blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Vrij Jean Jacques

Najaarspresentatie In de Knipscheer: een fotoreportage

Op zondag 8 september 2019 hield uitgeverij In de Knipscheer onder de noemer Welkom in het Kleurrijk een presentatie van zijn literaire stal van dit najaar. In het Amsterdamse Podium Mozaïek werden boeken en hun auteurs voorgesteld aan het publiek. Een fotoreportage van André Homan.

read on…

Welkom in het Kleurrijk

Uitgeverij In de Knipscheer, de kleurrijkste uitgever van Nederland, nodigt u uit voor Welkom in het Kleurrijk, een spannende presentatie van de nieuwe boeken uit het Caribisch Gebied, op zondag 8 september 2019 in Theater Podium Mozaïek in Amsterdam. read on…

In memoriam Dorine van Hinte-Rustwijk (1937-2019)

door Jean Jacques Vrij

Op dinsdag 6 augustus ll. overleed Dorine van Hinte-Rustwijk. Ik leerde haar een kleine dertig jaar geleden persoonlijk kennen via haar nicht, mijn tante Georgin Rustwijk. Dorine was een levendige, oorspronkelijke persoonlijkheid, die gemakkelijk onderlinge betrokkenheid tot stand bracht. Zij had sociologie gestudeerd, was cultureel georiënteerd en heeft ook op meerdere manieren haar steentje bijgedragen aan de Surinamistiek. read on…

Trouwportretten, Surinaamse voorouders in beeld

Foto’s brengen de wereld van het verleden naar het heden. In Trouwportretten, Surinaamse voorouders in beeld staan Surinaamse bruidsparen centraal uit de periode 1845-1950, of echtparen waarvan een van de partners een Surinaamse achtergrond heeft. read on…

Getuigenissen uit onrustige tijden

 
door Jean Jacques Vrij
In zeven artikelen wordt in Curaçao in the age of revolutions,1795-1800 (onder redactie van Wim Klooster en Gert Oostindie) aandacht besteed aan de maatschappelijke en politieke onrust tijdens vijf turbulente jaren op Curaçao. Het begon in 1795 met de grote revolte onder leiding van Tula (waarbij 2000 van de 12.000 slaven op het eiland in opstand kwamen), een jaar later gevolgd door heftige partijstrijd binnen de blanke groep en een opeenvolging van drie gouverneurs in vier maanden tijd. In 1799 was sprake van een samenzwering met als doel het gouvernement omver te werpen en het eiland vervolgens te gebruiken als uitvalsbasis voor een bredere Caraïbische revolutie. Drie Franse agenten die als het brein van dit plan werden geïdentificeerd, werden uitgewezen. In 1800 tenslotte vielen troepen vanuit het Franse eiland Guadeloupe Curaçao binnen waarbij opnieuw een groot deel van de slavenbevolking de ketenen afwierp. Vervolgens namen de Engelsen het heft in handen. Net als Suriname een jaar tevoren maakten zij het eiland zonder veel weerstand te ontmoeten tot protectoraatsgebied.
De bundel is het eindproduct van een seminar in het kader van een universitair onderzoeksprogramma met als thema de uitwisseling van goederen, mensen en ideeën binnen de ‘Atlantische wereld’ in de lange achttiende eeuw. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het accent ligt op de invloed die externe factoren op de gebeurtenissen uitoefenden: in dit geval met name de Franse revolutie en de veranderingen die zich in het kielzog daarvan in het moederland, zowel als het naburige Saint-Domingue (na 1804 Haïti) voltrokken. Deze ‘Atlantic approach’, met haar focus op de invloed van mensen, nieuws en ideeën van buiten, is trendy zoals David Geggus (p.28) erkent. Maar in dit specifieke geval ook wel voor de hand liggend. Uit de artikelen in de bundel komt duidelijk naar voren dat de Curaçaose samenleving bijzonder vatbaar was voor externe invloeden: het eiland was een knooppunt gelegen midden in het Caraïbische bekken, vrijhaven sinds 1675 en met een bevolking waarvan een groot gedeelte – slaven en vrijen – werkzaam was in de regionale handel en daardoor geregeld buitengaats verbleef. Curaçao vormt zo een scherp contrast met bijvoorbeeld Suriname dat in dezelfde periode veel minder onrust kende.
Interne factoren die op de gebeurtenissen van invloed waren, blijven niet volledig buiten beeld. Gert Oostindie behandelt in zijn inleidende bijdrage kort de maatschappelijke structuur op het eiland en situeert de periode in de loop van de Curaçaose geschiedenis. Karwan Fatah-Black typeert de gebeurtenissen in 1796 zelfs als ‘very much a local affair’ (p. 124). Het handelen van de partij van Johann Rudolf Lauffer die het pleit uiteindelijk winnen zou, verklaart hij bovendien primair uit de bezorgdheid binnen de Curaçaose middenklasse over een dreigend verlies van de positie van regionaal en Atlantisch handelscentrum. Maar de aandacht voor de externe context blijft in het boek dominant en dat betekent dat er toch iets moet sneuvelen. Zo is er in de bundel weinig tot geen expliciete aandacht voor de staatsinrichting van Curaçao vóór en na 1795. Terwijl het toch voorstelbaar lijkt dat het feit dat vrije ingezetenen – anders dan in Suriname – niet middels verkozen vertegenwoordigers in de Raad vertegenwoordigd waren een belangrijke bron van gisting vormde. Ook bij de behandeling van slavenopstanden bekruipt me het knagende gevoel dat door het focussen op invloeden van buiten iets essentieels – het inherente spanningsveld binnen slavernij-systemen – uit het zicht verdwijnt.
Het slavenverzet komt aan de orde in twee artikelen, van respectievelijk David Geggus en Wim Klooster. Zij behandelen de gebeurtenissen op Curaçao overigens slechts terloops of in het geheel niet. Met name de slavenopstand van 1795 komt er vergeleken bij de andere Curaçaose troebelen in deze bundel eigenlijk dan ook maar bekaaid af; hij komt nog het meest uit de verf in de inleidende bijdrage van Oostindie.
Strijd tussen rebellerende slaven en Franse soldaten, Santo Domingo
Geggus weegt de invloed van de Amerikaanse en Franse revoluties, de ontwikkelingen in Saint-Domingue/Haïti en de opkomende abolitionistische beweging in Europa op 180 opstanden in de Amerika’s in de periode 1776-1848. De opstanden op Curaçao in 1795 en 1800 komen een enkele maal ter sprake: als voorbeelden van revoltes waarin het voorbeeld van Saint-Domingue en de expansie van revolutionair Frankrijk de opstandelingen motiveerden. Tula zou immers hebben geredeneerd dat aangezien Frankrijk in 1794 de slavernij had afgeschaft en begin 1795 de Republiek op de knieën had gedwongen, de geschiedenis op Curaçao nog slechts een klein duwtje nodig had om ook daar een eind te maken aan de slavernij (dit is door Oostindie uitvoeriger beschreven dan door Geggus). Dit thema van de ‘revolution of rising expectations’ is ook door Klooster aangevat – zij het niet toegepast op Curaçao – in zijn bespreking van het effect van geruchten dat de (Spaanse of Engelse) koning de slavernij had afgeschaft maar lokale autoriteiten het decreet verzwegen. Deze geruchten gaven een zelfde prikkel aan slavenverzet.
De slavenopstand in Coro, Venezuela
Curaçao komt in Kloosters artikel ter sprake in een korte bespreking van de opstand in het Venezolaanse Coro in 1795 en de rol hierin van aldaar reeds lang gevestigde personen van Curaçaose origine. Hier gaat het dus over de invloed van Curaçaoënaars op een revolte elders, niet andersom.
De opstand in Coro vond plaats drie maanden voordat Tula en de zijnen op Curaçao in verzet kwamen. Dit spreekt natuurlijk tot de verbeelding. Linda Rupert en Ramón Aizpurua schrijven ook kort over deze opstand en over de mogelijkheid van een connectie tussen beide revoltes. De interpretaties verschillen en dat maakt het er voor de doorsnee lezer niet helderder op. Volgens Aizpurua (p. 101) werden de Curaçaoënaars door de Venezolaanse autoriteiten tenslotte van alle blaam gezuiverd.
In de bijdragen van Rupert en Aizpurua is het perspectief geheel verschoven naar de betrekkingen tussen Curaçao en de nabije Venezolaanse kust, Tierra Firme. De relaties waren bijzonder intensief. Rupert schetst in één van de meest leesbare en lezenswaardige bijdragen uit de bundel de wording van die betrekkingen, waarin Curaçao binnen de invloedssfeer van de Venezolaanse kerk terecht kwam en beide gebieden door (smokkel-) handel met elkaar verknoopt raakten. Bovendien ontstond in Tierra Firme een substantiële Afro-Curaçaose gemeenschap. Dat was vooral het gevolg van het feit dat gedurende een groot deel van de achttiende eeuw (tot 1791) slaven die van Curaçao naar het vasteland vluchtten aldaar als vrije burgers werden erkend, mits zij hiertoe tijdig een formeel verzoek indienden en aan konden tonen dat zij rooms-katholiek waren. Ruperts conclusie echter lijkt me weer niet zo sterk. Zij betoogt daarin dat, hoewel er geen bewijs is voor een verband laat staan coördinatie tussen de opstanden in beide gebieden in 1795, de door haar beschreven ‘extensive, overlapping, inter-colonial networks’ als plaatsvervangend bewijs kunnen dienen voor een verband ‘at a much deeper level’ (p. 75, 92).
Aizpurua’s artikel handelt voor de helft over de gebeurtenissen op Curaçao in 1799 en 1800, althans zoals één en ander door informanten aan de, logischerwijs bezorgde, Venezolaanse autoriteiten werd gerapporteerd. Aizpurua erkent dat het op basis van de berichten van de informanten van de Venezolanen moeilijk is om een correct beeld te vormen van wat zich in deze periode op Curaçao afspeelde (p. 120).
Getuigenissen uit zulke onrustige tijden, waarin het wemelt van de intriges, geruchten en verdachtmakingen vormen inderdaad weerbarstig materiaal. Het artikel van Han Jordaan dat dezelfde Curaçaose woelingen als onderwerp heeft, doet dat nog eens terdege beseffen. Jordaan geeft een nieuwe interpretatie aan de gebeurtenissen door te argumenteren dat Gouverneur Lauffer redenen had om de Franse samenzwering uit 1799 te verzinnen (of groter te maken dan deze was). Gesuggereerd wordt zelfs dat documenten door Lauffer zijn vervalst. Er zit nogal wat speculatie in Jordaans betoog. Gezien het voorbehoud dat Oostindie maakt ten aanzien van de ‘debunking of the 1799-1800 turbulence’ (p.15) ben ik blijkbaar niet de enige die niet geheel overtuigd is. Hoe dan ook staat vast dat twee van de uitgewezen Fransen belast waren met een opdracht om Jamaica te destabiliseren. Eén van deze twee, Isaac Sasportas, werd vier maanden later op Jamaica als spion gevangen genomen en geëxecuteerd. Zo fantastisch lijken Lauffers conclusies eigenlijk dan ook niet. Dat de samenzwering uit 1799 en de inval in 1800 (waaraan op zichzelf niets viel te verzinnen) deel uitgemaakt zouden hebben van één en hetzelfde masterplan en ook die inval tot doel gehad zou hebben om de revolutie te exporteren, is een ander verhaal. Jordaan en anderen nemen aan dat aan de actie vanuit Guadeloupe in 1800 slechts geopolitieke overwegingen ten grondslag lagen en dat kan best. Maar uit Jordaans artikel blijkt ook niet dat het verband tussen 1799 en 1800 door Lauffer is gelegd, wel daarentegen door een twintigste-eeuwse historicus, Roberto Palacios.
Wim Klooster & Gert Oostindie, Curaçao in the age of revolutions, 1795-1800. Leiden: KITLV Press, 2011. X + 180 p., isbn 978 90 6718 380 2, prijs € 14.90 [gratis te downloaden via http://www.kitlv.nl/book/show/1309]
[uit Oso, 2012, nr. 2]

A Sranan tori e opo/Het Surinaamse verhaal beurt op

Op zaterdag 20 april 2013 organiseert de Stichting voor Surinaamse Genealogie een nieuwe konmakandra. Het Surinaamse Verhaal gaat over de persoonlijke levensgeschiedenissen van mensen die in het koloniale Suriname hun leven opgebouwd hebben. Het wordt verteld en verbeeld door negen verhalenvertellers: familieonderzoekers, actieve donateurs van de Stichting voor Surinaamse Genealogie, schrijvers en wetenschappers. Moderatoren zijn Lucia Nankoe en Jean Jacques Vrij.

Plantage La Prospérité, Para, 19de eeuw
Ochtendprogramma:
10.30 uur Welkomstwoord, terugblik en vooruitblik door de voorzitter van de SSG, Pieter Bol
10.50 uur Yvette Forster presenteert het programma van de nationale herdenking en viering 150 jaar afschaffing slavernij (29 juni t/m 1 juli 2013 in Amsterdam)
11.00 uur Chris Polanen, dierenarts, schrijver en columnist.
11.15 uur Chan Choenni, bijzonder hoogleraar Hindostaanse migratie aan de VU, bijdrager aan
Sarnami Hindostani 1920-1960. Het verhaal van mijn par adja en par adji, mijn overgrootvader en -moeder van vaders kant.
11.30 uur Nathaly Pengel-Wong, oud onderwijzeres en maatschappelijk werkster en actief
donateur van de SSG. Het verhaal van de plantage La Prosperité en de Pengels in het district Para.
11.45 uur Dennis Lee Kong, ICT-er en actief donateur van de SSG. Het verhaal van mijn stammoeder Laurentia Kerpens en haar nageslacht.
12.00 uur Gelegenheid tot het stellen van vragen aan de vier verhalenvertellers.
12.15 uur Lunch (voor eigen rekening) met volop gelegenheid tot onderling netwerken. De heerlijke Surinaamse broodjes en hapjes worden verzorgd door John Lo-A-Njoe
Middagprogramma:
13.30 uur Lisa Djasmadi, cultureel antropologe, secretaris Stichting Comité Herdenking
Javaanse Immigratie en schrijfster van De Stille Passanten. Persoonlijke verhalen die de veerkracht van de Javaanse migranten in de periode na de contractarbeid illustreren.
13.45 uur Roline Redmond, actief donateur van de SSG, schrijft aan een kroniek van het
geslacht Doorson, als vervolg op een verhalenbundel over dezelfde familie.
Het verhaal van de generatie van mijn grootmoeder Paulina Wijks en haar voorouders.
14.00 uur Marie-Claire Fakkel, actief donateur van de SSG. Het verhaal van Lady Smith en mevrouw Fakkel, twee vrouwen, een eeuw na elkaar geboren.
14.15 uur Janny de Heer, actief donateur van de SSG en schrijfster van boeken over Curacao
en Suriname. Het verhaal van de bijzondere familie Horst.
14.30 uur Rosemarie Smeets, sociaal pedagoge, schrijfster van “Suriname-kleurboek” en actief
donateur van de SSG. Het verhaal van Jacob en Max Pinas.
14.45 uur Gelegenheid tot het stellen van vragen aan de vijf verhalenvertellers.
15.00 uur Gezellig samenzijn en netwerken.
16.00 uur Einde van de bijeenkomst
Gedurende de hele bijeenkomst is er gelegenheid om een bezoek te brengen aan de door de SSG
georganiseerde fototentoonstelling en aan de als vanouds aanwezige boekenstands. Deze keer is
er ook een stand van het CBG. Tevens verkoop en signeren van boeken, geschreven door onze
donateurs.
Locatie: Christus Triumfatorkerk Juliana van Stolberglaan 154, 2595 CL Den Haag
(Ingang om de hoek via De Carpentierstraat)
Entree : Donateurs gratis, niet donateurs € 7,50
(bij ter plekke donateur worden à € 25,- per jaar, is de toegang gratis)
Inloop : Vanaf 10.00 uur
Hoe is de Christus Triumfatorkerk bereikbaar?
Het adres is: Juliana van Stolberglaan 154 / hoek Laan van Nieuw Oost-Indië
2595 CL Den Haag (Bezuidenhout). Ingang om de hoek via De Carpentierstraat
NS: Vanaf Centraal Station Den Haag is het ongeveer 15 minuten lopen, of tram 2 of 6.
Vanaf Station NOI is het ongeveer 10 minuten lopen, of bus 23 of tram 2.
Auto: Parkeren in de straten rondom de kerk is gratis op zaterdag!
Voor een uitgebreide routebeschrijving zie: www.christustriumfatorkerk.nl

Levensbeschrijvingen uit Oost en West

door Jean Jacques Vrij

In hun inleiding bij deze bundel artikelen over prominente, merendeels twintigste-eeuwse, figuren uit Suriname en Indonesië/Nederlands-Indië onderschrijven Rosemarijn Hoefte en Peter Meel (foto links) de stelling dat biografen ‘doodgewoon en vóór alles historici’ zijn. Ik weet niet of dat het beste uitgangspunt is.De biografie is op zijn minst een bijzondere vorm van geschiedschrijving. Het is het verhaal van slechts één enkel leven en als zodanig geschiedenis op zijn smalst. Desalniettemin, zo schreef de grote essayist Samuel Johnson (1709-1784) in het midden van de achttiende eeuw, beschikt de biografie in potentie over een veel grotere aantrekkingskracht dan ‘the general and rapid narratives of history’ waarin de duizenden zaken die individuele mensen bezighouden in enkele paragrafen worden samengevat.

De biografie behandelt een kosmos waarin iedereen zich kan verplaatsen. Het enkele leven is een opgave waar ieder mens zich voor gesteld ziet. Vandaar dat een lezer snel geboeid kan raken door een beschrijving van de innerlijke worstelingen, de ambities, de tegenslagen, de prestaties van een ander. De lezer van een goed geschreven biografie verplaatst zich in de geportretteerde, vergelijkt en leert, aldus Johnson.
In de inleiding wekken Hoefte en Meel de indruk dat zijzelf inderdaad ‘voor alles’ historici zijn. Maar hebben zij ook voldoende respect voor het eigene van de biografie? Hun prioriteiten lijken waarneembaar in de klaarblijkelijk tevreden, naar ik vermoed zelfs opgeluchte constatering dat de auteurs ‘meer dan alleen een leven’ beschreven hebben. De artikelen bieden, schrijven de inleiders, een ‘spiegel van de tijd’ en ‘een intrigerend beeld van de Nederlandse (post)koloniale wereld’, waarmee ‘de biografie een instrument in dienst van de geschiedschrijving’ is geworden. Ook wordt zonder kennelijke afkeuring opgemerkt dat de auteurs zich hebben laten leiden door ‘een instinctieve terughoudendheid waar het gaat om het doen van al te stellige uitlatingen over hun hoofdpersoon en de eventuele psychologische drijfveren van zijn of haar handelen.’
Mij lijkt dit geen pluspunt. Een goede biografie behoort juist, voor alles, een visie op een persoon te bieden. En wel op heel de mens: innerlijk leven, uiterlijk handelen en het verband tussen beiden.

Vooropgesteld dient te worden dat aan een artikel van twintig pagina’s onmogelijk valt af te meten waartoe de biograaf in staat is. Daarvoor is de omvang veel te gering. De meeste schrijvers werkten in 2007, toen zij tijdens een congres de lezing hielden waarop hun bijdrage is gebaseerd, aan een uitgebreide biografie in boekvorm. Verschillende daarvan zijn inmiddels verschenen en in die gevallen kan de geïnteresseerde lezer beter direct het eindproduct ter hand nemen.
Overigens denk ik wel dat binnen het bestek van twintig pagina’s de zuiver biografische invalshoek – het kruipen in de huid van een persoon – meer kans van slagen heeft dan de ambitie een ‘spiegel van de tijd’ te geven. In ieder geval sprak de bijdrage van Kees Snoek over Soetan Sjahrir mij van alle het meest aan. Daarin wordt zonder reserve ingezoomd op de onvermijdelijk onvolkomen mens achter de anti-kolonialistische strijder (die in 1945 de eerste premier van Indonesië worden zou) en op de relatie tussen diens privéleven en carrière.

Vier van de tien biografische bijdragen hebben een Surinaamse prominent als onderwerp. Michiel van Kempen levert een boeiend stukje tekstverklaring van een werkje dat Lou Lichtveld/Albert Helman in 1978 onder het pseudoniem Hella Bentram-Matriotte publiceerde: De Zwarte Cats of Neokolonisatie der Surinaamse volkswijsheid.

Rosemarijn Hoefte (foto rechts) legt in haar artikel over Grace Schneiders-Howard, ijveraarster voor verbetering van volkshygiëne en andere leefomstandigheden, wel degelijk relaties tussen persoonlijkheidsstructuur en werkzaamheid. Het artikel laat echter ongewis of er ook voldoende intiem bronnenmateriaal voorhanden is, om van deze aan de buitenkant niet bijzonder fascinerende vrouw een meer uitgebreide en tegelijk boeiende biografie te kunnen schrijven.

Cynthia Abrahams’ bijdrage over Robin Ravales/Dobru roept bij mij verschillende prozaïsche vragen op (zoals: waarvan leefde Ravales als ‘fulltime dichter’ in Suriname?) maar ook en wezenlijker: wat waren nu werkelijk zijn afwegingen in de verschillende fasen van zijn leven, zijn diepere innerlijke drijfveren? Vragen die wellicht in haar inmiddels verschenen dissertatie zijn beantwoord.

De insteek van Peter Meel in zijn artikel over Henck Arron (foto links) verschilt duidelijk van die van de onvervalste biograaf, maar dat is ook weinig verrassend gegeven wat hij als inleider van deze bundel schreef. ‘Leven en werk’ van Arron dienen als uitgangspunt, maar doel is ‘de Surinaamse dekolonisatiegeschiedenis in de context van de Surinaamse politieke cultuur en vanuit een Surinaams perspectief te beschouwen en te analyseren’ (p. 173). Dit is kortom een specimen van politieke geschiedschrijving. Het gaat dan ook vooral over het werk van Arron (als politicus) en in geringe mate over zijn leven. Over de mens Arron leren we weinig treffends. Onwillekeurig komt de gedachte bij mij op aan Samuel Johnsons boutade: ‘that more knowledge may be gained of a man’s real character, by a short conversation with one of his servants, than from a formal and studied narrative, begun with his pedigree, and ended with his funeral.’

De overige biografische bijdragen behandelen personages uit de geschiedenis van Nederlands Oost-Indië. Die van Jan de Lang over de Nederlandse militair Frederik Hirschmann (foto rechts), die overigens tussen zijn Indische posten door ook vier jaar in Suriname was gestationeerd (hij was er van 1909 tot 1913 kommandant van de landmacht), is eveneens een schoolvoorbeeld van wat Rosemarijn Hoefte en Peter Meel in hun inleiding aankondigden. De context van Hirschmanns carrière is voorbeeldig beschreven, de man zelf komt als persoon veel minder uit de verf. Een zuivere biografie is dit dus niet. Hetzelfde kan gezegd worden van Nico Kapteins boeiende stuk over de Arabische gouvernementsadviseur in islamitische geloofszaken Sayyid ‘Uthmân, de enige van de geportretteerden wiens leven zich voor het grootste deel in de negentiende eeuw afspeelde.

Ook in Harry Poeze’s (foto rechts) stuk over de ambulante revolutionair Tan Malakka gaat het voornamelijk over de faits et gestes van de hoofdpersoon – zijn buitenkant, niet zijn binnenkant. Daarnaast beschrijft hij hoe met de herinnering aan Tan Malakka is omgesprongen, vanaf diens voortijdige, gewelddadige dood in 1949 aan het begin van de postkoloniale periode tot heden. Ontwikkelingen waarin Poeze zelf ook een rol heeft gespeeld; hij heeft al in 1976 een biografie in boekvorm over de man gepubliceerd en vier jaar geleden nog één, van meer dan tweeduizend pagina’s.

In de artikelen van Wim Willems en Frank Okker over Jan Boon (beter bekend als Tjalie Robinson en onder de schrijversnaam Vincent Mahieu) respectievelijk Madelon Székely-Lulofs (afb. links) is meer aandacht besteed aan de innerlijke persoon van de geportretteerden. Dat deze laatsten zelf literatoren waren, gedisponeerd om in de huid van een ander te kruipen, zal daar wel niet vreemd aan zijn. Treffend is dat Willems een uiteenzetting van Boon aanhaalt die gelezen zou kunnen worden als richtlijn voor een goede biografie. Waarachtig schrijven, parafraseert Willems, betekende het zich verplaatsen in een persoon, het observeren met alle zintuigen, de werkelijkheid op de huid zitten. Wie op afstand bleef, kon alleen de buitenkant schetsen en bediende zich maar al te vaak van overgeleverde clichés (p. 56).

Willems schrijft over Tjalie Robinsons vormende vooroorlogse jaren, als straatslijper, onderwijzer en journalist in Nederlands-Indië. Okker tracht de hele persoon achter het oeuvre te vangen. Het resultaat is in dit korte bestek tamelijk schematisch. We komen zo van Szekely-Lulofs te weten dat zij vaak het gevoel had tussen twee werelden te leven en een rechtvaardigheidsgevoel bezat dat ook wel wat merkwaardige kantjes had, inclusief begrip voor mensen die een halsmisdrijf begingen en een wat macabere fascinatie voor de tragische dood. Beide biografen hebben overigens inmiddels een boek over hun onderwerp gepubliceerd.

Rechts: Samuel Johnson, portret door Joshua Reynolds

De laatste twee artikelen, van Gerry van Klinken en Peter Meel, hebben een afwijkend karakter. In Indonesië zijn tot nu toe een honderdtal geselecteerde personen van regeringswege tot nationale held verklaard. Deze praktijk bestaat ook in een aantal Caraïbische landen (zoals Jamaica), maar niet in Suriname. In Meels bijdrage, over Suriname en landen uit dezelfde regio, passeren voornamelijk straatnamen, standbeelden en namen van gebouwen de revue. Maar Van Klinken behandelt de (grote) invloed van de officiële heldencultus op de moderne Indonesische biografie. Het resultaat heeft veel weg van de doorsnee Engelse biografie uit het midden van de achttiende eeuw, waarover Samuel Johnson verzuchtte dat de schrijver ‘endeavours to hide the man that he may produce a hero.’ Duidelijk is dat hierdoor veel van de waarde én de aantrekkingskracht van het genre verloren gaat. ‘Echt populair’ is de ‘heldenliteratuur’ in Indonesië dan ook niet, schrijft Van Klinken met gevoel voor understatement (p.234).

Rosemarijn Hoefte, Peter Meel & Hans Renders (red.), Tropenlevens; De [post] koloniale biografie. Leiden: KITLV Press/ Amsterdam: Boom, 2008. 275 p.,ISBN 978 90 8506 5524, prijs € 24,50.

[uit Oso, nr. 2, 2011]

Foto van Peter Meel: @ Marc de Haan

Vaders achter de coulissen

Op vrijdag 2 september spreekt Jean-Jacques Vrij bij het NiNsee over vaders binnen de vrije bevolkingsgroep van Suriname vóór 1830.

Wie een Surinaamse familiegeschiedenis of stamboom onderzoekt, stuit in de slavernijperiode vaak op het probleem van de ‘onbekende vader’. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om in het leven van hun kinderen afwezige vaders, maar om vaders die in de bewaard gebleven archieven geen of alleen maar cryptische sporen hebben achtergelaten. Archiefbronnen kunnen op die manier echter gemakkelijk een verkeerd beeld van de werkelijkheid geven.

Als het gaat om slavenvoorouders blijven vaders door het gebrek aan informatiebronnen meestal onbekend. Maar als het gaat om voorouders uit de vrije bevolkingsgroep (in 1830 overigens voor 62 procent bestaande uit mensen die of zelf, of wier voorouders tenminste een deel van hun leven slaaf geweest waren) zijn er vaak wel wegen om de identiteit van een vader toch te achterhalen. In hun geval valt het probleem van de zich schuilhoudende vader vaak terug te voeren op het concubinaat, ook wel ‘Surinaams huwelijk’ genoemd. Ook aan dit instituut zal in deze lezing aandacht besteed worden.

Over de spreker

Jean Jacques Vrij is een freelance historisch onderzoeker, die zich vooral bezig houdt met de sociale geschiedenis van de vrije bevolkingsgroep van Suriname in de slaventijd. Hij was in 2001 één van de oprichters van de Stichting voor Surinaamse Genealogie en enkele jaren eindredacteur van het blad van deze stichting, Wi Rutu. Met Pieter Bol schreef hij de onderzoeksgids Sranan famiri (2009), een publicatie van het Centraal Bureau voor Genealogie.

Datum: vrijdag 2 september 2011

Lokatie: NiNsee Adres: Linnaeusstraat 35f, 1093 EE Amsterdam

Presentatie: 18.00 – 18.45 uur Vragenronde/ Discussie: 18.45 – 19.15 uur Afsluiting met een borrel!

Contact: drs. Ruth Dors, r.dors@ninsee.nl

of telefoon (020) 568 2083

N.B. Reserveren verplicht

Uw aanwezigheid wordt zeer op prijs gesteld!

 

Slavernij op de Dag van de Amsterdamse Geschiedenis

Zondag a.s., 6 juni, is de Dag van de Amsterdamse Geschiedenis. Belangrijk thema zal de slavernij zijn.

.

 

Noraly Beyer vertelt in Museum Geelvinck aan de Keizersgracht over Amsterdam, de Sociëteit van Suriname en de betrokkenheid bij slavernij.

Jean Jacques Vrij vertelt in de Westerkerk over Surinaamse Amsterdammers vóór 1800, de meesten met een verleden in slavernij. Hij zal o.a. het verhaal vertellen van de ‘mulat’ en gewezen slaaf Fortuin, die in 1774 in de Westerkerk gedoopt werd als Adriaan Isaac Koopman en zich in de daaropvolgende jaren in Suriname zou opwerken tot een vermogend man. Zijn dochters vestigden zich in 1786 definitief in Nederland.

Maria Karg vertelt in de burgemeesterswoning over de slavenhandel en er zijn nog talloze andere markante lokaties te bezichtigen, waar een verhaal uit de Amsterdamse geschiedenis wordt verteld.

Je kunt voor 15 euro een passe-partout kopen (op de dag zelf is het iets duurder), waarmee je o.a. vier lokaties kunt bezichtigen. Wel van te voren opgeven per lokatie.

Zie voor uitgebreide informatie: http://dag.ahmnow.nl/

Op de afbeelding: de Amsterdamse Westerkerk

 

Surinamers in 19de-eeuws Amsterdam

Onverwachte voorouders

Als een ding Amsterdam heeft ‘gemaakt’ is het wel de voortdurende stroom van nieuwkomers uit streken ver van hier. Zo ook vanuit Suriname. De overgrootvader van straatviolist Jan Wijnoord was lang niet het enige ‘mulatte kind’ dat in de 18-de eeuw (of eerder) hier naartoe werd gestuurd. Menig stadgenoot heeft Afro-Surinaamse wortels. Vaak zonder het te weten.

Jean Jacques Vrij schreef voor het blad Ons Amsterdam (nr. 4, april 2010) een interessant artikel over de vroege vestiging vanuit Suriname. Een grote groep van de migranten uit Suriname die in Amsterdam terecht kwamen bestonden zonen en dochters van Afro-Surinaamse moeders en Europese vaders. Zij werden voor vorming en scholing naar Nederland gestuurd.

Ons Amsterdam is te koop in de betere boekhandel en krantenkiosk. Voor meer informatie klik hier.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter