blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Vaessens Thomas

Discussie over Rijneveld om vertalen Gorman: te veel identiteitsdenken of verkeerde keuze?

door Maartje Geels

Dichter Marieke Lucas Rijneveld zal het veelbesproken inauguratiegedicht van de Amerikaanse Amanda Gorman toch niet vertalen. In een verklaring liet Rijneveld gisteren weten geschrokken te zijn van de ophef over de vertaling. Waar ging die over?

read on…

Een moderne Nederlandse literatuurgeschiedenis: de lezer centraal

door Els Moor

Literatuur is een kunst, beeldend via taal zoals ‘beeldende kunst’ dat is door te werken met tastbaar en zichtbaar materiaal, zoals steen en verf. Literatuur bestaat al zolang er mensen zijn. Eerst oraal, later vastgelegd in schrift. Literatuur heeft dan ook een lange geschiedenis. En dan denken we aan wereldliteratuur, universeel, wereldwijd bekend en vertaald, van de ‘klassieke oudheid’ tot schrijvers van nu die doorgedrongen zijn tot de grote wereld. Ook is geschiedenis van de literatuur van continenten vastgelegd, bijvoorbeeld van de Latijns-Amerikaanse literatuur, en de afzonderlijke landen hebben hun eigen literatuurgeschiedenis, in Suriname vastgelegd in de twee dikke pillen van Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur, samengesteld door Michiel van Kempen. read on…

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen

Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.
Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

 

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.
Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.
Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.
In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.

 

Enkele uitgangspunten
Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.
Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.

 

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.
Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011. Foto © Michiel van Kempen
Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
Ena Jansen en Michiel van Kempen

 

Inbedding
          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?
Internationale inbedding
          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?
Institutionele vormgeving
          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?

Nederlands-Caraïbische promovendi weer bijeen

De groep in de Regentenkamer van Bijzondere Collecties UBA

Uit Curaçao, Aruba, Duitsland, Denemarken, Indonesië en Nederland waren ze opnieuw bijeengekomen: de promovendi die bezig zijn een proefschrift te schrijven bij de leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam. De leerstoel wordt sinds 2006 bezet door prof. Michiel van Kempen en leverde enige tijd geleden de eerste promovendus af met Cynthia Abrahams die een proefschrift schreef over de Surinaamse dichter-politicus R. Dobru. Dit jaar kwam het gezelschap op zaterdag 7 september bijeen in de Regentenkamer van de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Vier docenten – prof. Selma Leydesdorff, dr Paul Bijl, dr Francio Guadeloupe en prof. Thomas Vaessens – verzorgden bijzondere colleges. Carl Haarnack zorgde voor een rondleiding over de slavernijtentoonstelling bij de UB. ’s Avonds werd er doorgepraat in gedineerd in literair café De Engelbewaarder; beeldend kunstenaar Rudy Henriquez fungeerde als tafelspreker. Op zondag 8 september gaven drie promovendi (Benoît Verstraete, Joe Fortin en Ellen de Vries) een publieke presentatie bij de Vereniging Ons Suriname, waarna een boekenmarkt met een flink aantal schrijvers volgde (eerder verslag, zie hier). Een fotoreportage.

Prof. Selma Leydesdorff (hier links op de rug gezien bij haar vertrek) sprak over herinnering, trauma en interviewtechnieken bij oorlogsslachtoffers.
Dr Francio Guadeloupe belichtte verschillende opvattingen over ras, etniciteit en racisme in de multiculturele samenleving.
Dr Paul Bijl ging in op de herinneringscultuur van drie koloniale mogendheden.
V.l.n.r. Jos de Roo, Mieke Groen, Carl Haarnack, Johan Graaven, Francio Guadeloupe.
Johan Graaven (voorzijde z.o.z.).
Carl Haarnack licht koloniale uitgaven toe.
Aandacht voor de vitrine met werk van Stedman.
Zweten voor prof. Thomas Vaessens die nieuwe inzichten op het gebied van de literatuurgeschiedschrijving behandelde.
Diner in De Engelbewaarder.
Tafelspreker Rudy Henriquez vertelde over Boeli van Leeuwen.
Tableau de la troupe

Badal: de verandering van Anil Ramdas?

door Stuart Rahan

“Ik zou Badal lezen als een gewone fictieve roman”, zegt schrijver en essayist Anil Ramdas over zijn nieuwste boek en eerste roman Badal. De titel verwijst naar de hoofdpersoon in het boek, Harry Badal, die het evenbeeld is van de schrijver: als jonge hindostaanse student naar Nederland geëmigreerd, raakt in conflict met de overheid over zijn proefschrift inzake asielprocedures, journalist, essayist, presentator met het enige verschil dat Harry Badal nog voor hij zijn opdracht voltooid zelfmoord pleegt door in de zee te lopen.

‘… Een belangrijk essay. Belangrijker dan mijn laatste belangrijke essay, je weet wel, over waarom er geen allochtonen voorkomen in de Nederlandse literatuur. Maar dit keer ga ik een stap verder. Dit keer gaat het over white trash.’

Anil Ramdas tijdens zijn presentatie (foto @ Stuart Rahan)

De silhouet op de kaft van het boek is van Anil Ramdas, de inhoud biografisch met het enige verschil dat Badal verzuipt in de zee bij Zandvoort maar dat de schrijver nog leeft en misschien nog verzuipt in zijn eigen alcoholisch gedrag. Badal, betekent in het Hindi ‘verandering’ wat ook kan duiden op de grote verandering in het leven van Anil Ramdas, die zijn alcoholisme de baas probeert te zijn.

Zelfdestructie
“Wat bezielt hem om zo’n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren als een neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is”, reageert schrijfster Manon Uphoff in een inleiding bij de presentatie van het boek donderdag. Uphoff noemt Badal politiek en maatschappelijk betrokken maar vindt het boek tegelijkertijd een genadeloos zelfportret. “Ik vrees niet zozeer het engagement in de roman maar meer de manier waarop het gelezen wordt.” Dat de hoofdpersoon en de schrijver in wezen bijna alles met elkaar gemeen hebben en het gevaar bestaat dat de een niet van de ander te onderscheiden is, ziet Thomas Vaessens, hoogleraar Moderne letterkunde aan de universiteit van Amsterdam, als reden voor literaire connaisseurs om de roman met de grond gelijk te maken. “Ik denk inderdaad dat er critici zullen zijn die Badal de slechtste of misschien zelfs in het geheel geen roman vinden. Er zal geklaagd worden over de vele essayistische passages, en over Badals vele collegeachtige monologen over uiteenlopende onderwerpen als imperialisme, Apartheid en journalistieke popmuziek die de lezer ondergaat.” Wie zit daar op te wachten in een wereld waar de snelheid waarmee de ene gebeurtenis de andere opvolgt, weinig ruimte laat voor de lezer die een roman ter ontspanning tot zich neemt en niet de confrontatie met zichzelf wilt aangaan? Beide inleiders zijn het er wel met elkaar over eens dat het boek boeiend geschreven is. Vaessens noemt het zelfs een prikkelende roman.

Badal is een zwart hoofdpersonage dat een eigenzinnige kritische betrokken positie inneemt wat in veel maatschappijkritische boeken door een blank personage wordt ingevuld als te zijn de standaardmening. “…Kijk, er is veel onderzoek gedaan naar allochtonen, vooral naar Marokkanen. Blanken worden neergezet als slachtoffers die hun mooie arbeidersbuurten in verval zien raken door toedoen van allochtonen. Maar naar white trash wordt niet gekeken.”

Nu wordt met bijzondere belangstelling de white trash onder een vergrootglas geplaatst door Badal die ontdekt dat er in het Nederlands geen goed woord is voor blank uitschot, behalve tokkies.

[uit de Ware Tijd, 04/04/2011]

Zie ook de reactie van Manon Uphoff! – red.

Badal, debuutroman van Anil Ramdas

Op 31 maart verschijnt de debuutroman van Anil Ramdas, Badal. Badals huwelijk is voorbij en zijn loopbaan ten einde. Hij kijkt terug op zijn leven als gevierd essayist en journalist, op de man die als jonge student naar Nederland kwam en zich liet omarmen door de blanke intellectuele elite. Zij lieten hem in het begin van de jaren negentig naar Londen gaan, waar de duizendste nacht van de Fatwa tegen Rushdie wordt herdacht. Twintig jaar later trekt Badal zich terug aan zee en heeft alleen nog contact met S. Haar vertelt hij over zijn leven, zijn kwijtgeraakte engagement en zijn verloren liefdes.

Anil Ramdas (1958) is journalist en publiceerde verhalen en een novelle. Hij verbleef in India en Paramaribo. Naar aanleiding daarvan schreef hij Zonder liefde valt best te leven, Correspondentie uit India en Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle.

Volgens Folia, het blad van de universiteit van Amsterdam, waar donderdag de presentatie wordt gehouden, heet het boek van Ramdas een roman te zijn, maar lijkt het leven van de protagonist “verdacht veel” op dat van Ramdas zelf. Ook Ramdas kwam rond zijn twintigste vanuit Suriname naar Nederland. Daar ging hij sociale geografie studeren om later uit te groeien tot een gevierd essayist, publicist en programmamaker bij onder meer De Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad en de VPRO.

Badal
wordt op donderdagavond 31 maart a.s. gepresenteerd in SPUI25 in Amsterdam.
Daarbij houden schrijfster Manon Uphoff en Thomas Vaessens, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, een voordracht en gaan ze aansluitend in gesprek over het engagement in de roman.

Vrouwen verzamelen doe je zo

door Julie Phillips

Natuurlijk kun je vrouwelijke auteurs niet over één kam scheren: daarvoor zijn ze te divers. Maar als je ze toch in één boek samenbrengt, zoals onlangs gebeurde in Schrijvende vrouwen, zul je toch iets moeten met het feit dat al die schrijfsters vrouw zijn. Het Amerikaanse boek A Jury of her Peers laat zien hoe het wél kan.Schrijvers die niet worden bestudeerd, die op scholen en universiteiten niet worden onderwezen, belanden uiteindelijk in de prullenbak van de geschiedenis. Vrouwelijke schrijvers lopen dat risico nog altijd vaker dan mannen.

[…]
Er is gekozen voor een mix van bekende schrijfsters en minder bekende figuren, over wier carrière iets bijzonders te vertellen valt. Zoals Melati van Java (1853-1927), die romans schreef die zich in haar geboorteland afspelen, of de adellijke Anna de Savornin Lohman (1868-1930), die in haar romans en artikelen de calvinistische politiek aanviel die ze zelf de rug had toegekeerd. “In die afwending van het gereformeerde geloof speelden bepaalde levenservaringen een rol: de roerige jaren in Suriname waar haar vader een totaal mislukt gouverneurschap bekleedde, het gelijktijdig verlies van het ouderlijk fortuin, gevolgd door een zeer moeizame periode in Berlijn, Schotland en Nederlands-Indië.” Om zulke levensverhalen lezen we literaire biografieën: we willen begrijpen welke krankzinnige cocktail van verlangen en wanhoop van een mens een schrijver maakt.

Lees hier verder in Trouw

Jacqueline Bel & Thomas Vaessens (red.): Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880-2010. Amsterdam University Press, Amsterdam. ISBN 9789089642165; 318 blz. € 29,50 [bevat ook een opstel over Astrid Roemer]

Elaine Showalter: A Jury of Her Peers. American Women Writers from Anne Bradstreet to Annie Proulx. Vintage, New York. ISBN 9781400034420; 586 blz. € 17,95

Illustratie: Jak King

Onrust in de Vinexwijken

door Thomas Vaessens

Bewoners van een Vinexwijk in Zaanstad zijn boos op hun buurtgenote Naima El Bezaz (NRC Handelsblad, 5 december, p.2). In haar roman Vinexvrouwen beschrijft El Bezaz onder andere het promiscue gedrag in de buurt, het grootscheepse gebruik van illegaal door een buurvrouw verhandelde pillen en de gewoonte van autochtone vrouwen om topless in hun achtertuin te zitten. Tsjonge. Het is maar waar je je als Vinexvrouw of -man druk om maakt.

Vanochtend hadden we het in het hoorcollege van de eerstejaars over Werner Sollors’ Beyond Ethnicity: Consent and Descent in American Culture (1987), en aan de hand daarvan over het gedicht ‘De schil waarop wij leven’ van Mustafa Stitou (2003). Ook dat gaat over Vinexwijken, en het is wel een paar graadjes heftiger dan de roman van El Bezaz. Geen seks met de buurvrouw of stiekeme pilletjes bij Stitou. Welnee. Deze Marokaanse Nederlander pakt net even steviger uit: de zelfbenoemde “pioniers” uit de Vinexwijken krijgen bij hem wel onaangenamere eigenschappen. “Schuilt er geen oneindig soort / Genoegzaamheid in deze oorden?”, zo vraagt het gedicht zich af: een (zelf-)genoegzaamheid van angsthazen, gebaseerd op orde en op het onderscheid tussen “wij” en “zij”:

en wie niet te categoriseren valt
in een aparte doos – woonkamers wemelen
van geruchten over een pedofiele buur

en asielkampen moeten het liefst
aan de horizon staan, zo scheidt men
het goede van het zwarte

Hier staat niet de truttige lelijkheid of de nauwverholen burgerlijkheid van de Vinexwijken ter discussie, zoals bij die arme El Bezaz, maar hier legt een dichter de vinger op xenofobie en racisme.

Voor zover ik weet heeft nooit één Vinexbewoner bij Stitou aan de deur geklopt. Waar El Bezaz volgens NRC van vanavond al boze buurmannen aan de deur heeft gehad, daar bleef Stitou’s gedicht in 2003 onopgemerkt, ook al las hij het voor in een prime time uitgezonden televisieprogramma (Het nieuwe Nederland, VPRO). Je kunt Vinexbewoners kennelijk beter boosmaken door ze te verwijten dat ze topless zonnen dan door ze racisme aan te wrijven.

Voor wie Stitou’s fenomenale bundel Varkensroze ansichten uit 2003 niet in huis heeft: het gedicht ‘De schil waarop wij leven’ is onder meer hier in zijn geheel te lezen.

[overgenomen van De Amsterdamse lezing]

Wraak op kunst en cultuur

door Thomas Vaessens

“Know your values and frame the debate”, zo luidde in 2004 het advies van George Lakoff aan links Amerika. Zijn boek Don’t think of an elephant moest de progressives ertoe aanzetten het politieke discours terug te claimen, het discours dat volgens Lakoff bepaald werd door het vermogen van de conservatives om debatten naar hun hand te zetten door die debatten in een zeer vroeg stadium te framen.

We zien er ook in Nederland dagelijks voorbeelden van. Sinds Wilders de CDA-ers Koppejan en Ferrier “dissidenten” genoemd heeft (en Verhagen dat niet onmiddellijk corrigeerde), is dat toch wat nare woord (Van Dale: ‘scheurmaker’) niet meer uit de nieuwsberichten weg te denken..

Links: Maxime Verhagen en Geert Wilders (gespeeld door Conrad Nelson en Lenny Henry in Othello)

Een ander gevalletje van framing: de betiteling van kunst en cultuur als “linkse hobby’s”. Vandaag gaat de helft van het Commentaar van de Volkskrant over de aanstaande bezuinigingen op kunst en cultuur. Ze worden “de wraak voor de zogenoemde linkse hobby’s” genoemd. Dat woord “zogenoemde” suggereert dat de Volkskrant afstand neemt van de term. Geen wonder, want de Volkskrant is tegen de bezuinigingen. De krant vindt dat VVD en CDA zich door de anti-elite toon van de PVV hebben laten gijzelen.

Maar zal het Commentaar ook enig effect sorteren? Komt het met nieuwe gezichtspunten in het debat over de waarde van kunst en cultuur voor de samenleving? Ik ben bang van niet. In de laatste alinea wordt erop gewezen dat de achterban van de beide regeringspartijen “meer dan gemiddeld concerten, opera’s, theatervoorstellingen en exposities bezoekt”. Met andere woorden: VVD en CDA zijn van plan te snijden in “hobby’s waarvan hun eigen kiezers zo gretig gebruikmaken”. Daar zijn die verdomde hobby’s weer…

Over gijzelen gesproken. Zolang we geen alternatief vinden voor het beeld van cultuur als hobby, is er nauwelijks verweer mogelijk tegen de marktlogica (en het rechtse revanchisme) achter de bezuinigingsplannen.

Kunst en cultuur zijn geen hobby’s van een in economische of demografische zin te definiëren doelgroep.

[overgenomen van De Amsterdamse lezing, 5 oktober 2010]

Kan poëzie de wereld redden?

door Thomas Vaessens

Het is een sleutelscène uit Ian McEwans Saturday: Daisy Perowne staat naakt en zwanger in de kamer, het middelpunt van een luguber gijzelingstafereel. Twee onbehouwen, agressieve, met messen gewapende mannen lijken haar te gaan verkrachten, onder het toeziend oog van haar welgestelde en cultureel onderlegde ouders. White trash komt wraak nemen op smaak, beschaving en welvaart. Maar dan leest Daisy Matthew Arnolds gedicht ‘Dover Beach’ voor. Het ongelofelijke gebeurt: een van de overvallers raakt ontroerd door de voordracht, waarna hij gemakkelijk te overmeesteren is en de overval met een sisser afloopt.

Nogal wat critici plaatsten vraagtekens bij McEwans scène: was dit niet al te naïef? Te karikaturaal? Gleed de auteur hier niet weg in onvervalste kitsch? “This is a good example of how too long in the literary bubble may cut you off somewhat from real life”, schreef bijvoorbeeld David Baddiel in The Times. In Nederland vond Barber van de Pol hetzelfde (‘zo soft dat het hele boek er acuut door in een draak verandert’). Het zou best kunnen dat Baddiel en Van de Pol gelijk hadden, maar dat neemt niet weg dat McEwan lang niet de enige is die Arnolds negentiende-eeuwse ideologie van de cultuur weer op de agenda zet.

Vandaag legt Anil Ramdas, in de Volkskrant verwikkeld in een interessante discussie met Joost Zwagerman, een verband tussen Wilders’ electorale succes en de culturele verwaarlozing van laaggeschoolde blanken. Waar Paul Scheffer de stelling verdedigde dat “de oude sociale kwestie” van blanke arbeiders zou zijn opgelost, daar meent Ramdas dat de blanke laaggeschoolden alleen maar van de radar zijn verdwenen. Ze hadden immers een huis en een auto. En ze konden op vakantie. Maar aan hun laaggeschooldheid is intussen niets veranderd. Ramdas:

“Ze zijn in culturele zin verwaarloosd. In plaats van ze deel te laten nemen aan de wereld van literatuur, poëzie, muziek en kunst, werden ze afgescheept met SBS- en RTL-amusement. Met Oh Oh Cherso en RTL Boulevard”.

Waar deze culturele verwaarlozing toe geeft geleid? Tot een op internetfora steeds beter zichtbare, boze white trash: In Ramdas woorden tot “mensen die zich niets aantrekken van fatsoensnormen en lijden aan een ernstig gebrek aan zelfbeheersing”. Het is deze groep die volgens Ramdas door Wilders effectief is gemobiliseerd.

Mij trof in Ramdas analyse vooral de suggestie dat “de wereld van literatuur, poëzie, muziek en kunst” reddend kan zijn in de huidige crisis.

Naïef? Karikaturaal? Kitsch?

In Den Haag staat een bruin kabinet te trappelen om, gebruik makend van Wilders’ electorale succes, de vingers van Rechts Nederland te gaan aflikken. Het kan geen toeval zijn dat dit kabinet juist op kunst en cultuur fors wil bezuinigen. Te vrezen valt dat we ons ook over de plannen voor het onderwijs weinig illusies hoeven te maken.

[overgenomen van De Amsterdamse Lezing, 28 september 2010]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter