blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Thalia

door Rihana Jamaludin
Op zaterdag 6 februari heeft De Ware Tijd Literair een hele pagina gewijd aan mijn historische roman De Zwarte Lord. Vier recensenten hebben het boek zeer zorgvuldig en met enthousiasme gelezen en vanuit verschillende invalshoeken besproken. Graag wil ik hen hiervoor danken, dat men het een voor Suriname belangwekkend boek vindt, is een bijzondere erkenning.
Het artikel echter dat de historische achtergronden van De Zwarte Lordbespreekt, geschreven door Hilde Neus, beschrijft veel vermeende fouten in De Zwarte Lord. Zoveel dat ik er toch maar even op moet reageren, ook al brengt dat ons in een positie als van Regina en Walther, die een discussie voeren – wat op zich ook wel grappig is.
Voor mijn boek heb ik veel onderzoek gepleegd in boeken en op internet, waar overigens ook veel archieven te vinden zijn.

Correcties
Terecht worden enige fouten door Hilde Neus gecorrigeerd; een volgeladen tentboot had een volgeladen vlot moeten zijn, bakhuis en regenbak zijn door elkaar gehaald en in de hoogste kringen trouwde men niet uitsluitend in eigen land, maar wel uitsluitend met blanke vrouwen, liefst uit eigen kring. * (zie voetnoot)
Deze fouten zullen in een herdruk worden gecorrigeerd, dank voor de opmerkzaamheid.
De rest van Hilde Neus´ bezwaren moet ik echter tegenspreken, wat ik hieronder per onderwerp zal doen.

Goudzoeken
Neus betwijfelt of in de jaren 20 van de 19e eeuw, de vader van Regina wel getroffen zou kunnen zijn door de goudkoorts die volgens haar pas in de jaren 70 van die eeuw weer opleefde. Maar fortuin maken in de Nieuwe Wereld is bij de meeste kolonisten de drijfveer geweest. De goudkoorts sloeg bij vlagen toe, maar in feite is er vanaf de komst van de Spanjaarden gezocht naar goud. Niet altijd in grote groepen tegelijk, maar zeker voor een nieuweling in de kolonie als Regina´s vader, voor wie het fortuin niet vlug genoeg kwam, was goudzoeken een mogelijkheid.

Vredesverdragen met Marrons
Hilde Neus betoogt verder dat de vredesverdragen met de marrons eerder in 1760 en 1772 en niet onder Van Heeckeren werden gesloten. Onder gouverneur van Heeckeren (1832 – 1838) werden echter de verdragen met de Saramaccaners, Aucaners en Matoeari-negers vernieuwd. Als één van de karakters uit het boek hierover praat, ligt het voor de hand dat hij de meest actuele verdragen aanhaalt, en niet die van een eeuw daarvoor.
(bron:’Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië’)

Crucifix van mijnheer De Meza
Een zilveren crucifix op de borst van een man met een overduidelijk joodse naam doet volgens Hilde Neus vreemd aan, maar deze zinsnede is een verwijzing naar de in de loop van de tijd in Suriname steeds verder verwaterde joodse erfenis. Na de Beurscrisis van 1773 vertrokken reeds veel joodse plantersfamilies naar Brazilië of Europa, maar halverwege de 19e eeuw ging het de Surinaamse Joden steeds beter. Zij vervulden hoge functies bij de rechtbank en in de geneeskunde. Kort daarop echter, begin 20e eeuw, zakte deze aanzienlijke positie weer weg als gevolg van de trek naar Holland, vermenging met andere groepen en verwaarlozing van het geestelijk erfgoed.
In het boek is dus duidelijk dat mijnheer De Meza voor een ander geloof gekozen heeft. Ook Samuel Lobato heeft zijn geloof verwaarloosd. Er zijn nog meer verwijzingen naar de teloorgang van deze eerste Surinaamse planterselite, de oplettende lezer zal die wel tegenkomen.

Brand
En hoeveel panden werden nu getrofffen door de grote branden in Paramaribo in de 19e eeuw, 460, zoals Neus aangeeft in haar artikel, of is het getal van meer dan 1000 juist, dat in De Zwarte Lord genoemd wordt?
De 19e eeuwse landbouwkundige en schrijver Marten Douwes Teenstra vertelt ons over de brand van 1821: ´Wat dan ook de oorzaak zij, dat het rijkste gedeelte der stad verloren ging, dit is zeker, 400 woonhuizen, 800 pakhuizen en bijgebouwen werden, behalve de in 1811 gebouwde Gereformeerde koepelkerk, de R.K. kerk, het hof van policie, ´s Lands waag, de weeskamer, een schouwburg en de burgerwacht eene prooi der vlammen; de geheele waterkant, de Oranjetuin en vele straten, het beste gedeelte der stad uitmakende, zijn geheel verwoest en plat gebrand.´
In het boek raakt Herr Konrad geëmotioneerd als hij tracht de omvang van deze ramp samen te vatten, door de aantallen van huizen en pakhuizen bij elkaar op te tellen: meer dan 1000 dus.
(bron: De landbouw in de kolonie Suriname – Marten Douwes Teenstra)

Slavernij in Nederland
Er bestond nooit slavernij in Nederland, de opmerking van Regina dat die al tien jaar is afgeschaft, snijdt dus geen hout, aldus Hilde Neus. Dat is niet juist. Juridisch werd de slavernij op Nederlandse bodem afgeschaft in 1838, zoals de hoofdfiguur Regina in het verhaal zegt. Vóór die tijd was het telkens een netelige kwestie als kooplieden uit de West naar Nederland kwamen en hun slavenbedienden meenamen. Er waren diverse regels waardoor slaven die langere tijd in een land zonder slavernij hadden geleefd, zich hierop konden beroepen en zo trachten de vrijheid te verwerven. Zeker was dit echter niet, de rechter kon aanvoeren dat voor de slaaf de wet van de kolonie gold. In 1838 werd dus de slavernij in Nederland formeel afgeschaft.
(bron: ´Over ´natuurgenooten´en ´onwillige honden´ beeldvorming als instrument voor uitbuiting en onderdrukking in Suriname 1842 – 1862´
– Patricia Gomes)

Gekleurde acteurs in Thalia
Het heeft zeker nog tot ver in de 20e eeuw geduurd voordat gekleurde mensen op het podium van Theater Thalia stonden, zegt Hilde Neus.
Dit is een interessant item dat het waard is onderzocht te worden door een deskundige. Stonden er tot ver in de 20e eeuw geen gekleurde mensen op het podium van Thalia, dat is maar de vraag.
In 1837 werd het ´Tooneel-Gezelschap Thalia´ opgericht. De vier bestuursleden Vlier, Wesenhagen, Blancke en Helb acteerden zelf ook. Waarschijnlijk waren Vlier en Wesenhagen kleurlingen. Verschillende gegevens doen hieraan denken, zoals het feit dat mogelijke familieleden: de advocaat Vlier en de procureur Palthe Wesenhagen kleurlingen waren, en het feit dat hun namen in verband werden gebracht met de Maatschappij der Weldadigheid die Joden en kleurlingen als leden had.
(bronnen: ‘Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië’ en DBNL ´Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur Deel 3 – Michiel van Kempen)

Linkse La Troupe in Thalia
Het conservatieve Thaliabestuur zou, zoals Hilde Neus terecht zegt, zeker geen opruiende toneelstukken op haar podium hebben toegestaan, maar in het boek wordt het theaterbestuur om de tuin geleid door La Troupe, die eerst enkel kluchten opvoert, om zich later te ontpoppen tot een gevaar voor de kolonie. Overigens kan ook gezegd worden dat, hoewel er in werkelijkheid alleen ´brave´ stukken zijn opgevoerd in Thalia, sommige leden individueel misschien minder conservatief waren dan gedacht. Minstens een lid van de familie Vlier heeft zich uitgesproken tegen slavernij.
(bron: DBNL ´De negerslaven in de kolonie Suriname´ – Marten Douwes Teenstra)

Jonge blanke vrouw zonder chaperonne woont in een huis met haar zwarte pupil
Wat Hilde Neus echter het meest verbaasde in de roman is dat Regina, die het gehele boek door zich bijzonder druk maakt over haar reputatie, er geen enkel probleem mee heeft om als jonge blanke vrouw ongechaperonneerd alleen in een huis samen te wonen met een jonge zwarte man. Dit is in die tijd gewoonweg uitgesloten, zegt Neus.
Zeker was het gewaagd voor een jonge vrouw om zonder chaperonne te verblijven bij een man, en nog wel een kleurling. Regina wordt dan ook door de omgeving regelmatig ondervraagd over haar woonsituatie, zelfs de gouverneur wil weten of ´de huiselijke omstandigheden naar wens zijn.´
Ongebruikelijk was het dus ongetwijfeld, er was echter wel al een grote kleurlingenelite en er vonden reeds huwelijken plaats tussen blanken en vrije kleurlingen. De segregatie op kleur leek misschien wel op de hedendaagse ´scheiding´ tussen verschillende Surinaamse bevolkingsgroepen, de uiterlijke tekenen aanwezig, maar zonder ernstige barrière voor de sociale vermenging, behalve waar het de Hollandse elite in de kringen rond de gouverneur betrof, deze hield zich apart.
(bron: ‘Samenleving in een grensgebied; een sociaal-historische studie van Suriname’ – R. Van Lier)

Communisme
Hilde Neus betwijfelt of het communisme in Suriname reeds bekend was.
Hoewel Marx in de huidige tijd degene is die het best bekend is, was hij niet de enige die voor veranderingen in politiek en sociaal opzicht zorgde. Socialisme, communisme en anarchisme kwamen vrijwel gelijktijdig op en zorgden op verschillende plekken in Europa voor veel beroering. Marx´ tijdgenoten Proudhon, Louis Blanc en Bakoenin zijn er dan ook niet met de haren bijgesleept maar waren de voormannen van die tijd. En ook al jaren vóór 1848 internationaal actief.
O.a. via Europese reizigers, kranten, boeken en via Frans Guyana, konden radicale ideeën Suriname binnen zijn gekomen. Dit kan wel of niet gebeurd zijn, het boek blijft immers fictie geplaatst in een bestaande periode, zoals in historische romans vaak genoeg gebeurt.

Het is waar, berichten bereikten Suriname inderdaad laat. Het nieuws uit Europa kon wel pas twee maanden later in Suriname verschijnen. Als schrijfster heb ik echter gekozen voor het synchroon verlopen van de gebeurtenissen in Europa met die in Suriname, omdat het anders voor de lezer veel te verwarrend zou worden.

Waarom een Nederlandse in de hoofdrol
Hilde Neus betreurt dat De Zwarte Lord is geschreven vanuit het perspectief van een blanke vrouw, en de Zwarte Lord slechts een bijfiguur blijft.´De Zwarte Lord´ is echter niet alleen voor Suriname geschreven, maar ook voor Nederland. Surinaamse koloniale geschiedenis is namelijk ook Nederlandse koloniale geschiedenis, al wordt ze in Holland in het onderwijs gewoonlijk weggemoffeld. De Gouden Eeuw wordt nog steeds uitgebreid besproken, maar de koloniën komen er in het geschiedenisonderwijs bekaaid van af. Een vorm van geschiedvervalsing die niet meer in deze tijd past.
Hand in hand met Regina kan de Nederlandse lezer meer te weten komen over Nederlands koloniaal verleden. Tegelijk kan de Surinaamse lezer het vroegere Suriname leren kennen en een beeld krijgen van hoe het er in koloniale tijden uit kan hebben gezien.

[Verschenen in De Ware Tijd Literair, 20 februari 2010]

* Voetnoot
Na inzending van mijn artikel voor DWT, kwam ik tot nog een andere ontdekking en correctie: In de hoogste kringen, de bewindvoerders die door Nederland tijdelijk waren uitgezonden, huwde men het liefst binnen de eigen stand. Toch vond ook hier al soms vermenging plaats door middel van huwelijken met blanke creoolsen. Zoals dat het geval was bij mr. A.F. Lammens, President van het Hof van Justitie, die met de dochter van de creoolse kunstenaar Gerrit Schouten was gehuwd. (RJ)

De recensie van Hilde Neus staat in het bericht hierboven.

Thalia 170 jaar

Het Toneelgenootschap Thalia bestaat deze maand 170 jaar. Het is dezer dagen eerder een holding voor andere theatergezelschappen in Suriname die ruimte en faciliteiten zoeken dan een levende toneelgroep, maar hoe dan ook: het is toch uniek dat in een land waar zoveel zaken al zo snel verdwijnen, Thalia nog immer bestaat. De Werkgroep wenst Thalia Proficiat toe!

Wie Thalia wil feliciteren kan dat doen op het adres: thalia@sr.net
Hieronder de advertentie voor het allereerste stuk dat het toneelgenootschap 170 jaar geleden opvoerde.
,

 

Henk Tjon en Thalia

[bijdrage van het Toneelgenootschap Thalia aan de singi neti voor Henk Tjon (Tam Pau), 24 september 2009]

door Carmelita Teixeira

 

 

Theaterfenomeen! Deskundig, dynamisch, fantasierijk, humoristisch en nog veel meer van dergelijke karakteristieken, zijn de afgelopen dagen gebruikt om de theaterman en persoon die Henk Tjon was, in de media neer te zetten. Geroemd en bejubeld, niet alleen nu hij er niet meer is, maar ook al tijdens zijn leven.

Theater en toneelgenootschap Thalia, meer dan 170 jaar oud en een begrip in het culturele leven in Suriname, kon niet om het theaterfenomeen Henk Tjon heen, zoals ook Henk niet om Thalia heen kon. Over de relatie die in 1970 begon en die ruim dertig jaren geduurd heeft, zouden wij het uitvoerig willen hebben, puttend uit documenten en persoonlijke ervaringen. Het is bekend dat grote delen van ons archief de tand des tijds niet hebben doorstaan. De nog in leven zijnde personen die in Thalia het meest met Henk gewerkt hebben, kunnen wij niet raadplegen. Frank Faverey heeft zich een aantal jaren geleden uit de organisatie teruggetrokken en onze nestor Wilfred Teixeira zit momenteel in Nederland.

.

 

We zouden daarom geneigd zijn te denken dat wij ermee klaar zijn als wij simpelweg de grote, bekende projecten opsommen die Henk bij ons realiseerde:

Henk en Thea (Doelwijt) vanaf 1973 met het Doe-theater in Thalia;

Henk als acteur in Lafu a no sjen in 1977, waarin hij de beroemde cabaretier Johannes Kruisland speelde en in 1982 als Henny in het Zuid Afrikaanse Egoli van Matsemala Manaka, een Thaliaproductie;

Henk als artistiek leider van het eerste Thalia-festival bij de heropening van het gerenoveerde theater in 1982;

Henk als bedenker van het artistieke concept en artistiek leider bij het acht maanden durende Ala kondre-festival ter gelegenheid van 150 jaar Theater Thalia in 1989;

Henk en Wilgo (Baarn) als de uitvoerders van de openingsceremonie voor de viering van 160 jaar Toneelgenootschap Thalia in 1997, met een optreden van de Ala kondre dron-formatie. En bij diezelfde viering als de bedenkers van Oremi, de tori neti, waarbij een reis gemaakt werd door de culturen van de Surinaamse samenleving.

Maar met deze simpele opsomming doen we geen recht aan de relatie Henk Tjon – Thalia.

In een poging via orale bronnen alsnog een stuk van onze historie vast te leggen, organiseerde Thalia eind 1996 en begin 1997 een drietal historische vertelavonden. De toen nog in leven zijnde theatermakers en acteurs werden, in aanwezigheid van publiek, in de foyer geïnterviewd door Carmelita Teixeira. De vertelavonden werden opgedeeld in drie periodes, startend in 1937, toen Thalia precies honderd jaar bestond. De deelnemers beantwoordden vragen over hun bijdragen en ervaringen in het theater. Henk Tjon en Wilgo Baarn participeerden in de laatste interviews op 25 maart 1997, die handelden over de periode na 1970. Dankzij deze interviews is de relatie van Henk Tjon met Thalia in zijn eigen woorden vastgelegd.

Een greep daaruit:

Hoe kwam Henk met zijn Doetheater in Thalia terecht?

‘Als theatermaker had ik,’ zei Henk, ‘een ‘klik’ met schrijfster/journaliste Thea Doelwijt. In 1970 maakten wij samen een soort cabaretmusical Frrrèk. Daarna volgden Hare Lach en in 1973 Land te koop. Deze stukken hebben ertoe geleid, dat we tegen elkaar zeiden: Nu willen wij echt toneel op niveau doen en wij willen het Surinaamse theater ontwikkelen en een nationaal theater bouwen, we moeten een company vormen. Een gezelschap dat getraind is, getraind in het theatervak. Zo ontstond Doe. Penningmeester Frank Faverey van Thalia werd de zakelijke leider van het Doe-theater.’

Doe had geen eigen theatergebouw, Thalia had een schouwburg maar in die tijd geen gezelschap. De twee werden het gauw eens: Doe werd het huistheater van Thalia. Het mocht er werken zonder daarvoor huur te betalen; huur werd alleen betaald als er werd opgetreden. Dat was de deal. Terwijl Frank goochelde met de financiële middelen, hield Doe Thalia niet alleen voor zichzelf, maar ook voor andere groepen open.

Henk had zijn ‘kantoor’ in de artiestenvleugel, op de eerste etage, aan de achterzijde van het gebouw. Het woord ‘kantoor’ nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want Henk was geen kantoorman. Op het bordje boven de deur stond ‘regisseur’. Er stonden een tafel met veel paperassen, stoelen en een stretcher. In deze kamer voerde hij besprekingen, werkte ideeën uit, at en dronk er. Dit was zijn huis en zijn thuis, want hij bracht er niet alleen lange werkdagen, maar vaak ook de nacht door.

Een volgende periode. Wat deed Henk in de jaren tachtig in Thalia?

‘Een van onze doelen met het Doe-theater was een nationaal theater beginnen,’ verklaarde Henk. ‘Wat we daarmee bedoelden, was dat wij een soort laboratorium waren, waarin we van al die verschillende etnische groepen de theatervormen verwerkten. We begonnen een trainingsprogramma en ontwikkelden speltechnieken vanuit de verschillende etnische groepen. Stel je voor, ramlila of winti ofwayang die hun eigen technieken hebben, daar is een eigen toneelvorm voor. Daar werden door ons lessen voor ontwikkeld.’

Henk leerde het publiek op die vertelavond in 1997 op speelse wijze de handklap techniek die Saramaccaanse vrouwen bij hun sekete-liederen gebruiken, waarbij een gesmoord geluid klinkt, omdat ze bij het klappen kommetjes maken van hun handen. Een andere techniek die hij overbracht, was de dyeme: voeten een voor een met een lichte stamp neerzetten, mond open, geluid maken en uitademen.

Tot zover een greep uit het interview, dat nu niet helemaal kan worden weergegeven.

Henk trakteerde de aanwezigen op deze historische avond van 25 maart 1997, samen met Wilgo, op fragmenten uit Egoli, uit Anansi en als toegift kroop hij weer in de huid van Johannes Kruisland met de woorden:

‘Bonsoir, geacht publiek, dames, mijne heren

Ik moet vooral vandaag u heel extra salueren

Ik paar aan mijne groet de dank dat u hier heeft willen zijn,

Dat het zo een volle zaal is, vind ik natuurlijk ook fijn.’

Etcetera.

Henk wilde de historie van Thalia op papier zetten. Op een morgen in 2002 stapte hij met een aantal volgeschreven vellen in de hand, onze administratie binnen. Hij vroeg of dat voor hem uitgetypt kon worden. Het was niet af, hij zou er nog verder aan werken, zei hij. Het is bij die vier pagina’s gebleven. Thalia heeft dit onafgemaakte stuk van Henk bewaard, digitaal, veilig voor ongedierte en vocht. De tekst geeft weer hoe Henk Thalia zag en wat Thalia volgens hem nog zou kunnen.

Henk, Thalia e sari fu yu dede, ma wi e prisiri fu san yu libi na baka.

 

Voor een videoverslag van de herdenking van Henk Tjon bij DNA door Usha Marhe klik hier

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter