blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Schneiders-Howard Grace

Brave dames komen niet in het geschiedenisboek

Historisch (on)begrip over vrouwen

door Hilde Neus

Momenteel is de World Fair in Dubai gaande. Suriname heeft daar een stand, waar Tanuya Manuchand een presentatie zou verzorgen over drie vrouwen, die een historische impact hebben gehad. Ze doet dat middels storytelling. Hierover is een flyer gedeeld op social media, als aankondiging: ‘In een tijd dat Surinaamse vrouwen vochten om op gelijke voet te staan met hun mannelijke tijdgenoten, blonken deze drie vrouwen uit ten opzichte van hun seksegenoten in het vergaren van rijkdom en macht. Tegelijkertijd werden ze verguist [sic] vanwege hun sterke wil en sociale betrokkenheid.’ Op deze presentatie is veel commentaar gekomen.   

read on…

Vrouwelijke voetstappen in de geschiedenis zichtbaar gemaakt

1001 vrouwen in de 20ste eeuw

door Chandra van Binnendijk

Je zou het niet gauw denken, maar er bestaan écht geschiedenisboeken die zich net zo smakelijk laten lezen als een goede roman. Zo een uitzonderlijk boek is 1001 vrouwen in de 20ste eeuw (2018), samengesteld door historica Els Kloek. Even meeslepend als de legendarische verhalenvertelster Sheherazade die haar leven wist te redden door duizend-en-een-nachtenlang spectaculaire verhalen te vertellen aan de man die haar wilde onthoofden, zo boeiend voert Els Kloek de lezer mee door de geschiedenis van de vorige eeuw, aan de hand van de levensverhalen van duizend-en-een interessante vrouwen.

read on…

Grace Schneiders-Howard, Elisabeth Temmes & Sophie Redmond in Nacht van de Geschiedenis

Op zaterdag 26 oktober organiseert het Rijksmuseum de Nacht van de Geschiedenis met bekende sprekers, debatten, lezingen en interviews. Thema dit jaar: ZIJ/HIJ.

read on…

Koloniale stuiptrekking: Het experiment Suriname in de jaren dertig

Rede

Uitgesproken ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Geschiedenis van Suriname sinds 1873 in vergelijkend perspectief aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam op vrijdag 16 maart 2018 door Rosemarijn Hoefte read on…

Boek Surinaamse vrouwen in de geschiedenis?

door Jerry Dewnarain
 
Al jaren verschijnt het Jaarboek voor vrouwengeschiedenis. Het zevende nummer, dat uitkwam in 1986 (bij uitgeverij SUN te Nijmegen) was (als eerste) gewijd aan vrouwen in de koloniën. Veel bijdragen gaan over vrouwen in de Oost, enkele over hen in de West. Wim Hoogbergen en Marjo de Theije geven een overzicht van ‘Surinaamse vrouwen in de slavernij’. Marjo Oomens praat over veelwijverij in de negentiende eeuw en Maria Lenders over misi Hartman, een zendelinge voor de EBG. Deze uitgave biedt een uitdaging om meer vrouwen in Suriname tebeschrijven. Deze uitdaging is nog maar beperkt opgepakt.
Voor het Caraïbisch Gebied is dat anders. De zeer productieve auteur Verene Shepherd (van de University of the West Indies, Jamaica) heeft een bundel voor de middelbare scholen gemaakt ter introductie van Women in Caribbean History, en wel van het gebied gekoloniseerd door Engeland (Kingston: Ian Randle Publishers, 1999). Dit was een project van de afdeling Sociale Geschiedenis van de universiteit, en ze heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van een aantal researchassistenten. De hoofdstukken zouden we in Suriname zo over kunnen nemen: eerst de inheemsen, de planters, de tot slaaf gemaakten, de vrije zwarten en kleurlingen en vervolgens de andere immigranten. Met aan het einde van elk hoofdstuk – heel belangrijk – stof voor de studenten om verder te lezen en bronnen voor de docenten. Net als bij het Nederlandse boek, 1001 Vrouwen in de Nederlandse geschiedenis, zou voor de twintigste eeuw kunnen gelden dat alleen vrouwen die al overleden zijn worden besproken.
In de onderstaande lijst gaat het slechts om een druppel op de hete plaat. Het zijn vrouwen die niet meer in leven zijn. Er is een keuze gemaakt, dat wil zeggen dat deze lijst onvolledig is. Het gaat in dezen om vrouwen die een bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van Suriname op elk gebied. Zij hoeven dus niet in Suriname te zijn geboren. De volgorde van de namen is niet alfabetisch en niet volgens een bepaalde periode.
Nola Hatterman, Na Desi!, 1952

 

Ma Pansa:stammoeder van vele Pansa’s in Balingsoela, Bendekonde en andere dorpen. Toen Ma Pansa in de slaventijd met haar man Adjako wegvluchtte van de plantage, verstopte zij rijstkorrels in haar dikke vlechten, zodat ze die kon planten als ze in het binnenland aankwam. Zij was de eerste die daarmee rijst introduceerde in Boven-Suriname.
Miep Dekker, 1922-2002: zendingsarts van het Zeister Zendingsgenootschap. Haar eerste standplaats was Kabel. Vanaf oktober 1960 werkte Miep Dekker in Botopasi. Vanaf maart 1962 tot haar pensionering in 1989 was ze werkzaam in Ladouani. Door de Binnenlandse Oorlog bleef Miep Dekker ruim twee jaar langer dan haar pensioengerechtigde leeftijd op haar post, omdat ze de mensen in het binnenland niet in de steek kon laten. Dat was typerend voor haar plichtsbesef en haar grote liefde voor Suriname.
Jaja Dande:een Saamaka gaanmuye (wijze vrouw), de moeder van granman Johannes Arabi, naar wie het ziekenhuis te Djumu is genoemd.
Mata Gauri: hindostaanse contractarbeidster die veel sociaal werk heeft verricht.
Tetary: hindostaanse contractarbeidster die in verzet kwam. Opvallend genoeg is het een moslimvrouw geweest die
meer dan enige leider het beste voorbeeld is geweest van de vasthoudendheid, opoffering en strijdbaarheid die de hindostanen hebben getoond in hun strijd tegen het kolonialisme.
Grace Schneiders-Howard, 1869-1968: politica en socialiste, was de eerste vrouw die gekozen werd in de Staten van Suriname in 1938.
Sophie Redmond, 1907-1955: eerste zwarte vrouwelijke dokter in Suriname en toneelschrijfster.
Elisabeth van der Woude, 1657-1698: schrijfster van reisverslagen en egoducumenten. Egodocumenten van Nederlandse vrouwen uit de 17de eeuw zijn nogal zeldzaam.
Maria Susanna du Plessis, 1739-1795: was een plantagehoudster in Suriname. Du Plessis stond bekend als een van de meest wrede plantagehoudsters in de Surinaamse geschiedenis.
Koningin Wilhelmina, 1880-1962: in het binnenland hangen er nog steeds foto’s van haar! En het standbeeld te Fort Zeelandia.
Coba Cobelens:directrice van drukkerij Eldorado. De drukkerij die nadrukkelijk haar stempel zou zetten op de jaren 1957-1975. Onder het strenge bewind van Coba Cobelens rolden daar vele zeer verzorgde uitgaven van de persen. Eldorado drukte Moetete, maar ook het werk van praktisch alle auteurs rond dit tijdschrift, alsook de boeken die vanaf 1969 uitkwamen bij het Bureau Volkslectuur.
Silvia Wilhelmina de Groot-Rosbergen, 1918-2009: was wetenschapper en Surinamist, gespecialiseerd in de geschiedenis van de Surinaamse marrons en zich bewegend op het grensvlak van geschiedenis, sociologie en antropologie.
Elfriede Baarn-Dijksteel
Nola Henderika Petronella Hatterman, 1899-1984: kunstenares. In 1953 vestigde zij zich als beeldend kunstenaar in Suriname. Na haar dood werd door oud-studenten het Nola Hatterman Instituut opgericht.
Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout, 1910-1992: was dichteres. Elsenhout debuteerde in 1962 in het tijdschrift Soelaen kwam daarna met twee poëziebundels in het Sranan: Tide ete (Vandaag nog, 1964) en Awese (Begeesterd, 1965).
Isabella Richards, onderwijzeres en parlementariër van 1963-’69.
 
Elfriede Baarn-Dijksteel, 1948-2010: heeft zich met hart en ziel ingezet voor cultuurbehoud van Afro-Surinamers en was jarenlang voorzitter van de culturele organisatie NAKS. Daarnaast vervulde zij een voortrekkersrol op het gebied van gender en ontwikkeling.
Wilhelmina Angelica Adriana Merian Rijburg alias Maxi Linder, 1902-1981: was een Surinaamser prostituee die tot ver over de grenzen van Suriname bekend is, doordat er in 1999 een roman van Clark Accord verscheen over het leven van deze vrouw.
Carmelita Fereira, 1955-2013: was heel sociaal voelend en heeft zich ingezet voor de belangen van sociaal zwakkeren. Ferreira was hoofdbestuurslid van de Nationale Partij Suriname (NPS) en is tien jaar lang volksvertegenwoordiger geweest in de periode 2000-2005 en van 2005-2010.
Betsy Ramkaly Gonesh (Zuster Gonesh), 1908- ?: begon op haar twintigste de speciale opleiding voor vroedvrouwen, die speciaal opgezet was voor vroedvrouwen die in de landelijke districten te werk zouden worden gesteld. Ze staat te boek als de eerste hindostaanse vroedvrouw in Suriname.
Het is duidelijk, dat vrouwen in het verleden een kleine rol speelden in overgeleverde geschriften. In het leven vol strijd en moeilijkheden zullen ze zeker belangrijk geweest zijn. Maar als heldinnen de geschiedenis ingegaan? Zoals Boni en andere helden? Wel is de moeder van Boni natuurlijk een belangrijke figuur, die, zwanger van haar meester, vluchtte en beviel van haar zoon in een marrondorp. Ze is vastgelegd in het toneelstuk van Bruma. Deze lijst geeft voorbeelden van vrouwen die besproken zouden kunnen worden in een Surinaams alternatief van het Nederlandse vrouwenboek. 1001 zullen wij niet halen!

Levensbeschrijvingen uit Oost en West

door Jean Jacques Vrij

In hun inleiding bij deze bundel artikelen over prominente, merendeels twintigste-eeuwse, figuren uit Suriname en Indonesië/Nederlands-Indië onderschrijven Rosemarijn Hoefte en Peter Meel (foto links) de stelling dat biografen ‘doodgewoon en vóór alles historici’ zijn. Ik weet niet of dat het beste uitgangspunt is.De biografie is op zijn minst een bijzondere vorm van geschiedschrijving. Het is het verhaal van slechts één enkel leven en als zodanig geschiedenis op zijn smalst. Desalniettemin, zo schreef de grote essayist Samuel Johnson (1709-1784) in het midden van de achttiende eeuw, beschikt de biografie in potentie over een veel grotere aantrekkingskracht dan ‘the general and rapid narratives of history’ waarin de duizenden zaken die individuele mensen bezighouden in enkele paragrafen worden samengevat.

De biografie behandelt een kosmos waarin iedereen zich kan verplaatsen. Het enkele leven is een opgave waar ieder mens zich voor gesteld ziet. Vandaar dat een lezer snel geboeid kan raken door een beschrijving van de innerlijke worstelingen, de ambities, de tegenslagen, de prestaties van een ander. De lezer van een goed geschreven biografie verplaatst zich in de geportretteerde, vergelijkt en leert, aldus Johnson.
In de inleiding wekken Hoefte en Meel de indruk dat zijzelf inderdaad ‘voor alles’ historici zijn. Maar hebben zij ook voldoende respect voor het eigene van de biografie? Hun prioriteiten lijken waarneembaar in de klaarblijkelijk tevreden, naar ik vermoed zelfs opgeluchte constatering dat de auteurs ‘meer dan alleen een leven’ beschreven hebben. De artikelen bieden, schrijven de inleiders, een ‘spiegel van de tijd’ en ‘een intrigerend beeld van de Nederlandse (post)koloniale wereld’, waarmee ‘de biografie een instrument in dienst van de geschiedschrijving’ is geworden. Ook wordt zonder kennelijke afkeuring opgemerkt dat de auteurs zich hebben laten leiden door ‘een instinctieve terughoudendheid waar het gaat om het doen van al te stellige uitlatingen over hun hoofdpersoon en de eventuele psychologische drijfveren van zijn of haar handelen.’
Mij lijkt dit geen pluspunt. Een goede biografie behoort juist, voor alles, een visie op een persoon te bieden. En wel op heel de mens: innerlijk leven, uiterlijk handelen en het verband tussen beiden.

Vooropgesteld dient te worden dat aan een artikel van twintig pagina’s onmogelijk valt af te meten waartoe de biograaf in staat is. Daarvoor is de omvang veel te gering. De meeste schrijvers werkten in 2007, toen zij tijdens een congres de lezing hielden waarop hun bijdrage is gebaseerd, aan een uitgebreide biografie in boekvorm. Verschillende daarvan zijn inmiddels verschenen en in die gevallen kan de geïnteresseerde lezer beter direct het eindproduct ter hand nemen.
Overigens denk ik wel dat binnen het bestek van twintig pagina’s de zuiver biografische invalshoek – het kruipen in de huid van een persoon – meer kans van slagen heeft dan de ambitie een ‘spiegel van de tijd’ te geven. In ieder geval sprak de bijdrage van Kees Snoek over Soetan Sjahrir mij van alle het meest aan. Daarin wordt zonder reserve ingezoomd op de onvermijdelijk onvolkomen mens achter de anti-kolonialistische strijder (die in 1945 de eerste premier van Indonesië worden zou) en op de relatie tussen diens privéleven en carrière.

Vier van de tien biografische bijdragen hebben een Surinaamse prominent als onderwerp. Michiel van Kempen levert een boeiend stukje tekstverklaring van een werkje dat Lou Lichtveld/Albert Helman in 1978 onder het pseudoniem Hella Bentram-Matriotte publiceerde: De Zwarte Cats of Neokolonisatie der Surinaamse volkswijsheid.

Rosemarijn Hoefte (foto rechts) legt in haar artikel over Grace Schneiders-Howard, ijveraarster voor verbetering van volkshygiëne en andere leefomstandigheden, wel degelijk relaties tussen persoonlijkheidsstructuur en werkzaamheid. Het artikel laat echter ongewis of er ook voldoende intiem bronnenmateriaal voorhanden is, om van deze aan de buitenkant niet bijzonder fascinerende vrouw een meer uitgebreide en tegelijk boeiende biografie te kunnen schrijven.

Cynthia Abrahams’ bijdrage over Robin Ravales/Dobru roept bij mij verschillende prozaïsche vragen op (zoals: waarvan leefde Ravales als ‘fulltime dichter’ in Suriname?) maar ook en wezenlijker: wat waren nu werkelijk zijn afwegingen in de verschillende fasen van zijn leven, zijn diepere innerlijke drijfveren? Vragen die wellicht in haar inmiddels verschenen dissertatie zijn beantwoord.

De insteek van Peter Meel in zijn artikel over Henck Arron (foto links) verschilt duidelijk van die van de onvervalste biograaf, maar dat is ook weinig verrassend gegeven wat hij als inleider van deze bundel schreef. ‘Leven en werk’ van Arron dienen als uitgangspunt, maar doel is ‘de Surinaamse dekolonisatiegeschiedenis in de context van de Surinaamse politieke cultuur en vanuit een Surinaams perspectief te beschouwen en te analyseren’ (p. 173). Dit is kortom een specimen van politieke geschiedschrijving. Het gaat dan ook vooral over het werk van Arron (als politicus) en in geringe mate over zijn leven. Over de mens Arron leren we weinig treffends. Onwillekeurig komt de gedachte bij mij op aan Samuel Johnsons boutade: ‘that more knowledge may be gained of a man’s real character, by a short conversation with one of his servants, than from a formal and studied narrative, begun with his pedigree, and ended with his funeral.’

De overige biografische bijdragen behandelen personages uit de geschiedenis van Nederlands Oost-Indië. Die van Jan de Lang over de Nederlandse militair Frederik Hirschmann (foto rechts), die overigens tussen zijn Indische posten door ook vier jaar in Suriname was gestationeerd (hij was er van 1909 tot 1913 kommandant van de landmacht), is eveneens een schoolvoorbeeld van wat Rosemarijn Hoefte en Peter Meel in hun inleiding aankondigden. De context van Hirschmanns carrière is voorbeeldig beschreven, de man zelf komt als persoon veel minder uit de verf. Een zuivere biografie is dit dus niet. Hetzelfde kan gezegd worden van Nico Kapteins boeiende stuk over de Arabische gouvernementsadviseur in islamitische geloofszaken Sayyid ‘Uthmân, de enige van de geportretteerden wiens leven zich voor het grootste deel in de negentiende eeuw afspeelde.

Ook in Harry Poeze’s (foto rechts) stuk over de ambulante revolutionair Tan Malakka gaat het voornamelijk over de faits et gestes van de hoofdpersoon – zijn buitenkant, niet zijn binnenkant. Daarnaast beschrijft hij hoe met de herinnering aan Tan Malakka is omgesprongen, vanaf diens voortijdige, gewelddadige dood in 1949 aan het begin van de postkoloniale periode tot heden. Ontwikkelingen waarin Poeze zelf ook een rol heeft gespeeld; hij heeft al in 1976 een biografie in boekvorm over de man gepubliceerd en vier jaar geleden nog één, van meer dan tweeduizend pagina’s.

In de artikelen van Wim Willems en Frank Okker over Jan Boon (beter bekend als Tjalie Robinson en onder de schrijversnaam Vincent Mahieu) respectievelijk Madelon Székely-Lulofs (afb. links) is meer aandacht besteed aan de innerlijke persoon van de geportretteerden. Dat deze laatsten zelf literatoren waren, gedisponeerd om in de huid van een ander te kruipen, zal daar wel niet vreemd aan zijn. Treffend is dat Willems een uiteenzetting van Boon aanhaalt die gelezen zou kunnen worden als richtlijn voor een goede biografie. Waarachtig schrijven, parafraseert Willems, betekende het zich verplaatsen in een persoon, het observeren met alle zintuigen, de werkelijkheid op de huid zitten. Wie op afstand bleef, kon alleen de buitenkant schetsen en bediende zich maar al te vaak van overgeleverde clichés (p. 56).

Willems schrijft over Tjalie Robinsons vormende vooroorlogse jaren, als straatslijper, onderwijzer en journalist in Nederlands-Indië. Okker tracht de hele persoon achter het oeuvre te vangen. Het resultaat is in dit korte bestek tamelijk schematisch. We komen zo van Szekely-Lulofs te weten dat zij vaak het gevoel had tussen twee werelden te leven en een rechtvaardigheidsgevoel bezat dat ook wel wat merkwaardige kantjes had, inclusief begrip voor mensen die een halsmisdrijf begingen en een wat macabere fascinatie voor de tragische dood. Beide biografen hebben overigens inmiddels een boek over hun onderwerp gepubliceerd.

Rechts: Samuel Johnson, portret door Joshua Reynolds

De laatste twee artikelen, van Gerry van Klinken en Peter Meel, hebben een afwijkend karakter. In Indonesië zijn tot nu toe een honderdtal geselecteerde personen van regeringswege tot nationale held verklaard. Deze praktijk bestaat ook in een aantal Caraïbische landen (zoals Jamaica), maar niet in Suriname. In Meels bijdrage, over Suriname en landen uit dezelfde regio, passeren voornamelijk straatnamen, standbeelden en namen van gebouwen de revue. Maar Van Klinken behandelt de (grote) invloed van de officiële heldencultus op de moderne Indonesische biografie. Het resultaat heeft veel weg van de doorsnee Engelse biografie uit het midden van de achttiende eeuw, waarover Samuel Johnson verzuchtte dat de schrijver ‘endeavours to hide the man that he may produce a hero.’ Duidelijk is dat hierdoor veel van de waarde én de aantrekkingskracht van het genre verloren gaat. ‘Echt populair’ is de ‘heldenliteratuur’ in Indonesië dan ook niet, schrijft Van Klinken met gevoel voor understatement (p.234).

Rosemarijn Hoefte, Peter Meel & Hans Renders (red.), Tropenlevens; De [post] koloniale biografie. Leiden: KITLV Press/ Amsterdam: Boom, 2008. 275 p.,ISBN 978 90 8506 5524, prijs € 24,50.

[uit Oso, nr. 2, 2011]

Foto van Peter Meel: @ Marc de Haan

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter