Op donderdag 27 mei 2021 ondertekenden Rita Rahman, voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, en... Lees verder →
Tommy Wieringa – Haven
Het is een fijne boot, licht, van aluminium, geen diepgang, heel geschikt voor het ondiepe wateren die ik bevaar. De man van wie ik de boot koop zegt dat de sluis bij Nauerna tot een uur gesloten is, ik zal moeten wachten voor ik erdoor kan om naar huis te varen. Ik dood de tijd op de kofferbakmarkt in Assendelft. Onder een dichte hemel, verspreid over een parkeerplaats en een drassig weiland, ligt de wereld aan rotzooi uitgestald. Aan sommige handelaren kleeft het woord ‘genoeglijk’. Ze hebben er schik van, van de wereld die aan hun povere koopwaar voorbij trekt. Het spel, niet de knikkers. Ik verlaat de markt met een hengel, een peddel en een paraplu.
In mijn nieuwe, snelle boot glip ik tussen de sluisdeuren bij Nauerna door en voor me opent zich de ruimte van het IJ. Gashendel open, het donkere water schiet onder me langs. Ribbelwater, nauwelijks golven.Een woud van rode kranen steekt de hemel in. Lange, lege vlaktes. Ik heb ontzag voor zulke landschappen. Opgeschoten gras, struiken, een eenzame boom hier en daar. Ik passeer binnenvaartschepen en knikkebollende kajuitbootjes vol kinderen met zwemvestjes. Mijn gedachten blijven even haken aan de kleine kat die ik op de basaltblokken zag. Waar zou hij thuishoren? In het landschap van vlaktes en kranen was nergens een huis te zien.
De havens, hun namen. Afrikahaven. Amerikahaven. Westhaven.
Jongemannendromen.In het museum van Ellis Island hangt een foto van twee immigranten, broers uit Zierikzee. De foto is genomen tijdens hun wachttijd in het vagevuur van Ellis Island. Het kartonnetje op hun borst schrijft dat ze zijn geadministreerd onder nummer 35. De kleine en mogelijk jongere broer kijkt in de camera, de ander kijkt schuin weg naar een punt boven de horizon. Ze hebben fijn getekende gezichten en smalle lippen, in hun blik ligt een ernstig, eerbaar leven. Arbeid die misschien te zwaar is voor hun gestel, maar de kunst om te verdragen.In 1969, voor mijn herinnering begint, vaart een jong echtpaar aan boord van de Prins der Nederlanden over hetzelfde water als ik nu. Ze verlaten Nederland met opluchting en een vage ongerustheid. Aan de overkant van de Atlantische Oceaan, op een rots van diabaas in zee, zullen ze een nieuw huis vinden, nieuwe vrienden ontmoeten en nieuwe verlangens koesteren. Ik kan ze niet zien vanaf hier, mijn ouders, maar stel me voor wat het betekent als mijn vader zegt dat hij daar, aan boord van de Prins der Nederlanden, op een vroege morgen door een patrijspoort keek en zijn nieuwe leven zag; de kade van Oranjestad, geblakerd in de zon.