blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Vrede Dorus

Wan fow dee a kiiki
ta ba ngelele kungellellëh
Kiiki o koti ma un biinga
Doisikonu hesi un biinga
hesi un biinga
Ma dee mi ooh
hesi bo go
Ma dee mi ooh
hesi bo go
Tee un go baa
wan mu dede
Tee un go baa
wan mu dede

[Saramakaans]

read on…

Nalatenschap Dorus Vrede verdient bredere aanpak

 door Audry Wajwakana

PARAMARIBO – “We gaan door met hetgeen wat we van hem geleerd hebben. Sterk blijven ondanks de situatie waarin je verkeert en vooral liefde voor je afkomst, want dan kan je uitbouwen en anderen ondersteunen.” De Surinaamse kunst- en cultuurwereld reageert geschokt op het heengaan van Dorus Vrede, zondag, in het Academisch Ziekenhuis.

read on…

Saramakaanse schrijver Dorus Vrede overleden

Vandaag, zondag 29 maart 2020, is in Paramaribo overleden de Saramakaanse schrijver, dichter en liedjeszanger Dorus Vrede. Hij was kapitein van het dorp Kapasikele, nabij Nyun-Lombé. Hij bereikte de leeftijd van 71 jaar.

read on…

Literatuur in de talen van Suriname en Curaçao

de Ware Tijd Literair, van 29 februari 2020

Van de redactie

Deze editie van de literaire pagina staat voornamelijk in het teken van de Internationale Dag van de Moedertaal. In Paramaribo waren enkele lezingen over diverse Surinaamse talen. Ook scholen hebben aandacht besteed aan deze dag.

read on…

Internationale Dichtersdag in Suriname

A team is more than a group of
people
A team is united by a
common goal,
a joint task thats holds everyone together.

Gerard Beense

Hierbij nodigen wij u graag uit voor een samenkomst op dinsdag 30 januari om 19:00 uur bij Tori Oso om u te betrekken bij onze plannen omtrent het jubileum van de Internationale dichters dag 2018! read on…

Dorus Vrede – Otobanda

De stilte van het bos
rondom de toon
van het watervalletje
het scheefdoorzakte hutje
en het licht der tamundu
waarin ’s avonds
de sprookjes twinkelden,
bekoren mij nog steeds

Otobanda…
was het niet de dwang
van het leven
die mij van jou wegvoerde
ik zou altijd
omsloten willen blijven
in je vaderlijke omhelzingen
sluimerend in je armen

[Dorus Vrede in ‘Otobanda’. Paramaribo: Aktua Print (lay-out/druk), 1992. ISBN 99914 953 5 5] read on…

Reacties op het kinderboekenfestival Albina

Reacties van medewerkers en bezoekers

Dorus Vrede
(Dorus Vrede, bekend om zijn verhalen over het binnenland en zijn gedichten, was medewerker op het Kinderboekenfestival te Albina. Samen met anderen maakte hij onder meer muziek.)
‘Je zou toch vandaag in Saint Laurent moeten zijn!’ Moeder keek Sherida boos aan. ‘Voorlopig gaat het niet, mama.’ ‘Waarom niet? Je moet de groenten aan de Franse kant verkopen. Daar verdienen we euro’s mee.’
‘Het Kinderboekenfestival is in Albina. Ik moet erbij zijn. Dus na Kinderboekenfestival.’ Moeder maakte een tyuri. Maar ze liet Sherida met rust. Misschien had haar dochter toch gelijk.
Sherida trok haar schoolkleren aan en ging naar school. Met haar klas ging ze naar het festival. Ze bezochten verschillende stands. In een van ze werd over groei gesproken. ‘Met groeien bedoelen we niet alleen maar lichamelijke groei. Het is je verstand dat ook moet groeien. Dan ben je in staat om jezelf beter te ontwikkelen’.
Aan het eind van de bijeenkomst vormde Sherida een groep met andere meisjes. Ze zouden met jongeren in Albina praten over onderwijs, kinderarbeid, tienerzwangerschap en hiv-aids.
Na het festival vertelde Sherida haar moeder wat ze van plan was te doen. Ze zou vooral nooit meer verzuimen. Moeder glimlachte en zei: ‘Pikin y’a leti ye’ (kind, je hebt gelijk, hoor).
(Ine van Niel, poppenkastspeelster op alle festivals:)
Ine van Niel
2014,  poppenkastspel: thema groeien
Een vrolijk en blij meisje zingt, met vijf vingers hier en vijf vingers daar, het groeiliedje. De meeste kinderen kennen het en zingen dus mee. Na drie keer zingen komt er een pestkop en plaagt haar om d’r grote neus en lange oren, bigi noso nanga langa yesi. Ze jaagt hem weg en daarna wordt ze nog door twee anderen geplaagd. Huilend loopt het meisje weg en gaat het aan de juf vertellen. Ze zegt erbij dat mama haar gezegd heeft aan de juf te vertellen als ze geplaagd wordt. De juf houdt later de kinderen in haar klas voor dat het belangrijk is om het aan grote mensen te vertellen als je geplaagd wordt of lastig gevallen. Dan volgt het ‘groeiverhaal’ van juf: wat heb je nodig om te groeien? Eten en drinken, slapen en spelen, boeken en vooral elkaar om te groeien en dus mag je niet pesten maar moet je juist lief zijn voor elkaar.
In de pauze valt een van de plaaggeesten, en door wie wordt die geholpen? Door het meisje! En juf gebruikt dit weer om het samenwerken, samen doen, samen delen aan de kinderen voor te houden en ze laat alle kinderen beloven dat ze niet meer zullen pesten!
(In de poppenkastvoorstellingen van Ine zijn mensen dieren. Hier is het meisje een awari, de pestkoppen een meisjes-koe en twee hondjes en de juf (uiteraard) een konkoni!)
(Meningen van enkele leerlingen die het Kinderboekenfestival bezochten:)
Stephany Biswane:Wel, ik vond het leuk en alle onderwerpen waren interessant om te luisteren en om mee te doen aan de spelletjes die men ons leerde. En ik was met de klassenvoogd naar verschillende stands gegaan en het was leuk om nieuwe dingen bij te leren.
Gabriella: Ik vond het erg leuk, vooral de stand van de vlinders en stand 21, ‘Lees je wijs!’. Voor mij is tot nu toe alles best. Ik hoop dat ze alle jaren naar Albina komen om dit te organiseren en eigenlijk moeten ze niet alleen boeken verkopen, maar ook spelletjes.
1 hoogwaardigheidsbekleder met kinderen
Joann Sabajo: Ik vond het leuk en het was spannend en we hebben verschillende spelletjes gedaan en we deden mee. Ze vonden ons geweldig flink en ze waren trots op ons. In de ochtenduren zijn we met onze klassenvoogd gegaan. En in de middaguren was de officiële opening en iedereen was aanwezig. De ‘hoge’ gasten waren de districtscommissaris van Marowijne en de directeur van de SVB-Bank van Moengo.
(Bestaan er wel ‘hoge’ gasten? Zijn alle geïnteresseerde gasten niet even hoog? – Red. ‘dWTL’)

 

Saamaka Akademiya brengt eerste gedichtenbundel uit

door Audry Wajwakana

Paramaribo Puu A Döö is de eerste marron gedichtenbundel die de Stichting Saamaka Akademiya uitbrengt. ‘Naar buiten brengen’, de letterlijke betekenis van de titel, is de eerste samenwerking van diverse dichters die schrijven in het Saramaccaans, Aucaans en Saakiiki (Aucaners uit de Sarakreek). “De titel kan vergeleken worden met de gebruikelijke marrontraditie wanneer een pasgeboren kind voor het eerst naar buiten wordt gebracht”, legt Ifna Vrede namens de stichting uit. “Dat zullen we vrijdagavond met deze gedichtenbundel doen.”

 De lezing met als titel ‘de positie van de Saamaka-tongo in de samenleving’ was de eerste activiteit van Stichting Saamaka Akademiya. Foto: Stichting Saamaka Akademiya
Gevoelsuitingen
De stichting is in september van dit jaar opgericht met het doel om de marroncultuur in zijn algemeen in stand te houden, te bevorderen en te onderhouden. De taal in het bijzonder. “Het blijkt dat het dichten in de verschillende marrontalen is toegenomen, vandaar dat wij dit middels deze uitgave verder willen stimuleren”, zegt Ifna. Het boek beslaat verschillende gevoelsuitingen van de schrijvers: Willy Patra, Kotoe Agasie, Feloe Kamisa, Dorus Vrede, Angila Albitrouw, Randolf Linda en Ifna Vrede. Deze variëren van ode aan de vrouw tot liefde voor je land. Maar er zijn ook gedichten die gaan over verdriet. Dorus Vrede (64) wordt geïnspireerd om over de natuur te schrijven. Hij is sinds 1978 actief in het schrijven van gedichten en korte verhalen. De schrijver groeide op in het dorp Lombé, waar hij en zijn dorpelingen vanwege de aanleg van het van Blommensteinmeer noodgedwongen moesten verhuizen naar het transmigratiedorp Nyun-Lombe. Vandaar dat zijn werken meer rond het thema van transmigratie en de natuur gaan. de werken van Dorus verschenen in verschillende dagbladen en tijdschriften, zowel in Suriname en als in Nederland, België en Duitsland. “Maar voor deze dichtbundel heb ik nieuwe gedichten geschreven”, zegt Dorus.
Angila Albitrouw
Andere opzet
In tegenstelling tot Dorus schrijft Angila Albitrouw (28) over allerlei algemene onderwerpen. In 2002 schreef zij haar eerste gedicht over 140 jaar Keti Koti ‘Sama na mi’ (Wie ben ik). “Ik dicht overwegend in het Aucaans en mijn thema’s gaan meer over identiteit, vrijheid, culturele waarden en normen, zelfwerkzaamheid, stigmatisering, zwart bewustzijn en nog heel veel meer”, zegt Albitrouw. Als ode aan de oudste Saramaccaanse dichter Arthur Licht, bekend onder zijn pseudoniem Tulinga, worden ook enkele werken van hem voorgedragen. De presentatie van de gedichtenbundel zal niet zijn zoals een traditionele puwema neti wordt gehouden, waarbij het een af- en aankondigen is van dichters. “Het wordt een vertelling, waarbij de hoofdverteller de puwema’s aankondigt, voorafgaand aan een culturele presentatie. De gast zal vanaf hij of zij binnenkomt deel zijn van het geheel”, belooft Vrede. Aan het eind van de voordrachten wordt er een samenvatting in het Nederlands gegeven.
[uit de Ware Tijd, 22/11/2012]

Dorus Vrede

 

Portret van de Surinaamse (Saramakaanse) schrijver Dorus Vrede, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 63 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto is ook in verschillende uitvoeringen te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Verhalen uit het stuwmeer

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Rond het sterfbed van mijn dorp van Dorus Vrede.

door Michiel van Kempen

In de geschiedenis van onze boslandbewoners is 1964 het jaar waar­in een van de grootste drama’s zich begon te voltrekken: het buiten haar oevers treden van de Surinamerivier na de bouw van de Afo­ba­kas­tuwdam en de verdrijving van duizenden bosne­gers van de grond van hun voorvaderen die daarvan het gevolg was. Dit drama heeft in de Surinaamse literatuur nog weinig weerklank gevonden. Spo­ren ervan traceren we bij Mechtelly en Felton Dahwme, maar van een grootschaliger verbeelding in roman of verhaal was er nog geen sprake. In deze situatie is verandering gekomen met de ver­schijning van de verhalenbundel Rond het sterfbed van mijn dorp van Dorus Vrede, en in voorbereiding is een roman van Eveline Wiel­zen met hetzelfde gegeven als uitgangspunt (de vraag is natuur­lijk of en wanneer die ooit verschijnt).

 

Dorus Vrede. Portret door Nicolaas Porter

Het sterke punt van Dorus Vrede als verteller is dat hij zelf de transmigratie aan den lijve heeft ondervonden. Als vijftienjarige maakte hij de verhuizing mee van het nu in het stuwmeer verzonken Lombe naar Nieuw‑Lombe in het Beneden Stuw­meergebied. We krij­gen dus van binnenuit een beeld van wat er zich rond 1964 heeft af­gespeeld.

Dat verleent Rond het sterfbed van mijn dorp een histo­risch‑do­cumentaire waarde. Wie de bundel leest en die verge­lijkt met uit­spra­ken van Dorus Vrede in Woorden die diep wortelen (1992), ziet ook hoezeer sommige verha­len een autobio­grafische achtergrond heb­ben. Het docu­mentaire wordt nog versterkt door een soort com­mentaar‑vooraf, waarin de schrijver enkele problemen van bosland­be­woners die vanuit de stad willen terugkeren, schetst. De schrijver sug­ge­reert hiermee dat zijn boek direct wil aanzetten tot bezinning op de huidige positie van de bos­landbewoners, en voor velen zal het boek dat ook doen, want het bosland staat in het centrum van veler belangstelling.
Wat de transmigratie teweegbracht in het leven van de Sarama­ka­ners weet hij met name in het titelverhaal en in `Ik vertrek niet voordat het water tot mijn voeten komt’, goed te verbeel­den: de col­lectieve tragedie die zich laat zien in enkele individuele gevallen, de vetes tussen lo’s (onderdelen van stammen), de verscheurdheid van families die zich om redenen van traditie verspreiden over Bo­ven- en Beneden-Stuwmeergebied, de machteloosheid wanneer blijkt dat de obia’s het stijgende water niet kunnen tegenhouden.
Die twee verhalen zijn zonder meer de sterkste van Vredes bun­del, waarbij het eerste nog meer waarde heeft gekregen door de voor het creoolse vertellen zo typerende structuur van de ingebedde ver­telling: het verhaal begint en na verloop van tijd wordt een per­soon als verteller aan het woord gelaten die het eigenlijke hoofd­ver­haal vertelt en die slechts nu en dan door een andere persoon wordt onderbroken.
Als deze vertelling op historische waarheid berust ‑ en gezien de flaptekst zijn de verhalen over de transmigratie minder sterk gero­man­tiseerd dan de andere ‑ dan zijn we hier getuige van een curieus pro­ces: de geboorte van eigentijdse, mondelinge overlevering die di­rect door een auteur op schrift gesteld wordt.
Wat natuurlijk het belangrijkste is: zowel het titelver­haal als `Ik vertrek niet…’ zijn prachtige vertellingen. De onontkoombaarheid van het lot die zelfs de sterkste karakters doet buigen, wordt goed overgebracht. Vrede weet de aandacht van de lezer zo vast te hou­den, dat het niet eens bijzonder opvalt dat de stijl nog niet geheel vlekkeloos is: soms wil de verteller teveel uitleggen, hier en daar kan nog wel wat geschrapt worden.
Van de andere verhalen is `Soundless melody’ een niet onver­dienste­lijke poging om een zoon‑moeder‑relatie psychologisch te tekenen. In `Kitiki’ ‑ over pater Willebrands die de vurigste wens van een klein meisje vervult door een school in haar dorp te bou­wen (Viottoe, de roman van Kees Neer uit 1949 herleeft) ‑ is het perspectief niet consequent gehanteerd: wan­neer de schrijver alles continu door het meisje had laten waarnemen, had het verhaal aan sterkte gewonnen.

`Afaina’ is het mythische verhaal van een heldhaftige negerin, maar de stof ‑ genoeg voor een hele roman ‑ is te schetsmatig uitge­werkt om de lezer echt te pakken. Wat de verhalen, met uitzonde­ring van de twee aan het begin genoemde over de transmigratie, af­breuk doet is het zwakke slot ervan: Dorus Vrede komt of met een ex­plicie­te moraal die de lezer toch wel door had, of met be­com­men­tariërende zinnen die buiten de sfeer van het verhaal vallen, of met nogal zwakke, cliché­matige slotzinnen. Als het einde van een ver­haal niet klinkt als een sterk slotakkoord, dan bepaalt dat in sterke mate de totaalindruk van het verhaal. Dat is eigenlijk mijn meest serieuze kritiek op een debuutbundel die ik sympathiek en be­langwekkend wil noemen.

[uit De geest van Waraku, 1993]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter