blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Wiels Helmin

Antilliaans erfgoed (5) : beeldmateriaal

Het behoud van slavenarbeid

door Aart G. Broek

De slaven hebben flink wat materieel erfgoed achtergelaten om tot op de dag van vandaag te bewonderen. De plantagehuizen, de restanten van waterbeheer en forten, woningen in oude stadsdelen vormen tastbare getuigen van arbeid van slaven. Heel veel van dergelijk erfgoed is inmiddels verloren gegaan. Aan wat nog rest aan tastbare slavenarbeid zouden we wel wat meer waardering mogen toekennen, ook al hangt er geen naamkaartje bij de constructies. Die anonimiteit is spijtig, maar we hoeven de makers niet te kennen om het behoud mogelijk te maken; als we maar beeldmateriaal hebben: foto’s, dia’s, films, kaarten, schilderijen, (archeologische fundamenten ten behoeve van) bouwtekeningen.

read on…

Herlezen: Verkiezingsdans

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Verkiezingsdans uit 2013 van Joseph Hart.

read on…

G.J. veroordeeld tot 28 jaar cel

Willemstad – Het Gerecht in eerste aanleg heeft op vrijdag 16 augustus 2019 voormalig Minister van Financiën [George Jamaloodin] veroordeeld tot 28 jaar cel. G.J. is in de zaak Maximus veroordeeld voor het uitlokken van de moord op politicus Helmin Wiels en in de zaak Germanium voor het in de hoedanigheid van Minister van Financiën verduisteren van subsidiegelden en het gebruik maken van valse geschriften. Het Gerecht heeft G.J. vrijgesproken in de zaak Passaat.  read on…

Op Curaçao betekent mijn witte huid nog vaak ‘je hoort er niet bij’

Het is een taboe, maar de tint van je huid doet ertoe op Curaçao. En dat wordt je als witte Nederlander op PVV-achtige wijze ingepeperd, merkt journalist Dick Drayer.

read on…

Lo so (ik weet)

‘Helmin [Wiels] is niet de eerste noch de laatste die ze hebben laten ombrengen’

door Nardy Cramm, hoofdredacteur Knipselkrant Curacao read on…

Zeer actuele Cura-Crime

Savonet van Krijn de Best

door Jeroen Heuvel

De moordenaar van Helmin Wiels en de opdrachtgevers tot deze moord zijn bekend bij de auteur en de lezers van Savonet, een nieuw deel in de serie Cura-Crime thrillers van de hand van Krijn de Best. Dat maakt dit boek bijzonder actueel, gezien de recente aanhoudingen van mogelijke verdachten. read on…

Zaak-Wiels begint met uitvoerders

door Jeannette van Ditzhuijzen

Naar eigen zeggen schoot Elvis K., alias ‘Monster’, op 5 mei 2013 Helmin Wiels, de politiek leider van Pueblo Soberano, neer. Voor zo’n 40.000 euro. [Deze week] staan hij en drie andere betrokkenen terecht. De rechtbank op Curaçao heeft vijf dagen uitgetrokken voor deze zaak, die met veiligheidsmaatregelen is omgeven.Het moordwapen werd pas in juni dit jaar uit de Annabaai gevist. Intussen was een vijfde verdachte zelf vermoord en had een zesde zelfmoord gepleegd in zijn cel. Dat het om huurmoord ging was vrij snel duidelijk. read on…

Bolo ta di pueblo (4)

Fred de Haas over Frantz Fanon
Op een Nederlands forum voor Creolen vond ik de volgende twee uitspraken uit 2011:
– ‘Ik vindt het triest dat sommige creoolse of hindoestaanse vrouwen hun gezicht bleken. Soms zie ik dames die ik nog ken uit mijn schooltijd en ik weet dat ze van nature donker waren. Maar plotseling zie je ze na jaren met een lichtere tint in hun gezicht terwijl de rest van hun lichaam nog donker is. Of ze bleken hun hele lichaam. Hebben deze mensen een complex of zo? Waarom kan je niet mooi zijn als je donker bent? Weten ze niet dat het bleken van je huid heel gevaarlijk is? Nep om te zien man!’
– ‘de media maakt ons nog steeds wijs dat je niet mooi ben als je donker ben’
Fanon was het hiermee eens en vond dit soort gedrag (zoals het gladmaken van kroeshaar en bleken van de zwarte huid) ook ongelofelijk dom.
Julian Coco
Julian Coco en Helmin Wiels
Ik herinner mij in dit verband (nooit ontkennen dat je zwart bent) de gewoonte van Julian Coco, de onlangs overleden zwarte meestergitarist uit Curaçao, om een kamer vol blanken binnen te komen met de woorden: ‘wie wil er een kus van deze zwarte lippen?’ Julian wist dat de mensen hem erg zwart vonden en, geestig als hij was, nam hij altijd de vlucht naar voren. Hij was iedereen vóór door de aandacht te vestigen op zijn kleur en kreeg altijd de lachers op zijn hand. Dat had, vond ik, altijd iets tragisch. Maar zo deed Coco het nu eenmaal en, in zekere zin, was dat een effectieve zelfbescherming. Julian Coco had trouwens helemaal geen hekel aan de Hollanders. ‘Ik heb een zwak voor die Makamba’s, ’ zei ie altijd. Hij was trouwens met een getrouwd.
Iemand die ook zijn kleur niet onder stoelen of banken stak was Helmin Magno Wiels, de leider van de Curaçaose volkspartij, de Partido Soberano. Herinnert u zich nog dat Helmin een video-opname had laten maken waarin hij achter tralies een banaan zat te eten? Hij deed dit om op een meedogenloze – maar geestige – manier te laten zien hoe blanken over zwarten konden denken. Dat tafereel (ik heb er verschrikkelijk om moeten lachen) was duidelijk geïnspireerd door wat Fanon schreef op bladzij 90 van Peau noire, masques blancs (een boek dat Helmin Wiels waarschijnlijk in een Nederlandse of Engelse vertaling  onder zijn hoofdkussen had liggen):
‘Ik wierp een objectieve blik op mezelf, ontdekte mijn zwartheid, mijn etnische eigenschappen en op mijn schedel voelde ik woorden beuken als: kannibalisme, achterlijkheid, fetisjisme, raciale gebreken, slavenhalers en vooral, vooral de reclameboodschap ‘Y’a bon Banania!’
Y’a bon Banania
Toen ik in mijn jonge jaren veelvuldig gebruik maakte van de Parijse metro viel me altijd één affiche op dat op elk station minstens één keer voorbijflitste. Dat affiche was banaangeel en er stond een forse, zwarte soldaat op die lachend de boodschap ‘Y’a bon Banania’ ( = wat is die Banania toch lekker!) verkondigde. Het feit dat ik me dat nu nog steeds herinner betekent dat de reclamejongens van 1912 – zo oud is het merk Banania al –  voortreffelijk werk hadden gedaan.
Drie jaar lang heeft er op het Banania affiche uit 1912 een Antilliaanse vrouw gestaan, maar in 1915 werd ze vervangen door een zwarte Senegalese soldaat. Dat was de man die ik steeds had gezien in de ondergrondse. De slogan ‘Y’a bon Banania’ was een verzonnen soort pidgin-Frans dat Afrikanen en Antillianen geacht werden te spreken als ze hun Creoolse taal gebruikten. Het product Banania was een chocoladedrank in poedervorm van cacao, bananenmeel, tarwe, honing en suiker. Wel lekker. Je kon het met melk koken en het was in tien minuten klaar. Het was voedzaam en prima geschikt voor het leger.
De soldaat op de affiche beantwoordde volledig aan het beeld dat de gemiddelde blanke zich toen maakte van de ‘neger’: een vriendelijke maar domme Afrikaan met dikke lippen en een grote mond die nogal onnozel lachte en eruitzag als een groot soort kind. En hij sprak natuurlijk (!) geen algemeen beschaafd Frans. Kortom, hij was het perfecte symbool van de Creools sprekende onderdaan uit de Franse koloniën. De tekening wekte de lachlust op en zorgde ervoor dat het product Banania gretig aftrek vond bij het grote publiek.
De firma heeft die reclame lang weten te handhaven en pas in 2011 vaardigde de rechtbank van Versailles op verzoek van de  ‘Beweging  tegen het racisme en voor de vriendschap tussen de volken’ het verbod uit
om het product Banania nog langer te verkopen met de slogan ‘Y’a bon’. Op straffe van 20.000 euro per overtreding per dag.
Fanon merkte al op dat de zwarte man op die affiche eigenlijk gereduceerd was tot een voorwerp temidden van andere voorwerpen.
Wie het Banania-effect wil vergelijken met de Zwarte Piet discussie in Nederland is ver van huis. Zolang er nog niet op elk treinstation in Nederland 24 uur per dag een Zwarte Piet en een Sinterklaas te zien is valt het allemaal nogal mee in onze gebieden.
Racisme en intolerantie
Vreemdelingenhaat, racisme en intolerantie zijn verwante zaken die meestal moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Tegenwoordig schuilen ze nog wel eens onder de vlag van ‘strijd tegen het terrorisme’. Die camouflage werkt goed, want niemand wil natuurlijk terrorisme, behalve de terroristen zelf.
In Nederland zijn velen bang voor ‘geestelijke terreur’ van de kant van fanatieke Moslims en zijn daarom gauw bereid beledigende opmerkingen aan het adres van moslims te vergoelijken. De Nederlandse PVV politicus Wilders heeft ooit voorgesteld belasting te heffen op het dragen van Islamitische hoofddoekjes onder de naam ‘Kopvoddentax’. Met dit verbaal nogal beledigende voorstel heeft hij de vrije meningsuiting wel erg hoog in het vaandel geheven. Vanwege dit soort uitspraken wordt hij dag en nacht bewaakt. Obsessie, ijdelheid en moed gaan bij hem hand in hand. Opvallend is ook zijn laatste politieke streek: een anti-islamsticker die je bij hem kan bestellen. De sticker stelt de vlag van Saoedi-Arabië voor met daarop een Arabische tekst die o.a. de volgende inhoud heeft: “De Islam is een leugen. Mohammed is een boef’.
Dit lijkt me niet de juiste manier om geesten rijp te maken voor een open discussie. Wat zou hij ervan zeggen als ze in Saoedi-Arabië gingen rondlopen met de Nederlandse vlag waarop stond: ‘Jezus is een oplichter en de Paus is zijn profeet’?
De anti-islamsticker van Wilders
Het vervelende bij Wilders is dat ie ook wel eens gelijk heeft met zijn uitspraken. Zo is hij van opvatting dat je niet zó tolerant moet zijn dat je anderen de volledige vrijheid moet geven om intolerant gedrag te vertonen.
Geen speld tussen te krijgen…
Frantz Fanon stelde in zijn tijd dus al vast dat racisme, intolerantie en geweld overal aanwezig waren. In zijn tijd kreeg de Franse schrijfster Simone de Beauvoir nog een officiële waarschuwing omdat ze gearmd met de zwarte schrijver Richard Wright over straat liep.
Europa en Amerika blijven ook heden ten dage gewelddadig en racistisch. Denk aan de massamoord in het voormalige Joegoslavië. Denk aan de Verenigde Staten waar nog altijd stadswijken zijn waar alleen zwarten, Spaanssprekende Latijns-Amerikanen of Aziaten wonen. En nog niet zo lang geleden, in 1991, speelde de zaak Rodney King, de zwarte jongeman die op sadistische wijze werd afgeranseld door blanke politieagenten die hiervoor niet werden veroordeeld…
Een donkere president Obama helpt wel een beetje en de woorden die hij in 2008 als presidentskandidaat richtte tot de Afro-Amerikaanse gemeenschap waren ongetwijfeld oprecht gemeend:
‘[…] in feite hebben we geen keus als we willen voortgaan op de weg van een betere saamhorigheid. Voor de Afro-Amerikaanse gemeenschap betekent dit dat we de last van ons verleden moeten accepteren zonder er slachtoffer van te worden, dat wil zeggen dat we echte rechtvaardigheid moeten blijven eisen in alle aspecten van het Amerikaanse leven’.
Meer dan vijftig jaar geleden zei Frantz Fanon hetzelfde en de omstandigheden waarin hij toen verkeerde waren heel wat slechter. Nog steeds heeft zijn boodschap niets aan kracht ingeboet en die boodschap geldt ook voor Latijns-Amerika waar de zwarte, gekleurde en Indiaanse gemeenschappen nog altijd zwaar worden gediscrimineerd (o.a. in Brazilië, Colombia, Perú enz.).
[wordt vervolgd]

Jopi Hart: Curaçao heeft een echte leider nodig

Jopi Hart in gesprek met Sharnon Isenia in de Netto Bar.
door Jeannette van Ditzhuijzen
“Het is alsof praktisch alles wat ik in mijn fantasie heb verzonnen, nu op Curaçao plaatsvindt: de aanslag op een politicus – zoals bij Helmin Wiels – ‘gangs’ die elkaar afmaken, witwaspraktijken, invoer van drugs en vuurwapens, en ga zo maar door.” De recent uitgekomen, spannend geschreven roman Verkiezingsdans van Jopi Hart is een regelrechte aanklacht tegen de politiek op het eiland. “Niet bewust”, zegt hij met nadruk. “Het liep gewoon zo, maar ik schreef wel uit een gevoel van onbehagen, van boosheid.”
We lopen door ‘zijn wijk’ Otrobanda. Luide muziek schalt over een pleintje, waar een feestje wordt gevierd, en concurreert met een bar iets verderop, waar de boxen eveneens op volle sterkte staan. Buurtbewoners groeten Jopi en staan stil voor een praatje.
Hart houdt van Otrobanda, waar hij zijn jeugd doorbracht, en hij houdt van Curaçao, maar het gebrek aan leiderschap en politieke visie ergert hem mateloos. In Verkiezingsdans geeft hij Curaçao wél een echte leider: de idealistische wiskundeleraar Matthew Bartels. Voor een goed verstaander is Bartels het evenbeeld van de onlangs overleden politicus Miguel Pourier, volgens velen een van de weinige goede leiders, die het eiland heeft gekend.
In de aanloop naar de verkiezingen krijgt deze Bartels te maken met een corrupte tegenstander en al gauw merkt hij dat politiek en drugshandel zeer nauw met elkaar zijn verweven. Dan wordt er een aanslag op hem gepleegd, net als op Helmin Wiels, eerder dit jaar. Toeval, zegt Hart. “Ik schreef al veel eerder een Engelse versie van dit boek. Wiels had toen nog maar net zijn partij PS opgericht.”
De begrafenis van Helmin Wiels. Foto Mineke de Vries
Georganiseerde misdaad
De auteur benadrukt dan ook dat het boek echt helemaal aan zijn fantasie is ontsproten. Helemaal? “Nou ja, dat er op Curaçao georganiseerde misdaad is, net als in Verkiezingsdans, daaraan kan geen zinnig mens twijfelen. Minister Navarro wil niet voor niets een offensief tegen de georganiseerde criminaliteit beginnen. De misdaad móet wel hiërarchisch georganiseerd zijn, waarom denk je anders dat al die executies plaatsvinden? Niet alleen van Wiels, ook van anderen.”
“Drugs zijn overal”, verzucht Hart, terwijl we door een supersmal steegje lopen. “In dit straatje doen ze regelmatig hun ‘zaken’.” Wijzend op een vervallen krot: “Vroeger gebeurde dat vanuit dat huis. Geen idee waar die dealer nu uithangt. Misschien in de gevangenis?”
De beschrijvingen in de roman van troosteloze gezinnen en drugskoeriers in arme buurten zijn gebaseerd op Harts ervaringen in het onderwijs. Hij was jarenlang docent Engels aan het Radulphus College. Net als Matthew Bartels in Verkiezingsdans hoorde hij op ouderavonden het nodige over de soms schrijnende thuissituaties van zijn leerlingen.
 Toegankelijk onderwijs
De nadruk die de hoofdpersoon van de roman legt op het belang van onderwijs is ook een stokpaardje van Hart. Niet dat het Curaçaose onderwijs slecht is. Het gaat Hart om de toegankelijkheid ervan. “Kijk, er bestaat wel een wet die zegt dat iedereen verplicht is onderwijs te volgen, maar die wordt nauwelijks nageleefd. Dus wat gebeurt er dan? Heel veel kinderen gaan niet naar school of ze houden het niet vol. Terwijl onderwijs het hart van alles is. Als dat goed is, voorkom je een heleboel problemen.”
“Waarom ze niet naar school gaan? Omdat er geen geld is voor het verplichte schooluniform of voor de bus. Weet je wel wat een stadsbus kost op dit eiland? Daar hebben de moeders het geld niet voor. Zelf kunnen ze hun kind niet wegbrengen, want ze moeten werken.”
Het verschil tussen degenen die het kunnen maken in de maatschappij en hen die dat niet kunnen, neemt volgens Hart toe door het armoedeprobleem. “Juist zij die het niet halen, doordat ze niet of nauwelijks naar school zijn geweest, vormen het probleem van de gemeenschap.”
Hij wijst ook op de naar zijn mening veel te krappe schooltijden. Toen hij begon in het onderwijs, in de jaren zestig, werkte hij tot drie uur en bleef daarna op school om de leerlingen te helpen met sport en andere activiteiten. “Dat deed iedereen, dat was de norm. Toen ik in 1962 naar Nederland ging, deed ik daar precies hetzelfde. Maar bij mijn terugkeer in 1972 hadden de leerlingen nog maar iets meer dan een halve dag school. Natuurlijk, het is heet, maar zorg dan voor zonwering en fans.”
In Verkiezingsdans laat Hart “duizenden half-analfabeten en emotionele volgelingen” woorden als ’vrijheid’ en ‘onafhankelijkheid’ scanderen. Ze volgen daarmee klakkeloos hun populistische leiders. “Daarom is onderwijs van vitaal belang, zodat de mensen kritisch worden en leren zelf na te denken. Daarom ook stuur ik wekelijks brieven naar de kranten, zo hoop ik die mensen te bereiken.”
Net op dat moment passeert een jong ouderpaar, hij met de baby liefdevol in de armen. “Kijk, daar geniet ik van. Ik heb net weer gelezen dat een vader onmisbaar is in een gezin. Maar in 40 procent van de Curaçaose gezinnen met kinderen staat een moeder er alleen voor. Ze moet overdag werken en heeft dus geen tijd voor haar kinderen. Daardoor missen heel veel Curaçaose kinderen een liefdevolle opvoeding. En als een kind als baby niet wordt geknuffeld, is het verloren. Een kind moet van jongs af belangstelling en liefde krijgen.”
Corruptie
Recent beschreef Hart op zijn blog de gewoonte van politici om stemmen te ‘kopen’ door baantjes weg te geven aan familie en partijgenoten. Soms wordt er zelfs geld gegeven om een huis af te bouwen, stroom te betalen of een kind uit de problemen te helpen.
“Deze gewoonte hebben we altijd normaal gevonden. Maar daardoor zijn we wel afhankelijk van de hulp van anderen. En die afhankelijkheid is erger geworden, nu grote bedragen, soms van dubieuze afkomst, gebruikt worden om politieke campagnes te financieren. Het is logisch dat de geldschieter wat terug verwacht, en zo is corruptie onderdeel geworden van ons politieke systeem.”
Volgens Hart kan politieke hervorming alleen plaatsvinden, wanneer de bevolking rigoureus kapt met deze cultuur van afhankelijkheid. Hij wijst op het rapport over Curaçao van Transparency International (juni 2013) waaruit blijkt dat ‘de publieke sector, de politieke partijen en de media de zwakste schakels zijn in het vermogen van het eiland om corruptie te bestrijden’.
“Dat heeft ook te maken met de kleinschaligheid van Curaçao. Ministers zijn voor hun beleid afhankelijk van de diensthoofden. Maar doordat iedereen elkaar hier kent, is het moeilijk om beslissingen te nemen. Want de invloed van die beslissing is bij iedereen die je kent voelbaar. Daarom was het een briljante zet van wijlen Helmin Wiels om een zakenkabinet aan te stellen. Die vakministers weten waar ze over praten.” “Dat Wiels werd geliquideerd is eigenlijk een pluim voor hem”, vervolgt hij. “Wiels deed kennelijk de juiste dingen, waardoor anderen, die niet het beste met het eiland voor hebben, zich genoodzaakt zagen hem te liquideren.”
Jopi Hart met (toen nog) prins Willem-Alexander

 

Verval
We lopen inmiddels langs keurig verzorgde huisjes die in de jaren tachtig door Monumentenzorg werden gerestaureerd. Ze gaven de aanzet tot de restauratie van veel meer historische panden in deze wijk. “Dat was een goede zet. Als een buurt in verval raakt, voelen de bewoners zich verwaarloosd. Ze zijn kennelijk niet belangrijk voor de overheid.”
“Gelukkig valt dat in Otrobanda nog mee, de restauraties hebben eraan bijgedragen dat de mensen redelijk tevreden zijn.” Wijzend op een verkrot pand: “Het probleem is het verval waar niets aan wordt gedaan. Dat maakt de bewoners boos op de overheid, maar tegelijk wordt de neiging groter om zelf ook rotzooi achter te laten, zoals je hier ziet.”
Wat Hart dwarszit is het gebrek aan visie van Nederlandse en Curaçaose politici in de tijd dat het Curaçao financieel nog goed ging. “Ze hadden niet voor ogen wat ze over een jaar of twintig wilden bereiken. Van die jarenlange verwaarlozing krijgen wij nu de rekening gepresenteerd. Want de problemen stapelen zich op.”
Het is volgens Hart een illusie om te verwachten dat de huidige regering in één keer het werk oppakt dat alle vorige regeringen hebben laten liggen. “Het wachten is nu dus op die ene leider met visie. Ik ben niet pessimistisch. Mijn schoonvader zei altijd dat het eiland eerst door de ellende moet voor het eruit komt. Het móet uiteindelijk dus goed komen. De potentie is er.”
“Die leiders zijn er namelijk al, alleen beseffen ze dat nog niet. Pas wanneer de omstandigheden hen dwingen en ze inzien dat hier geen toekomst meer is voor henzelf en hun kinderen, dan zal er een leider opstaan en zeggen: ik pik dit niet. Dat gebeurde in 1993 met Miguel Pourier. Het leiderschap dringt zich aan je op. Dat moment komt. Dat weet ik zeker.”
Spannende ‘pageturner’
Ezra de Haan over Verkiezingsdans op www.Literatuurplein.nl: “Een spannende ‘pageturner’ die, voor iedereen die iets met Curaçao heeft, werkelijk onweerstaanbaar is.” “Het boek mag dan politiek geëngageerd zijn, het is bovenal een mooie, spannende roman waarin de auteur alle registers van het muziekstuk dat Curaçao heet, weet te bespelen.”
[uit: Ñapa Literatuur (Amigoe), zaterdag 30 november 2013]

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (4)

Willem van Lit

door Willem van Lit

Curaçao

Natuurlijk namen we op Curaçao de gelegenheid om weer contact te hebben met de mensen die we kennen van weleer. Men is geïnteresseerd en het boek ging rond. Ik verkocht er ook een tiental aan Mensing’s Caminada, de grootste boekhandel op het eiland. Ik legde ook nieuwe contacten, maar het verliep ietwat stroef allemaal. Op vrijdag 19 april presenteerde ik mijn boek op het landhuis Ascención. Frans Kerklaan, de vlootaalmoezenier, had me daarvoor uitgenodigd in december van vorig jaar, toen ik ook nog voor een kort bezoek op Curaçao was.

Ascención. Prachtige plek met dierbare herinneringen voor mijzelf. Mijmerplek. Ik vind het bijzonder dat ik hier mocht presenteren. Ik vertelde mijn verhaal met powerpointplaatjes en geluiden. En dat voor een aardig gezelschap van mensen die mij kennen. Ook hier had ik wat meer mensen verwacht. Maar goed… er ontstond ook discussie. En dat scherpt je weer in de uitleg van sommige beweringen. Bij deze lezing waren ook onze kinderen (met aanhang) en de kleinkinderen aanwezig. We waren hier ook voor vakantie.

Jeroen Heuvel, verslaggever bij het Antilliaans Dagblad (AD) hield kort een interview en schreef een artikel. Het is altijd moeilijk na te gaan wat de effecten zijn van een dergelijke publicatie. ‘Het onmogelijke vragen’ kopte het AD. Heuvel schreef onder andere: “Stelt Van Lit zich op als een vader die meent te weten wast het beste is voor een puber, of heeft deze makamba – en dat gebruik ik hier in de oorspronkelijke betekenis van ‘iemand die niet van ons is maar die we wel als vriend beschouwen – genoeg mensenkennis en inzicht in de ‘Curaçaoënaar’ om een geduldiger, goede dialoog aan te gaan”? en dat omdat ik “het onmogelijke vraag”, een retorische slotvraag van Heuvel in dit artikel. Het artikel is ook te vinden op deze blogspot (klik hier). Op 23 april vlogen we terug naar Nederland en op 24 april waren we weer thuis in België. De winter was nog niet over.

“Een langdurig langzaam groeiend conflict”

Ik blijf in contact met Donny Wout op Bonaire. Hij vertelde me dat bij Bon FM bij andere interviews mijn boek ook nog is gepasseerd. Iemand vroeg zich af of ik de gebeurtenissen kan voorspellen. Ik schreef onder andere: “Er is teveel confrontatie. Men scheldt en schuwt geen verbaal geweld. Nog steeds alleen maar verbaal geweld.” (Cariben pag. 161.) Op 5 mei werd Wiels vermoord. Ik kán niets voorspellen, natuurlijk niet. De angst voor anarchistisch, hard en ongenadig geweld nam toe in de dagen na de aanslag. De trein van speculaties, verwijten en verwijzingen versnelde. Was het de georganiseerd misdaad? Wraak (persoonlijk of van criminele aard)? Een politieke daad? Naijver? Iedereen gruwt; men is ontzet. Sommigen roepen Wiels plots uit tot nationalistische martelaar en ze vergelijken hem met Martin Luther King of Mandela; anderen roepen hel en verdoemenis uit. Men vreest meer geweld. Wiels was nationalist en schuwde zelf geen gescheld en geschreeuw. Hij ruide mensen op, lokte verzet uit en dat deed hij op harde en scherp confronterende toon. Sommigen noemden hem racist. En nu… soms is er paniek; men probeert het voorval te doorgronden.

“Mijn theorie is dat het een langdurig, langzaam groeiend conflict was dat leidde tot een samenzwering tot moord”, schreef Jacob Gelt Dekker ergens op internet. Een langdurig, langzaam groeiend conflict… een structureel diep gewortelde maatschappelijke ruzie, waarin de complexen van woede, schaamte, schuld, enz. al decennialang smeulen, traag branden. Geregeld laait die maatschappelijke veenbrand op, furieus en vlammend. Zo is het; dergelijke gloed is onvoorspelbaar en genadeloos en richt zich bij de uitbarsting tegen iedereen die toevallig op zijn weg komt. Ik heb wel geschreven over de sociale veenbrand met het thymotisch fluïdum van zogenaamd miskend historicisme en mystiek psychologisme, de constante verwijzing naar het determinisme van een hermetisch gesloten cultuursysteem, de gevaarlijke utopie, de manie van zeurend nationalisme en de rabiate latente gramschap door beschaming; dit – zo denken velen – is allemaal de motor van de geschiedenis. Bij een dergelijke explosieve sociale mix gooit men allicht wel eens met stenen of … vallen soms schoten.

Anderen veronderstellen dat de moord ook gepleegd kan zijn door een ordinaire crimineel in opdracht van de georganiseerde misdaad. Over georganiseerde misdaad heb ik het niet gehad in het boek. Het is een gemis, vind ik zelf nu. Het is wel degelijk aanwezig op de eilanden. Het is meermalen aangetoond en de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld is er ook. Niet alleen op Curaçao; ook St. Maarten is berucht en Aruba staat eveneens onder invloed van dit soort harde criminaliteit. Op andere eilanden is het mogelijk wat minder aanwezig of minder opvallend.

Vreemd is het niet. Wilde handel, smokkel, lorrendraaierij (zoals dat in de 17e en 18e eeuw heette); het is van alle eeuwen. De grens tussen reguliere en criminele handel is in het gebied altijd flinterdun geweest: wapens, mensen, genotsmiddelen, enz. De grens tussen wat toegestaan is en niet, is wel steeds scherper getrokken. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw – toen ik voor het eerst op de eilanden was – waren Curaçao en Aruba al transitopunten voor drugs. Geregeld was er sprake van geheimzinnige vliegtuigjes of bootjes. Illegaal ja. Er werd over gefluisterd, maar men wilde er weinig of niets tegen organiseren. Ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw was met Claude Wathey (St. Maarten) de grens tussen wat geoorloofd was en wat niet, flinterdun. Nederland heeft toen rechtstreeks ingegrepen, terwijl er nu nog een standbeeld van Wathey is te vinden op het desbetreffende eiland.

Het Caribische gebied is een overslaggebied. Het is strategisch gelegen op knooppunten van continenten. De wilde handel was steeds de basis voor wankele welvaart en dit heeft ook altijd veel invloed gehad op de verhalen van mensen, de verhalen die de constructie vormen van de maatschappelijke context waarin mensen dagelijks met elkaar verkeren, werken en leven. Het narratief vormt het zwaartekrachtveld van de samenleving, de constructie van de sociale structuren: hoe men op elkaar is ingesteld. Hieruit ontstaan ook de mythen, een zeker gehalte ‘omerta’, het mysterieuze, waarover men praat achter de hand, gedempt en voorzichtig. Het is een variant en een aanvulling op ‘iedereen weet’ (Cariben, pag. 210 – 218).

Deze besmuikte vertellingen werken belemmerend op de gemeenschap. Naast de fnuikende invloed van de overal opduikende misdaad, het latente wantrouwen, de voortdurende dreiging en het geweld (onder andere door afrekeningen en overvallen) is dit hetgeen mede oorzaak is voor de algehele stagnatie (Cariben, pag. 289 – 295). Het is tevens een factor die het immer voorlopige bestaan in stand houdt. Mensen zijn gewoonweg bevreesd voor een situatie waarin totale anarchie los barst als men écht onafhankelijk zou worden. Door de aanwezigheid van de georganiseerde misdaad heeft men in feite een drieledig excuus of – anders gezegd – is er een drietal redenen waarom men zo moeilijk tot ontwikkeling kan komen. Als er bestuurlijk gezien beslissingen worden genomen die ruiken naar nepotisme of vriendjespolitiek kan men de invloed van criminele krachten suggereren. Dit leidt af van andere factoren die hierbij in het spel zijn (zoals beschreven in Cariben). Een tweede is dat men niet alles kan of mag zeggen omdat men wraak of afrekening vreest. En dit werkt mythevorming in de hand. Het derde is dat men (voorlopig) niet écht onafhankelijk moet worden omdat de beer dan helemaal los is; nu is er nog enigszins toezicht en worden er middelen en mogelijkheden ter beschikking gesteld om die criminaliteit nog wat in de hand te houden (zoals politie, opsporingsmiddelen, onafhankelijke rechtspraak en de kustwacht).
.
[vervolg, slot – klik hier]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter