blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Saramacca (district)

Ons eigen leesboek: loes en mama

door Indra Hu

Prachtig! Superblij als ik lees dat loes en mama een herdruk heeft. ‘Een eenmalige limited edition, hoor’, zegt de vrouw aan de andere kant van de telefoonlijn, als ik vraag of er genoeg is, want ik had niet zo gauw de tijd om het meteen aan te schaffen. Hmm, ik fluit wel even als ik de prijs hoor van de tiendelige verzameling in een stevige cassette. Wel even knipperen, maar ik wil het zo graag dat ik het toch ben gaan kopen. Voor mij van onschatbare waarde. read on…

De Surinaamse bibliotheken in beeld (2) – Cultureel Centrum Suriname

Onderstaand artikel is een gedeelte uit een dossier over Surinaamse bibliotheken dat verscheen in Bibliotheekblad, het vakblad van Nederlandse bibliotheken. Vandaag: de CCS bibliotheken uitgelicht (deel II).

door Kirsten Dorrestijn

CCS bibliotheek – hoofdvestiging: vernieuwd met subsidie van de ambassade
Sinds de complete renovatie in 2008 ziet de hoofdvestiging van de CCS bibliotheek (opgericht in 1948) er weer stralend uit. Het gebouw heeft een frisse lik groene verf gekregen, het is lekker koel binnen en ook de collectie is grondig gesaneerd en aangevuld. Ook heeft het personeel trainingen gevolgd. Vier jaar lang kreeg het CCS steeds 40.000 euro van de Nederlandse ambassade.
De nieuwe boeken zijn ingekocht bij lokale en bij buitenlandse boekhandels. ‘We hebben vooral boeken ingekocht die leerlingen voor hun lijst moeten lezen’, vertelt hoofdverantwoordelijke van de bibliotheek, Marcella Augustuszoon. ‘Vaak worden die niet herdrukt, dus we kunnen ze niet altijd bestellen. Toen ik in Nederland was, heb ik rondgesnuffeld bij de Slegte en aardig wat gevonden.’ Ook zijn boeken van Surinaamse schrijvers aangekocht. Voorheen was die voorraad – tot grote ergernis van de auteurs – verre van compleet. Verder zijn de collecties van de filialen gesaneerd. ‘Alleen de tijdloze boeken zoals naslagwerken hebben we behouden. De rest was sterk verouderd.’


Drie bussen
Dit is het laatste jaar waarin het CCS subsidie krijgt van de ambassade. Er worden gesprekken gevoerd om te kijken of het project verlengd kan worden. ‘Voordat we subsidie kregen, kochten we uit eigen middelen en moesten we het hebben van donaties. Voorlopig kunnen we gelukkig met de huidige collectie voort. Uit donaties selecteren we nu alleen nog wat we echt nodig hebben. Voorheen namen we alles aan.’

In 2008 schonken Nederlandse uitgeverijen in totaal 2000 gloednieuwe boeken aan het CCS. Een bibliotheek in Gelderland schonk afgelopen zomer een collectie kinder- en jeugdboeken. En het CCS kreeg de hele collectie van een filiaal uit Den Bosch dat de deuren sloot. Van deze afdeling kreeg het CCS ook een bibliotheekbus, waardoor het CCS nu over drie bussen beschikt. Bij elf scholen worden wisselcollecties geleverd en er worden twaalf wijken mee aangedaan waar geen bibliotheken zijn.
Tachtig leerlingen

Het hoofdfiliaal van het CCS krijg dagelijks bezoek van zo’n 70 tot 80 middelbare scholieren die voor hun werkstukken gebruikmaken van de documentatieafdeling met krantenknipsels, de computers met gratis internet of er huiswerk komen maken. De centrale bibliotheek heeft 1073 leden en de filialen bij elkaar nog eens 1250.

In samenwerking met andere instellingen organiseert het CCS in gebieden buiten Paramaribo leesbevorderingsprojecten, computertrainingen voor kinderen en ontwikkelingsvaardigheden voor ‘drop-outs’. Aan Stichting Projecten Christelijk Onderwijs Suriname levert het CCS boeken om leeshoekjes in te richten in het binnenland.

Derde geldstroom
Om een derde geldstroom te generen verhuurt het CCS kantoorruimte aan organisaties en bedrijven. ‘We moeten commercialiseren’, verklaart Augustuszoon. ‘We krijgen wel wat geld van de overheid, maar niet genoeg.’ Twee consultancybedrijven huren kantoortjes bij het CCS, andere ruimtes worden verhuurd aan organisaties voor lezingen, workshops en filmvoorstellingen.

Afgelopen jaar moesten twee CCS-filialen de deuren sluiten. ‘Het ontbrak simpelweg aan belangstelling van kinderen. In de wijk Flora bijvoorbeeld, een vrij arme wijk in Paramaribo. We hebben daar nu wel twee busposten geïnstalleerd.’ Het CCS heeft filialen in de wijk Maretraite, in Moengo (district Marowijne), in Nieuw-Amsterdam (Commewijne), in Groningen (Saramacca) en in Onverdacht (Para).

CCS-filiaal Nieuw-Amsterdam: in een noodgebouw

Nieuw-Amsterdam  is een dorpje met 1200 inwoners, gelegen aan de Surinamerivier. Hier is één van de filialen van het CCS gevestigd. Op de deur van een vervallen gebouw hangt een A4-tje: ‘De bibliotheek is tijdelijk ondergebracht in de woning van de Districts Commissaris’. Iets verderop is inderdaad een hoekje als bibliotheek ingericht. Een ruimte van drie bij vier meter staat vol met boekenkasten. ‘Noodgedwongen zijn we hier naartoe verhuisd’, vertelt Marie Warsodikromo, één van de drie bibliotheekmedewerkers. Ze werkt er al vanaf de oprichting in 1977. ‘Het andere pand had lekkages. We hebben veel van onze boeken moeten afschrijven.’ Inmiddels maakt het filiaal al anderhalf jaar gebruik van de noodoplossing. ‘Het is hier erg krap, maar we horen niks op aanvragen voor een nieuw gebouw. Het is wachten op sponsoren.’ Het filiaal heeft twee- tot drieduizend boeken in bezit.

Op de veranda
Omdat de busverbindingen in de omgeving van Nieuw-Amsterdam niet optimaal zijn, wordt in het district Commewijne de bibliobus ingezet. ‘In Nieuw-Amsterdam doen we twee scholen aan en we gaan om de drie weken naar een school in Slootwijk die geen eigen bibliotheek heeft. Kinderen kunnen vaak niet wachten tot ze de bus in mogen.’ De bibliotheekmedewerkers testen ook het leesniveau van de leerlingen om de juiste boeken uit te kunnen lenen.

Leerlingen van de scholen in Nieuw-Amsterdam komen naar het filiaal om werkstukken te maken. ‘We zetten hen op de veranda neer, want hier binnen hebben niet genoeg ruimte.’ Enkele volwassenen komen elke week langs om boeken te lenen. ‘Sommigen hebben de halve bibliotheek al uitgelezen. “Krijgen jullie nooit nieuwe boeken?” vragen zij.’

CCS-filiaal Maretraite: gerenoveerd op initiatief van bezoekers

Het pand van het CCS-filiaal in de wijk Maretraite werd drie jaar geleden gerenoveerd en ziet er spiksplinternieuw uit. Er staat een leestafel met een geel Surinaams tafellaken en achterin is voor de jongste bezoekers een speelhoek ingericht. In een studiezaal staan vijf computers met internet. Medewerker Marlene Tirtosentono wijst op een fotocollage aan de wand: ‘Zo zag het eruit vóór de renovatie. De wanden waren gescheurd, er waren lekkages, we hadden geen water. Het kon echt niet langer.’ Een aantal vaste bezoekers heeft sponsors gezocht waarmee de renovatie mogelijk werd.

Rijke buurt
Er is veel aanloop in deze bibliotheek, vertelt Tirtosentono. ‘De mensen in deze wijk hebben vaak hogere functies en lezen veel. Maretraite staat bekend als een rijke buurt.’ Het zit vaak vol met middelbare scholieren die er huiswerk komen maken of gebruikmaken van de computers. Het filiaal is drie dagen per week open. Op dinsdag en vrijdag komen peuterklassen langs. De leidsters lezen dan een boek voor en de kinderen mogen spelen in de bibliotheek.

Giften
Het filiaal krijgt boeken aangeleverd van de centrale vestiging. ‘Soms krijgen we giften van mensen die hun boeken kwijt willen. Als ze er nog goed uitzien, vinden wij het aardig ze uit te lenen.’ Het filiaal heeft onlangs dozen vol boeken gekregen uit een ander CCS-filiaal dat de deuren sloot.

Filiaal CCS Groningen: één bezoeker per dag

Groningen is een rustig dorpje met 2300 inwoners, zo’n 45 km ten oosten van Paramaribo. In de straten is het uitgestorven en in het filiaal van de CCS zitten alleen de drie bibliotheekmedewerkers. Veel bezoekers komen er niet. ‘Soms krijgen we maar één bezoeker op een dag’, vertelt Hortence Tuinfort, die al 21 jaar bij het filiaal werkt. ‘Dan zitten wij hier maar. In het verleden hadden we veel aanloop, maar de twee scholen in Groningen hebben nu eigen mediatheken. Binnenkort krijgen we hier computers met internet, dan zal de situatie veranderen.’ Om de bibliotheek een boost te geven zullen in de toekomst ook voorlees- en knutselmiddagen worden aangeboden.  Het filiaal kent op dit moment 28 leden.

Dolf Verroen
Het stenen gebouw werd vorig jaar op initiatief van de overheid gerenoveerd. In de kasten staan zo´n 500 nieuwe boeken, afkomstig van het hoofdfiliaal. Op de kinderboekenplanken staan titels van Astrid Lindgren, Sjoerd Kuyper, Carry Slee en Dolf Verroen.

Als een bezoeker op zoek is naar een bepaald boek dat niet in huis is, neemt één van de medewerkers het mee uit het hoofdfiliaal in Paramaribo. Tuinfort volgde dertig jaar geleden bij de centrale vestiging een bibliotheekopleiding. Zelf lezen de dames ‘meer dan graag’. ‘Ik heb het boek dat ik straks meeneem al klaarliggen’, lacht Tuinfort.

[wordt vervolgd]

[Dit artikel verscheen eerder in Bibliotheekblad.]

Saamaka Akademiya brengt eerste gedichtenbundel uit

door Audry Wajwakana

Paramaribo Puu A Döö is de eerste marron gedichtenbundel die de Stichting Saamaka Akademiya uitbrengt. ‘Naar buiten brengen’, de letterlijke betekenis van de titel, is de eerste samenwerking van diverse dichters die schrijven in het Saramaccaans, Aucaans en Saakiiki (Aucaners uit de Sarakreek). “De titel kan vergeleken worden met de gebruikelijke marrontraditie wanneer een pasgeboren kind voor het eerst naar buiten wordt gebracht”, legt Ifna Vrede namens de stichting uit. “Dat zullen we vrijdagavond met deze gedichtenbundel doen.”

 De lezing met als titel ‘de positie van de Saamaka-tongo in de samenleving’ was de eerste activiteit van Stichting Saamaka Akademiya. Foto: Stichting Saamaka Akademiya
Gevoelsuitingen
De stichting is in september van dit jaar opgericht met het doel om de marroncultuur in zijn algemeen in stand te houden, te bevorderen en te onderhouden. De taal in het bijzonder. “Het blijkt dat het dichten in de verschillende marrontalen is toegenomen, vandaar dat wij dit middels deze uitgave verder willen stimuleren”, zegt Ifna. Het boek beslaat verschillende gevoelsuitingen van de schrijvers: Willy Patra, Kotoe Agasie, Feloe Kamisa, Dorus Vrede, Angila Albitrouw, Randolf Linda en Ifna Vrede. Deze variëren van ode aan de vrouw tot liefde voor je land. Maar er zijn ook gedichten die gaan over verdriet. Dorus Vrede (64) wordt geïnspireerd om over de natuur te schrijven. Hij is sinds 1978 actief in het schrijven van gedichten en korte verhalen. De schrijver groeide op in het dorp Lombé, waar hij en zijn dorpelingen vanwege de aanleg van het van Blommensteinmeer noodgedwongen moesten verhuizen naar het transmigratiedorp Nyun-Lombe. Vandaar dat zijn werken meer rond het thema van transmigratie en de natuur gaan. de werken van Dorus verschenen in verschillende dagbladen en tijdschriften, zowel in Suriname en als in Nederland, België en Duitsland. “Maar voor deze dichtbundel heb ik nieuwe gedichten geschreven”, zegt Dorus.
Angila Albitrouw
Andere opzet
In tegenstelling tot Dorus schrijft Angila Albitrouw (28) over allerlei algemene onderwerpen. In 2002 schreef zij haar eerste gedicht over 140 jaar Keti Koti ‘Sama na mi’ (Wie ben ik). “Ik dicht overwegend in het Aucaans en mijn thema’s gaan meer over identiteit, vrijheid, culturele waarden en normen, zelfwerkzaamheid, stigmatisering, zwart bewustzijn en nog heel veel meer”, zegt Albitrouw. Als ode aan de oudste Saramaccaanse dichter Arthur Licht, bekend onder zijn pseudoniem Tulinga, worden ook enkele werken van hem voorgedragen. De presentatie van de gedichtenbundel zal niet zijn zoals een traditionele puwema neti wordt gehouden, waarbij het een af- en aankondigen is van dichters. “Het wordt een vertelling, waarbij de hoofdverteller de puwema’s aankondigt, voorafgaand aan een culturele presentatie. De gast zal vanaf hij of zij binnenkomt deel zijn van het geheel”, belooft Vrede. Aan het eind van de voordrachten wordt er een samenvatting in het Nederlands gegeven.
[uit de Ware Tijd, 22/11/2012]

Nieuwe uitgave jeugdboek Frits Wols

Frits Wols overhandigt het eerste exemplaar aan Osje Braumuller van Tori oso.

De bom van Saramacca, een jeugdboek geschreven door Frits Wols, is in een nieuw jasje verschenen. Het verhaal, over de padvinder Frits en zijn jeugdliefde Joke, werd ongeveer twintig jaar geleden door Wols in eigen beheer gepubliceerd. De nieuwe uitgave is gedaan door Publishing Services Suriname. De tekst is herzien en gemoderniseerd. Het boek heeft een fraaie omslag met een illustratie van Rinaldo Klas. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig. Een groep padvinders, onder leiding van Frits, gaat naar Saramacca en komt daar in aanraking met criminelen. Het boek is geschikt voor jongeren in de leeftijd 12-16 jaar.

Verkrijgbaar in de Surinaamse boekhandels en bij Publishing Services (520513/8784120)

Fort uit 1790 in Saramacca ontdekt

door Wanita Ramnath

Het fort Groningen, dat gebouwd werd in 1790 door gouverneur Jan Gerhard Wichers, is door de Nederlandse historicus Beno Hofman te Groningen, Saramacca ontdekt. Na een uur graven, werd het vermoeden van de historicus hard. Het vijfhoekige fort kon niet in zijn geheel opgegraven worden, omdat er gebouwen op staan. Ook het districtscommissariaat van Saramacca staat erop.

Het fundament van fort Groningen. (Foto: Wanita Ramnath)

Het fort was gebouwd om de plantages tegen aanvallen van buitenaf te beschermen en werd genoemd naar de geboorteplaats van de gouverneur, Groningen in Nederland.

Beschrijvingen
Hofman wist precies waar er gegraven moest worden. Een oude kaart van de boerenkolonisatie uit 1845 had een schets van het fort. Daarnaast zijn er ook luchtfoto’s geschoten. Een militair had deze schetsen ooit op papier gezet. Een militair rapport uit 1800 beschrijft het fort als volgt: “…In Saramacca ligt even boven de nieuwe stad Columbia het Fort Groningen, zijnde aangelegt voor reguliere vijfhoek, de muuren van schulpsteen opgemetzeld; aan hetzelve wordt nog gewerkt…”. Het straatje vanaf de fortpoort naar de landingplaats bij de rivier werd al gauw de ‘Landingstraat’ genoemd. De straat liep door de achterpoort landinwaarts naar het kerkhofje en de veeweide.

De post Groningen was een hoofdpost van het militaire cordon. Mr. A. F. Lammens bezocht de post in 1818 en legde het volgende vast: “…Op de westelijken oever van de Saramaka agt a negen uren van zee, is de Fortres Groningen…De post Groningen, ligt op de boord van de rivier, is ten zuiden door een muur van zandsteen omringd, en voor het oog de fraaijste post in de Kolonie, het Komandantshuis en alle de gebouwen, waren in de besten staat.”

Meerdere forten
Historicus André Loor zegt desgevraagd aan Starnieuws dat fort Groningen tot 1843 als legerplaats diende. Het fort werd daarna door de militairen verlaten en er is nooit meer naar omgekeken. In het fort lagen de kanonnen opgeslagen op de vele plantages die het district Saramacca kende, te beschermen. Het district beschikte ook nog over de forten Nassau en Carel.

Het belangrijkste fort was toch Groningen. Haast alle forten werden vijfhoekig gebouwd. Dit was een militaire strategie voor een betere verdediging. Loor merkt op dat vele plantages achteruit gingen, maar de mensen bleven wel wonen in het district en brachten Saramacca verder tot ontwikkeling.

Behoud erfgoed
Districtscommissaris Aroenkoemar (Ro) Ramdhani van Saramacca zegt dat hij zijn ogen niet kon geloven. “Die man kwam met een korte boomgraafmachine en was nauwelijks een uur bezig. De grote ontdekking werd gedaan. Hij hoefde net 40-60 centimeters te graven”, vertelt Ramdhani.

Hij merkt op dat er niet veel gedaan kan worden aan deze historische ontdekking, omdat het districtscommissariaat en de gevangenis nu erop staan. Een ding is zeker: deze gebouwen hebben een stevig fundament. De dc is van plan om contact op te nemen met het Surinaams Museum om na te gaan wat eventueel de mogelijkheden kunnen zijn om dit erfgoed te behouden.

De oudste bewoner van het district Saramacca, Christiaan Roseval (103), zegt geen informatie te beschikken over Groningen. Ook heeft hij nooit in de hoofdstad van het district gewoond. Daarnaast heeft Roseval geen verhalen over het fort van Groningen van zijn voorouders gehoord.

[uit Starnieuws, 25 november 2011]

Suriname, South America’s Hidden Treasure

by Simon Romero

The road to Atjoni got more interesting as the wind grew stronger, making the surrounding ceiba trees of the Surinamese jungle murmur with whispers of an impending storm. We were hours into the country’s interior when we came across a solitary hunter. He had a shotgun slung from his shoulder and a machete sheathed at his waist. We stopped to talk. After brief introductions, things became complicated.
Suriname’s jungles. Sensing our inability to get by in Saramaka, he switched to Dutch, pointing at a nearby tree where he had just spotted some movement, laughed again and said, “boom kip,” which literally means “tree chicken.” Our blank stares prompted him to switch languages yet again, this time to Sranan Tongo, the extraordinarily playful Creole language that borrows from English, Dutch and Portuguese and is Suriname’s lingua franca. “Legwana,” he said, and finally we understood that he meant iguana. He then explained that he was after something a bit more satisfying, some “pingo” (wild boar), perhaps, or “hei,” a coveted forest rodent called paca in English. With a broad smile, he waved us on our way down that jungle road to Atjoni, a crossing at a bend of the Suriname River.
Just 500,000 people live in Suriname, a country on South America’s northeastern shoulder about the size of Florida, but the variety of cultures they represent rivals those of much larger countries. The official language is Dutch, in a nod to Suriname’s past as a colony of the Netherlands, but on the streets of Paramaribo, the capital, one hears, in addition to Sranan Tongo, languages like Hindi and Javanese. Chinese characters decorate signs on casinos and corner stores. Motorized rickshaws called tuk-tuks speed past mosques and Hindu temples, giving Suriname a vaguely Asian feel. (With a name that rhymes with Vietnam, Hollywood seems to prefer it this way: the movie “The Silence of the Lambs” seems to suggest that Suriname is in Asia.) Suriname’s obscurity and charm, in an age in which frontiers seem to melt away at the click of a mouse, proves that there are still corners of the world that can provide surprise and adventure, even a bit of awe.

Indeed, when I told friends where my wife, Carolina, and I were headed for a brief vacation, I received the oddest reactions. One related a tale from a London newsroom in which an esteemed news organization’s South America correspondent called his editor upon arriving in Paramaribo, only to hear a voice bark from the other end of the line, “What the hell are you doing in Africa?” Another recommended a book in preparation for my trip, “Bush Master: Into the Jungles of Dutch Guiana,” by the adventurer Nicol Smith (as if the title was not enough, the book’s preposterous jacket description reads, “An authentic hair-raising account of voodooism, wild adventure, three-fingered men and tropical terrors.”) Perhaps the best reaction came from Boris Muñoz, a friend from Caracas with a highly cultivated sense of irony who is one of Venezuela’s most respected journalists. “Does Suriname actually exist?” he asked me. “I know of only one other person who has said he has been there.”

I can now safely report back that Suriname, splendid in its isolation, does indeed exist. For now, at least, the only foreign travelers who visit this remote corner of South America in big numbers are the Dutch. A direct flight from Amsterdam to the Paramaribo-Zanderij airport shuttles thousands of them into the country every year. But Suriname’s appeal should be broadening now that it has distanced itself from a wrenching civil war in the late 1980s and can capitalize on the allure of its huge tracts of rain forest. The opening of new guest houses and hotels suggests that perhaps it is ready.

Of course, neither Suriname nor its capital is a destination for celebrity sightings or thread-count hounds. Its hotels are more Graham Greene than Ian Schrager. The country’s appeal lies in its friendly, affordable and accessible exoticism, along with the novel sense one gets there of being in a place just recently shed of its colonial past. It also happens to have phenomenal food.
The obvious place to begin any visit to Suriname is in Paramaribo, a sleepy city between jungle and sea. With its white clapboard mansions and colonial brick buildings, it seems to belong to another continent, if not another era; it ranks as one of South America’s safest and tidiest capitals.
With only about 250,000 people, the city is small and accessible, and pleasantly good for walking and bicycling. We started our exploration at the markets along the elegant Waterkant, or Waterfront, where dozens of stalls offer a window into Suriname’s astonishing diversity. Maroons and Arawaks, one of the country’s indigenous tribes, sell nearly everything under the sun from the country’s interior at the Freedom Market — from bush meat to live monkeys and bottles of casiri, a brew made from cassava.

At the adjacent Central Market, there are a variety of stalls selling knickknacks, fresh produce and ready-made delights like curry egg and sardines with onions and peppers. At another stall, specializing in Javanese cuisine, we tried rice cubes stewed in coconut, brown sugar and spicy pepper and served in a banana leaf. Items picked up during a casual stroll could feed you for the day on pennies. The meal we assembled cost all of 3 Suriname dollars apiece, less than one American dollar.

Other vendors sold pirated Bollywood movies, and Rastafarians offered reggae CDs and tapestries of the Ethiopian emperor Haile Selassie.
While many Surinamese happily speak English, I took the opportunity to try to learn a few words in Sranan Tongo while wading through the markets; the language’s flexibility and playfulness never failed to surprise me. “Faya,” I learned, sounds like fire but can mean electricity or lightning, and “dagadaga” sounds like “dagger dagger” but means “machine gun.” (An appreciation of Sranan Tongo is provided in the writer John Gimlette’s excellent new travel book, “Wild Coast,” about Suriname, Guyana and French Guiana.) “Lobiwan,” literally “loved one,” is a commonly used term of address. Ordering a ginger beer from a market stall involved pronouncing the word, “dyindyabiri,” and to say many thanks, simply utter “Grantangi!”
Understanding how this cultural mash-up came to be in a remote part of the world with tongue-twisting street names like Noorderkerkstraat and Jaggernath Lachmonstraat curiously has to do with an island called Manhattan. I learned this on a short road trip out of Paramaribo with a friend, Ranu Abhelakh, a Surinamese writer and journalist, to some ruins at the confluence of the Suriname and Commewijne Rivers near the Atlantic coast — specifically at Fort Nieuw Amsterdam, built by the Dutch in the 18th century now housing a museum.

Exhibits at the complex, still surrounded by a dike to prevent flooding, explain how the Dutch traded New York for Suriname to the English in the 17th century.

For decades, it seemed as if the Dutch had gotten the better end of the deal. Soon, though, they were under attack from escaped slaves who had organized into a formidable opposition, mounting raids on plantations. The conflict resulted in a siege mentality that survives to this day in the language; Maroons still call Paramaribo “Foto,” or Fort. Built as a bastion to ward off Maroon attacks, Fort Nieuw Amsterdam now stands as testament to the resilience of the rebellious slaves and their descendants, with whom the Dutch were ultimately forced to sign peace treaties. After slavery was abolished in the 19th century, the Dutch brought in laborers from IndiaChina and Indonesia, producing the unusual mix of cultures that now defines Suriname.
Back in Paramaribo, we decided to spend an evening exploring Blauwgrond, an ethnically mixed district famed for its great restaurants, and for the most part calmer than other areas favored by Dutch travelers. Starting out on foot, we slipped into a Hindu temple called Shri Radha Krishna Mandir. It was our good fortune to arrive at the start of Holi, a Hindu spring religious festival. Outside, a bonfire of bamboo shoots was set aflame in the humid night air, sounding like hundreds of firecrackers going off at once. Attendees at the ceremony warmly asked us where we were from. Together, we watched the flames dance and crackle. Then it was time to eat.

Blauwgrond is renowned for its Javanese restaurants called warungs. We wandered through the area’s narrow streets before finding one called Warung Felicia. A waitress handed us a delicious drink made of lemon grass, milk and coconut. The restaurant was Muslim-owned and did not serve alcohol, but when we asked about getting a tall bottle of locally brewed Parbo beer, the owner waved us across the street toward a Chinese food shop. After we returned, Parbo in hand, the owners gave us glasses. Then the real treat: saoto, a soup of fried potato, bean sprouts, egg, chicken and spices that astounded me with its potency.

A few days later, it was time to explore the interior. While Suriname has an Atlantic coastline, the country lacks the kind of beaches that lure travelers to the Caribbean. Instead, visitors often head inland for swimming, fishinghiking and bird-watching, traveling along relatively well-maintained roads equipped with drempels (speed bumps). My aim was to go piranha fishing at a lodge called Anaula while getting a taste for the interior before flying back over the rain forest in a small Cessna. Tours are offered throughout hinterlands, as are private guides. An English-speaking driver with a Toyota with four-wheel drive, provided by a jungle outfitter recommended by a friend in Paramaribo, picked us up in the capital.

We soon found ourselves on that road cutting through Suriname’s vast interior. A few hours into the drive, I realized we were in gold rush country. Shops along the road were selling everything from spare parts for backhoes to salted beef and cases of Red Bull; inside, we could hear conversations among other customers in Portuguese, the language of Brazilian garimpeiros, or miners. They were on the hunt for Suriname’s gold in small mines carved out of the surrounding forest.

Once we arrived in Atjoni, a busy river crossing and departure point for canoe trips along the river was our first glimpse into Suriname’s wild frontier. A cellphone tower underscored this as a place of important commerce, as did a store in which a Chinese merchant sold unlocked BlackBerrys and bottles of Borgoe 82 rum.

A guide met us there in a motorized canoe for the short trip on the river to Anaula, a lodge replete with cabanas, bats flying in and out of the canteen and a swimming pool, where we dropped off our backpacks and immediately cast our lines for piranha. Our boat driver, Angelo Amimba, 21, proved the luckiest fisherman, catching several over a few minutes as we flailed around with our poles catching nothing.

Dinner that evening was a mellow affair in an open-air dining room frequented by Dutch travelers. A barman served Parbo and Cuba Libres. Civilization, or what passed for it, seemed to have gained a toehold in the forest. The magnificent rain that fell later that night over Anaula’s spartan cabins drowned out the symphony of sounds coming from insects and birds.

The next day we took a canoe to Nieuw Aurora, a Maroon village across the river. On one side of the village, a clinic and a church illustrated its links with other parts of Suriname and the outside world. Even cellphones worked. But exploring the dirt paths where Nieuw Aurora merged with another community, Tjaikondre, it was clear that this was a community that had won its independence from the Dutch long ago (indeed, Maroons have long called their lands kondres, a word reminiscent of countries) and felt at ease interacting with outsiders as equals. As the hot sun beat down on Nieuw Aurora, it dawned on me that its residents have much to teach those of us from so-called developed countries about rebellion, resilience, pacing life according to one’s surroundings and self-sufficiency.

Nieuw Aurora’s relaxed pace of life made Paramaribo seem like a bustling metropolis. Old men played checkers in the shade. Some villagers collected firewood or tended nearby farming plots. Others waited for the sun’s heat to abate before venturing to hunt in the forest. We found one such dreadlocked group sitting on the porch of a wooden store, sipping Parbo and strumming reggae tunes on a guitar. I asked one young man what he did for a living. “I’m a gunman and farmer,” he responded, explaining that by the former he meant to say that he was a skilled hunter. Then he and his friends invited us to stay in their village, in an empty hut reserved for travelers, and go on a hunt in the forest with them for pingos. “It will be the adventure of your life,” he said, as I tried to politely decline since a Cessna was to pick us up at the dirt airstrip that afternoon.
Though I had been in the country only a few days, I felt as if I had traversed several continents and only now — drinking beer, shaking hands and striking up conversation with these men — was I getting a taste of Suriname’s frontier.

But it was time to leave. As storm clouds threatened a downpour that never arrived, I realized there was just one thing I’d like to have changed on our trip. Next time, I promised myself, I would stay on this side of the river. 
, with direct air connections to a few places, including AmsterdamAruba and Belém, Brazil, is splendidly isolated. Expect a stopover in one exotic locale or another. A recent online search found round-trip flights between Kennedy International Airport and Paramaribo starting at $790 on Caribbean Airlines, with a layover in Port of Spain, Trinidad.
To the Jungle and Beyond
WHERE TO EAT
Central Market on Paramaribo’s Waterkant (Waterfront) has dozens of stalls from which delicious meals can be assembled for about $1, at 3.29 Suriname dollars to the U.S. dollar.
Warung Felicia (J. Samson Greenstraat, Paramaribo; 597-453-257) has excellent Javanese food. Figure about 30 dollars a person for dinner.
Joke’s Crab House (108 Verlengde Gemenelandsweg, Paramaribo; 597-532-024) is a great place to hear live jazz. About 40 dollars for a meal of chicken roti and a Parbo beer.
Spice Quest (107 Nassylaan, Paramaribo; 597-520-747) serves excellent Surinamese fusion cuisine and Japanese food under the direction of the chef and owner Patrick Woei. A meal for two costs about 198 dollars.
Where to go
Access Suriname (37 Prinsessenstraat, Paramaribo; 597-424-533; surinametravel.com) arranges rain forest excursions largely for Dutch travelers into Suriname’s interior. The five-hour drive from Paramaribo to the river crossing at Atjoni, on paved and dirt roads cutting through the jungle in a chauffeured four-wheel drive, is an adventure in itself (343 Suriname dollars). From there, a guide takes visitors by canoe to the resort of Anaula on the Suriname River (doubles are about 360 dollars), replete with piranha fishing, a swimming pool and trails leading into the forest.
Where to stay
The Royal Torarica (10 KleineWaterstraat, Paramaribo; 597-473-500; royaltorarica.com) may be Suriname’s most comfortable hotel, and its location, within walking distance of the beer garden at ’t Vat and the colonial buildings of Independence Square, is excellent. Amenities include a pool and a casino. Doubles start at about 575 Suriname dollars.
Hotel Krasnapolsky (39 Domineestraat, Paramaribo; 597-475-050; krasnapolsky.sr) is located in the middle of the capital’s bustle with 84 guest rooms. It would be stretch to call the Kras, as it’s known to locals, luxurious, but with its circa-’70s décor, the hotel would be a fine candidate for the setting of a James Bond film. Doubles start at about 390 dollars. 
Simon Romero is a correspondent for The Times based in Rio de Janeiro.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de New York Times op 18 september 2011

Gekte, daar draait het om

door Eva de Mulder

Jit Narain
Foto’s © Michiel van Kempen

Op weg naar Uitkijk passeer je Stichting Educatief Centrum‘De Uitkijk’. Een project ontwikkeld door Jit Narain Baldewsingh. Omdat hij sociaal betrokken is, omdat hij iets wilde betekenen voor kinderen en volwassenen in de buurt. Bibliotheek, cybercafé en op zaterdag film. Hij financiert het project door zijn werkzaamheden als arts. En wie weet ook door de opbrengsten van zijn dichtbundels. Jit Narain over zíjn project en zíjn poëzie.

Verscholen achter de artsenpraktijk van Jit Narain Baldewsingh verrijst een splinternieuw gebouw: Educatief Centrum ‘De Uitkijk’. Jit Narain is de bedenker van het project, en kan niet wachten het te laten zien. Het heeft wat voeten in de aarde om de juiste sleutels te vinden, maar uiteindelijk krijgen we de deur van het slot en wandelen we de bibliotheek binnen. Een goed uitgeruste ruimte met een redelijke hoeveelheid boeken. Allemaal particuliere donaties. Hij vertelt uitgebreid over het idee achter het centrum. “Kinderen én volwassenen zouden zich op een toegankelijke manier meer moeten kunnen ontwikkelen. En hoe kan dat beter dan met een bibliotheek?” Maar omdat in deze tijd van informatievoorziening niet meer zonder computers en internet kan worden gewerkt, heeft hij aangrenzend een computerruimte gebouwd. Je kunt er niet alleen internetten, maar er worden ook lessen gegeven; voor beginners en gevorderden. De apparaten werden aangeschaft met behulp van sponsorgeld. De Sewa-stichting in Den Haag gaf een bedrag van 15.000 euro. De rest financiert hij zelf. Op de bovenverdieping bevindt zich een film- en theaterzaal. Helaas zijn de sleutels hiervan nu even écht onvindbaar. “Maar elke zaterdag worden er films vertoond: overdag voor kinderen, ’s avonds voor volwassenen. De toegang is maar een paar SRD.”

Tot zover het gerealiseerde gedeelte van het project. Jit Narain zit echter vol plannen om het centrum uit te breiden. Een zwembad is in aanbouw en hopelijk klaar vlak voor de schoolvakantie. “Maar door de regen lopen we wat vertraging op.” Aan de linkerkant van het gebouw zijn de vormen van het zwembad al goed zichtbaar.“Verder moet er een muziekschool komen. En een crèche. Tot slot komen er ook logeervoorzieningen voor vrouwen die het minder goed hebben en voor bejaarden. Deze mensen kunnen dan helpen in de crèche of in de bieb. En zo de cirkel weer rond.”

Op 8 april was de onofficiële opening. Scholieren werden uitgenodigd en nu draait het als het ware proef. Later volgt een grootse opening. “Als in ieder geval het zwembad af is. Dan moeten ook bussen gaan rijden, zodat iedereen het centrum makkelijk kan bereiken.”

Toen hij nog in Nederland woonde, was Jit (winnen) Narain (god) al zeer sociaal bewogen en maatschappelijk geëngageerd. Zo was hij actief in de politiek, was hij huiswerkbegeleider en liep hij in de jaren ‘80 samen met duizenden anderen mee in de protestactie tegen de atoombom. Al in de bewogen jaren ‘60 kwam hij naar Nederland. Om te studeren: medicijnen in Leiden. Hij hield zijn Surinaamse paspoort om zo in Nederland de militaire dienst te ontduiken. Hij trouwde, kreeg twee dochters en werkte jaren als huisarts in Den Haag. “Maar Nederland was mijn plek niet. Ik werd onrustig, omdat ik besefte dat wonen op één bepaalde plek niet in mijn aard ligt. En omdat ik me er niet prettig voelde als arts: de houding dat patiënten koning zijn, dat de politie niets deed aan de in de poli bivakkerende drugsverslaafden (‘ja meneer, dat is úw probleem’) en de manier waarop psychiatrische patiënten werden doorverwezen. Nederland is geen goed land voor de zorgsector.” In Suriname leek men hem als arts bovendien meer nodig te hebben, en zijn medische kennis dus beter besteed dan in Nederland. Uiteindelijk leidde dit in 1991 tot de terugkeer naar zijn geboorteland, om er een nieuw bestaan op te bouwen. Hij kocht een stuk grond en stichtte zijn nieuwe poli. Zijn uiteenlopende interesse is gebleven en gelukkig blijft het ook in Suriname niet alleen bij denken.


Eenbevlogen man, Jit Narain Baldewsingh. Bevlogen, strijdvaardig en mateloos enthousiast. Niet alleen over Stichting Educatief Centrum ‘De Uitkijk’, ook wanneer hij spreekt over zijn poëzie. Want bovenal is hij dichter. En een productief dichter bovendien. Hij laat zijn bundels zien, draagt voor en legt uit. “Het begon allemaal toen ik op de MAVO zat. Ik keek naar films en neuriede de muziek mee. Op de bestaande muziek bedacht ik nieuwe teksten. Niet bewust, het ging gewoon vanzelf.” Hoewel de Nederlandse taal op deze manier goed tot hem doordrong, werd het besef van zijn eigen taal (Sarnami) steeds sterker.Vanaf dat moment groeide de liefde en begon hij ook in het Sarnami te dichten. Talent zorgde voor de rest. “Talent is een opwelling die continu in je is”, zegt Jit Narain. “En het zorgt ervoor dat je iets kan zeggen, in geschreven woorden gevat. Die woorden brengen een emotie teweeg die uniek moet zijn. Dan is het kunst.” Sommige gedichten bedenkt hij in het Nederlands, anderen in het Sarnami. Deze taal heeft dezelfde woorden als het Hindi, alleen de grammatica verschilt.

Verzen ontstaan in een emotioneel denkproces. Jit Narain máákt gedichten.

Met een glinstering in zijn ogen en een onaangestoken sigaret verkeerd om in zijn mond,vertelt hij over zijn thema’s. “Ik heb geen muze, het leven is mijn inspiratiebron. Daar schrijf ik ook over. Over pubertijd en over mijn voorouders, over maatschappijkritische onderwerpen. Over dichter zijn en bewustzijn. Over de liefde, uiteraard, en over vriendschap. Onbedorven en onbevangen vriendschap, zoals kinderen die kunnen hebben. Zonder de dingen die het leven alleen maar kunnen bederven, zoals erotiek”.

In het Sarnami: Dosti ke cáh (wat vriendschap verlangt).

Wanneer weer
armen over elkaars schouders
zonder de aanraking te beseffen

Een aantal van zijn gedichten is ook in het Engels vertaald. Dat het vertalen van poëzie een kunst op zich is, ervoer Jit Narain met zijn vaste vertaler. Een voorbeeld:

De pen ligt er
het papier is willig
geen tekenen van klank

is vertaald als The pen is there, the paper is willing, no signs of sound. De nuances van de taal gaan soms verloren in de vertaling. Juist deze subtiliteiten zijn bij poëzie onontbeerlijk wil een gedicht je raken. Van de ene moederstaal kan Jit Narain het zelf makkelijk in de andere vertalen. “Omdat zowel het Nederlands als het Sarnami me van nature zijn bijgebracht, is het eenvoudig om het gevoel, de betekenis over te brengen. Zeker als je de componist bent van de tekst. Voor iemand die de woorden niet zelf heeft bedacht, is het idee erachter vaak moeilijk in woorden te vatten. En dat is nou precies de taak van een vertaler.”

Dat een gedicht meer is dan slechts woorden op papier, zegt de rest van het gedicht:

Wat waren ze wel
Bange, suffe, ontevreden
Betekenissen die zich schamen
Dat ze zouden binnentreden
En zich hullen in de spiegels van het blad
Willen ze onuitgesproken
Blijven
Nu kerf ik ze in glas

(Uit: wat vriendschap verlangt, door Jit Narain)

Alleen woorden op papier, blijven slechts woorden op papier. In glas gekerfd, zijn ze onontkoombaar, lijken ze betekenis te krijgen. Pas als je ze uitspreekt, gaan ze leven. “Juist daarom is het van belang dat gedichten hardop en bij voorkeur door de auteur zelf worden uitgesproken en voorgedragen. Klemtonen, accenten, ingelaste pauzes. Stuk voor stuk elementen die bijdragen aan de bewustwording van de tekst en de bedoeling van de ontwerper.” En dat Jit Narain kan voordragen, mag ik aan den lijve ondervinden. Niet alleen uit werken uit het verleden. Ook van zijn nog uit te brengen oeuvre licht hij een tipje van de sluier op.


Het afgelopen jaar heeft hij niet geschreven door de drukte met het opzetten van het Educatief Centrum. Nu hij alleen nog hoeft te adviseren en het verder allemaal ‘vanzelf’ gaat, richt hij zich weer op de poëzie. Het thema voor zijn nieuwe bundel: psychoses, schizofrenie en gekte. “Gekte, daar draait het om. Gespleten persoonlijkheid, het van binnenuit constant veranderen van perspectief.” Volgens Jit Narain roept schizofrenie hetzelfde op bij buitenstaanders. Die buitenstaander moet namelijk meegaan in de gedachte van iemand met een gespleten persoonlijkheid. Jit Narain licht dit toe met een voorbeeld uit zijn eigen praktijk. “Eén van mijn patiënten zette constant de tafels en stoelen in een andere opstelling neer. Wij zouden denken dat zo iemand gek is geworden. Maar de jongen zelf ziet het waarschijnlijk als de creatie van een architectonisch hoogstandje. De tekeningen in zijn hoofd wijzigen steeds, waardoor hij ook zijn opstelling moet bijstellen. Gek? Wij vinden waarschijnlijk van wel. Maar voor hem is het doodnormaal.” Verschil van inzicht leent zich natuurlijk uitermate goed voor poëzie. Hij zegt: “Terwijl het onderwerp vaststaat, denken de woorden magisch mee”.

Jit Narain: nog lang niet uitgedacht.

[uit Parbode, 1 juni 2006]

Nieuw Saramacca Tipi Theater opende met expo Martha Tjoe Nij


De plantage Misgunst aan de linkeroever van de Saramaccarivier was op 10 juli het toneel voor een unieke kunstexpositie van Martha Tjoe Nij, die momenteel in Suriname is. Op die dag vond ook de opening plaats van het Misgunst Tipi Theater dat een nieuw hoofdstuk toevoegt aan de plantagecultuur in het district Saramacca. Dit keer geen suiker, koffie of cacao van de plantage, maar kunstproducten. De schilderijen en tekeningen en de performances van Martha Tjoe Nij zijn in de afgelopen twintig jaar tot stand gekomen. Zij is een autodidact, die niet alleen schildert, maar ook als dichteres en singer-songwriter aan de weg timmert. Martha Tjoe Nij werd in 1994 de eerste vrouwelijke winnares van het Suripop-componistenfestival met haar lied Lobisingi. Zij publiceerde eerder de dichtbundels Vandaag is de dood en Blauwe Vlinder. Gedichten van haar zijn opgenomen in de Caraïbische bloemlezing Creation Fire en in de Spiegel van de Surinaamse poëzie. In Nederland speelde zij een rol in de theaterproductie Uma Gi onder regie van Felix de Rooy en stond zij mede aan de wieg van het Black Magic Woman festival. In 2008 produceerde Martha Tjoe Nij de cd Poems for my Family tijdens haar verblijf in Duitsland. In haar werk draait het vaak om de strijd van een vrouw en haar kinderen. De expressies van Martha Tjoe Nij bieden inzicht in de worsteling met het materiaal dat de kunstenaar ter beschikking staat – dat geldt zowel voor woorden, kleuren en verf als voor melodieën. De expositie Na mi MIT 2011 vindt plaats met ondersteuning van het Districtscommissariaat van Saramacca en het Directoraat Cultuur. De expositie is op 10 juli geopend door districtscommissaris Roline Samsoedien van Saramacca. Cultuurdirecteur Stanley Sidoel opende vervolgens het Misgunst Tipi Theater waarna ter plekke een kunstveiling plaatsvond. Tijdens het podiumprogramma werd een educatieve video vertoond getiteld The Building of the Misgunst Tipi Theater en presenteerden studenten teksten over plantagecultuur. Er waren live performances met zang en diverse voordrachten.

Foto’s: @ Ruth San A Jong
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter