blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Toppenberg Alwin

Met open ogen

Quito Nicolaas is een kritisch waarnemer van wat zich op cultureel vlak afspeelt op Caribische eilanden en in Europa. In de periode 2007-2012 schreef hij elke twee weken met scherpe pen een column voor het e-zine Caribe magazine over cultuur, literatuur en politiek. read on…

Van Indianen en Arubanen (3)

door Fred de Haas

Verstoord evenwicht
Aruba begon in veel opzichten te veranderen toen de olie-industrie zich in 1924 op het eiland vestigde. Amerikanen kwamen wonen op Lago Heights en de Amerikaanse Colony werd een afgesloten terrein. Zwarte arbeiders van de Bovenwinden, Suriname en de Engelse eilanden gingen wonen in San Nicolas en The Village. Arubanen die al jaren op het eiland woonden begonnen zich in meerdere opzichten achtergesteld te voelen. Immers, de LAGO had een voorkeur voor Engelssprekenden en het Nederlandse Bestuur had een voorkeur voor Nederlanders en Surinamers vanwege het feit dat de taal van de Regering nu eenmaal het Nederlands was en de Surinamers beter Nederlands spraken als de Arubanen vanwege de in Suriname gevoerde taalpolitiek. read on…

In Memoriam Oscar Steba

Juan Oscar Steba, beter bekend als Oscar Steba, is op 13 juli 1930 geboren in Curaçao. Hij is samen met zijn familie in Aruba komen wonen toen hij negen jaar oud was. Zijn vader, Arnulfo Steba, was een heel bekende musicus in Aruba, in het bijzonder in de wijk Dakota, waar de familie zich vestigde. read on…

Hubert Booi – Si mi por/Als ik kan

Si mi por…

Si mi por a alcansa
Penetrá
Ku palabranan fecundo
Den Bo alma
Perturbá
Y sin sosiego … read on…

Hermelijn belicht racisme aan beide zijden van de oceaan

door Otti Thomas

Racisme in Nederland ligt ten grondslag aan de dood van een Curaçaose student in de roman Florinda’s tweede keus. Schrijver Jacques Hermelijn wordt echter ook geprezen voor zijn aandacht voor racisme op Curaçao. read on…

Literaire middag met Jacques Hermelijn

De Dutch Caribbean Book Club organiseert een literaire middag met Jacques Hermelijn waarbij ‘Florinda’s tweede keus wordt besproken, op zaterdag 27 september in de Centrale Bibliotheek Den Haag. read on…

Jaarverslag 2012-2013

Jaarverslag Werkgroep Caraïbische Letteren Verenigingsjaar 2012-2013

Het bestuur van de werkgroep Caraïbische Letteren bestond aan het begin van het verenigingsjaar uit Peter Meel (voorzitter), Igma van Putte-de Windt (vice-voorzitter), Kirsten Dorrestijn (secretaris), Michiel van Kempen (penningmeester) en de leden Carl Haarnack, Paulette Smit, Noraly Beyer en Matthijs Ponte.
In de loop van het jaar vond een tweetal wisselingen plaats. Aart Broek kwam de werkgroep versterken en nam de functie van penningmeester van Michiel van Kempen over. De laatste bleef aan als lid. In de korte periode dat hij aanzit als penningmeester heeft de werkgroep al ruimhartig mogen profiteren van de deskundigheid van Aart Broek.
Kirsten Dorrestijn nam onder dankzegging afscheid van de werkgroep. Gedurende een aantal jaren verzorgde zij tot volle tevredenheid van het bestuur het secretariaat van de werkgroep. In de vacature die zij heeft achtergelaten, is nog niet voorzien. Het secretariaat werd sinds haar vertrek bij toerbeurt door leden van het bestuur waargenomen.

Het bestuur kwam in het verslagjaar vier maal bijeen om activiteiten voor te bereiden: op 14 januari 2013, 19 augustus 2013, 23 september 2013 en 21 november 2013. De meeste aandacht ging tijdens deze vergaderingen uit naar de organisatie van de vijfde letterendag (zie hieronder). In het bijzonder de financiering en logistiek van deze ambitieuze onderneming eisten veel van het bestuur. Los van de plenaire bijeenkomsten vergaderde het bestuur regelmatig en petit comité met derden.

 

Cola Debrot als student

Cola Debrot

Belangrijkste activiteiten

De derde Cola Debrotlezing werd op 21 juni 2013 in de Openbare Bibliotheek Amsterdam uitgesproken door dichter, schrijver en forensisch psychiater Antoine de Kom. In een diep ernstige maar tegelijk speelse beschouwing verkende De Kom de herinnering aan en doorwerking van de slavernij, met tal van subtiele en tot nadenken stemmende terzijdes. De Kom beëindigde zijn ‘In de straten van de hemel’ met een pleidooi voor Surfri – een onbaatzuchtige houding die een einde moet maken aan overheersing en onderwerping, vroeger en nu, en de deur dient te openen naar werkelijke vrijheid. Michiel van Kempen interviewde De Kom na het uitspreken van de lezing over zijn werk.
De Cola Debrotlezing sloot aan bij de vele activiteiten die in 2013 plaatsvonden in het kader van de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij in het Koninkrijk der Nederlanden. Een licht bewerkte tekst van de lezing werd gepubliceerd in de 55-ste jaargang van Hollands Maandblad, nr. 789/790, augustus/ september 2013.

De vijfde Caraïbische Letterendag markeerde het lustrum van de werkgroep Caraïbische Letteren. In een uitverkocht Theater van ‘t Woord was het publiek op 6 december 2013 getuige van drie wereldpremières. Speciaal voor de viering van het lustrum en in opdracht van de werkgroep schreven de componisten René Samson en Randal Corsen muziek op poëzie van Surinaamse en Antilliaanse dichters. René Samson bracht onder de titel Cultuurtuin kawina een energiek stuk ten gehore met zang, slagwerk en dans op gedichten van Michaël Slory en Bernardo Ashetu. Randal Corsen – Edison-winnaar en componist van de eerste opera in het Papiamentu, Katibu di Shon – gaf met zang, percussie, gitaar en piano een jazz-interpretatie van poëzie van Lucille Berry-Haseth. Margriet Hoenderdos componeerde kort voor het overlijden van de Surinaams-Nederlandse dichter Hans Faverey een muziekstuk getiteld De lussen van Hans Faverey. Het werk kwam in nauwe samenwerking met de dichter tot stand. Ook deze compositie voor blazerskwintet werd deze avond voor het eerst voor publiek uitgevoerd.
Maar het lustrum bood meer. Naast een recital van de pianist Alwin Toppenberg – die het publiek op aanstekelijke wijze entertainde met walsen en tumba’s – trad Dave MacDonald op met zijn elfkoppige Tiri Fu Bari band. De groep speelde composities op teksten van de Surinaamse dichters Trefossa, Dobru en Shrinivási in een mix van muziekstijlen. Presentatrice Noraly Beyer omschreef het treffend: ‘Poëzie gaat zweven met muziek en muziek krijgt vleugels door de poëzie.’ Lilian Gonçalves-Ho Kan You, de eerste voorzitter van de werkgroep, stelde het in haar feestrede weer anders: ‘De werkgroep Caraïbische Letteren is waarschijnlijk de meest dynamische werkgroep van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde’. De lustrumviering kwam tot stand met steun van het Amsterdams Fonds voor de Kunsten en de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Een groot succes blijft de blogspot van de werkgroep. Sinds 2009 bezochten bijna 2,5 miljoen bezoekers Caraïbisch Uitzicht (http://caraibischeletteren.blogspot.nl/), dat een keur aan informatie bevat over activiteiten op het gebied van de Caraïbische letteren. Het feit dat de blog steeds meer transformeert tot een database waarin over uiteenlopende zaken en personen gegevens zijn terug te vinden, stemt tot tevredenheid, maar vraagt ook om onderhoud. Het bestuur heeft zich in het verslagjaar gebogen over kwesties als het laden van de blog, de structuur van de website waarmee de blog is geïntegreerd en de beschikbare zoekfuncties. Een ander punt van aandacht betrof de mogelijkheden die kunnen worden gecreëerd om gerichter discussies uit te lokken over actuele onderwerpen. De werkgroep verwacht in 2014 in ieder geval een aantal technische aanpassingen te kunnen doorvoeren die de gebruiksvriendelijkheid van de blog zullen verbeteren.

Peter Meel
Secretaris a.i.

Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club

Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm

Eerste druk 1935

door Henry Habibe

Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9 november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’  dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.
Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De hoofdpersoon geeft – aldus Debrot – de voorkeur aan een negerin boven de blanke vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij ‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst eigen wijze behandeld.
Editie 1955
In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en  veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’ sprake is.  Hij gaat als volgt te werk. Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’. Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de ‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in  de novelle aanwezig is.
Elfde druk
De spreker meende bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).
Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade (wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (…) Isabel Allende (…) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerinwaarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand  of iets met gloeiende ogen” als hij in Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de hand van sterk hyperbolische elementen.
Derde druk
Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een wishfull thinking van de heer Palm.
Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.

‘Muziek laat poëzie zweven’

 door Otti Thomas
 Amsterdam – Het verzoek om werk van Caribische dichters op muziek te zetten, leidde deels tot herkenbare, maar vooral ook tot ongebruikelijke en gedurfde nieuwe composities. Het resultaat was afgelopen vrijdag te horen tijdens de vijfde editie van de Caraïbische Letterendag in Amsterdam.
“De werkgroep Caraïbische Letteren is waarschijnlijk de meest dynamische werkgroep van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde,” zei Lilian Conçalves-Ho Kang You, de eerste voorzitter van de werkgroep, halverwege het programma in de Openbaar Bibliotheek van Amsterdam. “We geven uitvoering aan onze missie om artistieke vernieuwing te stimuleren met gedichten op muziek.”
Uitvoering van De lussen van Faverey voor blaaskwintet van Margriet Hoenderdos
Van artistieke vernieuwing was er zeker sprake. In De Lussen van Hans Faverey bijvoorbeeld. Het was de eerste keer dat de compositie ten gehore werd gebracht, hoewel Margriet Hoenderdos het stuk al in 1990 schreef in samenwerking met de Surinaams-Nederlandse dichter Faverey. Met een schijnbaar gebrek aan onderlinge afstemming tussen de partijen voor althobo, klarinet, basklarinet, fagot en hoorn werd een ode gebracht aan de complexiteit van zijn gedichten. De consistente herhaling van deze disharmonie zorgde voor een enigszins herkenbaar patroon, vergelijkbaar met de terugkerende bewegingen in Favery’s taalgebruik.
V.l.n.r. mezzosopraan Fanny Alofs, componist René Samson en koorleden Hanna Samson en Ella Rombouts en slagwerkster Tatiaana Koleva in Cultuurtuin Kawina van Samson
Gedurfd was ook Cultuurtuin Kawina, een compositie van de Surinamer René Samson op gedichten van landgenoten Michaël Slory en Bernardo Ashetu voor een ongebruikelijk gezelschap van een mezzosopraan, slagwerker, een achtergrondkoortje en drie dansers. Alweer leek de uitvoering weinig samenhang te hebben op het eerste gezicht of gehoor. Toch bleek de mezzosopraan geschikt voor een dramatische roep om hulp in het gedicht Waar ben je van Ashetu en werd zijn gedicht Kinderspel ondersteund door de bewegingen van de dansers.
Het Randal Corsen Quatet met v.l.n.r. Randal Corsen, Jeanninne La Rose, Vernon Chatlein en Jean-Jacques Rojer
Aanstekelijk
In vergelijking met beide voorgenoemde uitvoeringen waren de composities van Curaçaoënaar Randal Corsen een stuk toegankelijker. Ook dit waren allerminst ‘gewone’ liedjes, maar de relatie tussen de muziek en de tekst was wel duidelijker. Corsen transformeerde de gedichten van de Curaçaose Lucille Berry-Haseth tot kleine opera’s. De partijen voor piano, percussie en gitaar waren soms tot het minimaal noodzakelijk beperkt, bijvoorbeeld in het liefdesgedicht Konfiansa of in Misterio, waarin de zin van het leven centraal staat. Maar in Pesadia (Nachtmerrie) over het persoonlijk onvermogen om de tambú te dansen als gevolg van het verbod, klonk de percussie onheilspellend. Het enthousiasme van Corsen, Vernon Chatlein, Jean-Jacques Rojer en vooral zangeres Jeannine La Rose werkt bovendien aanstekelijk.
Alwin Toppenberg
Datzelfde was het geval tijdens de eerste en de laatste voordracht van de avond. Alwin Toppenberg had overduidelijk veel plezier bij het spelen van zes bekende walsen op piano, waaronder Atardi van Rudy Plaate en zijn eigen Much’i Scol. En de Titi-band onder leiding van de Surinaamse componist en gitarist Dave MacDonald zorgde voor een passende en feestelijke afsluiting met muziek op teksten van dichters Trefossa, R. Dobru en Shrinivási.
Presentatrice Noraly Beyer, bestuurslid van de werkgroep Caraïbische Letteren had een treffende omschrijving van de avond. “Poëzie gaat zweven met muziek en muziek krijgt vleugels door de poëzie.”
[uit Amigoe, 9 december 2013]
Foto’s: Jean van Lingen
 
 
De Tiri-band van Dave MacDonald

 

Lustrumviering in foto’s

De viering van het eerste lustrum van de Caraïbische Letterendagen van de Werkgroep Caraïbische Letteren, in beelden gevangen door Jean van Lingen.

Een tot de nok toe gevulde zaal
Alwin Toppenberg
Randal Corsen en Jeannine la Rose
Randal Corsen, pianist, bandleider en componist
Jean-Jacques Rojer, gitaren
Vernon Chatlein, percussie
Eerste voorzitter Lilian Gonçalves-Ho Kang You
Cultuurtuin kawina, voor slagwerk, mezzosopraan, koor en ballet; muziek van René Samson
Slagwerkster Tatina Koleva
Mezzosopraan Fanny Alofs en componist René Samson
Manoushka Zeegelaar, John Leerdam, Maarten van Hinte en Paulette Smit
Bas Geerts
Blaaskwintet speelt De lussen van Faverey van Margriet Hoenderdos
Robert-Harman Sordam van de Tiri-band
De Tiri-band van Dave MacDonald
Lucas Shepherd van de Tiri-band
Raj Mohan van de Tiri-band
Dave MacDonald
Raj Mohan, Lesley Joseph, Rolanda van Embricqs; tekst van Trefossa
Tekst van R. Dobru
Dave MacDonald en Sanne Landvreugd
Rolanda van Embricqs
De presentatie was in handen van Noraly Beyer
Bloemen bij de finale
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter