blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Tjien Fooh Rita

Anansi: Stoelriemen vast!

Eigentijdse verhalen van Surinaamse schrijvers. Deze anansitoribundel is voortgekomen uit een project van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Paramaribo en uitgevoerd door de Schrijversvakschool Paramaribo in maart 2016. read on…

Anansi-verhalenbundel met een nieuwe en Surinaamse twist

Eigentijds, taboeverbrekend, verrassend. Dat zijn de gedachten die opkomen bij het lezen van de nieuwe Anansiverhalenbundel: Anansi 2.0. Negen Surinaamse auteurs ontvangen vandaag het eerste exemplaar van het boek, waarin ook hun eigen werk, van de Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden, de heer Ernst Noorman. read on…

Surinaamse archieven thuis; hoe kijken wij hiernaar

Het ministerie van Binnenlandse Zaken/Nationaal Archief Suriname (Biza/NAS) sloot woensdag het project Teruggave Archieven Suriname formeel af. Veertig Surinaamse archieven uit de periode 1667-1975 zijn weer thuis. Nationaal archivaris Rita Tjien Fooh-Hardjomohamad typeert de afsluiting als “een mooi moment voor Suriname”. read on…

Vergemakkelijkt stamboomonderzoek via Nationaal Archief

Er zijn nu nieuwe mogelijkheden voor stamboomonderzoek in Suriname als gevolg van de teruggave en digitalisering van de Surinaamse archieven in Nederland. Nationaal archivaris Rita Tjien Fooh-Hardjomohamad laat weten dat het ministerie van Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door het Nationaal Archief Suriname, op 22 maart publiekelijk een diepgaande uiteenzetting zal houden over het in 2009 aangevangen ‘Project Teruggave Archieven Suriname (TAS)’. read on…

Archief Peerke Donders opgenomen in regionale archieven

door Raoul Lith

De archieven van pater Petrus (Peerke) Donders van het Rooms Katholiek Bisdom (RK) Paramaribo zijn officieel opgenomen in het Unesco-Mowlac Register. Het programma ‘Memory of the World’ voor de Latijns Amerikaanse en Caribische regio (Mowlac) heeft als doel het bewaren en het wereldwijd toegankelijk maken van waardevolle archiefstukken en museumcollecties. read on…

Gevoelige kwesties

door Sandew Hira

 
De afgelopen twee weken in Suriname waren voor mij de meest inspirerende van de afgelopen jaren. Ik ben in een korte tijd veel ervaringen rijker geworden.
Op uitnodiging van Prof. Dr. Henri Ori geef ik colleges op de Anton de Kom Universiteit aan de studierichting Master in Education for Research and Sustainable Development in het vak Ontwikkelingstheorieën. In Europa en Amerika gaat de discussie over duurzame ontwikkeling veelal over de relatie tussen milieu en economie. Ik breng in de colleges de dimensie in van stabiliteit van sociaal-economische verhoudingen in landen die gekoloniseerd zijn geweest. Meer dan milieu zijn politieke, sociale, economische en etnische spanningen een bedreiging voor de duurzaamheid van een samenleving.

Henry Ori

Ik deed een oefening met de studenten met als doel om hun empathie, het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander, te vergroten. De studenten moesten per etnische groep aangeven welke uitspraken als beledigend worden ervaren door die groep. Er was een discussie of Marrons een apart etnische groep zijn dan ‘Creolen’, want beide zijn Afro-Surinamers, mensen met een basis in Afrika.
Het gaat niet om het benoemen van vooroordelen. Dat klinkt neutraal. Het gaat om het benoemen van beledigingen. Je moet je realiseren dat het beledigend is om negatieve eigenschappen van een individu toe te kennen aan een groep en waarom mensen uit die groep het als een belediging ervaren.

De studentenpopulatie is behoorlijk gemengd. Er kunnen verschillende dingen gebeuren tijdens deze oefening. Niemand durft beledigingen te noemen uit vrees dat de ander zou kunnen denken dat je je eigen opvattingen daarmee verraadt. Sommigen formuleren de beledigingen met aarzelingen en omslachtige formuleringen, waardoor je niet to the point komt met als gevolg dat het wantrouwen tegen je eerder versterkt dan verzwakt wordt. Om een belediging te formuleren in de context van een oefening moet de moderator eerst een veilige en oprechte omgeving creëren die duidelijk maakt dat het doel is om de empathie te vergroten. En ze kwamen los: Chinezen zijn vies; Hindostanen zijn gierig, Creolen zijn lui, Marrons zijn achterlijk, Javanen zijn corrupt, Inheemsen zijn dom, witte mensen stinken.
We hebben lijstjes gemaakt per etnische groep. We hebben gebrainstormd over de vraag wat iemand uit een etnische groep als een compliment zou ervaren. We hebben gediscussieerd over theoretische vraagstukken over wat de essentie is van etnische identiteit.

Albert Roessingh – Javaans paar

En ik werd met de minuut optimistischer over de toekomst van Suriname. Het is mogelijk om gevoelige kwesties op een ontspannen en eerlijke manier onder ogen te zien. Je moet een open houding hebben om te willen luisteren naar de ander. Je komt dan te weten wat je niet weet.

Vorige week donderdag zat ik een bijeenkomst voor met de jurist Patricia Meulenhof en Robert Connell die onderzoek doet naar grondrechten van Marrons in Jamaica en Suriname. Ik had eerder in een column het vraagstuk aangekaart in hoeverre sinds de vredesverdragen de Marrongemeenschappen een staat zijn binnen een staat zijn en of er sprake is van een vraagstuk over soevereiniteit. Ik had niet door dat ik met de introductie van het begrip ‘soevereiniteit’ een heel gevoelige snaar had geraakt in de Surinaamse samenleving. Ik kwam er gauw genoeg achter. De zaal kwam los. “Wat is het doel van die vergelijking? Is het om marrons in een kwaad daglicht te stellen?”
Ik was verbaasd. Ik dacht dat ik een intellectuele discussie had aangekaart, maar er leeft een sentiment dat ik niet kende, namelijk dat Marrons veeleisend zijn en onterecht rechten claimen die anderen niet hebben. Mijn analyse had dat sentiment versterkt, zo bleek mij tijdens de discussie.

Patricia Meulenhof

De opmerkelijke en optimistische kant van de discussie is dat verschillende sprekers zich nadrukkelijk keerden tegen het concept van soevereiniteit. Later vroeg ik Patricia Meulenhof: “Wat willen de marrons nou precies?” Zij legde me uit dat de marrons net als in Guyana en andere landen willen dat de positie van tribale gemeenschappen in de wet wordt vastgelegd. Is dat onredelijk? Het lijkt mij niet.

Mijn optimisme werd versterkt door de reactie in de samenleving op oproepen van o.a. Brunswijk om alle marronpartijen te bundelen in een grote eenheid. Niemand maakte de marrons uit voor racisten. Als Santokhi een oproep zou doen aan alle Hindostaanse partijen om zich te bundelen in één grote Hindostaanse partij, zou hij onmiddellijk voor racist worden uitgemaakt. Hoe verklaar je dat verschil? Het laat zien dat er in de Surinaamse gemeenschap het idee leeft dat sommige etnische groepen achtergesteld zijn en het legitiem is om hun emancipatie te bevorderen door zich samen te bundelen. Marrons worden beschouwd als een achtergestelde groep en Hindostanen niet. Een oproep tot bundeling van Hindostaanse partijen zou niet gezien wordt als een poging om een einde te maken aan achterstelling, maar een poging om een begin te maken met etnische dominantie.

Foto Raw Fotografie

Een geweldige ervaring had ik bij de cursus Herschrijving van de Surinaamse gschiedenis die ik samen met Prof. Dr. Stephen Small verzorgde, Ik deed de eerste week en Stephen de tweede. De cursus werd georganiseerd door het Nationaal Archief Suriname (NAS). Soewarto Moestadja, minister van Binnenlandse Zaken en verantwoordelijk voor het archief, had zich persoonlijk gecommitteerd aan dit traject. Hij opende de cursus en plaatste het in het kader van het regeringsbeleid om de geschiedenis te herschrijven vanuit een gedekoloniseerd perspectief. Toen Stephen Small arriveerde heb ik met hem en Rita Tjien Fooh, directeur van het NAS, een ontmoeting op het ministerie gehad om de follow-up te bespreken. De follow-up bestaat uit vijf onderdelen: het opzetten van een nieuwsbrief voor de community van mensen die geïnteresseerd zijn in de herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, het opzetten van een onderzoeksprogramma om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, het uitgeven van een serie bronnenpublicaties door het NAS om originele bronnen te ontsluiten, het publiceren van een boek op 8 maart 2015 over de positie van vrouwen in de Surinaamse geschiedenis en een follow-up cursus in 2015 waarin de geschiedenis van Suriname wordt vergeleken met de geschiedenis van andere landen.

Op de laatste dag van mijn cursusonderdeel kaartte ik een gevoelige discussie aan: hoe behandelen we 8 december in de Surinaamse geschiedschrijving? Er waren ongeveer 40 cursisten aanwezig met uiteenlopende opvattingen over 8 december. Hoe bespreek je in zo’n gezelschap deze super sensitieve kwestie? Rita Tjien Fooh had publiekelijk in de Ware Tijd aangekondigd dat gevoelige onderwerpen niet van de historische agenda moeten worden gehaald. Er zijn verschillende perspectieven die met elkaar in dialoog moeten gaan: “Maar we moeten eruit komen.”
Bij de bespreking had ik het volgende gesteld. Niemand mag een ander onderbreken. Je moet je eigen mening geven en hoef[t] niet in discussie te gaan. Dit is een begin, niet het einde van het traject over 8 december en geschiedschrijving.
Er was een ingetogen sfeer waarin de emoties als zware wolken boven het gezelschap hingen. Eén persoon plaatste 8 december direct in een groter kader: hoe zit het met Moiwana? Waarom alleen 8 december?
Een ander gaf aan hoe zwaar het op haar maag lag: “Ik was lid van de volksmilitie. Ik wil er voorlopig niet over praten.”
En zo waren er verschillende bijdragen vanuit verschillende invalshoeken. Diep in mij woedden verschillende emoties, maar er was één van vreugde. We zijn in staat om toch een tipje te lichten van de sluier op een taboe waarover we niet graag praten. Het was een klein onderdeel van de cursus, maar niet onbelangrijk.

Het Moiwana monument

Deze exercitie heeft me gesterkt in de overtuiging dat er een maatschappelijke oplossing moet komen voor 8 december en Moiwana. De spanning die op dit onderwerp ligt, kan vroeg of laat de stabiliteit van de samenleving bedreiging. Stel je voor dat bij de nieuwe verkiezingen Santokhi wint. Stel dat het 8 Decemberstrafproces leidt tot de uitspraak dat Bouterse schuldig is. Wat gaat Santokhi doen? Hij heeft twee opties.
De eerste is om de uitspraak te respecteren en Bouterse te laten arresteren. Wat gebeurt er dan? Wie dit soort sociale processen analyseert, weet dat het zal leiden tot een geweldsexplosie. Het vragen van buitenlandse hulp bij de arrestatie zal het probleem van geweld alleen maar verergeren.
De tweede optie is verraad te plegen aan iedereen die pleitte voor het proces. En dat verraad houdt in dat Santokhi zelf amnestie geeft om een geweldsexplosie te voorkomen.
Meer opties heeft hij niet. En beide opties zijn loose-loose-opties.

Zelfs als Bouterse morgen aan een hartaanval sterft, zal de spanning van 8 december en Moiwana niet verdwijnen uit de samenleving omdat er dan een erfenis is waarmee gedeald moet worden.
De amnestiewet van de regering is ook geen oplossing. De dader die zichzelf amnestie geeft heeft daarmee iedere morele basis verloren om die amnestie legitimeren. Je kunt jezelf niet vergeven voor een misdaad. Iemand anders moet je vergeven, als vergeving in plaats van waarheidsvinding aan de orde is.

Mijn conclusie is dat in de afgelopen 32 jaar de politiek geen oplossing heeft weten te brengen in dit probleem. Die oplossing moet van het volk komen. Ik pleit voor een oplossing gebaseerd op drie punten:
1. Intrekking van de amnestiewet.
2. Stopzetting van het 8 decemberproces.
3. Instelling van een waarheidscommissie van onderaf met de bevoegdheid om amnestie te verlenen.

Die punten roepen tal van vragen op, die we in de komende tijd ook moeten bespreken. Maar de kern van deze oplossing is dat we kiezen voor een bepaalde vorm van gerechtigheid. Gerechtigheid heeft twee dimensies: straf en waarheidsvinding. Soms kan waarheidsvinding louterend werken en straf overbodig maken.
Het doel van deze oplossing is dat in de samenleving een atmosfeer ontstaat waarbij grote delen van de bevolking erkent dat we 8 december en Moiwana niet afgesloten hebben, maar een afsluiting absoluut noodzakelijk is. De afsluiting houdt in dat mensen van verschillende kampen elkaar recht in de ogen kunnen kijken en tegen elkaar kunnen zeggen: we hebben het probleem samen opgelost via het mechanisme van waarheidsvinding. Het gaat niet om verzoening. Het gaat er niet om dat iemand spijt en berouw toont. Het gaat er om dat de waarheid boven tafel komt, met alle complicaties die horen bij waarheidsvinding. Maar aan het eind kunnen we tegen elkaar zeggen: we hebben het afgesloten en gaan samen verder. We hebben het mechanisme van geweldloosheid toegepast om een oplossing te bereiken.

Ik pleit al lang voor deze oplossing, maar het heeft tot nu toe geen maatschappelijke weerklank gevonden. De sessie met de cursisten van NAS hebben [heeft] me gesterkt in de overtuiging dat we een open houding moeten ontwikkelen over de kwestie.

Toeval bestaat niet. Kort na mijn aankomst in Suriname had ik een gesprek met een goede vriend van me. Na onze warme ontmoeting zei hij dat hij een boodschap voor me had van Melvin Linscheer, directeur Nationale Veiligheid. Linscheer wil een gesprek met me. Hij kent Linscheer heel goed.
Ik was stomverbaasd. Linscheer? Dat is toch de beul van het binnenland, de rechterhand van Bouterse. “No way”, antwoordde ik geschokt. Ik heb gezworen om me nooit in de positie te plaatsen dat ik in de nabijheid van Bouterse zou komen. Met Linscheer lijkt het alsof ik direct met Bouterse praat.
Ik heb veel respect voor mijn vriend. We delen gemeenschappelijke ervaringen en gaan lang met elkaar terug in de tijd. Hij legde me omstandig uit hoe zijn contact met Linscheer zich heeft ontwikkeld. De beeldvorming rond Linscheer is in zijn ervaring onjuist.
Wat is mijn beeld van Linscheer? Ik weet niet eens hoe de man eruit ziet. Ik had het idee van een sinister en duister type uit de onderwereld van veiligheidsdiensten, CIA, geweld en zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Later zou ik hem googelen en zag foto’s van hoe hij eruit zag.
Mijn vriend en ik spraken heel lang over zijn ervaringen met Linscheer. Zijn boodschap was: Linscheer zoekt naar oplossingen voor 8 december (Moiwana was niet in zijn verhaal opgenomen, zoals ik het heb leren opnemen door de bijdrage van een cursist).
“Wat verlies je om met hem te praten?”, zei mijn vriend. “Misschien moet je een open houding ontwikkelen in deze kwestie.”
Ik liet me overtuigen. Tegen het advies van mijn vrouw in en met veel tegenzin ging ik naar een ontmoetingsplaats die mijn vriend had georganiseerd. Ik kwam eerst aan. Ik was in een lege kamer met een bureau en twee stoelen naast het bureau. Linscheer kwam later binnen.

Bij de voorbereiding denk je veel na over hoe je het gesprek in wilt gaan en hoe je eruit wilt komen. Wat wil de man van mij? Ik ben een eenvoudige columnist bij een veelgelezen medium dat vecht om het hoofd boven water te houden. Ik heb geen macht, geen organisatie. Ik kan niemand opdragen om iets te doen. Ik heb alleen de kracht van het idee, zoals het idee van Decolonizing the Mind of het idee van een morele oplossing voor 8 december en Moiwana. Ik weet dat als een gedachte eenmaal maatschappelijk worteling vindt het transformeert van een idee naar een sociale kracht.
Hij kan met mij ook niet over iets onderhandelen. Ik wil geen geld, dus heeft het geen zin om me geld aan te bieden. Ik wil geen positie, dus kom daar niet mee. Wat valt er dan verder te bespreken?

Linscheer kwam binnen met een uitstraling van een intellectueel in plaats van een CIA-baas. Na plichtplegingen van beschaving en wat omcirkelende small talk begon hij met een analyse over zijn zorgen m.b.t. de langetermijnveiligheid van Suriname en de noodzaak van een structurele en fundamentele oplossing van de kwestie van 8 december (en Moiwana voor mij).
Hij zag de noodzaak in, kende mijn voorstellen uit mijn columns – hij leest al mijn columns – en stelde voor om een vertrouwensrelatie met elkaar te ontwikkelen om een oplossing te vinden. Ik luisterde, onderbrak hem af en toe met wat vragen en probeerde in te schatten: wie heb ik voor me en waarom zou ik hem vertrouwen?
Hij had één voordeel die mijn mind niet liet dichtklappen. Hij analyseerde als een intellectueel en stelde zich open voor discussie. Hij vroeg naar mijn mening en wilde niets van me hebben. Er was geen onderhandeling ergens over. Het was een gesprek over analyses.
We spraken bijna anderhalf uur over de spanningen in de Surinaamse samenleving en onze visies over hoe die op te lossen. We spraken lang over mijn oplossing en de praktische problemen hieromtrent. Hij stelde voor om onze gesprekken in de komende maanden te continueren en te proberen oplossingen te formuleren.
Ik stelde het volgende voor. Mijn oplossing is helder en duidelijk. De vraag aan jou is: wil je de mogelijkheden onderzoeken om een maatschappelijk draagvlak te scheppen voor deze oplossing? Dan hebben we iets om over te praten in de komende maanden. In dat proces kunnen wij dan een vertrouwensband opbouwen om die oplossingen te realiseren.
Hij antwoordde bevestigend. Hij wil de mogelijkheden onderzoeken.
Ik zei dat ik niets en niemand vertegenwoordig en alleen de kracht heb van ideeën. Ik zie dus geen geheim onderhandelingstraject, maar een publieke discussie. Ik stelde voor om ons gesprek in de openbaarheid te brengen via een column, die ik nota bene niet eens vooraf aan hem zal voorleggen hoewel hij daar recht op heeft, gegeven het feit dat het ook een verslag van zijn bijdrage aan het gesprek is. Hij had er geen probleem mee.
We wisselden onze gegevens uit en namen afscheid.

Hoe moet het nu verder?
Ik wil een maatschappelijke discussie die moet leiden tot een situatie waarin we 8 december en Moiwana een respectvolle plek geven in het leven en het geheugen van ons volk en het tijdperk van taboe en spanning kunnen afsluiten. Ik wil een maatschappelijke discussie over de drie punten. In beide kampen zullen er tegenstanders zijn, maar ik hoop dat voorstanders in beide kampen voor de drie punten oplossing zich in de komende maanden gaan buigen over dit idee.
Ik weet niet waar dit naartoe zal leiden. Misschien kost het Linscheer zijn kop als directeur Nationale Veiligheid omdat hij een oplossingsmodel overweegt dat zijn baas niet ziet zitten. Misschien krijg ik weer bedreigingen van mensen om mij een kopje kleiner te maken. Ik heb lang geleden al een besluit genomen over de vraag hoe om te gaan met angst voor de dood: liever staande te sterven dan knielend te leven.

Ik weet dat mijn ouders zich tegen mijn handelingen zouden keren, omdat hun verdriet een onmetelijke omvang had bereikt. Dat verdriet en die wetenschap draag ik met me mee.
Ik put kracht uit de Bhagvad Gita waar Arjuna in gesprek met Heer Krishna het dilemma tussen persoonlijke wensen en sociale verantwoordelijkheid trotseerde met de gedachte dat persoonlijke gevoelens ondergeschikt moeten worden gemaakt aan sociale plichten.
Ik put kracht uit de uitspraak van Mahatma Gandhi over oog-om-oog, tand-om-tand: een eye for an eye makes everyone blind.

Deze hele week ben ik bij mijn vrienden van Fundashon Museo Tula op Curaçao voor een traject van Decolonizing the Mind. Ik heb besloten om het contact met Linscheer voorlopig voor te zetten tegen alle emoties in mijn lichaam in die hiertegen pleiten.

[van Starnieuws, 10 maart 2014]

Medewerkers Nationaal Archief zwaar gedemotiveerd: ‘De hitte maakt werken onmogelijk’

door Euritha Tjan A Way
Paramaribo – Wie over de Jagernath Lachmonstraat rijdt, kan het gebouw van het Nationaal Archief Suriname (NAS) niet missen. Het is speciaal ontworpen naar de moderne maatstaven, ideaal voor het herbergen van archieven. Maar de hitte die bij binnenkomst voelbaar is, is dat allerminst.
De studiezaal van het Nationaal archief vertoont al sinds juli dit beeld. Bezoekers kunnen slechts tot twaalf uur beperkt geholpen worden en het personeel houdt de hitte nog nauwelijks vol.
“Buiten waait het lekker, maar binnen omarmt de warmte je gewoon”, zegt een bezoeker die met twee metgezellen informatie komt opzoeken. Het personeel kan niets anders dan de situatie beamen. “Het is al langer dan drie maanden zo. Zodra je even beweegt begin je te transpireren”, zegt de één terwijl een ventilator op de achtergrond verwoede pogingen doet de hitte te verdringen. De studiezaal staat er verlaten bij. De moderne apparatuur die nauwelijks drie jaar oud is, is de stille getuige van een verleden met een studiezaal vol bezoekers. “We kunnen mensen vaak maar doorverwijzen, de depots blijven dicht omdat de temperatuur daar niet mag stijgen.”
Geen hulp
Errol Williams is zo’n bezoeker die niet geholpen kan worden. “We zijn bezig met een rechtszaak en ik moet hard copy van een vermissing aan het dossier toevoegen. De zaak gaat over een maand voor. Ik ben al overal geweest. Dit is mijn laatste hoop.” Hij wordt spijtig verwezen naar de Onderwijsbibliotheek. “Misschien kunnen zij u helpen.”
Het personeel dat al drie maanden tot twaalf uur werkt, zegt door de situatie zwaar gedemotiveerd te raken. “We komen aan het werk om te zitten. De bedoeling van de archieven was om onderzoek te kunnen doen. Nu kan dat niet omdat de depots gesloten zijn. Soms wil ik thuis blijven, want ik kom zomaar aan het werk”, zegt Audry Koenders, hoofd van de afdeling Educatie en Informatie, de enige medewerker die wel bij naam genoemd wil worden. “Ik was in mijn sas. Ik had nooit durven bevroeden dat dit zou gebeuren”, zegt ze terwijl ze spijtig kijkt naar de conferentiezaal waar in een niet zo ver verleden regelmatig lezingen en bijeenkomsten gehouden werden. “Alles zit op slot”, klinkt het bijna emotioneel.
Scholenprogramma
Koenders vreest voor het educatieve programma van het NAS. “Ik hou me hart vast voor de maand oktober, want bepaalde middelbare scholen hebben een lesprogramma dat afgestemd is op het archief. Wat gaan we doen dan? Gaan we ze in de hitte ontvangen? Ik weet het echt niet”, zegt ze terwijl ze haar hoofd schudt.

 

Op vragen van het personeel aan de leiding over hoe lang de situatie nog voort kan duren komen geen concrete antwoorden. Ook de krant haalt bakzeil. “Bel morgen terug voor een reactie. Ik moet vandaag (donderdag, …red) bij de minister zijn,” klinkt het eerst. Een tweede poging de nationaal archivaris Rita Tjien Fooh- Hardjomohamad te bezoeken terwijl die in het gebouw zit, stuit op niets. “De telefoon wordt niet opgenomen”, zegt de medewerker. De minister van Binnenlandse Zaken Soewarto Moestadja bevestigt dat de onderdelen al besteld zijn om de koeling te repareren. “Maar voor de details moet u bij mevrouw Tjien Fooh-Hardjomohamad zijn.” Herhaalde pogingen leveren echter geen reactie op van de nationaal archivaris.
[uit de Ware Tijd, 21/09/2013]

André Loor vertelt…

André Loor ontvangt het eerste exemplaar uit handen van
VACO-directeur Ed Hogenboom
Donderdagavond 19 september, heeft om 19.30u in het Hoekhuis aan de Waterkant in Paramaribo in kleine kring de officiële presentatie plaatsgevonden van André Loor vertelt…, Suriname 1850-1950. Deze nieuwste VACO-uitgave is geschreven door de welbekende en alom gerespecteerde historicus André Loor, die talloze onderscheidingen ontving, die vereeuwigd is met een bronzen kopstuk en die recentelijk te horen heeft gekregen dat een straat naar hem vernoemd zal worden. De heer Loor is vooral bekend als verteller – hij was jarenlang op televisie te zien met een programma waarin hij vertelde over de geschiedenis van Suriname – en als leraar geschiedenis. Een deel van zijn vermaarde kennis is nu opgenomen in dit boek, waarin hij op de hem zo typerende wijze verhaalt over het Suriname van die jaren.
Uitgeefster Audrey Hogenboom, auteur André Loor en diens echtgenote Judith Loor
Tijdens de presentatieavond werd de heer Loor voor het voetlicht geplaatst door de heren Walther Tjon A Tjieuw en dr. Hans Breeveld, die de auteur ieder in een andere hoedanigheid hebben leren kennen. Hierna gaf ceremoniemeester Deryck Ferrier het woord aan de heer Loor. Deze vertelde over de totstandkoming van het boek en overhandigde vanwege het belang van dit boek voor de samenleving het eerste exemplaar aan minister Moestadja van Binnenlandse Zaken. Ook mw. R. Tjien Fooh van het Nationaal Archief Suriname mocht een exemplaar in ontvangst nemen.
André Loor temidden van het VACO-team
Over het boek:
De jaren 1850-1950 vormden een keerpunt in de geschiedenis van Suriname. Centraal stonden onder andere de afschaffing van de slavernij, de komst van vele immigranten uit verschillende delen van de wereld, de invoering van de leerplicht en het beschikbaar komen van gas en elektriciteit waardoor het dagelijks leven gemakkelijker werd. Het straatbeeld veranderde door de komst van fietsen en auto’s en het verdwijnen van paard en wagen. Er verschenen verschillende kranten en meer mensen leerden lezen. Ook kwam de eerste radio-omroep tot stand en de winning van goud en bauxiet ontwikkelde zich door industriële productie.
[uit Dagblad Suriname, 20-09-2013]

 

Javaanse vrouwen willen af van stereotypering

Een vrouw in sarong en kabaja. Collectie KIT

door Audry Wajwakana

Paramaribo –Het moet afgelopen zijn met het negatieve stereotypebeeld dat bestaat over de Javaanse vrouw. Daartoe zijn echter onderzoek naar de ontwikkeling van die vrouwen, vervolgonderwijs en een mindshift nodig.
Rita Tjiien Fooh-Hardjomohamed gaat hier in op vragen van het publiek bij de lezing over de rol van de javaanse vrouw in de Surinaamse samenleving. Carmen Rasam en Kadi Kartokromo luisteren aandachtig mee. Foto: Irvin Ngariman.
Tot deze conclusie komt Rita Tjien Fooh-Hardjomohamed, nationaal archivaris van Suriname. Zij was dinsdagavond een der inleiders tijdens een lezing georganiseerd door Stichting Dian Dessah in samenwerking met de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie (VHJI). In verband met 123 jaar herdenking Javaanse Immigratie presenteerde zij het thema ‘Een historisch perspectief van Javaanse vrouwen; vanaf de immigratie in 1890 tot de zelfbewuste Surinaamse’.
Baboe (Justus van Maurik)
Publicaties
Volgens de archivaris is het geen nieuws meer dat de Surinaamse geschiedschrijving door Europese academici wordt gedomineerd. In die publicaties worden de tot slaaf gemaakte mensen en contractarbeiders vaak gemarginaliseerd. Zo wordt in de koloniale bronnen het zedelijke gehalte van de Javaanse vrouw beschreven als het ontbreken van enige moraal. Verder worden zij beschreven als materialistisch en dom. “Maar de aanleiding en de oorzaken daartoe worden niet tot in de diepte uitgezocht en wetenschappers en studenten die verder studeren nemen die publicaties, zonder eigen onderzoek, over,” geeft ze aan. De manier waarop de geschiedenis vooral over de vrouwen is geschreven heeft gemaakt dat die stereotyperingen in de gemeenschap zijn blijven hangen. “Telkens wanneer een Javaanse vrouw een hoge positie bekleedt, wordt gelijk verwezen naar de connecties die ze heeft,” geeft ze aan. Dat zou volgens Tjien Fooh ook wel waar kunnen zijn. “Maar wordt het niet tijd dat we ook kijken naar het opleidingsniveau en de deskundigheid van deze vrouwen in plaats naar de etnische afkomst of de politieke affiliatie?”
Adat
Door deze typering durven veel Javaanse vrouwen in hoge functies niet op de voorgrond te treden. Dat beeld wordt volgens de archivaris bepaald door de adat (overlevering) ingegeven door de Javaanse culturele traditie isin (verlegen), wedieh (bang zijn) en wegah (geen zin hebben). “Ze willen deelnemen aan sociale activiteiten, zijn lui en moeten zich rustig houden, want dat is hun rol ingegeven door de traditie. Maar klopt dat wel?”
Volgens Tjien Fooh is er in de jaren negentig langzaam verandering opgetreden in de beeldvorming, vanwege de topfuncties die deze vrouwen bij de overheid en het bedrijfsleven bekleden. “Toch moeten deze vrouwen anderen motiveren, ondersteunen en ook meer op de voorgrond treden”, zegt ze.
Javaanse danst de paardendans. Foto @ Ingrid Moesan
De nationale archivaris wordt ondersteund door de tweede inleider jurist Carmen Rasam die de functie van officier van Justitie bij het Openbaar Ministerie bekleedt. Rasam baseerde haar inleiding op de rol van de vrouw in de Surinaamse samenleving. “Dankzij de godvrezende opvoeding van mijn ouders en mijn eigen doorzettingsvermogen heb ik zoveel carrière kunnen maken. Versterk jezelf door de juiste dingen te doen en laat je niet achtervolgen door stereotyperingen,” geeft zij dan ook mee aan de Javaanse vrouw van vandaag.
Na de lezing volgde een paneldiscussie met Edward Redjopawiro, Kadi Kartokromo en de twee inleiders Tjien Fooh en Rasam. Fred Budike leidde als moderator de lezing en de paneldiscussie.
[uit de Ware Tijd, 10/08/2013]

Rol Javaanse vrouw behoeft aandacht

Allison Yasrodji
door Audry Wajwakana
Paramaribo – Er is weinig bekend over de traditionele rol van de Javaanse vrouwen onder de jonge generatie Javanen en de rest van de samenleving. Met de lezing ‘De rol van de Javaanse vrouw in de Surinaamse samenleving’ wil de Stichting Dian Dessah in samenwerking met de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie (VHJI) een aanzet geven tot onderzoek naar het onderwerp. “Dit om het ons cultureel erfgoed vast te laten leggen en meer begrip vanuit de samenleving te krijgen”, geeft Edward Redjopawiro van stichting Dian Dessah aan. De organisatoren hebben drie Javaanse vrouwen die topfuncties bekleden, uitgenodigd om dinsdag in Sana Budaya presentaties te houden over het verloop van hun carrière.
Warung Suriname
Traditionele rol
De inleiders zullen de rol van de vrouw in historisch perspectief plaatsen, vanaf de contractarbeid tot de beleving in de huidige maatschappij. “Met name de traditionele rol die de meeste vrouwen innemen binnen het gezin , lijkt onbekend.
Daardoor is de beeldvorming die ontstaan is onjuist”, zegt Redjopawiro. Vanwege de rol als moeder/opvoeder en de persoon die het huishouden volledig draaiende houdt, is het een gebruik dat de vrouw het inkomensgeld beheert. “Dus wanneer de man zijn salaris ontvangt, staat hij het af aan zijn vrouw. Zij zorgt er dan voor dat het gezin uitkomt met dat geld”, legt hij uit.
Bij een krap inkomen is de vrouw dan vaak creatief genoeg om toch een goede maaltijd te bereiden. “Ze gaat dan bijvoorbeeld dagoeblad plukken, of groene papaja om er groenten van te maken. Ook de fijngesneden aardappelen worden op een dusdanige manier bereid dat je geen vlees meer behoeft. Al deze dingen zijn geïntegreerd in de rest van de samenleving”, vindt Redjopawiro.
Rita Tjien Fooh-Hardjomohamad voor de Borobudur

Leiderschapskwaliteiten
Behalve de traditionele rollen zijn de vrouwen volgens Redjopawiro ook ondernemers en goede organisatoren. Aangezien mannen zich binnen de Javaanse traditie niet in de keuken mogen begeven, hebben vrouwen zich door hun kookkunsten ingezet voor levensonderhoud. Zo ontstonden de eerste warungs. “Tegenwoordig zijn ze uitgebreid tot full-servicecatering. De vele snacksoorten in de schappen van de supermarkten zijn het bewijs van deze ondernemende rol.” Ook de rol van de dukuns (vrouwelijke natuur genezer) is het bewijs dat de vrouwen goede organisatoren zijn. De dukuns worden tijdens Javaanse feestjes aangetrokken om de vele traditionele ceremoniën voor te breiden. “Al deze rollen duiden op leiderschapskwaliteiten van de Javaanse vrouw”, zegt Redjopawiro.
Eén van de inleiders is Carmen Rasam, officier van justitie bij het Openbaar Ministerie. Zij zegt haar inleiding sec als bemoediging naar de jeugd toe te presenteren. “Dat zullen de twee overige inleiders ook doen”, zegt Redjopawiro. De andere is Rita Hardjomohamad van het Nationaal Archief Suriname. Het panel, waarin Redjopawiro zitting heeft met Kardi Kartokromo en Ingrid Karta-Bink, zal ingaan op vragen van het publiek. De lezing begint om acht uur ‘s avonds.

[uit de Ware Tijd, 03/08/2013]

 

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter