blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Surinamistiek

In Suriname gebleven

door Lisa van Campenhout

Omslag van Absint; omslagfoto: Onno Siemens
Kort na zijn afstuderen ging hij Nederlands geven in Suriname. Inmiddels is hij naast publicist en docent Nederlands op een middelbare school ook al zes jaar bijzonder hoogleraar bij de bijzondere leerstoelgroep West-Indische letteren. Een interview met Caraïben-kenner Michiel van Kempen. 
In een interview op Radio 1 vertelde u dat u de West-Indische letteren was ‘ingerold’ nadat u in Suriname had gewoond. Waarom bent u daar in de eerste plaats naartoe gegaan?
“Ik wilde een tijdje weg uit Nederland, ik wilde wat van de wereld zien. Als je Nederlands hebt gestudeerd kun je niet veel kanten op en in die tijd was er veel werk in Suriname. Ik besloot om even naar een voorlichting te gaan om te kijken of het wat voor mij was. Na afloop vroeg ik hoe groot de kans was dat ik geselecteerd zou worden. Het antwoord was: ‘U bent aangenomen behoudens goedkeuring van de Surinaamse regering.’ Ik vroeg wanneer ik moest vertrekken. ‘Over zes weken zit u in Suriname.’”
Ik was toen eigenlijk pas net afgestudeerd. Tijdens mijn studie gaf ik parttime les op het stedelijk gymnasium in Nijmegen: nu kreeg ik meteen veertig uur per week. Die uren vonden zowel overdag als ’s avonds plaats, en op zaterdagochtend.
Het leven en werken in Suriname wendde redelijk snel. Pas achteraf besefte ik hoe naïef ik was en hoe slecht ik was voorbereid, vooral cultureel gezien. Je geeft Nederlands in het Nederlands en denkt dat het allemaal hetzelfde zal gaan als in Nederland. Maar dat is dus niet het geval; zo is er nauwelijks onderwijsbegeleiding en zeg je dingen die, achteraf gebleken, ontzettend stom zijn. Grapjes over niet met mes en vork kunnen eten, terwijl allerlei leerlingen uit je klas nog nooit met mes en vork hebben gegeten. Niet dat ze daar iets van zeggen: ze zijn daar niet zo assertief als de studenten hier, die zouden onmiddellijk een weerwoord geven.”
Anya van Toorn – Appel dicht (2012)
“Na vijf jaar ging ik weg uit Suriname. Concreet omdat mijn vriendin in Nederland ging studeren, maar de situatie was daar zo slecht, dat de lol er ook vanaf was. Er was een crisis die je – hoe ik het hoor – misschien vergelijken kunt met de crisis van hier na de oorlog. Van de overheid krijg je een zakje met boter en een paar uien en dat was het. De winkels waren leeg; je kon niet eens een pak waspoeder kopen. Of cola, omdat de doppen niet waren ingevoerd: konden de flessen niet dicht. Er was geen limonade, geen rum, geen bier, geen wijn, helemaal niets. Terwijl in Nederland ondertussen rekken van tientallen meters lang volstonden met honden- en kattenvoer. Bizar.”
In 2006 werd de bijzondere leerstoelgroep West-Indische letteren opgericht. Dat is vrij kort geleden: waarom bestond deze nog niet eerder?
“Vroeger viel de gehele koloniale literatuur onder één leerstoel. Later kwam er een aparte afdeling voor Oost-Indische letteren. De UvA wilde de West niet kwijt, dus werd de leerstoel West-Indische letteren opgericht. Deze naam is een anglicisme; West-Indian literature is een gangbare term, maar van West-Indisch heeft niemand gehoord. Waarschijnlijk zal de leerstoel binnenkort ook worden hernoemd, dan zal het iets van Caribisch-Nederlandse literatuur gaan heten.”
Anya van Toorn – Appel open (2012)
Bent u tevreden over wat de leerstoelgroep de afgelopen zes jaar bereikt heeft?
“Ja, daar ben ik zeker tevreden over. Onder studenten is er ook altijd belangstelling: het aanbod creëert de vraag. Ik geloof dat we langzamerhand doorkrijgen dat we in een samenleving leven waarin op alle punten de Caribische cultuur zichtbaar is, dat was voorheen nog niet zo. Niet dat de studentenpopulatie op de UvA een goede afspiegeling is van de Nederlandse samenleving, dat niet. In mijn colleges zie ik dat iets meer, de helft van de studenten heeft een band met het gebied, ze zijn er geboren of hebben er familie. De andere studenten komen uit nieuwsgierigheid: wat is er nog meer naast de standaard Nederlandse witte literatuur?
Het college dat wordt verzorgd door de leerstoel, is het keuzevak ‘Caribische letteren’. Daarnaast worden er mensen van de leerstoel  ingeschakeld bij andere collegereeksen of bij masters en er zijn natuurlijk een hele reeks promovendi. Dat is wel een winstpunt: waar zouden die anders terecht moeten? Er bestaat geen soortgelijke leerstoel. Er was een collega in Curaçao die zich ermee bezig hield, maar hij stopt ermee. Hij ging dit min of meer vrijwillig doen na zijn pensioen, het is geen bekostigde leerstoel. Het is nog maar de vraag of iemand hem daar gaat vervangen. Hij kon het zich permitteren dit werk te doen, maar een jongere onderzoeker zal toch ook ergens van moeten leven.”
Krijgt u wel eens kritiek op het feit dat u als autochtone Nederlander hoogleraar bent van de enige leerstoel Caribische letterkunde te wereld?
“Kritiek krijg ik niet, maar in Antilliaanse of Surinaamse kringen hoor ik wel dat het spijtig is dat er niemand van hun afkomst is die het doet. Dat is iets wat ik al mijn hele leven hoor; als ik een boek publiceer, is het altijd jammer dat geen Surinamer het heeft geschreven.
Toen de leerstoel werd ingesteld, was er nog bijna niemand gepromoveerd binnen de Nederlands-Caribische literatuur. De mensen bewogen zich niet op dit vlak, het aantal kandidaten voor de leerstoelgroep was nogal gering, om niet te zeggen dat ik de enige kandidaat was. Dat zien we nu weer, nu er een bijzondere leerstoel voor slavernijverleden is opgericht. Omdat er flink wat mensen zijn die zich bezig houden met de geschiedenis van het Caribisch gebied, dachten wij dat er aardig wat kandidaten voor het hoogleraarschap op af zouden komen. Dat viel bar tegen. Er waren maar heel weinig gegadigden en nog minder die de juiste kwaliteiten hadden. Dat komt natuurlijk ook doordat het ook een bijzondere leerstoel is: van een volledige leerstoel kun je tenminste leven. Van een bijzondere leerstoel niet.”
Is het daarom dat u ook les geeft op een middelbare school?
“Ja, dat moet ik wel. Vorig jaar had de leerstoelgroep de eerste cyclus van vijf jaar achter de rug, dan wordt er bekeken of het succesvol genoeg is en of het in huidige vorm moet worden voortgezet. De stichting die de leerstoel bekostigde, kon het door de crisis echter niet meer opbrengen om te blijven financieren. Het voortbestaan van de leerstoel hing even aan een zijden draadje, maar na wat actievoering in de publieke sector is er gelukkig een nieuwe sponsor gevonden, een Curaçaose zakenman.”
In een interview op radio 1 zei u: “Als ik nooit in de tropen was geweest, was ik nu nog een klootzak geweest.” Wat bedoelde u hiermee?
“Mensen die nooit weg zijn geweest uit hun eigen land, denken dat Nederland de maat der dingen is. Als je in een ander land bent geweest, merk je dat datgene dat  je doet veel meer gewicht heeft. Om een voorbeeld te geven: als leraar in Suriname raakte je destijds nauw betrokken in de strijd tegen het militaire regime. Dat was geen kwestie van met een spandoek over straat lopen, dat was gewoon doen dat soms heel gevaarlijk was. En je ziet kinderen daar op school in slaap vallen, omdat ze daar zo moeten ploeteren terwijl ze al om vijf uur waren opgestaan om de koeien te melken. Dat mensen zó moeten knokken voor hun bestaan, dat kennen wij niet meer. Dat zijn verrijkende ervaringen: je leert meer relativeren.
Waar ik mijn colleges altijd mee begin, is iets waar niet veel mensen bij stilstaan: wij spreken Nederlands, zowel thuis als op school. De meeste mensen op de wereld zijn echter meertalig en die doen dat ook automatisch. In Bombay heb ik journalist ontmoet die van jongs af aan zes talen sprak; dat vond hij heel gewoon. Met Engels werk je, Hindi spreek je formeel, hij praatte tegen zijn moeder in een andere taal dan met zijn vader… hij wist exact wat hij wanneer moest gebruiken.
Taal is cultuur, dus dat betekent dat je ook andere culturele concepties meeneemt in jouw denken. Dat is ook wat er in mijn colleges gebeurt, dat ik de evidentie van het lezen ter sprake breng en kritisch ondervraag. Dit is een Nederlandstalige tekst, maar is het Nederlands? In de loop van de collegereeks leren studenten wat er zo specifiek is aan die postkoloniale literatuur en waar je aan kunt zien dat deze uit veel postkoloniale elementen is opgebouwd.
Afgelopen jaar had ik een Antilliaanse auteur uitgenodigd als gastdocent. Al in het eerste college gooide ze alle wonden van zwart-wit in de Nederlandse samenleving open. Maar deze discussie hebben we al lang gevoerd, dacht ik toen. Voor de studenten was het echter heel confronterend: het bleek dat ze hier nog nooit bij hadden stilgestaan. Zwarte Piet racistisch, kán dat, het is toch onze traditie? De schrijfster gaf aan op wat voor manieren zij was geconfronteerd met evident of sluipend racisme. Dat zijn interessante dingen: je trekt met de Caribische literatuur ook de hele multiculturele samenleving in je college.”
[uit Absint, nr. 6, september/oktober 2012]

Colloquium Surinamistiek over jongeren

Morgen, zaterdag 12 november 2011, vindt in het KIT het jaarlijkse Surinamistiek-colloquium van de Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS) plaats. Thema is deze keer: jongeren en hun leefwereld.

Klik hier voor het volledige programma.

I love SU!?: Colloquium Surinamistiek 12 november 2011

 

De Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek organiseert op zaterdag 12 november a.s. in samenwerking met NiNsee, Stichting Wan’atti en Stichting Terra en SIO het jaarlijkse colloquium Surinamistiek, dat gewijd zal zijn aan jongeren en jongerencultuur in Suriname.

 

Ochtendprogramma
Dagvoorzitter: John Schuster
10.15 – 10.45 uur Ontvangst en koffie
10.45 – 11.00 uur Opening door Peter Sanches,
Voorzitter IBS
11.00 – 11.25 uur Nina Jurna: Surinaamse jongeren, origineel, talentvol en zelfbewust
11.25 – 11.50 uur Frank Bovenkerk: Waarom is de jeugdcriminaliteit in Suriname zo uitzonderlijk laag?
11.50 – 12.15 uur Lucy Lewis: Suïcidaal gedrag onder jongeren in Paramaribo en Nickerie
12:15 – 12:40 uur Carla Bakboord: Disi na mi, mi e prodo nanga mi kondre!
12:40 – 13:00 uur Vragenronde
13.00 – 14.00 uur: Lunchpauze

 

Middagprogramma
Dagvoorzitter: Hebe Verrest
14:00 – 14:25 uur Inge van der Welle: Jonge Surinamers in Amsterdam
14:25 – 14:50 uur Marcus Balkenhol: Kulturu, het cultureel geheugen van de slavernij en de ‘afwezigheid’ van jongeren
14:50 – 15.15 uur Alida Neslo: No drai baka, no fadon
15.15 – 15.35 uur Vragenronde
15.35 – 15.45 uur Afsluiting
15.45 – 17.00 uur Informeel samenzijn

Locatie: Het Tropentheater
Adres: Linnaeusstraat 2, Amsterdam
Entree: E10,00
(vanaf CS Amsterdam tramlijn 9)

 

 

Buku – Bibliotheca Surinamica

Buku – Bibliotheca Surinamica is een collectie van Surinamica die naast boeken ook foto’s, schilderijen, etsen, manuscripten en ephemera omvat. Alle items zijn op een of andere wijze verbonden met de geschiedenis van Suriname. Ieder boek of foto vertelt een verhaal over een lang verwaarloosde geschiedenis. De geschiedenis van Suriname is in wezen Nederlandse-, of in een breder perspectief, Europese geschiedenis. Suriname en haar voormalige kolonisator, Nederland, delen een gemeenschappelijk verleden.

Wilhelmina van Eede, Amsterdam, 1883
Het doel van Buku is om dit verleden, waarin de Afrikaanse-, Joodse-, Indiase-, Javaanse- en Chinese diaspora zijn verweven met Europese koloniale expansie, die als geheel weer werd opgedrongen aan de al bestaande Amerindiaanse culturen, te helpen documenteren.
Tjin-A-Mooy en echtgenote (Paramaribo, 1905)
 
Op deze website ziet u oude, bijzondere boeken en afbeeldingen uit de Buku-collectie. Regelmatig verschijnen op de site artikelen over de geschiedenis van Suriname.
Kijk op: www.buku.nl
Wilt u op de hoogte blijven van updates, vul dan uw email adres op de site in.
Voor reacties mail naar: surinamica@gmail.com

 

UvA akkoord met verlenging West-Indische Letteren

Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd

Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) gaat akkoord met de herbenoeming van Michiel van Kempen als bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren. Voor de komende drie jaar is de financiering van de bijzondere leerstoel West-Indische Letteren gewaarborgd. Van Kempen verwacht dat de universiteit dit zal verlengen tot vijf jaar.

Het voortbestaan van de bijzondere leerstoel hing enkele maanden geleden aan een zijden draadje door het wegvallen van de belangrijkste sponsor. Door een actie van promovendi van Van Kempen en particulieren die de Westindische letteren een warm hart toedragen, kon de herfinanciering van de leerstoel alsnog gerealiseerd worden.

Enige leerstoel

Vooral voor zijn promovendi en het werk dat de afgelopen vijf jaar is gedaan is het volgens de bijzonder hoogleraar goed nieuws. “Je hebt erin geïnvesteerd en dat zou ineens worden afgebroken.” Voor de promovendi was er eigenlijk geen uitwijkmogelijkheid: “Het is de enige leerstoel ter wereld op het gebied van de literatuur van Suriname en de Antillen.”

De hoop dat de bijzondere leerstoel wordt omgezet naar een gewone leerstoel heeft Van Kempen voorlopig uit zijn hoofd gezet. “Dat is wel eens gebeurd, maar niet in tijden van bezuinigingen.” Zelf vindt hij dat West-Inidische letteren belangrijk genoeg is voor een vaste plek aan de universiteit.

Extra inzet

Ook professor Marita Mathijsen, voorzitter van het curatorium dat toezicht houdt op de bijzondere leerstoel, is opgelucht over het voortbestaan van de bijzondere leerstoel West-Indische Letteren. Ze vindt dat er zeker een gewone leerstoel moet komen: “Dat zou helemaal terecht zijn. Maar men geeft liever geld uit aan nieuwe wegen dan aan onderwijs.” Ze ziet ook een positieve kant aan het particulier initiatief: “Het draagt ertoe bij dat dit met extra inzet gedaan wordt.”

[RNW, 18 augustus 2011]

OSO: gemis aan warmte

door Hilde Neus, m.m.v. Christine Samsom en Els Moor

De nieuwe OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, is uit. Meestal zijn we blij, vanwege de variatie aan artikelen en de inhoud die voor ons vaak bij onderzoek (op welk niveau dan ook) van belang is. Deze keer zijn we niet onverdeeld enthousiast. Dit heeft mede te maken met het feit dat Els Moor en ondergetekende aanwezig waren op het symposium van november 2010 met dezelfde titel, plus de aanvulling: ‘Het Surinaamse binnenland, obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden’. De meeste artikelen die op dat symposium zijn gepresenteerd, zijn ook opgenomen in dit themanummer van het tijdschrift.

Foto rechts: de dichter Sombra en Hilde Neus

Ik ben al lang abonnee van OSO en was erg benieuwd naar het symposium van de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS), die het tijdschrift uitgeeft samen met het KITLV. Het werd een tegenvaller. In de benadering van de mensen miste ik de warmte van Suriname. Martina Amoksi stond te sukkelen met de techniek van haar powerpoint-presentatie, niemand schoot haar te hulp of stelde haar op haar gemak. Het maakte dat ze erg uit haar doen raakte. Voor ons duidelijk: ze had in het Nationaal Archief te Paramaribo deze presentatie ook gehouden, en dat verliep vlekkeloos. En als we bij de discussie vragen wilden stellen of opmerkingen wilden maken, werd ons op onvriendelijke wijze duidelijk gemaakt dat we het vanwege de tijd in twee of drie zinnen moesten doen.

De goudlijn
De documentaire De goudlijn van Hans Hylkema werd vertoond. Mijn ergernis over dit verhaal over de spoorlijn ‘van ergens naar nergens’ werd steeds groter. Recensente Elin Derks verwoordt het goed: ‘Ik vraag me af of hij überhaupt heeft nagedacht over wat hij zijn doelgroep wilde vragen (“Loopt u hier vaak?” vraagt hij aan zo’n vijf schichtige voorbijgangers, wanneer hij de spoorlijn te voet door het oerwoud volgt). De meest interessante verhalen ontstaan wanneer je de interviewer niets hoort vragen. Ook lijkt het of hij de inlanders meer irriteert dan grote betrokkenheid weet over te brengen. Dit komt vooral mooi tot uiting wanneer hij door de burgemeester van één van de dorpjes boos wordt toegesproken: “Jullie moeten ons nu helpen en niet gratis komen filmen…”’
Ik denkt dat veel van die irritatie ook ontstaat omdat de ondervraagden geen Nederlands spreken. Helaas bleef het debat over deze paternalistische insteek, dat ik op zo’n Oso-symposium verwachtte, uit.

Een deel van de IBS-medewerkers maakt zich schuldig aan bevoogding en kritiek op de situaties in Suriname. Iemand zei in de pauze: ‘Ik begrijp niet waarom alles zo moeizaam gaat in Suriname.’ Boosheid bekroop me over zoveel betweterigheid, en ik zei: ‘Simpel: twee redenen: het klimaat: mensen functioneren langzamer, wied groeit sneller, de houten huizen moeten extra goed onderhouden worden, enzovoort. Daarnaast zijn de mensen dun gezaaid, zeker in de districten. Dit betekent dat je voor alle nutsvoorzieningen veel meer geld per hoofd van de bevolking uit moet geven. Dus voor grote infrastructuurprojecten zoals bruggen of wegen moet de belastingbetaler per kilometer veel meer afdragen dan bijvoorbeeld in Nederland. Een simpele optelsom dus. Ik ben ervan overtuigd dat veel onderzoekers Suriname een warm hart toedragen. Daarom is het zo belangrijk dat ze zich goed laten informeren en niet steeds vergelijken met Nederland. Of, zoals een stagiaire in Suriname op haar blog schreef: ‘We sluiten de avond af met een glas wijn en een kaasje. Zoals ons is geleerd.’ Ik houd daar af en toe ook wel van. Maar hier, in Su, verkies ik Borgoe-cola en cassavechips.

De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
In het artikel ‘De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg’ ordenen en beschrijven de auteurs Ton de Jong en Jeroen Ketelaars dozen vol met tienduizenden foto’s die van 1886 tot aan 2000 toe gemaakt zijn. Opmerkelijk is, dat er gezegd wordt dat er rond 1900 maar enkele tientallen studio’s in Suriname waren, en wel 450 in Nederlands-Indië. Dit wijten de auteurs aan economisch gewin. Ik zou denken dat het bevolkingsaantal zeker ook meespeelt. Het beeld van de West zou beperkt zijn gebleven hierdoor. Dat mag zo zijn. Maar het blijft nog steeds beperkt als de auteurs Augusta Curiel niet noemen, wier foto’s uit de collectie van het Surinaams Museum en het KIT in een prachtig boek zijn gepubliceerd (Augusta Curiel, Fotografe in Suriname 1904-1937, Van Dijk, Van Petten en Van Putten, Libri Musei Surinamensis 3, 2007). Zij heeft ook een aantal religieuze ordes vastgelegd op de gevoelige plaat. Diverse foto’s zijn te zien op de internet, site Flickr; u komt erop als u ‘Surinaams Museum’ invoert. De foto’s uit de collectie van de fraters worden ook gedigitaliseerd. Een goede zaak, want dan heeft eenieder toegang tot de mooie afbeeldingen. Klinkt het niet lichtelijk ironisch als de archivaris van de congregatie zegt dat de foto’s juridisch gezien aan de fraters behoren, maar moreel en gevoelsmatig ook aan de Antillianen? Jammer genoeg kunnen we vele gefotografeerde personen niet meer vragen of ze toestemming hebben gegeven om vastgelegd te worden op de gevoelige plaat, maar we kunnen ons wel voorstellen hoe dat in veel gevallen is gegaan. De foto’s komen vooral van de Antillen, vanwege een grotere aanwezigheid van de fraters daar, ook in het onderwijs. De afbeeldingen kunnen zeker een ondersteunende functie hebben bij het schrijven van de geschiedenis van de fraters in de West, waartoe hier een aanzet is gedaan.

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
De uitdrukking ‘De Wetten van de Jungle’ heeft net als het woord ‘bananenrepubliek’ naast een fysieke (hoe het werkt in de natuur) ook een denigrerende lading. Zo van: ‘wij in de beschaafde wereld, wij weten hoe het hoort….’ ‘O ja?’ zeg ik dan, ‘hoe lang is het geleden dat miljoenen joden werden vermoord in dat o zo beschaafde Europa, er koloniale oorlogen werden gevoerd met alle bijbehorende wreedheden om maar te zwijgen van huidige oorlogen?’
Sinds de artikelen en verslagen over de militaire machtsovername in 1980 en vooral ook over de Binnenlandse Oorlog sinds 1986 in Nederlandse kranten en weekbladen, vraag ik me af of het werk van journalisten niet ook soms/vaak onderhevig is aan die wetten van de jungle.
Daarom ben ik erg blij met het artikel ‘The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media’, waarin Ellen de Vries (foto links), auteur van het boek Suriname na de Binnenlandse Oorlog (2005, KIT Publishers), haar mening geeft over en vragen oproept ten aanzien van de gevolgen van de berichtgeving in Nederlandse media, de invloed daarvan op het verloop van de burgeroorlog door de verheffing van Ronnie Brunswijk tot Robin Hood, guerrillastrijder respectievelijk junglecommandoleider van de ‘good guys’, tegenover de ‘bad guys’ van legerleider D.D. Bouterse. De Vries komt met veel voorbeelden, vooral tijdens de eerste weken van de Binnenlandse Oorlog, uit onder andere de Volkskrant, de Telegraaf, NRC Handelsblad (ja, die ‘kwaliteitskrant’ deed ook mee), Het Parool en het weekblad de Nieuwe Revu. Ik herken in dit artikel de mening van veel mensen in het binnenland die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt en eronder hebben geleden. Voor hen was het: ‘de duivel uitdrijven met Beëlzebub’, oftewel: iets ergs bestrijden met iets wat nog erger is! De schrijfster pleit voor meer onderzoek.

Demystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname
De cultureel antropoloog Salomon Emanuels schrijft in zijn bijdrage ‘De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers’ over hoe in het verleden en in navolging daarvan ook door huidige beleidsmakers wordt omgegaan met traditionele ideeën over grondbezit, bestuur en ander gewoonterecht in tribale gemeenschappen. De schrijver zet, met het aanhalen van onder anderen Afrikaanse wetenschappers, uiteen, hoe eurocentrisch er tot de dag van vandaag wordt gedacht door beleidsmakers, zelfs als ze zelf uit het binnenland afkomstig zijn. Volgens hem zijn ‘traditionele structuren’ op zich geen belemmering voor ontwikkeling’.

Contact, Marrons en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland
`Als je geen voeten hebt, heb je ook geen schoenen nodig` verkondigde een minister niet zo heel lang geleden toen hij op een krutu de vraag kreeg, wanneer ook het binnenland de mogelijkheid zou krijgen om mobiel te telefoneren. Dat was niet erg aardig van die minister en het werd hem dan ook niet in dank afgenomen. Maar gelukkig, deze uitspraak is allang achterhaald. Uit de bijdrage van Alex van Stipriaan blijkt de ´vooruitgang´ op dat gebied overduidelijk. Hij noemt de komst van de buitenboordmotor en de cellulair als meest revolutionaire veranderingen. En hij voorspelt nog veel meer veranderingen (en meer migratie naar de stad!) met de aanleg van meer wegen.

Overleven in de Wayanajungle
‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’, is het motto, en meteen de ondertitel, van het artikel van Karin Boven. Daarmee slaat ze de spijker op de kop van de thematiek. Karin Boven is dé deskundige op het gebied van onderzoek naar het inheemse Wayanavolk in het zuiden van Suriname. Door enkele jaren in het dorp Kawemhakan met de mensen te leven, heeft ze veel essentiële kennis opgedaan.
Overleven is altijd dé kunst voor volken die in het wilde bos in het binnenland leven. Maar tegenwoordig zijn er heel wat problemen bij gekomen. Vooral de overlast die veroorzaakt wordt door vreemdelingen die in groten getale, meest illegaal, aan goudzoeken doen, nog afgezien van de goudmijnen. Het Wayanagebied is niet meer van de Wayana, waardoor de situatie totaal ongecontroleerd is geworden. Criminaliteit stijgt onrustbarend en de gezondheid van de bewoners wordt bedreigd door het kwik in het rivierwater. Behalve een militaire post aan de grens met Frans-Guyana doet de Surinaamse overheid niets om de chaos op vele gebieden op te heffen.
Karin Boven heeft een informatief en zeer overzichtelijk artikel geschreven over deze problematiek in ‘de jungle’. Ikine Makalena, een van haar informanten uit Kawemhakan zegt het mooi: ‘Aan de Franse zijde zijn planten en dieren beschermd. Maar wie of wat zijn wij, de Wayana dan?’ )

Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana. De wetten van interculturele communicatie
Dit artikel van Eithne B. Carlin (foto links) was een van de inleidingen op het colloquium van de stichting IBS in november 2010. Ik was erbij en verbaasde me steeds meer. Het begint al met de uitspraak: ‘Als onafhankelijk toeschouwer ben ik tot de conclusie gekomen dat de pogingen om van ontwikkelingshulp tot ontwikkelingssamenwerking te komen, op een enkele uitzondering na, mislukt zijn. Dat klopt in gevallen van buitenlandse projecten wel, maar vanuit Suriname en met name het project ‘Change for Children’ zijn ontwikkelingsprojecten vaak tot echte samenwerking uitgegroeid. Carlin baseert haar theorie voor een groot deel op het niet begrijpen van elkaars taal. ‘Wij’ en ‘moeten’ bijvoorbeeld, hebben een totaal andere inhoud in het Trio dan in de westerse talen. Dat zou tot miscommunicatie leiden. Maar de projecten zijn meestal praktisch, samen met kinderen spelenderwijs bezig zijn met onderwijs in de moeilijke schooltaal, samen aan sport doen en aan kunst, landbouw en gezondheidszorg. De taal is echt niet het enige middel om elkaar te begrijpen en samen te gaan werken. En wetenschap is ook werkelijk niet hét middel om aan ontwikkeling te werken. Samen creatief en inventief aan een ontwikkelingsdoel werken, vanuit de eigen omgeving, daar gaat het om!

Recensies
De Oso bestaat zoals altijd uit een aantal recensies, berichten en In Memoriams. Verder is de signalementenlijst erg belangrijk voor mensen die willen weten wat er over een bepaald onderwerp in het afgelopen half jaar is gepubliceerd. Van de recensies kunnen we met trots zeggen dat het overgrote gedeelte al is besproken op deze pagina. De boekselectie verbaast soms: er zijn uitgaven bij uit 2007.
De inhoud is vaak informatief, maar helaas soms ook onjuist. In de recensie van Tinde van Andel staan enkele storende fouten: black eyed peas zijn geen djar’pesi, en callaloo is geen klaroen maar tayerblad. Even googelen en je weet het. Of: kom weer eens hier eten meisje, we maken het voor je neus klaar en yu man tes’ ing.

[Hilde Neus, met aanvullingen van Christine Samsom (‘The making of Ronnie Brunswijk in de Nederlandse media’ , ‘De mystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname’ en ‘Contact en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland’) en Els Moor (‘Overleven in de Wayajajungle’en ‘Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana’).

OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. KITLV, Leiden, april 2011.

De wetten van de jungle

De nieuwe Oso, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied is uit. Jrg. 30, nr. 1, april 2011, bevat de teksten van het laatste colloquium en nog tal van artikelen, recensies en berichten meer. De inhoudsopgave staat hieronder. Bestellen: KITLV, Oso, Postbus 9515, 2300 RA Leiden. Een los nummer kost 16,50 euro.

Klik op de afbeelding voor een groter formaat
Inhoud
6 Woord vooraf
Karin M. Boven
12 Overleven in de Wayanajungle; Wie niet sterk is moet
slim zijn!
Alex van Stipriaan
28 Contact! Marrons en de transport- en communicatie­revolutie in het Surinaamse binnenland
Eleonora Zito
47 Pokigron; Overleven in het hart van het Surinaamse
regenwoud
Angretha Wongsowikromo
63 ‘Is alles goud dat glinstert?’ De Surinaamse goudmijnbouw beschouwd vanuit groen-criminologisch perspectief
Ellen de Vries
73 The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
Eithne B. Carlin
90 Ontwikkelingshulp bij de Trio en Wayana;
De wetten van interculturele communicatie
Salomon Emanuels
102 Demystificeren van de Marrongemeenschap in Suriname;
De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers
Richard Price
116 Saramaka People v Suriname; The rights of Suriname’s Maroons and Indigenous peoples in the twenty-first century
Ton de Jong & Jeroen Ketelaars
134 De Caraïbische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
164 Recensies
L.A.H.C. Hulsman, Nederlands Amazonia; Handel met Indianen tussen 1580 en 1680 (door Victor Enthoven); Jeanette van Ditzhuijzen, Een sjtetl in de tropen; De Asjkenazische gemeenschap op Curaçao (door Wieke Vink); Esther Captain & Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee; De erfenis van de Tweede Wereldoorlog in Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname (door Gert Oostindie); Ulbe Bosma, Terug uit de koloniën; Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties (door Rosemarijn Hoefte); Gert Oostindie (red.), Dutch colonialism, migration and cultural heritage (door Angelie Sens); Lisa Djasmadi, Rosemarijn Hoefte, Harriëtte Mingoen, Migratie en cultureel erfgoed; Verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland (door Hein Vruggink); Hebe Verrest, Home-based econo­mic activities and Caribbean urban livelihoods; Vulnerability, ambition and impact in Paramaribo and Port of Spain (door Freek Colombijn); J. Marten W. Schalkwijk, The colonial state in the Caribbean; Structural analysis and changing elite net­works in Suriname, 1650-1920 (Karwan Fatah-Black); Marc Brightman, Amerindian leadership in Guianese Amazonia (Karin M. Boven); Eithne Carlin & Diederik van Gothem (foto’s), In de schaduw van de Tijger; De Indianen van Suriname (door Fabiola Jara); Alex van Stipriaan & Thomas Polimé (red.), De kunst van overleven; Marroncultuur uit Suriname (Willemijn van Geldrop); Judith A. Carney & Richard Nicholas Rosomoff, In the shadow of slavery; Africa’s botanical legacy in the New World (door Tinde van Andel); Anil Ramdas, Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle (door Walter Lotens); H.A.J. ter Steege, A.B. van der Veen & Chandra van Binnendijk, Dromers, doemdenkers en doorzetters; Over mensen en gebouwen in Coronie (door Karin M. Boven); Theo Para, De schreeuw van Bastion Veere (door Bill Monkau); Rashid Novaire, Afkomst (door Renée Jansen); Giselle Ecury, Glas in lood (door Jos de Roo); Mala Kishoendajal, Pijn in parlando (door Wim Rutgers); Lisette Lewin, De verloren savanne (door Jos de Roo); Henna Goudzand Nahar, De stem van Bever, met illustraties van Jeska Verstegen & Henna Goudzand Nahar, Lang leve Olifant, met illustraties van Jeska Verstegen (door Marijke van Mil); Johan Ferrier, Het grote Anansiboek, met illustraties van Noni Lichtveld (door Henna Goudzand Nahar); Marijke Schweitz, De andere zijde van de zon (door Marijke van Mil).
Rosemarijn Hoefte & Ellen Klinkers
216 Signalementen
219 Berichten
Michiel van Kempen
224 In Memoriam Henny Coomans (1929-2010)
Irene Rolfes
226 Recente publicaties
I Suriname
II Nederlands-Caraïbische eilanden
240 Mailadressen auteurs en recensenten

Colloquium Surinamistiek: een verslag

door Guus Kokx

Voor mij was het de eerste keer luisteraar te zijn bij het Colloquium Surinamistiek, in het Amsterdamse Tropentheater, het is me niet tegengevallen. Het kwaliteits- en presentatieniveau is hoog en uitnodigend, met het gevolg dat schrijver dezes goed voorzien is van specifieke informatie, door dit colloquium: De wetten van de jungle; Het Surinaamse binnenland: obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden.

Onderstaand volgt de korte, en daardoor onvolledige samenvatting, die ik van deze dag maakte:

De vlotte dagopening door de heer Peter Sanches, voorzitter van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek, gaf aan mw. Angretha Wongsowikromo (criminologe, foto rechts) de ruimte een uiteenzetting te geven met als titel “Is alles goud dat glinstert? De gevolgen van de goudmijnbouw in het district Brokopondo vanuit groen criminologisch perspectief.” De actoren in de goudmijnbouw (de kleine goudzoeker / grote bedrijven / de overheid): zij allen maken gebruik van ‘geïnternaliseerde neutralisatietechnieken’ (i.e. het eigen straatje schoonvegen), waardoor de cirkel van roofbouw moeilijk te doorbreken is. Ondertussen wordt er aanzienlijke schade aan het milieu gebracht: vervuiling van de waterwegen, wegtrekken van dieren, en bosdegradatie. Ook voor de volksgezondheid heeft het ernstige gevolgen, als gevolg van kwikgebruik. Er is een cyanide-meer, en tevens is HIV/Aids ook een vervolg op de goudmijnbouw. Oplossingen voor deze problematiek(en) worden gezocht in de richting van institutionele versterking, optimale bosexploitatie en social empowerment.

Mw. dr. Eithne Carlin (linguïste en cultureel antropologe) gaf een volgende verdieping aan het thema met haar voordracht: “De wetten van succes; Ontwikkeling(shulp) bij de Trio en Wayana.” Goedbedoelende ontwikkelingswerkers, die niet-bedoeld, moeizaam of niet communiceren en daardoor te weinig participatie verkrijgen bij de Trio en Wayana. Er is zelfs sprake van schade die veroorzaakt wordt door ontwikkelingswerkers. Een paradigma ontleend aan de literatuur van John Steinbeck vat dit dilemma samen: “Giving builds up the ego of the giver, makes him superior , higher and larger then the receiver.” Terwijl de ontwikkelingswerker vanuit zijn top-down-benadering zegt: “Wij helpen en jullie worden er beter van”, ziet hij niet wat hij aanricht, en dat komt omdat hij niet kijkt en niet luistert. Westerse ontwikkelingswerkers projecten zijn vaak heel gesloten en communiceren onvoldoende met de mensen, i.c. de Trio en de Wayana. Een gelijkwaardige behandeling, waarbij alle informatie in alle talen beschikbaar is vergroot de mogelijkheid op empowerment van de Trio en de Wayana.

De heer Salomon Emanuels, cultureel antropoloog aan de Anton de Kom Universiteit te Suriname, gaat dieper in op: “De demystificatie van de Marrongemeenschap; De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers om marrongemeenschappen tot ontwikkeling te brengen.” Salomon is heel duidelijk: hij wordt “misselijk” van de goede bedoelingen van “het ontwikkelingswerk”. Hij erkent er zelf ook deel van te zijn door zijn opleiding in Nederland, anderzijds heeft hij een Marronachtergrond. De Marrongemeenschap is heel belangrijk: je identiteit, waar kom je vandaan, wie is je vader en moeder? En daaraan gekoppeld het orale, levende recht. Als mythes over de Marrons wijst Emanuels aan: 1. Er is geen individueel grondbezit. 2. De Marrons hebben een zwakke structuur, en 3. Het voorgaande belemmert vooruitgang. De grond waarop de Marrons wonen is verworven in de tijd dat zij zich vrijmaakten van de slavernij. Deze gemeenschapsgrond is het territorium van de families en stichters van het dorp, en dit wordt door iedereen gerespecteerd. Grondbezit of huisbezit is echter individueel. Overerving gaat via mondelinge overdracht. Vrouwen hebben een belangrijke positie in de Marrongemeenschap. De woongemeenschap heeft een traditioneel hiërarchische structuur met een kapitein en een of meerdere basya’s. Deze hebben na ruggenspraak tijdens de krutu, overleg met de Surinaamse overheid, waarin met name de veranderingen die nodig zijn worden gestimuleerd, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie. Deze verloopt nu veel via cellulairs (mobiele telefoons). Het gaat erom van binnen uit dingen te veranderen.

Mw. Ellen Ombre (onder meer auteur van: Wie goed bedoelt; Zin en onzin van ontwikkelingshulp), overhandigde aan Prof. Dr. Gert Oostindie de Surinamistiekprijs 2010, met een oorkonde, en met een prachtig schilderij van Vincent Jong Tjien Fa (zie: www.vincejtf.com). Zie apart verslag door hier te klikken.

Het middagprogramma werd opgepakt met de vertoning van de film De Goudlijn van Hans Hylkema (Pieter van Huystee Film & TV, 2002. De film volgde de restanten van de spoorlijn die door Gouverneur Cornelis Lely (civiel ingenieur) werd ontworpen van Paramaribo tot Dam. De spoorlijn was van 1912 tot 1986 operationeel, voor personen en goederenvervoer. In de documentaire kwam het filmteam op allerlei manieren in contact met de Marrons, tot en met een Krutu-bijeenkomst toe. Het vervoer vindt nu voor een belangrijk deel per korjaal plaats. Zeer behendig worden stroomversnellingen genomen. Plannen om de infrastructuur met goede wegen te voorzien zijn in ontwikkeling.

De heer Alex van Stipriaan (hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam en conservator Tropen Museum Amsterdam; foto rechts) sloot aan met een kijk- en luisterpresentatie: “Marrons en de communicatie- en transportrevolutie in het binnenland van Suriname”. Het stuwmeer van Brokopondo omschrijft Alex als een sterfhuis van de Marroncultuur (eerder dan van de natuur). Ontwikkelingen gaan snel. De orale cultuur maakt nu intensief gebruik van digitaal mobiele telefoon. Moeders hebben zo contact met hun dochters, enz. Zitten de Marrons in een isolement: Neen. Wel sluit Alex sluit af met de vraag: waar blijven de vrouwen?

Deze vraag wordt door mw. Martina Amoksi (onderzoekster Universiteit te Suriname) beantwoordt, in haar voordracht: “Een meisje is de rijkdom van de bee; De veranderde positie en het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2010.” De Marronvrouw heeft een sterke, zo niet de belangrijkste positie binnen de Marrongroep. Overerving geschiedt matriarchaal. Er zijn rituelen waarbij de Marronvrouw essentieel is, bijvoorbeeld bij overlijden en geboorte. Ook in krutu’s (dorpsvergaderingen) wordt de vrouw geraadpleegd, en oudere vrouwen worden geëerd. Ook zijn Marronvrouwen kapitein of basya. Maatschappelijke veranderingen, zoals urbanisatie (en de binnenlandse oorlog), onderwijs en christendom, industrialisatie en modernisatie hebben invloed op de positie van de Marronvrouw. Als draagster van de Marroncultuur beslist de Marronvrouw zelf welke keuze zij maakt in het ontmoetingsproces met de Westerse cultuur.

Spijtig dat op dit interessante colloquium klaarblijkelijk veel minder mensen waren afgekomen dan in andere jaren.

Surinamistiekprijs 2010 voor Gert Oostindie

Op het colloquium Surinamistiek in Amsterdam is op zaterdag 6 november 2010 de prijs voor Surinamistiek 2010 uitgereikt aan prof. dr. Gert W. Oostindie. De prijs wordt om de vijf jaar toegekend door het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek aan iemand die grote betekenis heeft gehad voor het wetenschappelijk bedrijven van de Surinamistiek. De prijs omvat een oorkonde, een schilderij en een bedrag van 1000 euro. De jury die de prijs toekende, bestond uit mevr. Ellen Ombre, schrijfster, de historicus dr Peter Meel en de linguïste en cultureel antropologe dr Eithne Carlin.

Foto rechts:
Gert Oostindie en prinses Maxima bij de aanbieding van zijn boek
De parels en de kroon.

In haar toespraakje memoreerde Ellen Ombre dat zij op een dag met grote ogen van bewondering keek naar een man in een sportbroek op een trainingsband en dat dat Gert Oostindie bleek te zijn. “Brains and body”, aldus Ombre.

Gert Oostindie (Ridderkerk, 4 juli 1955) is een Nederlands historicus, Surinamist en Antilleanist. Hij is directeur van het KITLV. Van 1993 tot 2006, was hij als hoogleraar Caraïbische Studien verbonden aan de Antropologie-faculteit van de Universiteit van Utrecht. In september 2006 werd hij benoemd tot hoogleraar Caraïbische Geschiedenis aan de Geschiedenis-faculteit van de Universiteit Leiden.

Oostindie studeerde geschiedenis en sociale wetenschappen en specialiseerde zich in Latijns-Amerikaanse geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde daar cum laude af in 1982 en promoveerde cum laude aan de Universiteit van Utrecht in 1989 met een proefschrift over slavernij en de plantage-economie in Suriname. Hij werd hoofd van de afdeling Caraïbische Studien van het KITLV in 1983. Dit bleef hij totdat hij in 2000 directeur van het instituut werd.

Oostindie’s voornaamste onderzoeksgebieden zijn de Caraïbische en Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij publiceerde meer dan 20 boeken en ruim 100 artikelen over de koloniale geschiedenis en dekolonisatie van de Nederlandse koloniën in het Caraïbisch gebied, over geschiedenis, etniciteit en migratie in het Caraïbisch gebied en in Latijns-Amerika in zijn algemeenheid, en over de betekenis van de koloniale geschiedenis voor de Nederlandse nationale identiteit.

Radio Nederland Wereldomroep stelde Oostindie enkele vragen:

Westerse bril
Op de vraag of hij de Surinamistiekprijs verwacht had, zei Oostindie dat hij mensen kon bedenken die zich meer met Suriname bezighouden dan hij, dus, zo zei hij het zelf, ‘met gepaste bescheidenheid’ heeft hij de prijs aangenomen.

Maar er was dus ook kritiek. Kijkt hij inderdaad met een westerse bril? Dat is waar, erkent Gert Oostindie. Hij is in Nederland opgegroeid en is ongetwijfeld getekend door zijn achtergrond. Toch vindt hij de verwijten ook jammer, omdat hij als wetenschapper juist gaat voor het voortbrengen van kennis die die lokale beïnvloeding ontstijgt.

Bakra
Oostindie ziet zichzelf ook als lid van de school die heel tolerant en heel liberaal is. Stelt zichzelf juist de vraag: wat levert anders kijken op? Hij heeft de indruk dat mensen soms te snel etiketten gaan plakken en denken ‘Een bakra? Dat kan niks zijn.’

Aan de andere kant merkt hij dat mensen veel gewicht aan zijn woorden hangen. Dat is iets waar hij nu meer rekening mee houdt. Eerder kon hij sneller iets roepen, nu denkt hij even na over de impact voor hij iets zegt. Als voorbeeld noemt hij de onthulling van het monument voor de slavernij. Toen riep hij in NRC dat dat monument niet voor één groep, maar voor iedereen was. Hoewel hij daar nog steeds achterstaat, zou het nu anders aanpakken. Nu Suriname binnenkort 35 jaar onafhankelijkheid viert, krijgt hij misschien vragen over Bouterse. “Dan weeg ik mijn woorden wel.”

Nog altijd op zoek naar El Dorado?

Nog altijd op zoek naar de gouden man, El Dorado? Bezoek morgen, zaterdag 6 november 2010, het colloquium Surinamistiek in het Tropeninstituut in Amsterdam. Vanaf 10.00 uur een hele dag verhalen over goud en goudzoekers, inheemsen en marrons.

 

Voor het volledige programma klik hier

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter