aan het einde van Dubbelspel‘, zeg ik. ‘Nee, er verandert uiteindelijk niets. We merken alleen dat er solidariteit is ontstaan op het eind. Iedereen moet verder, dus ze slaan de handen ineen. Wel heb ik geprobeerd om de personages uit te tillen boven de alledaagsheid van het leven.’ Ik bevestig dit en noem Monchín. ‘Ja’, knikt Erich en hij kijkt peinzend naar de gerestaureerde oude politiehuisjes aan de overkant van het mooi verzorgde erf, die nu dienst doen als hotelappartementen, ‘Monchín heeft een alter ego, broeder Abt, die zijn verlangens naar zuiverheid personifieert. En hij heeft zijn afgedankte politiemotorfiets. Die heeft hij zonder wielen op de put gemonteerd en regelmatig start hij de motor en raast door zijn fantasie. Met broeder Abt praat hij dan over de altiplano in de Andes en hij voelt de wind. Hij ziet Indianen met zwarte hoeden op zich afkomen, die weer verdwijnen achter de bergen. Eigenlijk wil Monchín, de vrouwenjager, in het klooster. Maar niet met z’n motorfiets. Die vergaat immers ook, net als de mens.’

‘Het universele thema van de vergankelijkheid heb je prachtig verwerkt’, zeg ik. ‘Ik zie mijn figuren altijd voor me’, zegt Erich, ‘ook Monchín. Er zijn momenten dat je tranen in je ogen krijgt, maar ook dat je lacht. Als de impotent geworden Hendrik ‘s avonds zijn vrouw de trap op hoort sluipen naar Monchín, en de fles whisky op het nachtkastje grijpt, krijg ik tranen in mijn ogen. Ook om de solidariteit van Monchín die Rona nooit echt van hem zal afpakken.’ En hij voegt eraan toe: ‘Je moet als schrijver niet blijven hangen aan de slaventijd. Dan groei je niet. Het verleden moet geen stepping stone zijn. Het gaat mij om de nieuwe Caribische mens in mijn werk. We hebben een rijke culturele samenleving dankzij het verleden, en er bestaan ook veel verhalen over. Maar dat is niet voor mij.’

‘Hoe werk je, hoe heb je dit boek geschreven?’ vraag ik. ‘Ik heb veel journalistiek werk gedaan naast mijn advocatenpraktijk. Het schrijven op zich is niet moeilijk voor mij. Met dit verhaal in mijn hoofd heb ik wel een jaar rondgelopen. Iedere dag wandelde ik toen, met een goede vriend. We spraken erover. Toen kreeg ik gele koorts en moest een tijdje thuisblijven. Ik begon te schrijven, met de hand, pen op papier. Een jaar lang. Mijn vriend tikte uit wat ik geschreven had en we spraken erover. Na dat jaar begon het pas echt: slijpen, polijsten, vervangen. Laat ‘s avonds belde ik vaak nog mijn vriend en besprak wat ik toegevoegd had. Zoals aan het personage Monchín: zijn gesprekken met broeder Abt en zijn motorfiets tillen hem uit boven het gewone escapisme. Als zijn buurvrouw staat te klagen over het lawaai waarvan haar baby niet kan slapen, wordt hij ineens paternalistisch en zegt bijna troostend: “Wees niet bang”.’ Zielinski moet er zelf weer om lachen.

Erich Zielinski, rechts, met staande Karin Amatmoekrim en links Diana Lebacs

‘Wim Rutgers in zijn recensie in Amigoe prees de structuur’, merk ik op. ‘Dat heeft inderdaad veel tijd gekost, om het zo te krijgen’, Zielinski knikt. ‘De figuren die eerst min of meer los zijn, komen terug en passen steeds meer aan elkaar. De losse stukken zijn eigenlijk niet los. Even leiden ze een eigen leven, dan komen ze bij elkaar, vermengd met typisch Caribische motieven, zoals de Heilige Maagd, die steeds weer terugkomt. Ook het verschijnsel dat iemands bijnaam zijn “echte” naam wordt.’
Die zorgvuldigheid zit ook in de taal van de roman, heb ik geconstateerd. ‘Ik heb de taal proberen uit te tillen boven de anekdote van de Antillen. Michel Angelo wordt genoemd, en Hendrik luistert op zijn bed naar Edith Piaf. Ik wilde geen regionale roman maken, maar vanuit mijn bekende omgeving existentieel bezig zijn met de qualité humaine. Tijdloze kwesties als wonen, voortplanting, liefde. Het universum is tijdloos. Bestaat er toeval in het universum? Een Latijns-Amerikaanse schrijver die ik bewonder om zijn “tijdloosheid” is Miguel Asturias (1899-1973) met zijn Hombres de maiz (1949).’

Erich Zielinski pakt zijn roman, neemt een slokje van de koffie die inmiddels het bier vervangen heeft en leest het slot voor van De Engelenbron:

Zielinski geheel links in gesprek met Isabel Hoving. Achter hem staande Tommy Wieringa in gesprek met Luc Devoldere.

‘Rona dweilde de vloer in huis. Het ontsmettingsmiddel met lavendel geurde langs de trap omhoog. Hendrik luisterde naar Piaf: “Et on danse, on danse, on danse…” Bewegingloos, de benen verlamd, de ogen gesloten. Aura kookte soep en proefde met de pollepel uit de pan. Zij zou straks een beetje soep brengen voor die twee daarbuiten bij de put.
De buurvrouw hees zich op het muurtje en schreeuwde: “Coño, begin je weer? De baby slaapt! Mierda!” Monchín liet zich niet storen en bracht de Harley Davidson op kruissnelheid.
Oso Blanco raapte zijn spullen bij elkaar en probeerde met zijn stem boven het gebrul van de motor uit te komen: “Tot zaterdag!”
Maar Monchín hoorde hem al lang niet meer.
“Broeder Abt”, sprak hij…’

[uit de Ware Tijd Literair, 11 maart 2006]

Zielinski in gesprek met acteurs Felix Burleson en Paulette Smit

 

Alle foto’s zijn gemaakt tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008, © Bert Nienhuis, Werkgroep Caraibische Letteren

Erich Zielinski overleden


Schrijver en dichter Erich Zielinski is gisteren, woensdag 15 februari 2012, in Willemstad na een lang ziekbed overleden.

In 2004 maakte Zielinski zijn debuut met de roman De Engelenbron, die zich grotendeels afspeelt in Otrobanda, waar het leven beheerst wordt door de problemen van overleving en drugs. Hoofdpersoon is de oud-politieman Monchín die de alledaagse werkelijkheid probeert te ontvluchten door zich te verplaatsen in zijn verbeelding, wanneer hij op zijn Harley Davidson zit
die met keilbouten verankerd is boven een oude waterput. Het boek werd genomineerd voor de Gouden Strop, en ontving in 2007 op Curaçao de Cola Debrot-prijs.

Zielinski werd op Bonaire geboren als zoon van een Duitse vader en een Curaçaose moeder, maar hij groeide op in het oude stadsdeel Otrobanda op Curaçao. Na zijn opleiding (kweekschool en rechtenstudie) in Nederland keerde Zielinski terug naar de Antillen waar hij werkzaam was als onderwijzer. Hij werd in die tijd oprichter en redacteur van het tijdschrift Vitó, dat in de woelige jaren zestig als ‘kritisch tijdschrift’ tegen het establishment op de Nederlandse Antillen ageerde. Op Curaçao voltooide hij zijn rechtenstudie en vestigde hij zich als advocaat. Begin jaren zeventig was hij korte tijd hoofdredacteur van het niet meer bestaande dagblad Beurs- en Nieuwsberichten, waarna hij toch weer koos voor de advocatuur.

Zijn roman De prijs van de zee (2008) speelt zich af op Bonaire, waar de vondst van een bijna in zee gestorte wagen leidt tot rivaliteit in een vissersdorpje. De korte roman Scott Zuyderling (2009) is grotendeels gesitueerd in Nederland. Advocaat Scott Zuyderling gaat naar de begrafenis in Nijmegen van Ronnie, de zoon van Scotts vriend Armand. Ronnie heeft zelfmoord gepleegd. Scott realiseert zich dat Armand er met hem als zijn beste kameraad nooit over heeft gesproken dat Armand een kind heeft verwekt bij zijn eigen schoondochter (Ronnie’s vrouw). Hij wordt geconfronteerd met zijn eigen geschiedenis en vooral met de verhouding tot zijn homoseksuele zoon.

Zielinksi is auteur van de alternatieve Staatsregeling van Curaçao van politieke partij Pueblo Soberano. Hij noemde het concept ‘een manier om ordening te brengen voor het nieuwe land’.

Erich Zielinski is 69 jaar geworden. Dat hij ruste in vrede.

Voor een recent stuk over zijn drie romans, verschenen op deze blogspot, klik op deze link.

Foto: @ Michiel van Kempen, 2009
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter