blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Snijders Armand

Armand Snijders nieuwe hoofdredacteur de Ware Tijd

PARAMARIBO – Armand Snijders wordt op 1 mei hoofdredacteur van de Ware Tijd. Hiermee neemt hij het stokje over van Iwan Brave die op eigen verzoek een stap terug doet. Brave werd op 1 januari 2016 hoofdredacteur nadat hij vanaf medio juli 2015 waarnemend was in deze functie. read on…

Voor handel en maatschappij

door Armand Snijders

De ABN AMRO was tot 2001 actief in Suriname. Toen werden de aandelen van De Surinaamsche Bank van de hand gedaan. Enkele maanden eerder werden de vestigingen van de ABN AMRO zelf al verkocht aan de Royal Bank of Trinidad en Tobago (RBTT), tegenwoordig Royal Bank of Canada (RBC). Daarmee kwam een einde aan een tijdperk, waarvoor de basis werd gelegd in 1824. Toen richtte koning Willem I de Nederlandsche Handel- Maatschappij (NHM) op als handelsonderneming en financier. Deze was deels bedoeld als voortzetting van de roemrijke Verenigde Oostindische Compagnie en heeft in de Nederlandse economie en die van Nederlands-Indië een belangrijke rol gespeeld. En later ook in die van Suriname. De NHM ging later over in de ABN AMRO. In Voor handel en maatschappij. Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, 1824-1964 wordt ruimschoots aandacht besteed aan de rol die de NHM in Suriname heeft gespeeld. read on…

Noreen Cheung eist rectificatie van Parbode

NDP-parlementariër Noreen Cheung eist een rectificatie van het maandblad Parbode. Tijdens haar bijdrage in het parlement eerder deze week zei Cheung naar de rechter te zullen stappen.
Armand Snijders, hoofdredacteur bij Parbode, zegt dat de redactie niet in de fout is gegaan. In een editie van Parbode is een interview van Cheung afgenomen over de Amnestiewet. Cheung vindt dat haar woorden zijn verdraaid.
In een brief aan Cheung zegt Snijders naar aanleiding van de uitlatingen in De Nationale Assemblee tijdens de vergadering van afgelopen maandag, het volgende:
 
“Allereerst: ik heb mij verbaasd dat u de begrotingsbehandeling gebruikt als podium om uw persoonlijk grieven naarParbode en een Parbode-journalist toe te uiten. Uw ernstige en beledigende beschuldigingen, naar mijn mening een parlementariër onwaardig, zijn volledig misplaatst en ongefundeerd en hebben vooral naar de bewuste journalist toe veel weg van smaad. Terecht heeft Assembleevoorzitter mevrouw Simons u ten aanzien van enkele uitspraken publiekelijk op de vingers getikt.
Reeds direct na het verschijnen van het bewuste interview in de aprileditie van Parbode, heeft u via uw Facebook pagina ook al in niet mis te verstane bewoordingen blijk gegeven niet meer te staan achter datgene wat u heeft gezegd en dat de journalist van Parbode uw woorden zou hebben verdraaid.
Zoals ik u afgelopen vrijdag tijdens ons telefoongesprek heb gezegd, ben ik het, na het opnieuw beluisteren van de geluidsopname van het door u afgestane interview, op geen enkel punt met u eens. Dus ik ben niet van plan een rectificatie in Parbode op te nemen, zoals u heeft geëist. Eenvoudigweg omdat er niets te rectificeren valt: alle citaten van u in Parbodezijn door u letterlijk gedaan en staan ook op band.
Dat u achteraf spijt heeft van wat u heeft gezegd, en dat wellicht in uw naaste omgeving er mensen zijn die daar niet zo gelukkig mee waren, is niet onze verantwoordelijkheid. Om vervolgens een lastercampagne tegen Parbode te beginnen, is op z’n zachtst gezegd ongepast. In al die weken dat u op Parbode en de bewuste journalist uw gifpijlen heeft afgeschoten, heeft u uw beschuldigingen op geen enkele wijze onderbouwd, laat staan een voorbeeld of voorbeelden aangedragen van welke uitspraken we zouden hebben verdraaid.
Ik verzoek u publiekelijk de gedane ernstige beschuldigingen terug te nemen en u in de toekomst te onthouden van het uiten van valse lasterpraatjes jegens Parbode en haar redactiemedewerkers. Ik dring er verder bij u op aan om toch vooral en liefst zo snel mogelijk de procureur-generaal te vragen een ‘diepgaand onderzoek’ in te stellen naar Parbode en de medewerkers, zoals u dat maandag zelf stelde. Wij zien de uitkomst daarvan met alle vertrouwen tegemoet.
De originele audio van het complete interview is vanaf heden op de redactie van Parbode ter beschikking van alle media en andere belangstellenden, zodat zij zelf een mening kunnen vormen of uw beschuldigingen hout snijden of niet.
Tot slot: Parbode is een Surinaams maandblad met een redactie in Paramaribo die vrijwel volledig bestaat uit Surinaamse journalisten of journalisten die al jaren hier wonen en Suriname als hun thuisland beschouwen. Dat is u ook bekend; daarom begrijp ik niet dat u De Nationale Assemblee valselijk voorhield dat het om een buitenlands blad zou gaan”.
[van GFC Nieuws, 7 mei 2014]

 

Alphons Levens’ ego en gebrek aan zorgvuldigheid spelen hem parten

door Armand Snijders

Alphons Levens

Alphons Levens kennen we vooral als dichter, maar soms brengt hij ook verhalen op de markt. Zijn jongste pennenvrucht bevat het nogal warrige verhaal van Servin, die ooit president van Suriname wil worden. Daarom verzamelt hij alle krantenknipsels over presidenten en duikt hij liever in boeken en op het internet, dan dat hij computerspelletjes speelt. Een mooie insteek natuurlijk, alleen is het jammer dat er soms geen touw aan vast te knopen is. Zo moet de lezer vooralsnog maar gissen hoe oud Servin is, pas na enkele pagina’s wordt duidelijk dat hij waarschijnlijk in de eerste klas van de middelbare school zit. Waar hij woont, is ook een raadsel. Hij verkoopt aan het begin van het verhaal knippa’s op de hoek van de Stoelman- en de Henck Arronstraat, waardoor je een beetje op het verkeerde been wordt gezet. Tien pagina’s later wordt opeens helder dat hij geen ‘kind van de stad’ is en daarna duurt het nog vijf pagina’s om te weten te komen dat hij vermoedelijk in Commewijne woont. Levens slaat daarnaast een paar keer de plank behoorlijk mis. Zo stelt hij onterecht dat in Nederlandse coffeeshops harddrugs worden verkocht. Marihuana valt toch echt niet onder die noemer. Nog kwalijker is dat hij aan geschiedvervalsing doet. Hij beweert op pagina negentien dat de partij van Bouterse de verkiezingen niet gewonnen heeft en die dus eigenlijk geen president had kunnen worden. De Megacombinatie sleepte welgeteld 95.543 stemmen binnen, op gepaste afstand gevolgd door het Nieuw Front (75.190 stemmen). Dus hoezo niet gewonnen? Pijnlijk als je bedenkt dat de moraal van zijn verhaal is dat je, om het ver te schoppen, je eigen geschiedenis moet kennen. Bovendien bekruipt je het gevoel dat Levens het boekje vooral heeft geschreven om zijn eigen drang naar eer en glorie te bevredigen. Van de 48 pagina’s zijn er maar 31 besteed aan het verhaal en één aan een ‘Vertaling Sranantongo-Nederlandse taal’ (waarin overigens geen enkele paginaverwijzing klopt).

Acht pagina’s heeft hij nodig voor zijn eigen ‘Levensbeschrijving en bibliografie’, waarin we zelfs kunnen lezen welk boek hij wanneer en waar heeft gesigneerd. Alsof dat nog niet genoeg is, laat hij in het verhaal zelf hoofdpersoon Servin tot tweemaal toe enthousiast lezen uit eerder gepubliceerd werk van de schrijver. De intentie van Levens was ongetwijfeld goed toen hij aan dit boek begon. Alleen speelden zijn ego en een gebrek aan zorgvuldigheid hem behoorlijk parten.

Alphons Levens, Ik zal leren totdat ik moe ben. Verhaal voor jong en oud, 2013, eigen beheer, ISBN 9789991472300

[uit Parbode, 15 januari 2014]

Ex-minister Abrahams naar rechter om artikel in Parbode

Paramaribo, 5 sep – Ex-minister Ramon Abrahams heeft via zijn raadsman Irvin Kanhai een rectificatie geëist van het Surinaamse maandblad Parbode. Abrahams is niet te spreken over het artikel ‘De affaire Abrahams. Stelen in de politiek loont‘ dat in de augustus editie van het blad verscheen. Volgens Kanhai worden in het artikel, zonder verder bewijs, beweringen gedaan en beschuldigingen geuit die schadelijk zijn voor zijn cliënt.
Na het ontslag van Ramon Abrahams als minister van Openbare Werken ging Parbode op onderzoek uit en schreef hoofdredacteur Armand Snijders hoe Abrahams zich heeft verrijkt tijdens zijn functie. Snijders zegt hierover aan Starnieuws: “Wij hebben veel anonieme bronnen gebruikt. Mensen durven niet te praten uit represaille. We kunnen onze bronnen ook niet prijsgeven. Voor ons is het een testcase hoe de rechter ermee om zal gaan. Het gaat om klokkenluiders”.
De zaak wordt op 3 oktober bij de rechter behandeld. Intussen kunt u het uitgebreide artikel hier terug lezen: De affaire Abrahams. Stelen in de politiek loont.
[Waterkant, donderdag 5 september 2013]

Walther Donner zoekt naar een remedie

door Walther Donner

Beste Arlette,

Naar aanleiding van de vele commentaren op je prachtige epistel even een korte notitie. [Het opstel van Codfried vindt u hier en hier; het antwoord van Pim de la Parra hier – red. CU.]

Een van de mooiste voorvallen uit de historie vind ik de ophanging van Oliver Cromwell. Oliver Cromwell (1599-1658) maakte in 1649 een eind aan de Engelse monarchie. Koning Karel I werd kopje kleiner gemaakt. Engeland werd kortstondig een republiek onder zijn bewind. Hij veroverde Ierland en Schotland, en regeerde als Lord Protector van 1653 tot zijn dood in 1658. Hij werd begraven in Westminster Abbey. Tijdens zijn bewind werden naar schatting een miljoen Schotten en Ieren als slaaf verkocht onder meer naar Barbados en Jamaica. Het aantal is misschien ietwat gechargeerd.
Zijn Commonwealth stortte na zijn dood in en de koninklijke familie werd gerestaureerd in 1660. Nadat de royalisten de macht heroverd hadden werd zijn lichaam opgegraven en met alle regelen der kunst alsnog opgehangen.

Na lezing van het commentaar van Pim de la Parra op je mening kwam ik op een briljant idee. (Als Nobelprijzen werden uitgereikt voor briljante gedachten kwamen Pim en ik als duo zonder meer beslist in aanmerking).

Een grondbrief van 1 Mei 1675 luidde als volgt: „Pieter Versterre, gouverneur van de provincie, rivieren en districten van Suriname, etc, vergunneende permittere mits dezen aen Jan N., omme op te neemen ende in vrijen eigendom te besitten een stuck lant, groot 800 ackers, waer hij hetselve bequaem sal vinden, mits niet doende tot nadeel van d’Indiaenen ofte eenige vorige concessiën, ende sal tselve ter behoorlijcker tijt ter secretarie laten prothocolleren. Actum Paramaribo, den 1 Mey 1675″.

Een andere, van 1683 (dus acht jaar later), luidde: „Laurens Verboom, commandeur van de provintie van Suriname, etc,

vergunnen en permitteeren bij deesen aen Andries Masserd

op te nemen en in vrijen eigendom te besitten de nombre van 1500 ackers lant in de riviere de Commewine,etc, mits niets doende ten nadeele van de Indianen ofte eenige vorige concessie“;

Ik kom op de volgende taalfouten bij vergelijking van de twee grondbrieven.

provincie, provintie

vergunneende, vergunnen

permittere, permitteeren

neemen, nemen

groot == nombre

tot nadeel ten nadeele

d’Indiaenen Indianen

concessiën concessie

Wat zouden Pim de la Parra en de heer Snijders van Parbode genoten hebben als ze in die tijd geleefd hadden. Ze zouden beslist overuren gemaakt hebben met het zoeken naar taalfouten. Is het geen goed idee om de ambtenaren die deze grondbrieven hebben geschreven alsnog op te graven en op te hangen? Daarmee doen wij hen een groot genoegen. Ik zorg ervoor gecremeerd te worden zodat ik niet hoef te worden opgehangen na mijn dood wegens mijn taalfouten.

Tot ziens

Don Walther Donner die nog steeds zoekende is naar een therapie tegen de krabbenziekte.

[van de site van Schrijversgroep ’77, 4 februari 2012]

Afbeelding links: Oliver Cromwell, portret door Robert Walker

Rood iets

door Armand Snijders

„Wat doen jullie daar?” Ik dacht dat de toon waarop ik het zei voldoende was om een ieder met kwalijke bedoelingen de stuipen op het lijf te jagen. Maar de twee creoolse knaapjes, naar schatting vier en zes jaar oud, waren totaal niet onder de indruk. Ze waren aan het rommelen aan de buitenzijde van de muur om onze tuin en hadden kennelijk geen kwaadaardige plannen. Ze waren de rust zelve toen ik ten tonele verscheen. „Die jongen zag dat rood iets”, sprak de oudste van de twee.

Wat ze nou zochten was mij onduidelijk. „Zag je een beestje?” probeerde ik. Ik wist dat het een domme vraag was. Want beestjes zijn er genoeg in Suriname, maar een roodkleurig beest dat in de stad rondbanjert, kon ik mij niet voor de geest halen. Maar ja, die knaapjes zijn evenals ik geen bioloog, dus dat mijn vraag op zijn minst dom was, hadden zij niet door. Hun antwoord was ontkennend.

„Is het iets om te eten?” probeerde ik toen, wetende dat Surinamers altijd direct in actie komen als er iets te eten te halen valt. Misschien was er iets smakelijks van onze bomen gevallen. „Nee”, lachte de oudste om zo veel onbenul. Speelgoed was het ook niet, zo bleek uit het vervolg van de communicatie. Ze bleven plakken, zonder duidelijk te kunnen maken waar ze nu naar op jacht waren.

Plots dook een vrouw op, vermoedelijk de moeder. Ze zei niets maar wees nadat ik vroeg of ik haar kon helpen op de twee kinderen. Die hoorden dus bij haar. „Wat zoeken jullie?” vroeg ook zij, op de gebruikelijke argwanende en bijna boze Surinaamse toon. „Zo’n rood iets ding, ik weet niet wat het is”, zei de jongste. De moeder was het zat en trok het knaapje aan zijn korte kroesharen mee, want thuis pruttelde het eten op het vuur.

Al met al een ontmoeting met een knap onbevredigende ontknoping. Het blijft toch even door je gedachten spoken wat het jeugdige duo met dat ”rood iets” bedoelde. Ik zal het waarschijnlijk nooit te weten komen. Maar het riep bij mij ook weer eens de vraag op hoe Nederlands het Nederlands nog is dat in Suriname wordt gesproken. Vast staat dat het door de jaren heen steeds meer wordt aangetast door invloeden, die nog het best terug te voeren zijn naar de rijke etnische samenstelling en bonte geschiedenis van het land. Van zuiverheid is allang geen sprake meer. In de loop der eeuwen heeft zich een Nederlandse taal met een vreemd tintje ontwikkeld, het Surinaams-Nederlands.

Vooral met de formulering van zinnen in de juiste volgorde hebben Surinamers doorgaans grote problemen. In alle klassen, van rijk tot arm, van jong tot oud, van afgestudeerd tot ongeschoold, van Hindoestanen tot Creolen en van Javanen tot Indianen, struikelt men over de zinsconstructies en voegt men nieuwe woorden toe aan de officiële taal.

Het meest waarschijnlijk is dat in de toekomst het Surinaams-Nederlands terrein gaat winnen ten aanzien van het Nederlands. Dat gebeurt nu al heel geleidelijk aan. Het is een taal van niemand, een verbasterd Nederlands met wat ingrediënten van alle bevolkingsgroepen. Maar zelfs dat Surinaams-Nederlands zal nooit een zuiver karakter krijgen omdat iedere etnische groep de eigen traditionele taal blijft spreken. Zo kan bijvoorbeeld in één kort gesprek tussen Javanen het (Surinaams-)Nederlands, Sranantongo (Surinaams) en Javaans gesproken worden. Maar ook dat Javaans wijkt weer af van wat oorspronkelijk op Java wordt gesproken omdat het in de loop der decennia is beïnvloed en zich ontwikkelt tot een Surinaams-Javaans.

Het maakt Suriname tot een opmerkelijke talenbrij, waarin het Nederlands vooralsnog de bindende factor blijft. Maar zelfs die bindende factor kan ervoor zorgen dat er onduidelijkheden blijven bestaan. Zodat ik nooit te weten zal komen wat nu dat ”rood iets” is geweest aan de buitenzijde van de muur van onze tuin.

[uit Reformatorisch Dagblad, 05-06-2007]

De Surinaamse taalproblematiek (7)

door mr dr W.R.W. Donner

Samenvatting

Laten wij eerst eens recapituleren wat wij tot nu toe gezien hebben alvorens het betoog te vervolgen. Alle voormalige koloniën van Frankrijk, Engeland, Spanje en Portugal besloten na de onafhankelijkheid door te gaan met de taal van hun voormalige meesters.

In het Nederlandse taalgebied was alleen Suriname bereid dit te doen. Dit werd zo vanzelfsprekend geacht dat deze beslissing niet eens in de grondwet werd opgenomen.

Suriname was het eerste land in de wereld dat een algemene leerplicht invoerde met de bedoeling alle Surinamers van welke kleurschakering dan ook te leren lezen en schrijven en hen via die weg om te vormen tot donkerhuidige Hollanders. Deze cultuur cq. taalpolitiek heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.

In het voormalige moederland worden de Surinamers (donkerhuidige Hollanders) overal voorbijgestreefd door donkerhuidige Marokkanen waarmede Nederland nooit iets mee te maken heeft gehad.

In het eigen land is het de Hollanders ondanks repressie, niet gelukt de inheemse talen te verdringen. We mochten immers onze eigen talen vaak onder strafbedreiging niet spreken. Ook met aanmoediging (je kon gemakkelijker aan een baan komen als je goed Nederlands sprak), lukte dat niet. Het is gebleken dat de uitsluitende beheersing van de Nederlandse taal geen enkele voorsprong opleverde.

Ondanks een alfabetiseringsbeleid van meer dan honderd jaar moet de Surinaamse mens als semi-analfabeet worden gekenschetst. Elke generatie weet meer dan de vorige, dat wel, maar slechts in de breedte. Bij even doorprikken blijkt de kennis diepgang te ontberen. Ze lezen niet. Mijn vrouw heeft in Rotterdam een jaar lang een boekhandel gehad en wij kwamen steeds op allerlei Surinaamse manifestaties met boeken. Voornamelijk Surinaamse boeken. Ik kan met mijn hand op mijn hart verklaren dat in dat gehele jaar nooit een Surinamer de boekhandel is binnengestapt om een boek te kopen. Op grote manifestaties zoals Kwakoe in Amsterdam gaan de duizenden Surinamers die dat evenement bezoeken rechtstreeks naar de danstenten en eettenten zozeer zelfs dat deze trek van de bekende Surinaamse schrijver Ludwich van Mulier de aanduiding kreeg van dans -en eetcultuur. Elke maand houdt de schrijversgroep 77 een bijeenkomst waarbij talrijke boeken te koop worden aangeboden. Het aantal boeken dat over de toonbank gaat is minimaal. De Hollanders, onze guru’s, geven elkaar steeds boeken cadeau. Deze gewoonte is in Suriname volstrekt onbekend.

Surinamers lezen niet maar schrijven ook niet. Ik verzend elke week zowat tweehonderd essays voornamelijk naar intellectuelen. Er zijn hooguit tien lezers die mij vrij regelmatig terugschrijven met opmerkingen of mij complimenteren. Vreemd genoeg zijn deze brieven bijna alle afkomstig van Hindostaanse landgenoten.

De eindconclusie moet luiden dat het de Nederlanders niet is gelukt via het Nederlands de Surinamers op een hoger niveau van ontwikkeling te krijgen. Hun ontwikkeling eindigt veelal bij het verlaten van de schoolbanken. Dat geldt ook voor academici. En men kan zonder te lezen slechts een korjaal bouwen maar geen vliegtuigmoederschip. En blijkbaar moet het feit dat wij noch van lezen noch van schrijven houden gezocht worden in het Nederlands dat ons werd opgedrongen.

 

Ouderwets

Ik ga nu over tot een onderzoek van het waarom. Ik beëindigde de beschouwingen in de vorige aflevering met een relaas over de wijze waarop op Curaçao de Nederlandse taal overboord werd gezet, hetgeen was geschied met een enkele pennenstreek zonder poespas, zonder ruzie, zonder geharrewar. Naar aanleiding van dit voorval vroeg ik aan een blanke Curaçaoënaar hoe het toch kwam, dat op Curaçao de witte mensen aan het Papiamentu de voorkeur gaven boven het Nederlands terwijl de elite in Suriname het Nederlands als statussymbool beschouwde (let wel dit was het jaar 1957/1958). In Suriname zei ik, gaf het Nederlands status, zorgde voor afstand met Jan met de pet en hoe meer en hoe beter iemand het Nederlands beheerste hoe meer aanzien hij genoot. Hij antwoordde als volgt: vroeger sprak de elite op Curaçao inderdaad bij voorkeur Nederlands en het volk sprak Papiamentu. Toen kwam de olie omstreeks het eind van de eerste wereldoorlog op Curaçao aan met talrijke Hollanders in haar kielzog. ‘Wat voor raar ouderwets taaltje spreken jullie toch,’ zeiden deze Hollanders. ‘Barsten jullie maar met je Hollands,’ zeiden de Antillianen,‘Als wij Papiamentu spreken kan niemand ons zeggen dat wij ouderwets of raar of foutief spreken.” En zo stapten alle Antillianen over op het Papiamentu. Van hoog tot laag, van spierwit tot gitzwart, van rijk tot arm.

 

Foutief Nederlands

Ik had volop de gelegenheid om terug te denken aan de woorden van de oude Antilliaan toen ik een jaar of vijftien later het schrijverspad was opgegaan. Ik had kans gezien, dank zij een gedwongen sabbatical die ik van rechter Oosterling had gekregen (waarvoor ik hem zolang ik leef dankbaar zal blijven) een aantal romans geschreven. Ik stapte, in Nederland in 1974 aangekomen, met het manuscript van Maar Meneer de Rechter, naar een uitgeverij in Amsterdam Duwaer geheten. Ze vonden het verhaal wel interessant maar het had teveel taalfouten en was te dik. 400 pagina’s. Ik kreeg een Neerlandica mee om de taal te verbeteren en verder in het boek te schrappen. Alle rechtbankscènes moesten eruit. De kritiek na verschijning van het boek was om van te huilen. Teveel taalfouten. Potjeslatijn. Op dat moment besloot ik het schrijverspad te verlaten. Dank zij Astrid Roemer deed ik dat niet. “Trek je niets aan van het ge o.h.”, zei ze. “Geef het boek in eigen beheer uit in de oorspronkelijke versie.” Ik deed dat. Het kwam ter beoordeling terecht bij de Nederlandse bibliotheekdienst, die boeken beoordeelt voor de circa 1100 bibliotheken die Nederland rijk is. Astrid Roemer verzorgde de recensie en dat leverde mij alvast een order op van 700 exemplaren. De enige dissonant kwam van Jos de Roo die het voor de Wereldomroep recenseerde. “Don Walther schrijft niet levend Nederlands,” verklaarde hij voor de radio. Gelukkig luisteren niet veel mensen naar de Wereldomroep anders was ik weer kopje onder gegaan. Het is sindsdien in het Spaans en het Engels uitgegeven en loopt nog steeds als een trein.

In Suriname aangekomen met mijn boeken was het direct raak. De heer Snijders, hoofdredacteur van de Parbode verklaarde in een recensie, dat mijn boek Swietie Sranang kan mij nog meer vertellen wemelde van de taalfouten en ontraadde de scholieren om het te lezen. Het interesseerde hem helemaal niet of het boek mooi, leerrijk of vlot was geschreven. Bij hem ging het meer om de taalfouten. Nou, denken de Surinamers die het heerlijk vinden als het werk van een landgenoot wordt afgekraakt, dan hoef ik het boek lekker niet te kopen.

[vervolg, klik hier]

Fotografie: @ F. Taytelbaum

Balades au Suriname

door Armand Snijders

Philippe Boré is geboren en getogen in Bretagne, maar woont al jaren in Frans-Guyana. Hij is uitgever, schrijver en vormgever en werkt vrijwillig als natuurbeschermer. Een paar jaar geleden maakte hij de eerste Surinaamse reisgids in de Franse taal. Nu is de tweede en herziene druk uit, editie 2010-2011, met dezelfde mooie titel Balades au Suriname. Philippe was vroeger grafisch ontwerper en dat is te zien. Het is namelijk een prachtige reisgids geworden, grotendeels zwart/wit, 250 pagina’s in kleur drukken is nu eenmaal onbetaalbaar. Volgens de statistieken gaan per jaar 30.000 Frans-Guyanezen naar Suriname.

Het aantal zou trouwens flink hoger kunnen zijn als men op het Surinaamse consulaat in Cayenne een beetje doorwerkt. Er zijn klachten van hoteliers in Paramaribo omdat reserveringen worden afgezegd, in de trant van ‘ze doen in Cayenne niet meer dan twintig visa per dag’. Beetje zonde, want de buren zijn meer dan welkom.
Balades au Suriname is een complete gids, alles over Suriname staat er in en goed in verhouding. Geen ellenlange verhalen, maar snel schakelend langs de vele onderwerpen. Niet alleen gangbare bestemmingen, maar ook de achtergronden van Suriname, geschreven in een heldere stijl. Als deze reisgids wordt vertaald in het Nederlands, dan zou het een zware concurrent zijn van Dominicus of Elmar. Maar ze kunnen gerust zijn, de markt is verzadigd met vier Nederlandstalige gidsen (de recente ANWB-gids en Buitenkansjes van Parbode meegeteld). Een Engelstalige gids van Suriname missen we nog, straks wordt die misschien gemaakt in het andere buurland.

Philippe vraagt hopelijk bij de derde druk een Surinaamse corrector, want er staan wat kleine fouten in. We weten heus wel dat de ‘Jessunstraat’ de ‘Jessurunstraat’ is en anders maar wat ronddwalen daar in de buurt. En als je Dumburg steeds niet kan vinden dan zie je het hele land, en kun je van heel Suriname genieten.
Jaap Hoogendam

Balades au Suriname, Edition 2010-2011, Philippe Boré, 2009, ISBN 9782951154858

[uit Parbode]

Stanley Sidoel

door Armand Snijders

Zijn collega-directeuren van andere ministeries denken dat hij de leukste overheidsbaan van Suriname heeft. Als directeur Cultuur, onderdeel van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (Minov), is Stanley Sidoel (47) immers bij ieder cultureel feestje en iedere boekpresentatie aanwezig. “Dat zijn de leuke dingen waar ik graag bij ben”, geeft hij toe. “Maar voordat zo’n evenement plaatsvindt, hebben we enorm veel werk moeten verzetten.”

Met cultuur had Sidoel tot een jaar of tien geleden niet zoveel op, zo geeft hij toe. Geboren en getogen in een redelijk traditioneel Javaans gezin met acht kinderen op Blauwgrond, had hij echter al snel door dat er meer was dan een Javaanse gemeenschap. “Ik ben echt Javaans opgevoed; mijn ouders zijn west-bidders, die doorgaans als conservatief bekend staan. Maar ik moet toegeven dat ik eigenlijk een hele liberale opvoeding heb gekregen, vooral van de zijde van mijn moeder. Mijn vader werkte keihard als timmerman en was vooral druk bezig brood op de plank te brengen. “Mijn moeder vond het volgen van een opleiding heel belangrijk, ze stimuleerde dat. Boi, ik moest niet met rode cijfers thuiskomen, dan kreeg ik ervan langs. Niet dat ik een pak slaag kreeg, maar ik werd een paar dagen lang flink onaardig bejegend en kreeg echt straf. Zo van ‘dat reisje buiten de stad mag je niet doen’. En regels waren regels: om zes uur moest je in bad, dus dat was ook zes uur. Was je dan nog buiten aan het voetballen, dan kwam ze je daar persoonlijk weg halen.

Lees vervolg in Parbode door hier te klikken

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter