blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Saramaka (volk)

Saramaccaans voor beginners

Minke deelt ballonnen uit, de vraag is groot. ‘Ik heeft nok keen blaas’. Foto: Tinde van Andel
door Tinde van Andel
Het Saramaccaans is een stuk moeilijker dan het Aucaans of het Sranantongo. De Saramaccaners vluchtten veel eerder het bos in (sommigen al  voor 1700), en veel van hen waren slaven van uit Brazilië weggestuurde Joodse plantagehouders. Dus zit er behalve Engels, Nederlands, Indiaans en Afrikaans ook een hoop Portugees in. Laat dat mengsel van talen een paar honderd jaar gisten in een verafgelegen oerwoud, gooi zoveel mogelijk medeklinkers eruit en je krijgt Saramaccaans.
We doen ons best het te verstaan, mensen komen ons tegemoet met hun versie van het Sranantongo. Net als je denkt dat je alles begrijpt, gaan ze met elkaar praten: niet alleen het volume wordt met 100 decibel opgeschroefd, ook versta je er opeens geen klap meer van. Zo kom je er achter dat je al die tijd in een soort Saramaccaans voor sukkels bent toegesproken. De toeristen die hier komen, spreken geen woord met de lokale bevolking. Voor mensen die hier komen en toch eens een praatje willen maken, hieronder onze klunzige samenvatting:
wóóóy = Hé, jij daar! (kan ook geroepen worden in een telefoon)
un dé noooooo = (lett. wij zijn er): hoi
i kon akii? = (lett. ben jij gekomen?): hoi
weki-oooooooo = goedemorgen
mi weki taangaaa = (lett. ik ben sterk wakker geworden): ook goedemorgen
duumi weki = (lett.: slapen wakker worden): slaap lekker
saai sèèèèèèèfi = van hetzelfde
Let op als mensen zich voorstellen met een bekend klinkende naam: zo heten ze dus niet. Niemand kent ze bij hun paspoortnaam, je moet hun bijnaam weten:
Georgio heet Jamesi, Agnes heet Akkie, Cor heet Abèlle, George heet Sioorie, Angelo heet Djanko, Hesdy heet Adadu
Moni (geld): kwaliki = kwartje (0,25 Surinaamse dollar)
tiensensi = dubbeltje (0,20 SRD)
dala = 1 Surinaamse dollar (100 ct) in de stad zeggen ze ‘doller’
gaan dala, baaka dala (grote / zwarte dollar) = 250 ct
tu yuuu te mi doooo (lett. twee uur tot ik deur) = ik ben er pas om twee uur.
alibi – boontje (een soort klein bruin capucijnertje)
alibi alibi – boontje-boontje (Senna occidentalis), onkruid met oneetbare boontjes
baaka = zwart, blauw of paars of wit (bakra)
Saalaaamakka stilaati in Palamaliboo = Saramaccastraat te P’bo, hier pak je de bus naar ‘t binnenland. Je hoort het Aucaans en Saramaccaans al op de stoep.
mi lij, mi lij = ik rij al (roept Doksi in zijn cell als er nog iemand mee wil die te laat is)
Ik ben geen rasta, ik draai gewoon mij haar.
Djamaika = toeristenverblijf op Jawjaw, niet het eiland. Bob Marley? Wie is dat?
Hoe oud ben jij zonder vrijpostig? = Mag ik zo onbeleefd zijn te vragen hoe oud je bent?
Ik heeft nok niet blaas = ik heb nog geen ballon (dus mag ik er een?)
Saramakaners in Atjoni, waar goederen uit de busjes worden overgeladen in korjalen. Foto C. van der Hoeven
sembe buka (lett. iemands mond): kwalijke dingen die mensen over je kostgrondje zeggen, zodat er niets meer groeit. Om dit tegen te gaan plant je een pakopesi (Canavalia brasiliensis, een hele grote oneetbare boon) aan de ingang van je veldje. In Benin gebruiken voodoo priesters een boon van Canavalia ensiformis tijdens rituelen, die heet….akpaku.
tinde = klein vogeltje dat de rijst opeet. Je schiet erop met je ‘slinger’ (katapult).
Niemand heeft hier dus moeite met mijn naam uitspreken
kakisa = huid, schil, boombast.
mi nango bakasei (lett. ik ga naar de achterkant) = ik ga het bos in
switi mofo (lett. zoete mond) = vlees uit het bos of een lekkere vis
disi boy no taki neks = deze jongen zegt niets (Jorik heeft moeite met Saramaccaans)
djanga futu = hert (eet alle napibladeren op)
genge = twee pannendeksels die op elkaar klapperen om vogels weg te jagen.
blina bal- een zoet broodje dat bakker Betsy bakt (Berliner bol)
hanse muyee = lekker wijf (van ‘handsome’ (Engels) en ‘mulher’ (Portugees)
loli = slijmerig, zoals sesambladeren in een kruidenbad
lolo = rollen
luile = ruilen
lalu = oker
kalu = mais
palu = Heliconia
beee = brood    bee = buik   be = rood
Als dus wil zeggen: “mijn rode buik zit vol brood”, dan klink je als een sukapu (schaap)
ketre kendi kendi kendi -pas op die ketel is heet!
Ik ga voor jou een onderkomen bouwen hier = ik vind jou leuk
sakwati kula: ‘dat is een vrijpostig ding, dat draagt een man in zijn broek!’
[van bushblogsuriname, woensdag 7 augustus 2013]

Talen leven in het leven, maar ook in de wetenschap?

door Els Moor

 
Na lange tijd ontvingen we weer een OSO en wel half oktober 2013 het nummer van mei 2013. Jaarlijks is het mei-nummer voor een groot deel gewijd aan het colloquium dat in november van het jaar ervoor gehouden werd door de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS). In november 2012 was het thema ‘Taal Tori: Kultura den Boka’. Het uitgangspunt van het colloquium was dat taal levend is en dus verandert.
Drie artikelen zijn er waarin de Surinaamse taalsituatie een rol speelt en twee over die van Curaçao. Uiteraard bevat deze OSO recensies van recent verschenen werk en van Michiel van Kempen is er ‘In memoriam Jan van Donselaar’. We berspreken hier alleen de artikelen die te maken hebben met de taalsituatie in Suriname.
In de eerste bijdrage geeft Pieter Muysken – hoogleraar taalwetenschap aan de Radboud-universiteit Nijmegen – een overzicht van de ‘Meertaligheid in het Caraïbisch Gebied en Suriname’. Hij begint met een beeld van meertaligheid in het algemeen. Waarom is er niet één taal in de wereld? Een interessante vraag. Taal is een stuk identiteit en het ene volk is anders dan het andere. Zo is het gegroeid en zo gaat het nog steeds.
Twee opvattingen van Muysken doen vragen rijzen. Zo beweert hij dat creooltalen, ook het Sranantongo, ondergewaardeerd worden. Letterlijk zegt hij: ‘Een creooltaal wordt dan vaak ook als iets waardeloos beschouwd.’ Dit mede omdat creooltalen eenvoudiger zijn qua verbuigingen en vervoegingen dan de officiële talen, bij ons dus het Nederlands. Maar creooltalen horen toch juist heel sterk bij de ‘identiteit’? Is die identiteit dan minderwaardig? Muysken geeft tevens een schematische indeling van talen waarbij ze als het ware op een ladder te zien zijn. ‘Hoog’ zijn talen voor onderwijs en bestuur, ‘Midden’ talen op straat en op het werk en ‘Laag’ talen die thuis gesproken worden, onder vrienden en in intieme situaties. Ik zou ‘hoog’ als volgt willen interpreteren: hoe hoger op de ladder, hoe verder van de grond, van de dagelijkse werkelijkheid, van de identiteit. Maar of de wetenschappers ‘hoog’ en ‘laag’ ook zo uitleggen? Als professor ben je immers ‘hoog’ en als jager en kostgrondjeshouder in een dorp in het binnenland, die zijn eigen taal spreekt, ben je dan ‘laag’? Wel dicht bij je eigen grond! In Suriname is het Nederlands natuurlijk ‘hoog’, het Sranan en vaak ook het Sarnámi ‘midden’ en veel thuistalen van volken in het binnenland ‘laag’. Muysken geeft toe dat er nog veel onderzoek verricht moet worden om alle talen hun plaats te geven. Pieter Muysken heeft achter zijn bureau op de Nederlandse universiteit zijn betoog opgebouwd. Als talen inderdaad ‘levend’ zijn, moet je dat echter laten zíén. Hoe talen functioneren in Suriname, binnen de leefwereld van verschillende groeperingen, wat voor Nederlands ons Surinaams-Nederlands is… daarvan zien we niets. Talen hebben onderscheiden functies en sommige talen worden geschreven en andere niet. Het Nederlands is ook de onderwijstaal en voor heel veel kinderen hier is dat een probleem. Maar ook vanuit je eigen taal, identiteit en leefwereld, kun je die vreemde andere taal leren en gelukkig gebeurt dit al op sommige scholen in het binnenland. In ieder geval ‘leeft’ de taal dan voor degene die hem leert! In de wetenschappelijke artikelen vinden we heel weinig over de manieren waarop men in Suriname omgaat met de taalproblemen, met name in het onderwijs. Sommige thuistalen leven niet meer, gaan dood, zoals sommige inheemse talen in Suriname, Muysken noemt het Warao. Dat komt vaak doordat jongeren vervreemden van hun eigen taal en steeds meer een eigen taal met elkaar spreken, hier vaak een mengsel van Surinaams-Nederlands en de lingua franca het Sranan. Maar dat vermeldt de auteur niet.

Het tweede artikel van Sjaak Kroon & Kutlay Yagmur – ook hoogleraren – gaat over ‘Taalbeleidsonderzoek en taalbeleidsontwikkeling voor het onderwijs in Suriname’. Ze doen verslag van het landelijk thuistaalonderzoek in Suriname dat van 2007 tot 2009 werd uitgevoerd op initiatief van de Nederlandse Taalunie en het Minov door de universiteit van Tilburg. Bij dit onderzoek werden 22.643 leerlingen van de klassen 4, 5 en 6 van glo en van lbgo en mulo gevraagd naar hun thuistaalsituatie. Het doel was gegevens te verschaffen ten behoeve van het taalbeleid in Suriname: moeten ook andere talen dan het Nederlands een rol gaan spelen in het onderwijs? Leerkrachten ondersteunden de leerlingen en de antwoorden waren makkelijk te geven via het aankruisen van een bolletje. Wat de schrijvers op pagina 25 zelf ook aangeven is de vraag of deze methode, binnen de school en met hulp van de klassenleerkracht, wel leidt tot het weergeven van de werkelijke taalsituatie. Of geven de jongeren sociaal wenselijke antwoorden? In totaal hebben de leerlingen 52 talen genoemd die thuis gesproken worden. Dat is verrassend. Op grond van de resultaten hebben de onderzoekers een top 14 samengesteld. Daarin staat in bijna alle districten Nederlands op de eerste plaats als thuistaal. Alleen in Brokopondo niet, daar is dat het Saramakaans. Vaak staat het Sranan op de tweede plaats, in Saramacca en Nickerie het Sarnámi en in Sipaliwini het Saramakaans. Veel leerlingen geven via de vragen ook aan dat ze het Nederlands goed beheersen. Dit onderzoek is uitermate vaag. De meeste leerlingen wonen in de stad en nabije districten, waar het Nederlands inderdaad bijna door iedereen redelijk tot goed gesproken wordt. Hoe zit het met kinderen uit de volkswijken in de stad, in de verdere districten en vooral in het binnenland tot het uiterste zuiden, waar niemand meer Nederlands spreekt en de schooltaal dus zowat onmogelijk is voor de kinderen? En al die kinderen en vooral jongeren die niet meer op school zijn? Degenen die op lbgo en mulo terechtkomen, hebben de toets gehaald, zijn voornamelijk uit de stad en de nabije districten, maar hoe verderaf je komt, hoe meer het afneemt.

Het derde artikel is van Margot van den Berg. Zij is wetenschapper aan de universiteit van Nijmegen. Het is een verslag van een onderzoek naar contacten tussen talen en daarmee samenhangend taalveranderingen. Taal wordt daarbij aan identiteit gekoppeld. In het onderzoek wordt taalvariatie aangetoond in verschillende talen, het Sranantongo, het Sarnámi en het Aukaans. Het onderzoek laat zien dat de talen steeds meer op elkaar gaan lijken. De talen in Suriname veranderen wel degelijk. (Zoals overal: hoe is het Nederlands niet veranderd in de laatste dertig jaar. Het is veel meer aangepast aan de ‘platte’ taal van het volk, de elite spreekt vaak nog ‘netjes’.) Hein Eersel heeft in 1983 al gezegd: ‘Het systeem is aan het veranderen’. Dat doet het nog steeds, alles wat leeft verandert, meestal onder invloed van anderen. Taal leeft! De drie artikelen zijn helaas niet echt uit het ‘taal-leven’ gegrepen! OSO is een ‘Tijdschrift voor Surinamistiek’, maar helaas is die surinamistiek steeds meer vanuit Europese geleerde brillen. Dat zie je ook aan de literatuurlijsten bij de artikelen. En dat terwijl er ook vanuit Surinaams perspectief veel over geschreven is.
KIT Publishers: OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch Gebied; jaargang 32, nr. 1, mei 2013. ISSN 0167-4099
Opmerking van de redactie van dWTL: terwijl we bezig waren met deze pagina ontvingen we de nieuwe His/her TORI, Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, nummer 4 van juli 2013. We zullen het zo gauw mogelijk bespreken. Het gaat over ‘feestdagen’ in Suriname. Het onderwerp geeft hoop dat we actuele en historische informatie krijgen, vanuit Surinaams ‘levend’ perspectief!

Donner over Marronverdragen in Juristenblad

Groep Aukaners van de Sarakreek, ca. 1900-1940. (Collectie KIT.)

In het zojuist verschenen tweede nummer voor 2013 van het Surinaamse Juristen Blad heeft Mr.Dr.W. Donner een nieuw licht doen schijnen op het karakter van de Marronverdragen. In de 18e eeuw kwamen in Jamaica twee vredesverdragen tot stand tussen de Marroons en het bestuur aldaar, namelijk in 1737 en 1738. In Suriname kwam nauwelijks twintig jaar daarna, in 1760 het traktaat met de Aukaners, dat thans als nationale dag wordt gevierd, tot stand en in 1762 het traktaat met de Saramaccaners. Donner verwijst naar zijn boek over de Marronoorlogen, waarbij hij stelt dat de toenmalige gouverneur een delegatie stuurde naar de opperbevelhebber der Aukaner Strijdkrachten Araby om tot een vergelijking te komen. Dat er contact bestond tussen de marrons in Suriname en die van Jamaica blijkt uit het feit dat Araby verwees naar de verdragen die in Jamaica waren gesloten met de Engelsen. Hij was bereid onder dezelfde voorwaarden als op Jamaica vrede te sluiten. Behalve het artikel van Donner bevat het jubileumnummer van het SJB, vele andere interessante artikelen onder andere over het Surinaams Ruimtelijk Ordeningsrecht dat middels het Ministerie van ROGB regelmatig in de belangstelling staat. Verder een artikel over de voorlopige toepassing van verdragen en overeenkomsten zoals de EPA en de Grondwet van Suriname. Belangrijk is verder ook de herplaatsing van een artikel van Halfhide over eigendom van delfstoffen, welk artikel door de auteur (oud-advocaat) geactualiseerd is.

[mededeling Schrijversgroep ’77]

Nine eleven

Atjonie
 
door Carry-Ann Tjong-Ayong
11/9 is voor ons geen doomsday.
Wij rijden naar Atjonie over de nu glad geasfalteerde weg met nog herinneringen aan 14 jaar geleden, toen wij hobbelend en buitelend in een tot bus omgebouwde oude vrachtauto van de bloemenveiling Aalsmeer zaten, met een groep medereizigers, de enorme bagage opgestapeld in een hoek, manden, reistassen, vormeloze bundels, zakken, en andere “lay”. Onze voeten steunden op een palet om de gaten in de vloer te maskeren, maar dat verhinderde niet, dat het rode stof en als het had geregend, de rode modder zich een weg baande naar onze kleren.
Nu glijden wij over de weg en zijn een paar uur later aan de oever van de Surinamerivier met de rijen korjalen en de gezellige drukte van gaande en komende reizigers. Veel Marrons, kleurig gekleed, vooral de vrouwen, die steeds moderner en sexier worden. Jongens met veelkleurige haren verplaatsen winkelwaren op hun steekwagentjes. Hier en daar een “bakra”-stel met rugzak, zoekend naar verder vervoer.
“Mami yu doro!” Drie mannen komen verheugd op mij af en schudden mij de hand, omhelzen Wim. De boot ligt al tegen de oever op een gunstige plek, waar zij mij straks, over een andere korjaal, met rolstoel en al zullen tillen.
Eerst nog een biertje drinken met Wim, de bagage in de boot zetten, water kopen, benzine halen. De vaste rituelen voor het vertrek. “Mami un dé”.
We kunnen vertrekken.
De euforie van het opspattend water, het zoemen van de buitenboordmotor,
De eeuwig groene woudwanden, die mijn verborgen religieuze gevoelens naar boven halen. Meneer Gullith kon zo mooi vertellen op de Stähelinschool.
Tegen 16.00 uur zijn we bij Masiakriki en leggen aan bij de trap van Masia Paati, het eiland aan de overkant. Hier zullen we logeren in de primitieve traditionele hut met pina dak, kunstig gevlochten en heerlijk koel bij de naderende oktoberhitte.  De aarden vloer is bestand tegen kalebassen water en de lage deur kan ‘s nachts open blijven, zodat je vanuit je hangmat op de maanverlichte rivier kan kijken. We gebruiken geen klamboe, want hier zijn geen muskieten. Het balkonnetje aan de waterkant, waar ik graag zit te schrijven, wordt helaas langzaam verorberd door houtluis en moet binnenkort vervangen worden.
Het is bijna volle maan, munkenki, en voor de hut kun je ’s avonds heerlijk in het maanlicht zitten praten met een  drankje. Geen smog, geen stadslawaai, maar gesjirp van krekels, gekwaak van padden, ver gebrul van babun, en af en toe een vrouwenstem van oever tot oever. Het is hier heerlijk slapen.
Toch heeft mijn bezoek dit keer een wrange smaak. Het overlijden en de rituelen rond de begrafenis en puru blaka van kabiten Allifons zijn aan mij voorbij gegaan. Ik was net in die maanden tussen december en juli niet in Suriname en daarna was het Carifesta en de bigiyari van mijn zuster. We maken nog net de puru blaka van de eerste vrouw van Allifons mee. Zij is zes weken in eenzame opsluiting in haar hut gebleven om te rouwen met als menselijk contact alleen iemand die haar de maaltijden brengt. Nu wordt zij naar Pikin Slee gebracht waar zij in in het geheim een kruidenbad krijgt, waarna zij weer aan het gewone leven mag deelnemen.
Wij mogen haar bezoeken.  Ik schrik als ik de eens zo trotse, statige vrouw, oud, grijs en kromgebogen, bijna op handen en voeten haar hut uit zie komen. Dat doet verdriet en eenzaamheid met je, denk ik geëmotioneerd. Tradities en rituelen hebben hier de tijd overleefd.
En weer laat ik mij door het hele dorp voeren, om al mijn vrienden en bekenden te groeten, een praatje te maken, handen te schudden met de mensen, die na veertien jaar als familie zijn geworden. De jongste zoon van Allifons kijkt mij treurig aan. “Aduú …” omhelzen wij elkaar op zijn Saramakkaans.
cat, 18/9  2013

 

Standaardisatie Saamaka Tongo kent vele aspecten

 
 

door Audry Wajwakana

Kenneth Lazo
Paramaribo – Om te komen tot één spelling- en schrijfwijze voor de Saamaka Tongo dient er rekening gehouden te worden met de vele varianten en klanken van de taal. Dat gaven delen van het goed opgekomen publiek donderdagavond mee aan Stichting Saamaka Akademiya, bij de lezing ‘De media en Saamaka Tongo’. Het is precies een jaar geleden dat de stichting het proces heeft ingezet om de taal samen met het directoraat Cultuur te institutionaliseren.
Marijke Agwenze, voorzitter Stichting Saamaka Akademiya
Invloed
Inleider Kenneth Lazo schetste de huidige positie van de Saamaka Tongo in de media. Als radio- en televisiepresentator heeft hij waargenomen dat de taal het best aan bod komt bij de radio. “Dat komt door de overheid die voorlichtingsprogramma’s vertaalde. Ook ngo’s hebben meegewerkt door hun boodschap via dit medium te verspreiden”, zegt hij. De reikwijdte van de verschillende radiozenders vanuit Paramaribo en community radiozenders in de verschillende dorpen heeft hieraan ook meegeholpen. Bij de televisie gaat dat er ietwat anders aan toe, vanwege de beperkte reikwijdte en zendmasten die in het binnenland ontbreken.
Waldi Ajaiso
De binnenlandbewoners hebben deze opgevangen middels video-opnames en gebruikgemaakt van dvd-spelers om beeldinformatie te krijgen. “Als we kijken naar de relatie tussen taal en cultuur, zien we dat veel Afrikaanse films in trek zijn bij marrons vanwege de cultuurovereenkomsten”, haalt Lazo aan. Hierdoor hebben ze interesse voor de inhoud van die films. “Jongeren in Paramaribo hebben daarop ingespeeld door de inhoud van de films te vertalen.” Dat is volgens de inleider ook een manier om te zien welke invloed de taal via het medium televisie heeft op mensen. “Een wereld gaat open voor die mensen”, zegt hij. Als bewoner uit Santigron heeft hij meerdere keren meegemaakt dat de mensen uren over de inhoud van een film kunnen discussiëren.
Rapper Scrappy W bewijst met het lied Super Saamaka hoe trots hij is op zijn culturele identiteit. Bij de lezing ‘De media en de Saamaka Tongo’ bracht hij het lied a capella ten gehore. Foto: Claudio Barker.
Bijdrage
Bij de discussieronde van de lezing is echter afgeweken van het thema ‘De media en Saamaka Tongo’. Vanwege de complexheid en moeilijkheidsgraad van de taal, riep Johan Roozer van het directoraat Cultuur andere organisaties en Saamaka-mensen op om hun bijdrage te leveren aan het proces.
Johan Roozer van het Directoraat Cultuur
“De taal is een stukje erfgoed, waarin heel wat geschiedenis verborgen is”, geeft hij de aanwezigen aan. Vanwege het emancipatieproces dat zich bij verschillende marrongroepen voltrekt, vindt hij dat er haast geboden is om de normering van de taal bij wet te laten vastleggen. “Mensen worden oud en het doorgeven van verhalen geschiedt op een traditionele manier die voor de niet-Saamaka onbegrijpelijk is.” Ondanks dat algemeen bekend is dat de letters ‘g’ en ‘r’ niet in de taal voorkomen, hebben de verschillende Saamaka-woorden vele uitspraakmogelijkheden. Los van die mogelijkheden hebben de verschillende Saamaka-dorpen ook andere intonaties..
[uit de Ware Tijd, 21/09/2013]
Een deel van het publiek
Alle foto’s, tenzij anders aangegeven: @ Stichting Saamaka Akademiya

‘Eindelijk VRIJ!’… ???

door Christine F. Samsom

Spannend! De kleinkinderen, Ayana en Zoë, hangen aan oma’s lippen. Ze zijn net in het binnenland geweest en hebben gezien hoe de kinderen in hetzelfde groengeruite bloesje als in de stad naar school gaan en hoe ze in de middag heerlijk ravotten in de rivier, hoe hun moeders daar de vaat en kleren wassen en maripa verwerken tot spijsolie, en hoe de kinderen helpen met stampen in de mata, hoe mannen gaan vissen, boten besturen met vracht, familie of toeristen, hoe ze van bomen met een kettingzaag planken zagen voor een huis of een boot. Ja, ze hebben zelfs een jager gezien met een echt geweer en ze snappen dat als er geen slager is, je afhankelijk bent van wat jagers aan vlees vinden.
Dus als hun oma begint te lezen over Toutu, Waka, Lodi en Nini uit het dorp Kulekule aan de Surinamerivier, die wachten op de laatste bel van het bijna afgelopen schooljaar, dan zijn ze vol aandacht. Gelukkig, de hoofdpersonen zijn alle vier ‘over’! ‘Yeeeeh, yeeeeh, vakantie!’ De prachtige illustraties in het boekje spelen een belangrijke rol: Ayana ziet dat de kinderen zijn getekend, maar de bomen, het gras, de school, de huizen, zijn ‘echt’. Ze heeft gezien, hoe die kinderen van het binnenland in hun eigen omgeving leven en ze begrijpt, hoe belangrijk het is als een oom van Nini ‘gbamba’ (vlees van zelfgeschoten kapasi en bofru) komt brengen, nadat het viertal al een paar weken geen vlees heeft gegeten.
Samen met Zoë is Ayana benieuwd wat Nini zal vinden als ze, op zoek naar leguaneneieren, iets ziet onder de kerk. Er komt een metalen kistje tevoorschijn, maar zelfs de sterke Waka kan hem niet open krijgen. Dus rennen ze naar het huis van de dominee. Maar het lukt ook de dominee niet en intussen wordt het donker en moeten de kinderen snel naar huis, want ze weten wat er thuis op de barbakot ligt… ‘Duumi u weki ee!’ (Welterusten!) roept de dominee hen achterna. ‘Sö i seei ooh!’ (U ook!) roepen de vier nog snel. Ook voor Ayana en Zoë is het bedtijd. De spanning zit erin: wat zou er in het kistje zitten?
Tja, en dan volgt de volgende avond toch wel een beetje een teleurstelling. Want in het kistje blijkt geen schat te zitten: gouden munten of een kaart die wijst waar de schat te vinden is. Zo gaat dat in andere kinderboeken. De dominee heeft brieven gevonden waarin verhalen staan van de voorouders van de Saramakaners. Nu komt er een verhaal over de slavernij en het wegvluchten van de plantages. Daarvoor zijn Ayana (7) en Zoë (5) nog een beetje te jong, en al helemaal als de vrijheid van slavernij in het boek ondergeschikt wordt gemaakt aan de vrijheid die het geloof in de Here Jezus geeft. ‘… pas als de Here Jezus jouw vriend is, ben je werkelijk vrij.’ (p. 12) Oei!
Dan brengt dominee de kinderen naar Ma Tii in Pokigron die veel kan vertellen over de geschiedenis en over de helden uit die tijd: over de jonge vrouw Pansa die op het idee kwam om rijst-aren in haar dikke vlechten te verbergen voordat ze vluchtte van de plantage; over Johannes Alabi en over Johannes King. Uiteindelijk krijgen de kinderen nog een verrassing: een schooltas met schoolspullen en… een bijbel.
Ayana en Zoë slapen allang als oma het boek dicht doet. Ze denkt aan haar eigen bevrijding, bevrijding van de dwang en het liefdeloze fanatisme van veel kerken (anti-homoseksualiteit, achterstelling van de vrouw, apartheid, goedpraten van oorlogsgeweld…). Ze kent veel Saramakaners, christenen en niet-christenen, en vraagt zich vaak af, denkend onder andere aan de vreselijke dyugudyugu anderhalf jaar geleden rond de begrafenis van Stanley Abini: ‘Moet je mensen met een bestaand geloof en de daarbij behorende vaak eeuwenoude culturele uitingen, overtuigen van het belang van een ander geloof en hen ertoe brengen hun oorspronkelijke geloof af te zweren?’
Maar het moet gezegd: Het boekje is mooi uitgegeven, foutloos, een goede lay-out met prachtige illustraties van Ginoh Soerodimedjo, met in het ‘Nawoord’ van de voorzitter, Hyacinth Bos-Halfhide, van de stichting Hosea, de uitgever van het boekje, een zin die ons van de Ware Tijd Literair goed doet: ‘Het idee van dit boekje heb ik gekregen, toen ik […] Nederlandse kinderboeken naar het binnenland van Suriname bracht. Ik schaamde mij, omdat de verhalen in deze boekjes zo ver verwijderd waren van de belevingswereld van deze kinderen.’ Schrijfster Annelies den Boer-Aside, de kinderen van het binnenland verwachten meer van u! Maar laat kinderen vrij in hun geloofskeuze.
Annelies den Boer-Aside: Eindelijk VRIJ! Paramaribo: Stichting Hosea, 2013. ISBN 978-99914-7-228-7

 

‘Slavernij? Zand erover’

In Abenaston telt het verleden niet: “De stadsnegers hebben niks gedaan”
 .
Zonder slavernij zou Suriname nu geen tientallen Marrondorpen hebben. Immers, die dorpen werden opgezet door weggelopen slaven en nu bewoond door hun nazaten. Parbode bezocht een van de Marrondorpen: Abenaston aan de Boven-Suriname. En ontdekte dat het slavernijverleden daar, zoals in vele andere dorpen, nauwelijks meer telt.
De geschiedenis van Abenaston is, zoals van zoveel Marrondorpen in het binnenland, van tijd tot tijd roerig geweest. Jamens Zandveld en basja Jules Joonaa weten nog iets van die geschiedenis. Maar, benadrukken ze meermaals, het is een verhaal dat van generatie op generatie is overgedragen, dus of alle feiten precies kloppen zoals zij vertellen, weten ze niet zeker. Wat wel vaststaat, is dat Abenaston vanaf het begin het domein was van de Evangelische Broedergemeente (EBG). Ruim honderd jaar geleden verrees het dorp op de huidige plek. Enkele decennia eerder vestigde zich een groep Marrons zich even verderop aan de rivier, maar al snel bestond daar onderlinge onenigheid. Na verloop van tijd en nog wat omzwervingen trok het ene deel naar de plek waar nu Botopasi ligt, het andere deel stichtte Abenaston. De kerk speelt vandaag de dag nog altijd een belangrijke rol. “Iedereen is gedoopt, maar niet iedereen gaat meer naar de kerk”, zegt hoofddienaar Jamens Zandveld met voelbare spijt. Om er haastig aan toe te voegen: “Maar er is geen sprake van vijandschap hoor”. In het verleden heeft de Gemeente Gods Bazuin wel pogingen ondernomen om voet aan de grond in Abenaston en omringende dorpen te krijgen, overigens zonder veel succes. “Ze hebben destijds van het dorpsbestuur alle kansen gekregen, maar toen ze een overledene vlak naast een kreek wilden begraven, zorgde dat voor veel opschudding.” Dat betekende exit Gods Bazuin, ze moesten vervolgens aan de overzijde van de rivier hun heil en zieltjes zoeken. Marrontradities en religie gaan volgens Joonaa goed samen. “Ondanks de cultuurverschillen wordt daar goed mee omgegaan. Alleen de azampau, de geestenpoort bij de ingang van het dorp aan de rand van de rivier, staat de EBG niet toe. In tegenstelling tot de katholieke kerk.”
Een azampau. Foto @ Michiel van Kempen
Toch lijkt de EBG ook in Abenaston terrein te verliezen. Volgens Zandveld is er vooral de laatste decennia veel veranderd in Abenaston. Het wegtrekken van vooral jonge mannen naar de stad, vindt hij een kwalijke zaak. “En de jeugd van nu heeft weinig respect meer voor de ouderen. Ze schreeuwen tegen hun moeders en presteren slecht op school. Ik ga ook regelmatig naar de klassen om ze te vertellen dat ze respect moeten hebben en beleefd moeten zijn, maar het heeft niet veel effect. Kunt u straks niet even naar school gaan om de kinderen toe te spreken? Misschien dat ze wel naar u luisteren.” We bedanken vriendelijk voor het aanbod, maar gaan er niet op in. De viering van de afschaffing van de slavernij zal in de meeste Marrondorpen ongemerkt voorbijgaan. Het leverde immers alleen de huidige stadscreolen de vrijheid op, de Marrons hadden die al zelf weten te krijgen door weg te lopen. Dus het is niet hun feestje. In Abenaston denkt iedereen daar zo over, ook de jongeren. “Als er geen slavernij was geweest, was ik er nu ook niet”, zegt de dertienjarige Willem. Daar valt geen speld tussen te krijgen; bij de lessen over voortplanting heeft hij kennelijk goed opgelet. “Het is een stadsfeest, voor ons is de Dag der Marrons belangrijker. We kijken ook niet met wrok op de slavernijperiode terug”, zegt Zandveld. “Wat in het verleden is gebeurd, was fout. Maar door de slavernij af te schaffen, hebben de Hollanders dit ook erkend. Dus zand erover. “De zwarten en de blanken kunnen nu niet meer zonder elkaar. Daarom krijgt een zwarte als hij bij een blanke komt of andersom, altijd een bordje eten. Er bestaat bij ons dus absoluut geen wittenhaat. We zien elkaar wel degelijk staan. Mijn zoon is zelfs getrouwd met een blanke. We kunnen elkaar helpen. En als de blanken hier ontwikkeling willen brengen, dan zijn ze van harte welkom.” De roep van de stadscreolen om een slavernijmonument, begrijpt hij niet helemaal. “Waarom moet dat in de stad komen, waarom niet in een van de bosnegerdorpen.” Dat sommige nazaten in Paramaribo herstelbetalingen van Nederland eisen voor het onrecht dat hun voorouders is aangedaan, vindt hij onzin. “Maar ja, als Nederland toch wil betalen, dan ga ik natuurlijk geen nee zeggen. Het geld moeten ze echter niet aan de stadsnegers geven, maar aan hen die gevochten hebben en de vrijheid hebben afgedwongen. De bosnegers dus, de stadsnegers hebben niks gedaan.”
 

Marrondorpen en de slavernij
Slaven die de kans kregen, vluchtten weg van het onmenselijke leven op de plantages. Zij werden ‘Marrons’ genoemd, afgeleid van het Spaanse woord ‘címarrón’, waarmee ontsnapt vee werd aangeduid. De bewoners van de Marrondorpen gebruiken dit woord zelf nauwelijks, ze geven de voorkeur aan ‘bosnegers’. Al in de tijd van de Engelse kolonisatie waren er in Suriname Marrons. De meeste van hen waren alleen of in kleine groepjes weggelopen. Volgens schattingen nam in de achttiende eeuw ruim tien procent van alle slaven de vlucht. Om uit handen van de plantage-eigenaren te blijven, trokken ze naar de meest ontoegankelijke gebieden. De veiligste manier was om de rivieren naar het zuiden te volgen. Na het passeren van stroomversnellingen waren de Marrons vaak veilig. Vaak vonden de weggelopen slaven elkaar in het bos, bouwden hutten en legden kostgrondjes aan. Zo ontstonden de eerste Marrondorpen, vooral in het gebied tussen de Surinamerivier en de Saramacca. De mannen waren destijds veruit in de meerderheid. Marrondorpen hadden dus altijd een gebrek aan vrouwen. Ook naar voedsel, geweren, kogels, buskruit, kapmessen, zaai- en pootgoed was men altijd op zoek. Zowel voor vrouwen als voor de schaarse producten waren de Marrons aangewezen op de plantages. Dat leidde tot vele aanvallen op plantages, waarbij veel blanken werden gedood en plantages in vlammen op gingen. Bij de aanvallen werden vrouwen- en kinderslaven ontvoerd en werden wapens en producten gestolen. Tussen 1760 en 1767 werd er officieel vrede gesloten met de belangrijkste Marrongroepen. Er werd onder andere afgesproken dat de marrons jaarlijks de benodigde artikelen van de koloniale overheid zouden ontvangen. Hierdoor zouden ze geen plantages meer hoeven te plunderen. In ruil daarvoor werden de Marrons verplicht om gevluchte slaven uit te leveren aan het koloniale bestuur.
[uit Parbode, 1 juli 2013]

Overdracht Saamaka-cultuur broodnodig

door Tascha Samuel

Paramaribo – “Ik ben als Saamaka-vrouw erg geïnteresseerd in mijn cultuur. Ik merkte dat ik heel wat dingen van vroeger niet wist, omdat de tijden en gewoonten zijn veranderd. Hierdoor dreigen tradities verloren te gaan. Zelfs ouderen doen het niet meer. Het is dus van groot belang dat we zulke activiteiten ontwikkelen om de cultuur te behouden”, licht Zinaida Weimans-Huur toe. Zij is assistent jeugdambassadeur en organiseerde in Abenaston een bijzonder cultuuroverdrachtevenement. De dans en culinaire tradities werden door de ouderen aan de jongeren gepresenteerd.
Een jongeman drinkt uit een kalebas tijdens de dag van culturele overdracht op Abenaston. Foto: collectie Zinaida Huur.
Oude dansen
“Ik heb zoveel bijzondere dingen gezien en geproefd. Ik heb echt veel geleerd”, zegt Raynell Enfield die heel trots is op de jeugdambassadeur uit Sipaliwini. In Abenaston waren de dorpen Pokigron, Kajapati en Amaka vertegenwoordigd. Er werd eerst gedanst. Diverse oude dansen werden uit de kast gehaald zoals ‘de Adande’. “Deze is een dans die uitbeeldt hoe de schepen vroeger uit Afrika naar Suriname kwamen.” Een andere dans is de ‘Pon baka Jana’. De dans heeft volgens Weimans karakteristieken van de ‘seketi’, maar er wordt veel gesprongen.
Origineelst
Er was een wedstrijdelement aan het geheel verbonden. De deelnemers moest proberen ouderwetse gerechten te bereiden en die op een zo traditioneel mogelijke manier te presenteren. “Bij de oude keuken werden er geen productie als ketjap en maggi gebruikt”, meent Weimans. De groep uit Amaka streek met de hoogste eer. Zij hebben een makoekoe gemaakt. Dat is de bekende ‘ijzeren’ drievoet waarop men kookt, maar dan van klei gemaakt. Ook in hun presentatie waren ze het origineelst. “Het water werd opgediend in een oude kruik. En de tafel werd gedekt op de vloer, voor de voeten van de man zoals dat vroeger werd gedaan en niet op een tafel.”
Foto @ Nicolaas Porter
Vis of wild vlees
Er werden tal van bijzondere gerechten bereid zoals de adanda mataka. Deze is een afingi (soep) soort; en een mix van pinda, rijst en warme toekoenari. Tokoe bia bia heeft als hoofdingrediënten geraspte cassave (domi) en oker. Van de cassave wordt een soort pap gekookt waarin oker wordt gedaan met warme vis of wild vlees. “Ik heb voor het eerst saina wataa gedronken. Dat is een drank gemaakt van kokosmelk.” Weimans geeft aan veel hulp te hebben gehad van collega- jeugdambassadeur Chiva Antomoi en de lokale vrouwenorganisatie Sowkè.
[naar de Ware Tijd, 08/06/2013]

Kaart “Saamaka-land” 6 jaar na vonnis bijna af


door Louis Alfaisie

De Vereniging van Saramaccaanse Gezagsdragers (VSG) heeft sinds kort een kaart in concept gereed met de demarcatie van het woon- en leefgebied van de stam. Deze kaart komt circa 6 jaar na het vonnis van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (IACHR), waarin staat dat de Staat Suriname de mensenrechten van het Saamaka-volk aan de Surinamerivier stelselmatig heeft geschonden. Het hof veroordeelde de Staat tot volledige uitvoering van het vonnis, waarin de formele erkenning van hun tribale landrechten als kern wordt genoemd. Het vonnis dateert van november 2007. De concept-kaart is geproduceerd door NARENA van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CELOS) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname.

[uit De West, 29-04-2013]

Vinije Haabo winnaar derde subsidieronde Silvia de Groot Fonds

Vinije Haabo
De winnaar van de derde subsidieronde van het Dr. Silvia W. de Groot Fonds is Vinije Haabo. Haabo krijgt het volledige subsidiebedrag van € 10.000 toegewezen voor zijn onderzoek naar de Saramakaanse taal. Jaarlijks is een bedrag van € 10.000 beschikbaar, te verdelen over één of enkele aanvragers. Naast het geldbedrag ontving Haabo het laatste boek van Silvia de Groot, Agents of their own Emancipation. Het bestuur van het fonds hoopt dat het boek hem zal inspireren bij zijn verdere onderzoek.
Titel onderzoek: Onderzoek naar lexicale verschillen tussen de Saramakaanse dialecten
Vinije Haabo verricht reeds jaren, voornamelijk met eigen middelen, linguïstisch onderzoek naar de Saramakaanse taal. Dit resulteerde onder meer in het concept voor een woordenboek van het Saramakaans dat hij beoogt open access op het internet te publiceren. Zijn werk wordt hogelijk gewaardeerd door prominente wetenschappers, waaronder de antropoloog Richard Price en de taalkundige Maarten Mous. Haabo heeft ondersteuning van het fonds gevraagd om zijn onderzoek te verdiepen door verder veldwerk te verrichten in Suriname, Frans-Guyana en Nederland. Het bestuur van het fonds was unaniem van mening dat deze kandidaat en deze aanvraag bij uitstek in aanmerking komen voor ondersteuning door het Dr. Silvia W. de Groot Fonds.

Vinije Haabo (1971) is van Saramakaanse afkomst. Hij volgde zijn schoolopleiding in Suriname, deels in het binnenland, deels in Paramaribo, waar hij ook een landbouwopleiding volgde aan de Universiteit van Suriname. Vanaf 1999 werkte en studeerde hij in Nederland, thans als freelance schrijver, journalist en onderzoeker.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter