blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: tambu

Tambú als Immaterieel Erfgoed in het Haagse Museon

door Fred de Haas

Er stond een straffe westenwind, die zaterdag in maart 2019 en de gutsende regen kreeg vrij toegang tot een gezicht dat al was getekend door chagrijn over het feit dat parkeren bij het Haagse Museon op dat moment haast onmogelijk was gebleken. Dat werd dus een kilometer lopen voordat ik arriveerde bij een manifestatie ter ere van het feit dat het Curaçaose Tambú (‘tamboerfeest’ zou de oude kolonisator hebben gezegd) sinds 2015 definitief was toegevoegd aan de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed en nu zou komen te beschikken over een uitstalkast in het Haagse Museon, tussen de vitrines met ‘vreemde vogels’ en primitieve ‘Hollandse kustbewoners’. read on…

Muziektheater Tipiko Den Haag: Seú & Simadán – Fiesta!

Wegens succes opnieuw herhaald: muziektheater Seú+Simadán=Fiesta! Ronny, een Curaçaose jongen, begaat de grote fout om een traditionele tambú-trommel te stelen, waarna alles verkeerd dreigt te lopen, ook in de liefde… Hoe kan hij dit ongedaan maken?! Met muziek, dans, poëzie van en door Walter Palm… read on…

Ontdek tambú

Tambú als immaterieel erfgoed. Zie onderstaande affiches. read on…

Tambú, a freedom song sluit af waar het begon

door Mineke de Vries

Twee halfbroers erven een tambú, een instrument dat hen verbindt in alle lagen van het zijn. De zoektocht naar de trommel, naar elkaar en uiteindelijk over alle grenzen heen naar oorsprong én toekomst van de volken die samenleven op Curaçao, is de rode draad door Tambú, a freedom song.
De acteurs Kees Scholten en Albert Schoobaar:
Onze rol en kleur is inwisselbaar.
De Nederlandse acteur Kees Scholten en de Curaçaoënaar Albert Schoobaar vertolken de rol van de halfbroers. In mei 2012 stonden zij in La Tentashon op Curaçao, vervolgens op het Oerol-Festival op Terschelling en recent sloten zij hun tournee door Nederland af. In december was er nog een viertal voorstellingen op Curaçao, waarmee zij in totaal zestig keer samen op de planken stonden. Kees Scholten: “Ten opzichte van de eerste voorstellingen is veel veranderd, elke keer bijschaven maakte het uiteindelijk steeds beter. Vooral het aandeel dans is geminimaliseerd, het werd te clip-achtig, waarmee de drive van de vertelling sterker is geworden.”
Albert Schoobaar: “Dat is nou precies het leuke van werken met Kees, je moet eraan wennen, maar kan je je overgeven is het prachtig. Niets is statisch en zelfs tijdens een voorstelling kan iets wijzigen. Je moet elkaar heel goed aanvoelen en letterlijk op elkaar ingespeeld zijn. Maar dat is tegelijkertijd de lol die we samen hebben.”

 

Voetstap achterlaten
Tambú verhaalt over de broers Martina; ze hebben dezelfde vader, een andere moeder. Lorenzo vertrekt met zijn moeder naar Nederland, Johnny blijft op Curaçao. Ze treffen elkaar weer aan het sterfbed van hun vader en erven zijn tambú, een trommel die staat voor een spirituele manier van leven zoals de Afrikanen die meenamen. Lorenzo hecht niet aan de traditie van de trommel en Johnny verkoopt hem om het geld uiteindelijk te verbrassen. De tambú komt terecht in het historisch museum, waar de museumdirecteur – uiterst Nederlands vertolkt door Scholten – de geschiedenis ervan vertelt. Als rampspoed beiden overkomt, steelt Johnny de tambú terug. Van daaruit wordt de symbolische rol van het instrument steeds duidelijker. “Iedereen wil iemand worden – Z’n voetstap achterlaten in het zand.” Als Johnny de tambú in zijn armen sluit en tranen over zijn wangen lopen, als de muziek aanzwelt, houdt het publiek zijn adem in.
De ontroering in de zalen in Nederland is te voelen, door de inhoud maar ook door de vorm en taal: de vertrouwde klanken van het Papiaments, het ritme van de muziek. Maar het zit hem ook in de herkenning van de typetjes, allen door Schoobaar en Scholten gespeeld door slechts het hoofddeksel te veranderen: de museumdirecteur, de plat-Rotterdamse stiefvader van Lorenzo, maar ook het duo van de dame van Jan Sofat (Scholten met zonnebril en paraplu) en de praatgrage Antilliaanse dame (Schoobaar in zijn vrouwelijke vorm), weten ze tot groot vermaak neer te zetten.
Typetjes: de praatgrage Curaçaose
 dame en de vrouw uit Jan Sofat.

 

In de grondverf
Het idee voor Tambú ontstond na een eerdere voorstelling van muziektheatercollectief Het Volksoperahuis uit Amsterdam, die met lokale acteurs en musici Morto i Laman (De dood en de zee) speelde in samenwerking met Teatro Luna Blou. Dat was het begin van de Curaçaose connectie voor het Volksoperahuis, bestaande uit Jef Hofmeister, componist/tekstschrijver en Kees Scholten, acteur/regisseur die samen per productie acteurs en muzikanten erbij zoeken. Scholten: “Het was de manier waarop Ompi Tio ons na afloop met een speciaal voor ons gemaakte tambú bedankte, wat ons ontroerde. De energie uit die tambú pakten we allebei op en dit maakte dat we meteen wisten dat we dáár wat mee wilden, dat dát het uitgangspunt zou worden voor een nieuwe voorstelling over Curaçao en Nederland.
We besloten op Curaçao onderzoek te doen naar de kracht van de tambú. We spraken veel mensen, maar voelden meteen: als je tambú zegt, moet je oppassen, er hangt sentiment omheen, het raakt direct aan de actieve repressie van de zwarte volksaard en betekent het losmaken van de overheersing. Blijf van mijn eigenheid af, lijkt het te roepen. Aan de tambú kan je je vingers branden, er hangt iets verborgens, verbodens omheen. Met al die indrukken gingen zakelijk leider Maarten van der Cammen en ik terug naar Nederland. Jef vertaalde het naar een script waarmee ik, terug op Curaçao Elia Isena benaderde om er drie tambú’s bij te componeren.
“Die gedenkwaardige avond op de porch van Elia ontstond het ritme ter plekke, was ik getuige van de geboorte van de tambú’s, natuurlijk nog in de grondverf, maar de basis van onze voorstelling was er.”

 

Losse vorm
Op zoek naar lokale spelers zochten ze Albert Schoobaar op bij één van zijn schoolvoorstellingen in Habaai. “Met minimale middelen zat het zo ingenieus in elkaar. In die open stijl is Albert echt een virtuoos. We hebben hem meteen bij ons idee betrokken. Hij zit zo dicht op de huid van het publiek: de manier waarop hij een scholier zo sexy aankeek, dat ie wegliep, was geweldig”, en Scholten schiet weer in de lach. Op zijn beurt treft Schoobaar de snelheid in denken, schrijven en spelen van Jef en Kees: “Soms gaat het zo snel dat je denkt ‘waar hebben jullie het over’, maar het dwingt je je mond open te trekken. Je niet laten opfokken maar bij de les blijven. Ik viel voor de vorm, het spel, de liedjes. Deze losse manier van toneel maken neem ik weer mee in mijn eigen voorstellingen.”
Schoobaar schreef al langer voor zichzelf, werkte samen met regisseur Ad de Bont en maakte met Saskia Goldschmidt vele jeugdtheaterproducties.
“Toen ik voor theatergroep Paradox schreef, werd ik een keer gevraagd in te vallen als acteur, zo begon het.” Met Paradox regisseerde hij bijvoorbeeld Oedipus van Hugo Claus voor Curaçao en met zijn eigen Teatro KadaKen maakt hij schoolvoorstellingen voor de Curaçaose jeugd.
“We maken ook lesmateriaal en spreken met de jongeren na over de voorstellingen.” Het artistiek niveau is hoog, de onderwerpen maatschappelijk relevant: opgroeien zonder vader, seksualiteit, tienerzwangerschappen, tolerantie, verwaarlozing. Theater als middel om problemen bespreekbaar te maken. In 2012 maakte hij Tisha en recent de voorstelling De Ballade van Pluisje, die nog tot februari 2014 loopt. Anders dan de vorige gaan ze hiermee echt de klas in. Daarnaast heeft hij zijn eigen jongerentheatergroep Pispijn, waarbij hij ook dramalessen geeft.
Het mooiste kunnen delen
Ook met Tambú wordt een boodschap vertolkt. Scholten vanuit de Nederlandse invalshoek: “Het prachtige Curaçaos-Nederlandse verhaal zegt – juist in de tijd dat Curaçao een autonoom land binnen het Koninkrijk is – veel over wie wij als Nederlanders zijn, hoe we omgaan met gevoelens van superioriteit en schaamte. Of je wilt of niet, de geschiedenis komt altijd aankloppen.” Schoobaar vult vanuit zijn Antilliaanse achtergrond aan: “De geschiedenis is een feit, je kunt er niet omheen. Maar waar is onze eigenwaarde, waarom stoppen we niet ons slachtoffer te voelen. Ik zou hardere stukken willen maken en het mensen in de face willen gooien: hou ermee op. Alsof eigen verantwoordelijkheid niet voorkomt in ons woordenboek. Zeg je daar iets over ben je de makamba pretu. Na de opstand van 1969 hadden we de macht, we hebben er niks anders mee gedaan dan vriendjespolitiek en de positie misbruiken voor verdere onderdrukking. Als reactie op de voorstelling Tambú zeggen Antillianen meteen: zie je wel, die Nederlander verkoopt de tambú weer, maar… kíjk nou eens, je doet het zelf ook. De schuld geven aan de ander, altijd mikpunten zoeken, het buiten zichzelf om zoeken.” De boodschap van deze productie is volgens Schoobaar dan ook: “Laten we praten en culturen laten samenkomen.” Scholten voegt toe: “Wees trots op je cultuur, maar, laat een ander er ook van genieten. Zeg niet, dat is mijn tambú, maar nodig mensen uit naar jouw tambú te komen. Als je anderen toelaat het mooiste wat je hebt te delen, ontstaat vriendschap.”
Albert Schoobaar in de ontoerende slotscène
waarin hij met de tambú de knoek invlucht

Vertrouwen

Zo’n vriendschap zie je bij Schoobaar en Scholten zelf. Er is volledig vertrouwen om te delen. “We kunnen onze ideeën spuien zonder dat je bang bent dat de ander ermee wegloopt, er is nooit een dubbele agenda.” Daarom kunnen ze vrij brainstormen over nieuwe producties. Want dat die er gaan komen, staat vast.
Hun perfecte samenwerking op toneel is er ook in de dagelijkse omgang. Ze spelen scherp op elkaar in, er is constant interactie. Scholten druk, al pratend doet hij allerlei typetjes na, maakt veel bewegingen, Schoobaar wat rustiger, luistert en vult aan. Maar het plezier spat er wel vanaf. “Kees is echt de grappigste persoon die ik ooit ben tegengekomen”, zegt Albert, nog nalachend om het typetje ‘Nederlandse premier met glimlach’ dat Kees net achteloos tijdens zijn derde espresso ten tonele voert.
Bevrijdend
De interactie, het steeds in beweging zijn, geeft ook een verantwoordelijkheid naar elkaar: er is op elk moment ruimte voor nieuwe ideeën van beiden, wat overigens nooit tot enige spanning leidt. Schoobaar: “Dat is zo’n andere manier van werken, enerzijds bevrijdend maar het geeft ook druk. Je moet alles loslaten, ook tijdens het spelen, maar het resultaat is zo bevredigend. Deze vorm nodigt tevens uit te improviseren als je een fout maakt, heerlijk als dat kan, ter plekke bedenken we nieuwe dingen, elke dag kan je bij wijze van spreken met nieuwe teksten komen.”
Scholten: “Ik ga niet uit van het principe: om drie uur beginnen we een repetitie, maar… als om vier uur de kern maar is geraakt, wat er ook aan vooraf is gegaan.”
Een blik, een toon, de energie tussen elkaar kan alles opeens in een ander daglicht zetten. “Dat is de lol, dan ga je aan de haal met je eigen stuk”, zegt Scholten. “Het mooiste is er steeds nét tegenaan zitten, in dat spanningsveld opereren. Dat is theater, het mes steeds voor zijn.” Het verhaal vertellend, er helemaal inzitten als acteur maakt dat het groter wordt dan je kunt spelen.
Scholten: “Het verhaal wordt groter dan jezelf, dat is het allermooiste van toneel. Je komt in een gebied waar je jezelf overtreft.”
Inwisselbaar
De inbreng van de Curaçaose muzikanten zorgt volgens beide acteurs ook voor dat overtreffen van jezelf. Mede door hen kom je tot een heel andere discipline, waarin poëzie, muziek en toneel samenvloeien. Schoobaar: “Voor mij is het mooiste moment als in het begin die muziek aanzwelt en de meiden gaan zingen, de take off.” Alles vloeit in elkaar over. Scholten: “Al is de één wit, de ander zwart, in onze toneelvorm zijn onze rol en kleur eigenlijk inwisselbaar. Het mooiste compliment dat ik terughoorde was: ik vergat helemaal dat je niet zwart bent.” Wat meewerkt in het geheel is Scholtens perfecte gevoel voor nabootsing, hij kan goed luisteren en het nadoen. Al zou je anders vermoeden, hij kent alleen zijn tekst in het Papiaments en niet veel meer dan dat.

 

De reacties op Tambú zijn in Nederland niet veel anders dan op Curaçao. “Wel valt op dat hoe meer Antillianen in de zaal zitten hoe hilarischer het wordt, dan krijg je een soort samenspraak met de zaal. Scholten: “Veel mensen in Nederland zijn zichtbaar ontroerd of komen huilend naar ons toe, misschien is dat toch het heimwee. Iemand huilt om zijn opa, een Nederlandse man komt met zijn oude Curaçaose vriend samen naar de voorstelling. We merken dat zowel de pijnpunten als de mooie dingen verbinden en ontroeren.”
De tijd die je niet hebt meegemaakt. Maar die jou wel heeft aangeraakt. Die jou nu nog parten speelt. Jouw hart en ziel in vieren deelt. De tijd van ver voor jouw tijd. Onvoltooid verleden tijd.
Kan je over dit thema samen vrij praten dan ben je de schaamte voorbij. En dan wordt het uiteindelijk voltooid verleden tijd.
[uit Amigoe Ñapa, 7 december 2013]
Foto’s: Mineke de Vries

 

OCAN talkshow over slavernij & kerstmarkt

Op zondag 15 december 2013, Koninkrijksdag, vindt een een talkshow plaats in het kader van 150 jaar afschaffing slavernij. Deze vindt plaats in het Bindelmeercollege, Dubbelink 1, Amsterdam Zuidoost (14.30h-16.00h); aansluitend vindt een Caribische kerstmarkt plaats in de naastgelegen praktijkschool De Dreef, Dubbelink 3 (15.00h-22.00h). Tijdens het culturele programma op de kerstmarkt vinden o.a. presentaties van kinderen plaats over het slavernijverleden, onder leiding van verhalenverteller Wijnand Stomp.
Datum: zondag 15 december: OCAN talkshow over slavernij in Bindelmeercollege (14.30h-16.00h); Caribische kerstmarkt in De Dreef (15.00h-22.00h)
De locaties zijn bereikbaar vanaf NS-station Bijlmer ArenA met bus 44 of 45, halte Daalwijk. De events, georganiseerd door OCAN, bureau Simpla en Ban Topa Future Stars zijn mogelijk gemaakt door st. Herdenking Slavernijverleden en de samenwerkingsverbanden van het Landelijk Overleg Minderheden (LOM). Meer info over het programma volgt zo spoedig mogelijk!

The Night Holds Me Back (Nochi no ke laga mi bai)

Fotograaf en documentairemaker Catrien Ariëns, die als kind kennismaakte met Curaçao, maakte een veelzijdig portret van de tambú, een belangrijke muzikale expressie van het eiland. De muziekvorm is een onmisbaar onderdeel geworden van het Curaçaose erfgoed. Ervaren tambú-spelers vertellen over het ontstaan van de tambú als verboden muziek van de slaven, hoe uit beperkte middelen de instrumenten werden gemaakt, en hoe de dubbelzinnige teksten het mogelijk maakten ongehoord kritiek te leveren op de machthebbers. Lange tijd was de muziek verboden, maar de tambú heeft alle vormen van repressie doorstaan. De zang is een manier om allerlei misstanden aan de kaak te stellen; van op macht beluste politici en afwezige vaders tot gaten in het wegdek.
Ariëns volgt diverse zangers, dansers en muzikanten die vertellen over wat de tambú voor hen betekent en hoe het overgaat van generatie op generatie. Een van de hoofdpersonen zegt in de film: ‘Hoe meer je je eigen cultuur respecteert, hoe meer je die van een ander kunt respecteren.’
Foto”s: stills uit de film

Un grito pa Libertad

door Quito Nicolaas
Quito Nicolaas (links)

Op 17 augustus wordt de slavenopstand op Curaçao en de helden Tula en Bashan Karpata herdacht . Twee maanden eerder dan de opstand op Curaçao, ontstond op Aruba eveneens een slavenopstand.  Op 15 juni 1795 vond deze plaats op het eiland Aruba en was onder leiding van Andres Tromp. Door gebruikmaking van onze geschiedenis, de namen van de plantages waar vroeger  slaven  arbeid verrichtten en de namen van afstammelingen van slaven, werd dit verhaal geschreven. Het is een tweede kort verhaal welke bedoeld was voor de bloemlezing Topa Tula/Ontmoet Tula, waarvan alleen het verhaal Viriginia in werd opgenomen. Onderstaand verhaal is fictief maar gebaseerd op historische feiten.

‘Ban mira, ban mira, no por sigui soporta di e manera aki. Nos tin di busca un manera pa lanta para.
Nan a priminti cu lo suavisa e condicionnan di bida pa e esclavo, pero nada! Ainda nos ta traha di mainta ora solo mustra su colo, te ora cu luna saca su cara na shelo.’ E esclavonan riba e cunucu di Shon Frido tabata wak otro cu un pregunta den nan cara. Nan tur ta sinti cu ta hende nan ta, mescos cu tur otro homber y muhe. Ariba un distancia di un meter di otro nan tabata para ta ploeg e tereno, preparando esaki pa cuinsa planta. Cu cara abou tabata fiha riba nan trabou, pa n´ coba demasiado y laga un buraco atras. Esei por costa e esclavo un sota di calbas, cu e anochi ei  e´lo no por drumi rib’e lomba. Cu  un precision di otro mundo e esclavo ta haci e trabou, manera su Shon a siñ’e. Mester a ploeg e tera te cu un cinco centimetro asina, pa kita tur e yerba malo cu tabata spreit aki aya. Pa despues di un par di  dia por pasa cu un saco di pipita di maishi y boonchi pa sembra. Mientras nan ta traha nan tabata canta tambe, pa tapa e combersacion cu nan tabata hiba den grupo.
‘M’a tende cu e esclavonan na Haiti a rebeldia caba.’
‘Di ken b’a tende?’
‘Biaha pasa m’a scucha un combersacion di Shon Frido.’
‘Bo ke men e homber cu a bin cumpra tereno?’
‘Si, parce cu e ta di Haiti.’
‘M’a kere cu ta di Sto. Domingo.’
‘No ta di Haiti e ta bin.’
‘Anto e tabata conta Shon Frido?’
‘Parce cu nan a coy machete y kap tur loke cu nan por a haya.’
‘E mierdenan mester a core pa nan bida.’
‘Claro, nan a captura basta di nan.’
Venezuela
Tabata aña 1759, despues di un aña di bon cosecha y negoshi di carni di cabay cu e paisnan den Caribe. Ya caba e esclavonan na Venezuela a rebeldia na mei di e aña ey pa nan libertad. Nan a cuminsa custuma cu un bida normal. Esta di forma un famia, traha un ofishi y cana den caya man’e homber y muhe liber. Nan mes ta bay pisca y hunto cu e casa y yiunan, nan tabata dedica nan mes na agricultura y cria di baca y porco. Riba e otro islanan den Caribe, casi no a ripara nada di e abolicion di esclavitud na e pais di Venezuela. Un ora – un ora noticia ta core cu a mata un esclavo, na momento cu el a trata di huy. Of cu nan a benta nan na laman, pasobra pa di tantisimo bes nan tabata desobediente contra di nan Shon. E bida e tempo ey tabata consisti di un cos: traha-traha-traha. E unico variacion cu tabata existi ta cu un dia bo ta traha cu bo lomba dobla y e otro dia bo ta traha cu bo lomba strait. Of un siman bo ta yuda den cunucu di bo bisiña y e otro siman nan ta yuda alivia bo trabou. E sistema aki di paga lomba, nan a usa pa basta tempo te cu no ta tin lomba mas pa paga cu ne.

E shonnan mes tabata bini hunto pa festeha. Bebida di alcohol tabata skeiro di tempran. E esclavo tabata lora un bari di rum, cual a cumpra cerca un conoci, bin cu ne pa su Shon. Ora nan pasa banda di bo asina, bo por scuch’e rum ta bati eyden. Ta yen di cabrito ta ser sacrifica pa un fiesta asina. Mester a traha sopi di cabrito, carni cabrito…tur cos cu e stoma tabata desea. Nan sa bebe bira burachi te cu mainta ora di dia habri. Eynan mes nan tabata keda fo’i tino benta, tin biaha cu un beker den nan man ainda. Un rosea insoportable ta sali di nan boca meymey di e holo di sacamento di un di nan of restonan di cuminda cu nan a distribi.
E esclavo Thico
E esclavo Thico tabata bisa e otro ‘Ban nos ta lanta nos amigonan fo’i un soño letargico. Diadomingo nos por topa otro na misa pa papia con nos ta bay busca nos libertad.´
´Si pero nan cada un lo ta bay sea e misa na Noord, Santa Cruz of esun di Savaneta,´ Loefstok a contest´e. Ta pesei nos tin di busca manera pa haya nan aki n´e misa di Santa Cruz. Chirino, abo y Andries ta acerca e esclavonan di  Rooi Taki, Nuña, Barbolia, Boedoei. Loefstok abo y Paskel ta tuma pa bo cuenta esnan di Parkietenbos, Mon Plaisir y Balashi. Everon abo y Janga ta haya Hooiberg, Shiribana y Daimari. Mi mes lo tene contacto cu esnan di e plantashi di Santa Maria, Mijn Vermaak y Coronie.´ Andries Tromp aki a sinta pinta den santo e mapa di Oruba, indicando unda tur e plantashinan ta situa. Caminda cu ta tin caminda e tabata marca cu dos liña diki band’i otro. Unda ta tin mondi pa sconde, e tabata marca cu un circulo. E aereanan cu tabata cerca di laman, e tabata marca cu tres ola bou di otro. E costanan cercano di e plantashinan tambe tabata ser marca. E grupo aki tabata pasa oranan ta sinta wak y studia e mapa pa nan tin e bon den nan cabes. Despues, cu nan pia tabata hala e santo tapa e mapa, pa e no ser descubri. Un tabata stimula otro pa sigui cu e idea aki pa topa na misa. Nan tabata sa tambe cu lo no ta tur lo aparece e prome biaha. Mester a tene cuenta cu tabata tin un miedo enorme ta reinando bou di nan. Tambe cu un di nan por reda e grupo aki cerca su Shon, djis pa e ricibi un recompensa di su doño.
‘E siman aki ora mi bay haci respondi, mi lo papia cu esnan di Nuña,’ Chirino a priminti.
‘Ami mesun cos,’ Loefstok a reitira.
‘Ki pretexto nos ta duna nan?’, Everon a cuestiona.
‘Nos ta bisa nan pa topa diadomingo 10 di mei.’
‘Anto kico tin e dia ey? ’, Loefstok a puntra.
‘Nos ta celebra e lantamento na Coro.’
‘Kico e Shonnan lo bisa?’
‘Nan lo respeta un dia di fiesta asina.’
‘Algun lo tin sospecho sigur, ’ Janga a comenta.
‘Y si e lantamento faya?’, Paskel a puntra.
‘Si nos faya, nos ta huy bay Coro.’

Huramento
Cada un di nan a pone nan man drechi riba otro y a huramenta cu nan lo no traiciona otro. E wowonan di esnan presente tur tabata fiha riba e mannan cu yen di cayo, blaar y …rasca di chapi e mata di bringamosa. Mientrastanto Thico ta expresando e palabranan: “Nos a ser elegi pa libera nos hendenan for di un era cu no a trece adelanto pa nan. Nos tur ta subheto di un otro individuo, sin niun clase di derecho of libertad. Dios no por a crea un ser humano cu ta superior n´e otro.” Despues di e mensahe aki, conhuntamente nan a sclama e palabra Libertad, Libertad, Libertad y a kita nan man atrobe for di riba otro. Cada un a lanta para y brasa otro cu por fin tin un luz na horizonte ta bria leu aya. ‘Bin cu e tambu, raspa y wiri pa nos toca un cantica,’ esun a bisa e otro. Poco poco nan cuinsa ta bati riba e tambu te ora cu esaki a forma un melodia, pa despues e wiri y raspa tambe a drenta aden. Thico a cuminsa canta y ripiti e refran:
‘Libertad,Igualdad
Nos  tur ta Un
No tin catibo mas.’
 ‘Sa tin biaha,´ Janga a conta, ´nan sa usa un chapi tambe pa produci un melodia. Asina nan sa toca henter anochi,  hasta te den kibra di madruga. Diaberne anochi asina e muhenan ta compaña nan, bailando y yangando cu nan sanca.’ Loefstok tabata percura pa tin bebida pa pasa di boca pa boca. Di locual sobra di e fiesta di e Shon, nan tabata spaar esaki cada biaha te yena un boter. Den tur nan alegria nan no a realisa cu esaki lo tabata e ultimo biaha cu por a toca tambu den oranan di madruga. E siguiente siman commandeur Platz a laga pone un anuncio na tur e misanan. E anuncio tabata bisa cu entrante e fecha di awe – 2 di februari 1857 – no tin tocamento ni bailamento di Tambu mas, sin permiso di e Conseho Colonial. Asina mes lo mester paga pa dicho permiso un suma di ƒ 1,50.

Plantashi Mon Plaisir
E diasabra anochi ey, e muhe y hombernan di plantashi Mon Plaisir a bini hunto. Nan doño S. Frigerio tabata saca su wayaba, despues di henter un dia di fiesta. Nan tur ta sinta warda ansiosamente pa e prome palabranan keda pronuncia. Mientras e candela ta kima nan dilanti, un ta bira wak otro den cara, pa despues fiha atrobe riba e luz cu e candela ta produci.
Diripiente Thico a saca un popchi traha di un mea largo, kende ta parce shon Frigerio. Esaki tabata yena cu otro pida-pida paña y yen di sumpiña ta crusa manera un spada den curpa di e popchi. ‘E popchi aki ta representa commandeur Platz, kende ke prohibi nos baile, musica y canto.’ Mientras el a sigui papia, e popchi a pasa awor di man pa man y cada un tabata scupi den su cara. ‘Un homber cu ke kita tur cos di nos. E poco cu nos tin cu a sobra di nos herencia, tambe e ke kita. Dia cu nan a importa nos di aya banda, nan a lubida cu nos grandinan a exporta gran parti di nan custumbernan. M’a spera cu e loke a pasa na Vader Piet, unda un esclavo a mata su shon tabata un señal pa nan.’
‘Con a para cu e otronan?,’ Paskel a informa.
‘Esnan di Savaneta ke sa di unda nos ta haya arma,’ un otro esclavo a bisa.
‘Tin un deposito di arma na Wela,’ Andries Tromp a confirma.
‘Sin embargo no ta bisa niun hende di esey,’ Thico a bisa.
‘Nos lo usa e piki, shovel y e chapi como nos arma.’
‘Si… bisa nan esey numa,’ Loefstok a laga sa.
‘Bon,’ Andries Tromp a sigui relata. ‘Loke nos ta bai haci ta cu dia 15 di juni 1795 nos ta lanta contra e abusadornan aki. E dia anterior – esta dia 14 di juni – nos ta pone trabou abou y ta cana bin Noord. Cada pasa un ora un grupo ta pone trabou abou riba un di e plantashi nan y ta bin topa cu nos. Pa 07.00 di mainta nos ta cuminsa na Rooi Taki y sigui cada pasa ora pa Nuña, Barbolia, Boedoei, Parkietenbos. Pa 12.00 na Mon Plaisir, Balashi, Hooiberg, Shiribana, Daimari, Santa Maria y termina pa 18.00 na Mijn Vermaak. Pa 00.00 nos tur mester ta akinan, Andries Tromp a bisa. E shonnan lo haya un susto ora nan mira nan trahadornan bandona e plantashi y no regresa mas. Pa ora cu nan liga, ya e cura ta bashi y no tin hende ta cana mas riba e sabana. Si tin un caretia, uza esaki pa transporta e muchanan y mamanan. Uza e camindanan di patras, pa haci e distancia mas cortico cu ta posibel.

Misa di Noord

Thico para un banda di Andries, ta inspecciona e motivacion di cada un y pa averigua si tin duda ta biba bou di algun di nan. ‘Gracias na Señor cu tur ta dicidido den nan afan pa logra nan libertad,’ el a bisa su mes. Nos ta bay hiba un lucha pacifico pa nos Libertad. Si mester recuri na usa arma, lo haci esey. Pero si no mester, no ta haci esaki. Laga cada ken cu nan picanan mortal pa confesa.’  E dianan tabata halando y dia 15 di juni ta acercando. E muhenan tabata sconde algo di come y bebe bou di nan shimis, asina cu tin algo pa na caminda. E hombernan a sigui cu nan trabounan, sabiendo cu lo no dura mucho pa nan keda libra di e cadenanan aki. Dor di e respet y obediencia cu nan a sigui mantene pa nan shonnan, e ultimo aki no por a ripara nada cu tabata preparando un lantamento na Noord. 

Pa mey anochi tur e cincoshen y pico esclavonan a aglomera na Noord, preparando nan mes pa e dia di mañan. Manera ta nan custumber a lanta e mainta ey pa 05.00 caba y un ora despues tur a bini hunto na e Misa di Noord. Andries a subi para riba un caha di palo y a hiba palabra. ‘Awe nos ta proclama un Oruba nobo, sin distincion entre shon y esclavo. Un isla caminda esclavonan ta liber pa casa, lanta un famia y educa nan mes. Cada cabes di famia lo ricibi di su shon un pida tereno pa traha un cas den cunucu. E shon mester garantisa cu despues di awe e lazonan entre shon y esclavo lo ta uno basa riba igualdad, respet y harmonia.’ Y berdad despues di e fecha aki e esclavonan a integra den e sociedad y tabata liber den haci tur cos cu nan tabata desea. Hasta ta tin di e shonnan cu a casa cu un esclava. E miedo cu e pastornan, doñonan di esclavonan y e gobernantenan ta tin p’e esclavonan cu a haya nan libertad, no ta tin base. Despues di mas cu mitad siglo a dicidi di aboli esclavitud riba e islanan.

QN/, 29-6-2010

 

Afsluiting ‘Geluid van de vrijheid’

Aanstaande zondag 25 augustus, vindt de afsluiting plaats van ‘Geluid van de vrijheid: 150 jaar afschaffing van de slavernij’ in samenwerking met de centrale bibliotheek van Den Haag. Mw. Joyce Overdijk-Francis (Stichting herdenking slavernijverleden) zal spreken over het belang van herdenken en 150 jaar afschaffing van de slavernij.

Verder: ‘Tambú ta Papia’ (De trommel spreekt)

Afro-Curaçaose muziek, dans en gesproken woord!

Met dansers van dansgroep Chi ku Cha.

Mis het niet! Bini unu, bini tur. No perd’e!

Datum: zondag 25 augustus 2013

Tijd: 14.00 tot 15.00
Plaats: Centrale Bibliotheek van Den Haag aan het Spui
Entree: Gratis!

Djadumingu awor. No perd’e. Tambú den bibliotheek di Den Haag

ku grupo Tambu ta Papia i e grupo di baile Chi ku Cha!

Dia 25 di ougustus
Ora 14.00 te 15.00
Luga: Biblioteka di Den Haag den centrum (na Spui)
Entrada: Gratis!

Overal Tula in Amsterdam

Amsterdam stond op zondag 18 augutus in het teken van de Curaçaose vrijheidsheld Tula. Een fotoreportage.

De dood van Tula – Edsel Selberie
Slaaf – Edsel Selberie
Tula aan de Kloveniersburgwal; foto Glen Helberg
Liberta Rosario presenteerde de vertaling van de Tula-roman van haar vader, Guillermo Rosario; foto Glen Helberg
Tambu-groep
Tula-Manifestatie CEC Amsterdam Zuidoost
Alle foto’s, tenzij anders vermeld: Michiel van Kempen

Trommelgeesten (12 en slot)

door Fred de Haas
 
Gebruik van medicinale en/of hallucinogene kruiden in de Curaçaose ‘magie’
 
Zolang als de mensheid bestaat heeft men kruiden gebruikt voor geneeskundige en ‘magische’ doeleinden. Zaden, wortels en extracten van planten en kruiden werden ook gebruikt voor minder fraaie, zelfs criminele doeleinden, zoals het vergiftigen van mensen. Vijgenbladeren vermengd met tabak zijn een roesmiddel. De eik en de tamarinde zijn heilige bomen, ook bij de oude Kelten en Germanen. De aloë is een talisman. Wierook is een probaat middel om de boze geesten van het Oudejaar uit huis te jagen onder het uitspreken van de woorden ‘saka fuk’i aña bieu’ (=  het ongeluk van het oude jaar weghalen). Mijn vroegere buurvrouw deed dit elk jaar.
A.M.G. Rutten heeft in zijn boek Magische kruiden in de Antilliaanse folklore verslag gedaan van een etnofarmacologisch onderzoek dat hij in West-Indië heeft verricht in 1956/57. In zijn boek vind je talloze voorbeelden van planten en kruiden die het bewustzijn kunnen vernauwen, verruimen, verdoven en veranderen. Zo zijn er op Curaçao wel meer dan dertig plantensoorten die een psychedelische (= de geest beïnvloedende) uitwerking kunnen hebben. Yerba di glas en Hilo di diabel bevatten LSD-achtige verbindingen, de Barba di Yonkuman bevat looizuur en giftige narcotica, wortels en zaden van cactussoorten kunnen zeer hallucinogeen (= zinsbegoochelend) zijn.
Het gegiste sap van de karakteristieke Curaçaose agave of Pita plant is roesverwekkend en het gebruik ervan niet van gevaar ontbloot. Rutten merkt op (p.122): ‘wie voor magische doeleinden zijn toevlucht zoekt tot de Antilliaanse flora loopt altijd kans op vergiftiging. Een aantal kruiden dat als medisch getinte ‘Golden Herbs’ (= gouden kruiden) wordt gepropageerd veroorzaakt reacties die ernstig zijn, maar waarbij de herkomst van de reactie niet wordt onderkend’. En: ‘Atropine en Hyoscine uit planten van de Nachtschadefamilie zijn bruikbare geneesmiddelen, maar ook beruchte hallucinogenen en criminele wapens’.

 

Er zijn ‘magische’ kruiden of plantenextracten die je na gebruik ervan de indruk kunnen geven dat je in een andere wereld terecht komt, contact krijgt met het ‘bovennatuurlijke’ of zelfs de suggestie kunnen geven dat je ‘vliegt’. In de slaventijd vertelde men verhalen over slaven die ‘terugvlogen’ naar Afrika. Ongetwijfeld kwamen die verhalen voort uit ervaringen van mensen die bepaalde kruiden hadden gebruikt waardoor ze zware hallucinaties kregen. Een kwestie van pure zinsbegoocheling. Ook de Caiquetíos, de Indianen die vroeger op de Benedenwindse eilanden woonden, waren bekend met het gebruik van allerlei kruiden. Hun rotstekeningen zouden kunnen wijzen op ‘vliegervaringen’, te oordelen naar sommige afbeeldingen die de suggestie wekken van iemand die ‘opstijgt’.
De Afrikanen uit Senegal, Angola, Ghana en Nigeria kenden het bestaan van hallucinogene planten en brachten hun kennis hiervan mee overzee. De kennis van kruiden die Haïtiaanse Vodou-priesters hebben is fabelachtig. Wie kent niet de verhalen van mensen die in Haïti tot levende doden zijn gemaakt – zombis –  door hen te vergiftigen en te verlammen met o.a. sap van Dieffenbachia en extracten van de manzaliña? Dat soort praktijken geldt in het Wetboek van Strafrecht van Haïti als moord.
Kasha di huramentu (Kast met rituele benodigdheden). Foto @ Michiel van Kempen
Ook sterke drank kan een belangrijke rol spelen bij bepaalde ceremoniën. Van oudsher was rum altijd een geliefkoosde drank om een psychodynamische sfeer te creëren. Ook in Montamentu kan het gebruik van rum een functie hebben.
Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat het gebruik van kruiden, drank, het uitspreken van bezwerende ‘religieuze’ formules, het spelen van ritmische muziek, een sfeer kan creëren die kan worden ervaren als ‘heilig’. Net als vele andere mensen is ook de Antilliaan zeer gevoelig voor dit soort zaken. Hun geest staat open voor invloeden van magische rituelen en de vraag is of er aanleiding is om hiermee rekening te houden in de reguliere gezondheidszorg.
Om deze vraag te beantwoorden neem ik u weer mee naar het artikel van Rose Mary Allen ‘Hende a hasi malu p’e’ (over volksgeloof in de Curaçaose cultuur).
De promotie van den ingebeelden zieken (1742),
vertaling J.J. Mauricius. Collectie Michiel van Kempen

 

Le malade imaginaire?
De vraag is in hoeverre de moderne geneeskunst rekening kan en/of moet houden met cultureel bepaalde denkbeelden omtrent de oorzaken van bepaalde geestelijke aandoeningen.
Ik citeer de openingsregels van het hierboven aangehaalde artikel van Allen:
‘De gedachte dat cultuur een steeds belangrijkere rol speelt in de geestelijke gezondheid krijgt steeds meer gedaante. In de psychiatrie worden culturele factoren steeds meer in acht genomen bij het diagnosticeren en behandelen van geestelijke aandoeningen. De bewustwording over de rol van cultuur in de psychiatrie ontstond toen westerse samenlevingen te maken kregen met een groeiend aantal migranten uit verschillende culturen. Psychiaters werden er zich meer van bewust dat bij het behandelen van geestelijke ziekten men ook niet-Westerse ideeën in acht diende te nemen’.
Deze positieve en op zich sympathieke gedachte vraagt wel om enig kritisch commentaar.
Er zijn nogal wat mensen die heilig geloven in het feit dat een boze geest er de oorzaak van kan zijn dat zij zich niet goed voelen. Dat geloof in magische zaken is al heel oud en laat zich niet zomaar wegredeneren. Als een moderne geneesheer goed contact wil hebben met zo’n patiënt kan het van belang zijn dat hij/zij rekening houdt met het magische denken van de patiënt. Als de patiënt merkt dat zijn denkbeelden niet worden weggewuifd als zijnde primitief dan kan er een vertrouwensband ontstaan tussen dokter en zieke, waardoor het mogelijk is dat de moderne geneesmethodes van de dokter effect krijgen en de zieke openstaat voor een ‘moderne’ behandeling.
Mijns inziens kan een moderne geneesheer dat alleen doen als hij, voor de effectiviteit van zijn behandeling, gebruik wil maken van de culturele achtergrond van zijn patiënt zonder zelf in die denkbeelden te geloven. Een moderne arts is geen montadó, mysteriewerker of medicijnman en zal nooit en te nimmer geneeswijzen toepassen op basis van een vermeende ‘Creoolse spiritualiteit’, een geloof in ‘boze geesten’, ‘magische’ krachten of ideeën die afkomstig zijn uit een ver Afrikaans of Indiaans verleden. Dat er mensen zijn die deze ideeën aanhangen is één ding, maar of je erin moet meegaan is een tweede. Als een patiënt zijn/haar ziekte verklaart uit het effect van ‘hekserij’ of ‘brua’ hoef je de integriteit van de patiënt zelf niet in twijfel te trekken, maar zijn/haar ideeën des te meer.
Het lijkt me geen goed idee om ‘Creoolse spiritualiteit’ (wat dat ook moge zijn) op een voetstuk te zetten en te beschouwen als een manier van denken die bewaard moet blijven als een soort permanent cultureel erfgoed. Als iemand denkt dat de heilige Barbara in staat is om boze geesten te verjagen moet ie dat zelf weten, maar een moderne arts kan zich zo’n opvatting niet veroorloven.
Nabeschouwing
Hoewel we slechts kort hebben kunnen ingaan op verschillende Afro-Caribische godsdiensten hoop ik dat de lezer zich een idee heeft kunnen vormen van de wijze waarop deze religies in de Nieuwe Wereld een verandering hebben ondergaan en zijn geïntegreerd in het denk- en belevingspatroon van grote delen van de bevolking. De vraag naar de reden van het hardnekkig voortbestaan van deze ‘zwarte’ godsdiensten is alleszins gewettigd. De reden hiervan is m.i. dezelfde als die welke geldt voor alle godsdiensten.
Het is een eigenschap van de mens om steun te zoeken bij iets machtigers, iets ‘hogers’ dan hijzelf. Op het wereldse gebied wordt de mens beschermd door sociale en politieke instellingen met aan het hoofd functionarissen die door de hele bevolking of door een deel van de bevolking zijn gekozen of gewoon benoemd (burgemeesters, ministers, wethouders, een koning, enzovoorts).
Voor het geestelijk welzijn van de meeste mensen blijkt de wereldse bescherming echter niet genoeg te zijn. In dat geval kunnen allerlei godsdiensten en magische praktijken uitkomst bieden. Hoe bevredigender de antwoorden zijn die een godsdienst op vragen van een mens heeft, hoe populairder deze is. En dan is het te hopen dat de ‘bedienaren’ van de godsdienst in kwestie geen misbruik maken van hun geestelijke macht en dat er evenmin gebruik wordt gemaakt van godsdienst voor politieke doeleinden. Een gevaar dat o zo reëel is en waar de kranten dagelijks vol mee staan.
In maatschappelijk opzicht kan religie voor mensen een heel belangrijke rol spelen. Godsdiensten kunnen mensen die een onopvallend leven leiden de mogelijkheid bieden om  ‘belangrijk’ te worden doordat hen een bepaalde functie wordt toegewezen. Bij Protestanten kan je ‘ouderling’ worden, bij Katholieken ‘pastor’, misdienaar, koster enz. Bij de Afro-Caribische religies is het niet veel anders. Vrouwen die in het maatschappelijk leven nederige arbeid verrichten kunnen ineens belangrijk worden in de ogen van de gemeenschap omdat ze ‘priesteres’of ‘medium’ zijn en mannen die in het gewone leven nauwelijks of niet opvallen kunnen ineens bekendheid krijgen en in aanzien stijgen omdat ze de ‘heilige’ trommels bespelen tijdens Vodou diensten.
Verder bieden godsdiensten ook de mogelijkheid om een latente nieuwsgierigheid naar het ‘bovenaardse’ te bevredigen en aan een brujo/a via het occulte om advies te vragen, een genezing te bewerkstelligen, een wraakoefening uit te voeren en wat je verder maar kan bedenken. We vinden dit in een milde vorm ook terug bij gevestigde godsdiensten als het katholicisme. Menigeen heeft wel eens een kaarsje opgestoken in de kerk om iemand te gedenken of in de hoop op een goed examenresultaat. En wat te zeggen van de zegen van de priesters, het vergeven van zonden, de transsubstantiatie (verandering van Brood en Wijn in het Lichaam van Christus. Overigens geen dogma), de Doop, het Heilig Oliesel, de ‘Zoon van God’, het door de straten dragen van beelden van Maria en andere heiligen… Zijn dat allemaal geen milde vormen van Brua? Wees eerlijk. De meesten van ons vinden al die zaken gewoon, omdat we eraan gewend zijn. Zo gewoon zijn ze toch niet? Toch geloven 1,2 biljoen mensen hier min of meer in. En wat te denken van de volgende uitspraak van een dominee van een Pinkstergemeente (‘Bida Nobo’) op Curaçao: ‘Christen worden is een proces. Eerst moet je je bekeren, daarna laat je je dopen met water en vervolgens word je gedoopt met de Heilige Geest wat spontaan of onder handoplegging kan gebeuren. Daarbij ontvang je gaven van de Geest zoals het spreken in tongen, het vertolken van tongen, profetie, het onderscheiden van goede en kwade geesten, het doen van wonderen of genezingen. […] Het spreken in tongen ‘wekt soms onbegrip bij buitenstanders op, omdat mensen die in tongentaal spreken emotioneel kunnen zijn en dat wordt wel eens verkeerd geïnterpreteerd. Het is bedoeld om de Heer te prijzen in een soort geheime gebedstaal’.
Is dat Brua of is dat geen Brua? De Pinkstergemeente voldoet in elk geval aan een diepgevoelde behoefte van een deel van de bevolking. Het is overigens de enige kerk op Curaçao die haar ledental zag verdubbelen van 3,5% in 2001 naar 6,6 % in 2011 (Central Bureau of Statistics Curaçao, Willemstad 2012).
Wat opvalt in de Afro-Caribische religies is dat ze allemaal bepaalde kenmerken met elkaar gemeen hebben. Er zijn veel rituelen met trance toestanden, er zijn mediums die – naar men gelooft –  met geesten kunnen communiceren, er is een Godsbegrip en een Opperwezen dat zich niet bemoeit met aardse zaken, er zijn godheden die tussen het Opperwezen en de mens in staan, er is een bepaalde structuur in de rituelen (al of geen Afrikaans gezang, het aanroepen van de goden, het brengen van offers, het dansen tijdens de dienst), er worden kruiden, tabak, drugs  en/of alcohol gebruikt, er is een dunne grens tussen religie en magie, religie en moraal zijn twee aparte zaken, je kan bovennatuurlijke krachten manipuleren, er is geen hiernamaals waarin je beloond of gestraft wordt, godheden hebben menselijke eigenschappen, meestal is er sprake van voorouderverering, men gelooft in reïncarnatie, het is mogelijk om zowel christelijk/katholiek te zijn en tegelijkertijd lid van een Afro-Caribische religieuze gemeenschap en bij haast al die erediensten is – vaak virtuoos – trommelspel onontbeerlijk.
De trommelgeesten kunnen de toekomst voorlopig nog met enig vertrouwen tegemoet zien.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter