blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Tedja Michael

De verdwijning van Marion Bloem en het gebrek aan nationalisme van Dobru…

Eva Gerlach, winnares van de PC Hooftprijs, bracht een prachtige ode aan Trefossa

Geanimeerde Vierde Caraïbische Letterendag

door Yaela van Dijk-Refos

Op zaterdag 1 oktober 2011 vond de Vierde Caraïbische Letterendag plaats in Theater van ’t Woord op de hoogste etage van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Gebruikelijk beeld: de dichters in het publiek die in de publieke zendtijd even hun reclameboodschappen wilden laten horen

Het thema van de avond was ‘Over de kunst van het lezen’. Presentator Miriam Illes kondigde de verschillende programma-onderdelen aan. Zij leidde de avond in en stelde de columnisten voor. Achtereenvolgens lazen Eva Gelach, Juliën Ignacio, Myra Römer en F.Starik speciaal voor deze avond geschreven columns voor over hun leeservaringen. Michael Tedja kon door gezondheidsproblemen niet fysiek bij de avond aanwezig zijn, maar had zijn column opgenomen op een audio-opname die afgedraaid werd. De columnisten hebben allen zeer waardevolle bijdragen geleverd die een kritische reflectie geven op het lezen van Caraïbische literatuur.
De columns werden afgewisseld met twee filmfragmenten met straatinterviews, opgenomen door filmer Kris Kristinsson in Amsterdam Zuidoost. Hierin ondervroeg presentator Quinsy Gario (die ook dicht onder de naam T. Martinus) passanten over hun kennis en leesgedrag ten aanzien van Surinaamse en Antilliaanse literatuur.

Het publiek in de foyer, waar – het mocht van de directeur! – lekkere jazzmuziek was te horen

In de pauze (20 min.) die volgde had het publiek gelegenheid om een drankje te bestellen en verkochten Literaire reisboekhandel De Evenaar en Uitgeverij In de Knipscheer boeken van de aanwezige schrijvers.

Franc Knipscheer achter zijn boekentafel

Na de pauze vond er een debat plaats onder leiding van John Jansen van Galen. Deelnemers waren Karin Amatmoekrim, schrijfster van vier romans – haar laatste Het gym in de week voor de Letterendag verschenen, de avond voor de Letterendag zat zijn nnog bij Pauw & Witteman; Jos de Roo, oud-journalist van de Wereldomroep, criticus van de Amigoe en Trouw, tegenwoordig woonachtig op Aruba en werkend aan een proefschrift over de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in de jaren ’50 en ’60; en Ismene Krishnadath, schrijfster van jeugdboeken, romans en columns en voorzitter van de Surinaamse Schrijversgroep ‘77. De laatste schrijfster was speciaal voor deze gelegenheid overgevlogen uit Suriname. Schrijfster Marion Bloem, die eigenlijk ook aan het debat zou deelnemen, was aan het begin van de avond aanwezig, maar was opeens met de noorderzon vertrokken.

Naar aanleiding van de hoofdvraag van het debat, “Hoe wordt Caraïbische literatuur in Nederland ontvangen door lezers en recensenten?”, volgde een levendige discussie. Is Surinaamse en Antilliaanse literatuur een onderscheiden ‘richting’ in de wereldliteratuur of moet het niet zo bestempeld worden? Begrijpen mensen uit Nederland deze literatuur wel en is dat laatste eigenlijk noodzakelijk om de literatuur op waarde te kunnen schatten? Vooral Jos de Roo’s stelling dat Dobru in zijn nationalistische tijd zo weinig echt nationale metaforen gebruikte, lokte veel reactie uit. Het publiek haakte bevlogen op de discussie in en kreeg zelfs zoveel ruimte van de debatleider dat het panel achter de tafel nog nauwelijks aan verdieping van de discussie toekwam.

Ismene Krishnadath en Jos de Roo: nooit met elkaar eens

Spoken word-artiest T. Martinus sloot de Letterendag af met een performance waarvoor hij gedurende de avond aantekeningen had gemaakt op een flip-over temidden van het publiek.

Spoken word-artist T. Martinus sloot de avond literair af

Na bloemen aan alle deelnemers te hebben overhandigd sloot Miriam Illes om 22.00 het zaalprogramma af. Hierna volgde in de foyer muziek van het latin/jazzcombo Sanne Landvreugd (altsax), Pablo Nahar (contrabas) en Sandip Bhattacharya (tabla).

Nog tot 23.00 had het publiek veel te beluisteren en te bepraten. Op naar het eerste lustrum van de Letterendag! Miriam Illes kondigde al aan dat die zal gaan over het thema Muziek & Literatuur.

Bloemen voor v.l.n.r. Myra Römer, Julien Ignacio, Karin Amatmoekrim, Ismene Krishnadath, John Jansen van Galen, Jos de Roo

Vierde Caraïbische Letterendag – De kunst van het lezen

Op 1 oktober 2011 organiseert de Werkgroep Caraïbische Letteren in de Openbare Bibliotheek Amsterdam de Vierde Caraïbische Letterendag, die ditmaal geheel gewijd zal zijn aan de kunst van het lezen.

Verschillende schrijvers en dichters zullen worden aangesproken op hun leesgedrag: wat, wie en hoe lezen ze? En waarom? Vergt het lezen van Caraïbische literatuur in het bijzonder een extra inspanning? Middels columns, debatten, film en spoken word zullen alle aanwezigen op het podium en in het publiek uitgenodigd om na te denken over hun eigen leesgedrag.

Programma

Voor de pauze worden er columns over de leeservaringen van Eva Gerlach, Julien Ignacio, Myra Römer, Frank Starik en Michael Tedja worden voorgedragen. Ook zullen er filmfragmenten worden vertoond met daarin straatinterviews over leesgedrag (filmer: Kris Kristinsson).

Na de pauze debatteren Marion Bloem, Karin Amatmoekrim, Ismene Krishnadath (uit Suriname) en Jos de Roo onder leiding van John Jansen van Galen over de receptie van Caraïbische literatuur.

Spoken word-artiest T. Martinus vat de avond samen. Er wordt afgesloten met Latin jazz van Sanne Landvreugd en Pablo Nahar.

De presentatie is in handen van Miriam Illes.

Literaire reisboekhandel De Evenaar verzorgt een boekentafel.

Openbare Bibliotheek Amsterdam
Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam.
Zaal: Theater van ’t Woord
Datum: Zaterdag 1 oktober 2011
Aanvang: 19.00 uur precies
Toegangsprijs: € 12,50; met OBA-, CJP- of Stadspas € 10,00
Reserveren kan hier.

De Caraïbische Letterendag is mogelijk gemaakt door subsidies van het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Nederlands Letterenfonds.

Edgar Cairo laat zich niet inkaderen

door Stuart Rahan

Het is documentairemaakster Cindy Kerseborn die, samen met de Werkgroep Caraïbische Letteren, Edgar Cairo en zijn nalatenschap in ere wil houden. Haar Stichting Cimaké Foundation (SCF) riep 2010 uit tot het Cairojaans jaar dat op 16 november in Nederland, tien jaar na zijn dood, wordt afgesloten met de première van de documentaire Ik ga dood om jullie hoofd.

Het was niet slechts Cairo zijn eigenwijze omgang met het Sranan, maar vooral het constante gevecht om in Surinaams-Nederlands niet alleen lezers aan zich te binden maar om literair Nederland te bewijzen dat met zijn taalgebruik er best prachtige verhalen te vertellen waren. Een taal die door veel lezers afgedaan werd met: “Zo praten we niet.” Behalve in de veertig boeken en gedichtenbundels, was zijn schrijfstijl elke week te bewonderen in de Volkskrant. Edgar Cairo was de eerste zwarte columnist van wiens penverdiensten een Nederlandse krant gebruik maakte.
Judith Leysner, een Cairo-interpreterende kunstenaar, vat zijn kracht samen in directheid, strijdvaardigheid en originaliteit. “Op zijn eigen manier vertelt Cairo het verhaal van de zwarte mens, in dit geval de Surinamer. Onze interesses overlappen elkaar. Wij hebben het onderzoekende en de Surinaamse cultuur gemeen.” Judith Leysner liet zich inspireren door zijn gehele oeuvre en staat momenteel met nog drie andere beeldend kunstenaars op een tentoonstelling over Edgar Cairo in CBK Amsterdam Zuidoost.
.

Hoogbegaafd
Edgar Cairo liet zich niet voor één gat vangen. Intellectuelen, die hem bestuderen, proberen hem steeds onder een eigen bepaalde noemer, een soort nyunmannem, te plaatsen. Hij was schrijver, columnist, performer en schilder, die barstte van ideeën en idealen. Vooral het laatste, het schilderen, deed hij heel excessief in zijn laatste levensjaren. Als door een winti bevangen, verwerkte hij alle in hem opborrelende verhalen in schilderijen. De meeste schilderwerken hebben geen titel, waarmee je alvast een handvat krijgt aangereikt. Een eigenschap die je niet zo gauw van Cairo verwacht. Hij benoemde namelijk alles. “Cairo was een bezetene, een intellectuele waaghals die op het randje schreef en schilderde. De verf mocht niet ‘mooi’ worden. Mooie dingen werden door tweederangs kunstenaars gemaakt, die geen flauw benul hadden van poëzie”, beschrijft bewonderaar en schrijver/kunstenaar/curator Michael Tedja hem. “De hoogbegaafde Cairo, die dus in amper een week tijd een hechte roman kon schrijven (De smaak van Sranan libre), is ook in zijn schilderijen aanwezig. Zijn beeldtaal, die gelijk staat aan zijn schrijftaal, is stuwend van karakter. Zijn verhalen zijn geen begeleidende teksten en zijn schilderijen zijn geen illustraties bij de verhalen. Hij schiep een elitaire kunst in een tijd waarin de zwarten als inferieur werden gezien. Dat is pure noodzaak gebleken”, analyseert Tedja het werk en de persoon van Edgar Cairo.

Jezus Christus
De schilder Cairo werd geboren in de laatste tien jaar van zijn leven toen hij problemen kreeg met zijn geestelijke gezondheid. Schrijver Dirk van Weelden benoemt deze periode als te zijn een noodsituatie waar een briljante geest in terecht was gekomen. “Het zijn aan de ene kant de vrije improvisaties van een scheppende geest in een voor hem nieuwe kunstvorm, met alle speelsheid, onhandigheid en onevenwichtigheid van dien. Maar”, zo vervolgt van Weelden zijn visie op Cairo, “de schilderijen zijn ook sporen van een overlevingsstrijd. Met kleuren en penseelstreken, met symbolen en beelden bezwoer hij zijn demonen, zijn wanhoop.” Het schilderen ziet Van Weelden dan ook als een soort van laatste sprankje hoop om de confronterende schrijver weer tot leven te wekken. “Schilderen was ook het blazen in de gloeiende as om het vuur weer te laten opvlammen, het gaande te houden, het licht te redden.” Het was ook een periode waarin Cairo, volgens hoogleraar Caraïbische Letteren en Cairokenner Michiel van Kempen, in de waan verkeerde een directe zoon van de hemel te zijn. Jezus Christus in hoogsteigen persoon, die zijn volgelingen met verborgen verhalen, parabels achterliet, die maar na zijn dood ontcijferd moesten worden. Het tempo waarin hij schilderde en schreef was vrij hoog. Zij, die Cairo bestuderen, beweren zelfs dat hij zijn vroege dood wel zag aankomen en dus intensief en agressief te werk ging. Voor zijn schilderwerk gebruikte Cairo weinig doeken maar veel hout. Grote, kleine, langwerpige of vierkante stukken. Van sommige schilderwerken was duidelijk te zien wat er geschilderd was. Dieren of mensen van wie de kunstenaar het niet zo nauw nam met de anatomie, maar eerder met het verhaal, terwijl veel schilderijen kleurrijke uitingen zijn. Misschien dat je daaruit zou kunnen afleiden dat Cairo in ieder geval in een vrolijke stemming verkeerde en de mindere felle kleuren ook een iets mindere positievere afspiegeling van zijn geestelijke toestand waren. Volgens Tedja kun je geen krachtige beelden oproepen, intelligente verhalen vertellen en een inhoudelijke bijdrage leveren, als je fundament instabiel is.

Eenzame koning
De tentoonstelling Edgar Cairo (1948-2000), de schrijver als schilder laat Cairo-aanhangers de visuele kant van hun held zien. In de daarbij behorende catalogus vertellen vijf Cairo-kenners vanuit hun persoonlijke ervaringen. Hun verhalen zijn verschillend, maar bevlogen tegelijk. Dirk van Weelden noemt Cairo de eenzame koning, naar een soortgelijk schilderij en gedicht. “Zo statig en groots als de klank is van dit gedicht, zo bescheiden en stilletjes is dit kleine schilderij van de zwarte koning. Het schilderij is een echo van de hooggestemde idealen achter Cairo’s schrijverschap. De weigering zich te laten vastleggen tot een keus tussen Nederland en Suriname, tussen het Sranan en Nederlands, tussen geletterd en oraal, tussen mannen en vrouwen, tussen wetenschap en winti, tussen schrijven en optreden.”
Schrijver en columnist Stephan Sanders vergelijkt de taalstrijd van Cairo met de Zuid-Afrikaanse variant, het Kaapse Afrikaans. Sanders noemde de poging van Cairo voor erkenning van het gecreoliseerde Nederlands marginaal, omdat hij dat deed als Surinaamse neger, zoals Cairo zich consequent noemde. Dat in tegenstelling tot de Zuid-Afrikaanse schrijver en kunstenaar Breyten Breytenbach, die als blanke zoon van een Boeroe in het openbaar verklaarde: “Afrikaans is ’n bastertaal, en ons is ’n bastervolk.” De impact was toen, in 1973 ten tijde van de Apartheid veel groter. Sanders ontmoette Cairo slechts één keer in 1983 en zegt met de kennis van nu dat Cairo met zijn pleidooi voor een Surinaams-Nederlands bastaardtaal wel degelijk een wereldpoging ondernam voor de erkenning. Hieruit blijkt dat praten, schrijven over Edgar Cairo je niet uitsluitend over een bepaald aspect van de beleving van zijn persoon kunt bespreken zonder zijn veelzijdigheid te erkennen.
De schrijver Cairo staat niet los van de dichter Cairo en nog minder van de schilder Cairo. En om in de termen van Michael Tedja te spreken: “Eat the frame. Cairo laat zich niet inkaderen.” Cairo is de verpersoonlijking van het wezen om door taal en beeld prachtige verhalen te scheppen met het Surinaams-Nederlands als voertaal.
De leerstoel Cairojaans aan welke Nederlands sprekende universiteit dan ook, is het overdenken waard. O, zoals hij het zelf ooit zei: ‘Het Cairojaans is nie fo domme achtersloot-mensen. Met een studie Cairojaans zou je nu wel een papier (diploma) kunnen halen’. De jarenlange sluimerende discussie in Suriname over wat nu de juiste voertaal moet worden, heeft er een alternatief bij. Een alternatief waar geen enkele Surinamer zich voor hoeft te schamen. Het is een taal die zich net zo vlot heeft ontwikkeld in de Nederlandse koloniale in loop der eeuwen als het Sranantongo. Beide talen kunnen zelfstandig hun mannetje staan en overleven.

[Overgenomen uit Parbode (Surinaams opinieblad) van vrijdag 22 oktober 2010.]

Michael Tedja – Hosselen


door Albert Hagenaarss

In een grote verzameling materiaal, o.a. korte prozateksten (veelal essays), afbeeldingen van kunst, gedichten, bewerkte foto’s, verdeeld over 550 pagina’s, maakt de lezer kennis met de ideeën van Michael Tedja (1954). Dit als roman bestempeld boek handelt vooral over identiteit en kunst en de talrijke, in velerlei vorm gegoten verbindingen en discrepanties daartussen. Onderwerpen als etniciteit, het doorbreken van bestaande structuren en de verhouding tussen vorm en inhoud passeren de revue.
Tedja’s prikkelende stijl is al even divers als zijn thema’s; begrippen als ‘diachronie’ en ‘Kantiaanse zorgvuldigheid’ worden vermengd met straattaal en groepsjargon, het perspectief wisselt aan de hand van ‘facetten’ genoemde stukjes constant zonder dat de rode lijn losgelaten wordt en de lezer heeft veel zelf te interpreteren. Hoewel lang niet al zijn stellingen duidelijk zijn en zeker de gedichten eendimensionaal blijven, weet Tedja door zijn wervelende aanpak tal van interessante vragen op te roepen. Er hoort een, soms overlappende, dvd bij met o.m. fragmenten van een forum en beeldloze muziek.

Michael Tedja, Hosselen
ISBN 978-9068327915
KIT Publishers
€ 19,50

Hosselen betekent geld verdienen op wat voor manier dan ook kan dus ook gewoon werken zijn.

Diachronisch of diachroon komt van de Oud-Griekse woorden dia (“door”) en chronos (“tijd”). Het betekent letterlijk ‘door de tijd’. Het wordt gebruikt als kwalificatie van een analyse of onderzoek: een diachronische analyse onderzoekt de ontwikkeling van een verschijnsel door de tijd heen, hoe in de loop der tijd veranderingen zijn opgetreden en dergelijke. Bij de studie van (gedrags-)veranderingen, of het effect van therapieën over langere termijn spreekt men ook over longitudinale studies. Het tegengestelde is hier dan een dwarsdoorsnede-studie, ook met een Engels jargon “cross-sectional” onderzoek genoemd.
In de geologie kunnen aardlagen of biozones diachroon zijn. Continu vervolgbare lagen of zones met een vergelijkbare inhoud hoeven op verschillende plaatsen niet even oud te zijn. Bij een kouder wordend klimaat zullen bijvoorbeeld flora en fauna die kenmerkend zijn voor een bepaalde klimaatzone Zuidwaarts migreren. Bij een continu aanwezige laag met deze flora en fauna zal een Noordelijke plek een hogere ouderdom hebben dan een Zuidelijke plek. De laag heeft weliswaar dezelfde kenmerken maar loopt ‘schuin door de tijd’ van Noord naar Zuid en is daarmee diachroon.
In de geschiedwetenschap is een diachronisch thema bijvoorbeeld antisemitisme vanaf Julius Caesar tot en met Hitler.
Synchronisch of synchroon komt van syn (“samen met”) en chronos. Het duidt een onderzoek of analyse aan waarin een fenomeen op één punt in de tijd onderzocht wordt. De aandacht ligt dan niet bij verschillen tussen verschillende tijden, maar op verschillen tussen bijvoorbeeld verschillende plaatsen.
Bij de plantenanatomie wordt de term longitudinaal ook wel gebruikt bij het doorsnijden van de scheuttop.
In de geschiedwetenschap is een synchroon thema bijvoorbeeld antisemitisme in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw in de Sovjet-Unie, Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter