blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Rooy René de

“De Stoep”, doctoraalscriptie Jules Ph. de Palm

Voor de studie Nederlands aan de universiteit van Leiden, heeft Jules de Palm twee doctoraalscripties moeten schrijven, zoals in 1958 te doen gebruikelijk was. Omdat het in 2018 zestig jaar geleden is geweest, dat de scriptie over de Stoep, het Nederlandstalige literaire tijdschrift dat Chris Engels in 1940 op Curaçao heeft opgericht, met succes in Leiden is verdedigd en ik in de lokale kranten van die tijd geen verslag van deze scriptie heb kunnen terugvinden, past het om hier alsnog een verslag ervan te geven. read on…

Jan de Heer over De Stoep, Chris Engels en de literatuur op Curaçao 1940-1951 (deel 1)

door Jeroen Heuvel

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het allengs moeilijker voor Nederlandse auteurs om in Nederland hun (literaire) werk te publiceren, door de nazificatie van de Nederlandse maatschappij. Met het instellen van de Nederlandse Kultuurkamer, in 1942, kon er alleen nog in het door de Duitsers bezette Nederland met goedkeuring van die bezetter werk verschijnen, hoewel er ook illegaal boeken werden gedrukt. Op Curaçao was de invloed van de bezetter niet bepalend voor wat wel en niet gepubliceerd mocht worden. Chris Engels heeft er al snel in het begin van de oorlog voor gezorgd dat een vrij platform voor Nederlandse auteurs werd opgericht.  read on…

Luis H. Daal: dynamische duizendpoot

door Henry Habibe

Luis Henrique Daal werd in 1919 op Curaçao geboren. Al vrij vroeg begon hij zich als schrijver te ontplooien. Na 1936 begon zijn naam onder artikelen te prijken in alle op Curaçao verschijnende kranten, zowel in Papiamentstalige als in Spaans- en Nederlandstalige bladen. Hij zat op de Sint Vincentiusschool en volgde meer uitgebreid onderwijs op het Sint Thomas College. Daarna volgde hij buitenlandse cursussen en verwierf veel kennis als een autodidact over allerlei onderwerpen. Hij schreef voor verschillende kranten (ook voor buitenlandse bladen) en bekleedde de positie van hoofdredacteur en directeur van La Prensa. Daal vertrok in 1950 naar Spanje en vestigde zich in Madrid waar hij een cursus journalistiek ging volgen. Hij legde in 1953 het examen tolk-vertaler af. Tijdens zijn verblijf in Madrid publiceerde hij in verschillende tijdschriften en bladen. read on…

Bij het heengaan van Dr Jules de Palm

door Henry Habibe
 
Op een droevig moment als dit, waarbij een heel dierbaar persoon mij ontvallen is, zou ik het niet willen hebben over zijn vele verdiensten op literair èn taalkundig gebied. Zelf wilde hij niet eens opgebaard worden, maar in stilte gecremeerd. Cola Debrot heeft Jules de Palm ooit getypeerd als een van die auteurs, die de moed weten op te brengen om in alle eenvoud hun ware aard te tonen. Dat is nu weer duidelijk gebleken. Ik probeer dus iets te schrijven dat past bij een meer ingetogen afscheid.
Jules de Palm tussen Henry Habibe (links) en Alwin Toppenberg
Ik heb nogal wat leermeesters gehad. Ook van het soort bij wie je nooit in de klas hebt gezeten. Dat zijn de mensen die je bij gewone gesprekken zo weten te inspireren dat je gefascineerd raakt. Zo’n leermeester was Jules de Palm. Ik moet een eerstejaars of tweedejaars student zijn geweest, toen ik kennis met hem maakte. Ik studeerde toen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en bezocht hem een aantal keren op zijn kantoor in Den Haag. Hij was Directeur van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) en sprak tijdens die bezoeken o.a. ook over zijn Curaçaose jeugd. Zijn naam was ik al eerder tegengekomen in de Antilliaanse Cahiers, waarvan hij in 1956 samen met Cola Debrot en Henk Dennert de redactie vormde. De Palm schreef in 1949-1950 al essays in El Dorado, het maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen. Daarvóór was hij onderwijzer op Curaçao en Aruba.
Jan Engelman en zijn Tuin van eros

 

Direct bij het eerste contact boeide De Palm mij. Hij had, bijvoorbeeld, samen met Pierre Lauffer en René de Rooy liedjes in het Papiaments gecomponeerd. Dat is iets waar men in de beginjaren veertig nog niet over piekerde. Op feestjes werd toen nog geen muziek met Papiamentse teksten gespeeld. Het was een tijd waarin de bevolking  geen waarde hechtte aan de landstaal. Maar het trio zong de liedjes alleen in eigen kring, terwijl er één op een houten kist trommelde. De bedoeling was om zo liedjes, maar ook literatuur in de landstaal voort te brengen en te bevorderen. Jules vertelde ook hoe René de Rooy hem eens verweten had: ‘Jullie hebben een taal, een prachtige taal met rijkdom aan klanken en wat doen jullie ermee?’ Hij vertelde hoe hij samen met Pierre ging luisteren naar native speakers, die deze taal zuiver spraken. Hun Papiaments was nog vrij van lexicale beïnvloeding door het Nederlands (De Palm gebruikte daarbij het woord ‘geïnfecteerd’). Ook hoe Pierre hem af en toe verraste met zijn nieuwe verzen in het Papiaments. De Palm liet soms ook gedichten in het Nederlands horen. Een van zijn favorieten was Jan Engelman (1900-1972). Hij vertelde tevens dat toen Pierre aan zijn vrienden (daartoe behoorde ook Luis Daal) bekend maakte dat hij [Pierre] al een poos bezig was met het schrijven van poëzie in de landstaal, Luis tegen Pierre was  uitgevallen:‘Je onthoudt ons volk iets waar het recht op heeft!’
Huis op Curaçao. Foto @ Bea Moedt
Ik ging graag van Nijmegen naar Den Haag, want er viel in het kantoor van De Palm veel over de cultuur van Curaçao te leren. Als onderwijzer, als taalkundige en als letterkundige had hij interessante dingen te vertellen. Bij een van die ‘tertulia’s’ schonk hij mij een exemplaar van het eerste nummer van Simadan. Op de omslag pronkte een tekening van Chal Corsen: het stelde een hoorn voor, door twee handen vastgehouden en uit die hoorn stroomde het woord ‘simadan’. Ik weet niet hoe het komt, maar dat beeld gebruikte ik later in een van mijn gedichten: ‘for di un kachu, suplá fo’i  un kabés yen di strea….’ (uit een hoorn, geblazen door een kop vol sterren). Omstreeks die tijd begon ik mijn eerste dichterlijke vingeroefeningen op papier te zetten. Op een dag deed ik ze aan Jules toekomen met de vraag wat hij ervan vond. De Curaçaose onderwijzer, die mij zo geboeid had met zijn spannende verhalen, gaf me toen voor ieder gedicht een cijfer. Nog wat later schreef hij met betrekking tot die eerste pennenvruchten: ‘Persoonlijk verwacht ik heel veel van de jonge, nog vrij onbekende dichter Habibe……’ Het behoeft dus niet te verbazen dat ik mijn veel later in het Papiaments geschreven gedicht, ’Papiamentu na kaminda’ (Papiaments onderweg) opgedragen heb aan……Julio Perrenal. Ik wilde de man, van wie ik zoveel geleerd had, eren en via hem óók Pierre Lauffer en René de Rooy. Ik had, na de jaren zestig, regelmatig nog contact met Jules. Wij correspondeerden bij tijd en wijle met elkaar.
Antilliaanse studente aan de Rotterdamse balletacademie

 

In 1992 werd Dr De Palm door de overheid uitgenodigd om op de middelbare scholen iets voor de leerlingen op zijn geboorte-eiland te doen. Op drie van die scholen heeft hij lezingen gehouden. Hij heeft daarbij o.a. over zijn boezemvriend Pierre Lauffer gesproken. Tot zijn grote verbazing constateerde hij dat Lauffer bij de leerlingen niet bekend was. De man, die zijn gehele leven zijn best gedaan heeft voor het onderwijs op Curaçao (proefschrift: Het Nederlands op de Curaçaose school, 1969) en het culturele zelfbewustzijn van zijn eiland, werd anno 1992 geconfronteerd met scholieren die niets meer wisten over Julio Perrenal. Om maar te zwijgen over de nationale dichter van het eiland! De Palm: ‘Nota bene, de man die zijn Bloemlezing Di Nos had opgedragen aan de jeugdvan Bonaire, Curaçao en Aruba!’
Antilliaanse studenten in een sociëteit in Nederland
In de jaren negentig werd het contact met Jules moeilijker vanwege zijn blindheid. Hij leefde teruggetrokken. Hij wenste geen telefoontjes meer te ontvangen en had dan ook een geheim nummer. In 1993 schreef hij: ‘Ora bo yega Ulanda, si no ta muchu molèster, skirbi mi un kartika, duna mi bo adres i number di telefòn, anto ami lo kontakt bo (Als je in Nederland aankomt en het niet te lastig is, stuur me dan een briefje en geef me je adres en telefoonnummer, dan zal ik je wel bellen). Het lukte mij een hele tijd niet meer (gedurende het eerste decennium van de 21ste eeuw) contact met hem te maken. Totdat Alwin Toppenberg (klasgenoot uit mijn Arubaanse Mulo-tijd), mij de weg naar Jules de Palm wees. Wij hebben hem in 2012 samen een bezoek gebracht. Hij was het gezichtsvermogen helemaal kwijt, maar zijn geheugen was voortreffelijk. Ik heb hem daarna nog twee keer bezocht: op Kerstdag 2012 en met Pasen 2013. Op 28 september jl. reed ik in de tram langs ‘Bosch en Duin’ en dacht ik meteen weer aan hem. Van Alwin Toppenberg vernam ik dat hij op 30 september overleden is. Sosegá na pas, Maestro Jules!

In Memoriam ‘Julio Perrenal’

door Fred de Haas
Jules de Palm. Foto Jan van der Weerd

 

Even heb ik geaarzeld om bovenstaande titel te hanteren voor de woorden die ik zou willen wijden aan het overlijden van de heer dr Jules de Palm die voor vele Antillianen op zoveel gebieden een lichtend voorbeeld is geweest. Van verschillende kanten heeft men de overledene terecht veel lof toegezwaaid. Mij rest nog de poging om in de marge van zoveel Antilliaanse lof iets toe te voegen aan de woorden die reeds aan Jules de Palm zijn gewijd.
Jules de Palm en het Onderwijs
Jules de Palm was op de eerste plaats iemand die zich al vroeg bezighield met de plaats van het Nederlands in het Antilliaanse onderwijs, het Nederlands dat voor menig Antilliaans kind een bijna onoverkomelijk struikelblok zou blijken.
Jules leefde mee met het arme Curaçaose kind dat op school onverhoeds werd ondergedompeld in een wezensvreemde taal die het binnen zou leiden in een volslagen onbekende, beangstigende wereld. Hij begreep de onzekerheid en gevoelens van minderwaardigheid die de vanzelfsprekendheid van het Nederlands als taal van instructie met zich meebracht, hij begreep de voortschrijdende vervreemding van de Antilliaanse psyche, de aanval op de geest van al die kinderen die door de koloniale geschiedenis werden gedwongen een strijd aan te gaan die ze wel móesten verliezen, geïsoleerd als ze waren van de voedende taalbron die de Nederlandse kinderen in hun vaderland altijd ter beschikking stond, gedoemd om altijd fouten te maken, al deden ze nóg zo hun best. Voeg daarbij de historisch lange afwezigheid van enige doordachte taalpolitiek en een, op zijn zachts gezegd, omstreden didactiek in het onderwijs en het rampzalig plaatje is compleet.
Maar Jules was er de man niet naar om zijn frustraties hierover op een onbeschaafde manier uit te dragen en het daarbij te laten. Velen op het eiland kunnen nog steeds een voorbeeld aan hem nemen! Hij besloot om verder te studeren en in een proefschrift (Groningen, 1969) te onderzoeken hoe het met dat onderwijs in het Nederlands op Curaçao gesteld was. Het is nog steeds leerzaam om de pagina’s die hij heeft gewijd aan de vele aspecten van het Nederlands en het onderwijs in het Nederlands op de Benedenwindse eilanden te lezen. Ze zijn nog altijd erg actueel.
Meer dan veertig jaar geleden maakte Jules een analyse van de fouten die kandidaat-bursalen zoal in het Nederlands plachten te maken. Op deze plaats moet ik volstaan met te zeggen dat de fouten die hij signaleerde meestal het gevolg waren van de invloed van de moedertaal: het Papiaments. De fouten betroffen het verkeerd gebruik van lidwoorden, persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, vervoegingen, woordvolgorde, voorzetsels, bijwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, spelling en nog enkele zaken.
Frustratie en gevoelens van minderwaardigheid waren het gevolg van dit voortdurend falen. En dit gevoel van permanente mislukking werd onbewust gecontinueerd door de in het onderwijs toegepaste en van Nederland gekopieerde didactiek die geen rekening hield met het feit dat Antilliaanse kinderen uit een totaal andere leef- en taalwereld kwamen. Men zag ze kennelijk – ook met de beste intenties –  als ‘minder taalvaardige Nederlandertjes’. Op school bereikte de frustratie een hoogtepunt omdat de kinderen hun moedertaal niet móchten spreken en de vreemde taal – het Nederlands –  niet kónden spreken.
Sindsdien is er veel gebeurd. Er heeft een grote kentering plaatsgevonden in het denken over de functie van het Papiaments in het onderwijs en de rol van het Nederlands binnen de Curaçaose samenleving. Veranderde inzichten hebben geleid tot het gebruik van de moedertaal in het onderwijs waarmee in 2002 officieel een begin werd gemaakt in het kleuter- en basisonderwijs.
Julio Perrenal
Maar wat heeft ‘Julio Perrenal’ met dit alles te maken?
Veel. Maar op zijn minst 1/3! Want in zijn jonge jaren maakte Jules de Palm deel uit van het pas veel later bekend geworden driemanschap ‘Julio Perrenal’.
‘Julio Perrenal’ was een naam die René de Rooy had gedistilleerd uit de letters van de namen Pierre (Lauffer), René (de Rooy) en Jules (de Palm). Colá Debrot, schrijver en oud-gouverneur van de toenmalige ‘Nederlandse Antillen’ heeft dit geheim ooit onthuld.
Pierre, Jules en René vonden dat er in de jaren veertig – de Tweede Wereldoorlog was in volle gang in Europa –  alle reden was om een tegenwicht te bieden aan de overheersende Zuid-Amerikaanse, Amerikaanse en Nederlandse liedcultuur door originele teksten te schrijven in het Papiaments en originele melodieën te creëren op Antilliaanse ritmes.
De drie jongens waren toen iets ouder dan 20 en enthousiaste liefhebbers van hun moedertaal.
Alle drie spraken ze voortreffelijk Nederlands – met dank aan de Hollandse fraters – en kenden vele verzen van Nederlandse dichters uit hun hoofd. Net als vele anderen zongen ze ook Nederlandse liederen als ‘De paden op, de lanen in’, liederen die nu eenmaal hoorden bij het cultureel Nederlands-Antilliaanse erfgoed van de jaren ’40. Zij spraken voortreffelijk Papiaments, hun moedertaal, en hadden notie van de Spaanse literatuur.
Het driemanschap moest wel wat moeilijkheden overwinnen om de taak die zij zichzelf hadden gesteld enigszins plausibel te kunnen uitvoeren. Een van de grootste obstakels op hun muzikale weg was dat zij de kunst van het muziekschrijven niet beheersten en de melodieën die ze verzonnen steeds weer moesten herhalen totdat zij ze uit hun hoofd kenden.
Maar zo maakten ze dan toch een aantal leuke liedjes, waarvan de versregels….. rijmden. Dat was een wens van Jules de Palm die vond dat rijm hielp om de liedjes beter te onthouden. Pierre Lauffer was geen voorstander van rijm. In het liedje ‘Nèshi di Maribomba’ (Wespennest) dat hij alleen heeft geschreven is het rijm dan ook afwezig. Maar Jules had natuurlijk wel gelijk. Liedjes op rijm zijn makkelijker te onthouden. Alleen was Pierre Lauffer zich er (onbewust) van bewust dat het Papiaments zich niet zo goed leende voor rijm. Het hoorde niet bij de taal. Het Papiaments moest het nu eenmaal hebben van melodie en ritme, de twee onmiskenbare steunpilaren van het Creoolse lied!
De Creoolse liedjes
In 1943 mocht ‘Julio Perrenal’ hun liedjes laten vertolken voor Radio Curom op Curaçao. Maar het trio dat de liedjes zou uitvoeren liet verstek gaan. In arren moede hebben Pierre, René en Jules toen zelf de liedjes maar gezongen met begeleiding van een gitarist die toevallig was op komen dagen. Die uitvoering is toen geen succes geworden en de liedjes raakten in de vergetelheid totdat ze werden herontdekt in de jaren ’70 en op notenschrift vastgelegd door de – inmiddels ook overleden –  Curaçaose musicus (bassist, gitarist) Julian Coco.
In 1979 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bijtoen eindelijk het boekje ‘Julio Perrenal’, waarin Jules de Palm onderhoudend vertelt over de vriendschap tussen hem, Pierre Lauffer en René de Rooij.
Merengue Merikano
Een van de eerste liedjes die door het driemanschap werd gemaakt was de ‘Merengue Merikano’ op een ritme dat het midden houdt tussen een Venezolaanse merengue en een Antilliaanse tumba. Dit liedje is bekend geworden onder de naam ‘Shon Ca’ (= juffrouw Carmencita). In dat liedje wordt de Curaçaose meisjes verweten dat ze liever omgingen met de Amerikaanse militairen die na 1942 ter bescherming van de bevolking op Curaçao verbleven dan met de lokale jongens. Ze gaven de voorkeur aan ‘Bill’ boven ‘Colá’, maar vergaten dat na de oorlog Bill zou vertrekken en dat Colá zou blijven:
Merengue Merikano
M’a tira un tek na Punda
I topa ku Shon Ca
Ta kròs un Merikano
Un tersio bon zetá
Komo mi sa di djele
M’a keda babuká
Ta kiko Carmencita
B’a kibra ku Colá?
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Colá a subi warda
Ku kurason trankil
Sin pensa ni un momentu
Ku Carmen ta ku Bill
Ma guera ta bai kaba
Su chòmi ta bai kas
Shon Cá ku su fantochi
Gañá lo keda tras
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Julio Perrenal
Yankee Merengue
Ik wandelde naar Punda
en stootte op Shon Ca,
die pronkte met een Yankee
zo zat als een garnaal.
Omdat ik haar goed kende
wist ik niet wat ik zag:
is het dat Carmencita
Colá niet langer mag?
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Colá die ging op wacht staan,
zo rustig en zo stil.
Hoe kon hij ook bedenken:
‘mijn Carmen is bij Bill’?
De oorlog gaat ook over,
haar vriendje gaat naar huis…
Shon Ca komt met haar ‘air’ van
een koude kermis thuis!
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Vertaling: Fred de Haas
Curaçaoënaar. Foto @ Bea Moedt
 
Skuridat
Een ander liedje dat ze met hun drieën maakten was ‘Skuridat’ (= Verduistering), een Curaçaose wals. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten ook op de Antillen de ramenworden verduisterd met zwarte houten schotten omdat de regering bang was voor nachtelijke vijandelijke aanvallen.  Dat belette echter niet dat de mensen ’s avonds gezellig voor hun donkere huisjes zaten te praten. De jongelui maakten ook graag gebruik van de duisternis om van de sociale controle af te zijn. Helaas sloegen ook straatrovers hun slag in het donker en de chauffeurs reden roekeloos omdat ze niet betrapt konden worden op verkeersovertredingen. In het laatste couplet worden Hitler, Mussolini en de Japanse keizer Hirohito verwenst.
Skuridat
Awor ku lus a disparsé
Kòrsou a bira trist’unbé
I hendenan ta kik fadá
Ku nan bentananan será
Si bo ke dal un keiru afó
Ai perkurá no bai bo so
Pasobra tin hende golos
Ku ke hòrta bo kos
I si bo dal un stap robes
Tin risk’i kibra bo kabes
Chofùrnan tur ta bon purá
I abo pober ta matá
Si bo ke pasa un ratu bon
Pasa den alameda, shon,
Pa gosa señoritanan
Ta namorá nan yònkuman
Mas hopi kos a sosodé
Awor ku lus no ta sendé
Ta ken lo por a pensa esei
Promé ku guera t’ei
Ai, mare Dòis por spat mañan
Benito hoga den laman
Hirohito haña ki ku ta
Pa nos por biba sosegá
Uit: Julio Perrenal
Verduistering
Nu al het licht verdwenen is
en iedereen vol ergernis,
lijkt Curaçao wel een gesticht
met alle ramen stevig dicht.
En wil je dan toch ergens heen,
ga dan maar liever niet alleen!
Ook boeven gaan er graag op uit,
beschouwen je als buit.
En als je struikelt, wee, o wee!
riskeer je er je leven mee,
want wegpiraten hebben haast:
het is de dood die op je aast!
En als je toch iets leuks wilt doen,
ga dan maar naar het Stadsplantsoen,
dan zie je meisjes ’s avonds laat
nog met hun vriendjes over straat.
En, o, wat is er veel geschied
– want al dat licht dat was er niet –
Wie zou dat ooit hebben gedacht
lang vóór die Oorlogsnacht!
O, Adolf, spring toch in de plee!
Verzuip, Benito, in de zee!
Hirohito, krijg het apezuur!
Dan keert de rust weer op den duur.
Vertaling: Fred de Haas
Beste Jules, je bent nu met je vrienden verenigd. Bai tira un tèk na Punda celeste!
Nederland
Oktober 2013

In de straten van de hemel (2)

Danseressen bij de viering van 150 jaar afschaffing slavernij op het binnenplein van Fort Zeelandia, Paramaribo
door Antoine de Kom
Wanneer je zoiets als slavernij overkomt, heb je te maken met een traumatische ervaring die diepingrijpende gevolgen kan hebben. Trauma is verwonding, en verwonding laat littekens achter waar je nog lang last van kunt krijgen als slachtoffer. Als er een slachtoffer is, dan is er ook een dader. De dader draagt ook de gevolgen van zijn daad met zich mee. De dader kan ook twee kanten op. Die zien er anders uit dan bij de slaaf. De dader, de meester, kan zijn daden loochenen en doen alsof die niet bestonden. Gewoon samen doorgaan heet dat ook wel. De dader kan het ook gooien op omstandigheden die als excuus dienen. Dan erkent hij zijn daad en dat is moeilijk te verkroppen. Slavernij was namelijk in de ogen van de meester eeuwenlang normaal, algemeen geaccepteerd, gezien als Gods wil ook, maar nu niet meer. Door bezitsdrang en behoudzucht van de nog levende slavenhouders (zoals die in het huidige Afrika bijvoorbeeld) is de moderne slavernij hardnekkig en moeilijk helemaal uit te roeien. Dat maakt ons terugkijkers en herdenkers een ongemakkelijke derde partij  naast dader en slachtoffer, want wij kunnen erkenning, ontkenning, bekennen, verzet of onderwerping, schuld en boete niet van ons afschudden noch op onze schouders nemen. Dit geldt vooral de nazaten van daderzijde. Aan de slachtofferkant is er nog steeds voelbare pijn.
Keti koti: afschaffing van de slavernij, 2013. Foto @ Michiel van Kempen
Er was nog een tweede uitweg die de dader kon kiezen: die is de weg van de overdekking met het tegendeel. De dader neemt dan de houding aan van de zedenmeester. Aldus behoudt hij zijn oude gedroomde superioriteit. Zeden-meester. De dader ‘schenkt’ de slaaf even minzaam als onverschillig diens ‘vrijheid’. Dat is pas echt erg!
Nee, nog erger misschien is dat wij de slavernij en de afschaffing daarvan herdenken. Herdenken is een vorm van verdringen. Want met de herdenking wordt de slavernij een dag der vrijheden, één dag in het jaar, en verder basta. Het heeft er dus alle schijn van dat het tussen meesters, slaven, en hun beider nazaten niet echt meer goed kan komen.
Ik had beloofd dat u opgewekt, verkwikt en vrolijk de zaal zult verlaten. Ik moet nu toegeven dat ik verder dan ooit van de verwezenlijking van die belofte verwijderd ben geraakt. Hier helpen geen geintjes meer. Ook dooddoeners als dat de tijd alle wonden heelt, bieden geen uitkomst. Ik krijg de sterke neiging om te doen alsof het hele probleem van de slavernij dan maar in de ijskast moet. De hevige impuls om maar te gaan dansen en te gaan feesten om het allemaal maar te vergeten. De dans der machtelozen dansen is eigenlijk de klassieke uitweg die ik over het hoofd heb gezien. Dansen konden de slaven immers af en toe ook en daarbij leefden zij hun verdriet en woede uit. Denk maar aan de tambú op Curaçao, recent ijzingwekkend documentair verfilmd door Catrien Ariëns.
Still uit de film The Night Holds Me Back van Catrien Airëns
Ik wil het er niet bij laten zitten. Ik wil blijven proberen om een oplossing te vinden voor het perverse probleem van meester en slaaf. We zagen dat die elkaar begonnen te worden: de meester raakte verslaafd en de slaaf won aan beangstigende macht. Innerlijk raakten beiden aangetast. Wij zijn hun nazaten. Ik ben een nazaat van beiden. Velen onder ons zijn dat ook. Dat is een belangrijk gegeven. Dat we nazaten zijn van meester en slaaf. Dat komt steeds vaker voor door de vermenging van etniciteiten die tegenwoordig steeds vaker regel is.
Anton de Kom, grootvader van Antoine
Misschien heb ik een kleine aanwijzing die grote gevolgen kan hebben over het hoofd gezien. Uit ervaring weet ik dat een impasse in een onderzoek, een onderzoek in een zware zaak, betekent: dat je niet goed genoeg naar jezelf hebt gekeken. Het wordt tijd dat ik dat doe. Als je naar jezelf kijkt, leg je je eigen historische wortels bloot. In de wording van een individu herhaalt zich de wording van een gemeenschap. Zo belichaamde mijn grootvader de strijd tussen meester en slaaf vanuit de geestelijke positie van de slaaf. Hij vocht om eigenheid, zelfwaardering en onderlinge verbondenheid. Hij slaagde erin om zijn streven te verbreden door met de vroegere overheerser het verzet aan te gaan tegen een nieuwe overheerser, het monsterlijke gedrocht dat fascisme en nazisme heet. Mijn grootvader gaf zijn wezen aan de vrijheid van zijn volk, de Surinamers, mijn grootvader gaf zijn leven voor de vrijheid van blank en zwart, voor de gewezen meester en de gewezen slaaf. Zijn boodschap was: we kunnen elkaar toch weer vinden en ons verenigen, ook, zelfs als medelanders.
Mooi gesproken, maar in alle bescheidenheid, ik zit door die slavernij nog steeds met de gebakken peren. Ik moet nog steeds van die slavernij een suikerbeest maken. Maar hoe? Mijn gewoonlijke truc tot nu toe was: poëzie. Een dichter is bijzonder vrij en kan dus zijn fantasie gebruiken om tegenstellingen en ellende weg te toveren. Dichten is een vorm van feesten die niet meteen als feesten opvalt maar het wel is. Met een eigen poëzie kun je dansant zeggen: lees die maar, daarin rechtvaardig ik mezelf terwijl ik eigenlijk een onooglijk vat vol ongerijmdheden ben.
Slave dance (spel 2006)

 

Die weg sta ik mijzelf niet langer toe. Daarmee loop ik opnieuw de kans van alles over het hoofd te zien. Ik weet het. Want in mijn poëzie heb ik geprobeerd om wat is geweest te symboliseren. We leven als mensen in een woud van symbolen. Kijk om je heen. De werkelijkheid is niet wat ze is, maar wat ze betekent voor de mensen. En het zijn de mensen die symboliseren maken en zo hun werkelijkheid gestalte geven, ja voltrekken. Zo vormen de mensen hun wereld en zo kunnen zij die ook weer omvormen. Daarin ligt de macht van de cultuur. De slaaf, de katibo, de katibu, heeft zijn tambú en die helpt hem om weer meester over zichzelf te worden. Dat is het grootste goed denkbaar. Daardoor kun je pas echt leven en echt feesten. Het scheppend omvormen van symbolen is een krachtig wapen. Ik heb ooit in de township Langa in Kaapstad geroepen dat goede dichters een wapenvergunning zouden moeten hebben vanwege hun scheppend vermogen.
Maar welke symbolen moeten er dan worden omgevormd? Is er een sleutelsymbool? En wie kan bij de sleutel? Vroeger had ik als kind in Suriname altijd een sleutelhanger op zak. Het was een bijzondere, stalen sleutelhanger met het symbool van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maat­schappij, een oud koloniaal zeilschip, en in die sleutelhanger zat een oprolbare centimeter. Eigenlijk deed ik er alleen de kleine sleutel van mijn koffertje aan dat ik gebruikte om mijn spullen in op te bergen. Veel had ik niet. De sleutelhanger is nu een zuiver symbool omdat ik het ding al lang kwijt ben. Maar als symbool is het voor mij van grote waarde. Ik wil er niet voor pleiten om van alles maar weg te gooien, dat is verkeerde symboliek. De sleutelhanger wacht op de nieuwe sleutel voor ons slavernij-probleem. Met symbolen kun je spelen en al spelend kun je nieuwe betekenissen en nieuwe waarden toekennen. Spelenderwijs, ongemerkt, verzet je de bakens.
Chusan. KNSM.Tekening van Frits Hoogstrate
We moeten op zoek naar het sleutelsymbool. Dat wordt een zoektocht naar de graal en we weten dat die niet meteen te vinden is. Op zo’n moment kom ik altijd in de verleiding om een boekenkast te laten omvallen. Toen ik ongeveer zestien was, ging ik naar de Bijlmer waar Frank van Kanten woonde: jurist, leraar, vertaler. Ik zou hem gaandeweg als mijn goeroe gaan beschouwen. Hij waarschuwde me dat ik niet teveel moest gaan lezen. Zelf deed hij dat wel. Hij wist ongelofelijk veel af van de Caraïbische geschiedenis af, bezien vanuit zijn creoolse standpunt. Bij hem vergeleken voelde ik mij beschamend wit.
Maze (2012) door Ginoh Soerodimedjo
Nu ik het over goeroes heb, denk ik ook aan René de Rooy. Die was pas echt Caraïbisch. Een veelzijdig kunstenaar. In Paramaribo was hij mijn leraar Spaans. Hij opende een wereld voor mij. Hij bouwde aan een nieuwe identiteit, een vrij kunstenaarschap, hij leerde ons in jezelf en over jezelf heen te kijken. Daar kwam bij dat hij een huidziekte had, vitiligo, waardoor hij zijn donkere huidskleur verloor en steeds witter werd. Zijn kwaal was voor mij een opluchting. Ik was dus niet de enige die in de verkeerde kleur zat. Ik had vaak gedacht dat het beter was om zwart te zijn. Gelukkig ben ik van die gedachte teruggekomen. René de Rooy leefde voor hoe je de schaamte voorbij kunt.
Slavenmasker. Aquarel van Jean Baptiste Debret,
 in Ana Maria de Moraes, O Brasil dos viajantes
 (Sao Paulo and Rio de Janeiro, 1994). Ook in Jean
 Baptiste Debret, Viagem Pitoresca e Historica
 ao Brasil (Editora Itatiaia Limitada, Editora da
 Universidade de Sao Paulo, 1989, herdruk
 van de Parijse editie uit 1954 door R. De Castro Maya.
Dames en heren, ik heb mij jarenlang geschaamd voor mijn kleur die de kleur van de meester is. Ik voelde mij een minderwaardige witte raaf. Eigenlijk ging het om veel meer dan kleur. Ik zat met de meester en de slaaf in mijzelf hopeloos in de knoop. Door mijn grootvader wilde ik voor de zwarte zaak staan. Maar hij had er ook toe bijgedragen dat ik zo wit was geboren. Hij had in zijn ruimhartigheid een blanke vrouw getrouwd en daarmee de liefde laten prevaleren boven de zware zaken waarover ik het hier heb. Mijn vader deed hetzelfde. Ik zat er maar mee.
Nu wil ik hier u niet lastigvallen met mijn kleurperikelen. Ik heb het erover omdat het zo’n kleine aanwijzing is waardoor we verder kunnen komen met het slavernijprobleem. We kunnen namelijk ons voordeel doen met een geluk bij een ongeluk: dat de meester wit is en de slaaf zwart. Als dat nou eens symbolisch gaat schuiven. dan komen we verder. De invloed van mijn grootvader gaat verder dan ik voor mogelijk hield. Hij heeft intuïtief voor kleurmenging gezorgd en daarmee de weg geopend naar een nieuwe manier van verhouden waarin kleur en meester-zijn of slaaf-zijn losmakelijk aan elkaar worden verbonden.
Anton de Kom en zijn kinderen in 1937
Ik zie dat nu – let op de symboolverschuiving – als een vorm van bevrijding. Hij heeft mij ertoe gedwongen voor de zware zwarte slavernijzaak te gaan staan terwijl ik in een lichte kleur leef. Dat is nieuwe symboliek, kleur verkennen heet dat. Door mij in het kleurledige, een vacuüm te werpen dwong hij mij op zijn bevrijdende weg voort te gaan.
[vervolg, deel 3, klik hier]

 

René de Rooy

Portret van de Surinaams-Antilliaanse schrijver René de Rooy, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 102b in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Verworpen vaderland

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Verworpen vaderland van René de Rooy.

door Michiel van Kempen

Dat iemand met de hoge ethische normen van René de Rooy bijna noodlottig naar de desillusie wordt gevoerd, maakt het autobiografische Verworpen vaderland (1979) duidelijk. Het boek is de wanhoopskreet van iemand die zich verraden voelt, zoals al op de allereerste pagina staat: `Het vaderland heeft míj verraden: het heeft mijn eerste liefde geroofd en gedood omdat deze te hoog en onaantastbaar was voor zijn bezoedeling.’ De verradene is een ontheemde geworden, die in de wereld zijn thuis zoekt: `Ik heb ontheemden gezien die verdwaasd ronddoolden door een dorp in een laag duinenland en ik zag ontheemden die hun zwaarte, hun hebi mee moesten torsen in de cirkel die zij niet konden verlaten.’ Alleen een kosmopolitische opstelling wacht de ontheemde: `Zoek dan het ware vaderland op aarde, je onbetwistbare plek.’ (p. 11, 12)
De Rooy schetst in het eerste deel, `Het begin’, zijn jeugdjaren, zijn vroegste erotische ervaringen en confrontaties met een wereld die niet edel of mooi is. Het wegkwijnen van zijn grote geliefde brengt het eerste eelt op zijn ziel. Hij neemt afscheid van zijn land, maar nog zonder dat de schellen hem van de ogen zijn gevallen. In `Intermezzo’ beschrijft hij de jaren rond de oorlog, jaren waarin duizend dromen nog konden worden waargemaakt. Het koloniale onrecht krast scherp in het bewustzijn, maar kan de trots niet doen knakken. Het derde deel is getiteld `Het einde’ en beschrijft de terugkeer naar het `vervloekte land’. Overal om zich heen, in ziekenhuizen, in winkels, in de scholen, in de persoonlijke omgang van mensen ontwaart de schrijver de decadentie. Ook sommige figuren uit het culturele leven van Curaçao en Suriname moeten het ontgelden: ze komen onder schuilnaam voor in het boek. Het laatste deel van Verworpen vaderland is een woedende zang tegen de `harpoen van verraad’, die hem in de rug werd gedreven en eindigt met de felste tirade die ooit over Suriname is geschreven, met een enumeratie van scheldtermen:
Vaderland, geboortegrond, ik heb mij van je losgerukt: ik heb je verworpen en ik zal je beledigen en beschimpen opdat je mij voor eeuwig zult haten; nimmer keer ik tot je terug; ik stel mij nimmermeer bloot aan jouw bezoedeling en besmetting, aan verminking en deernis, en aan een voortijdige dood: […]
etterende zweer
open mestvaalt
schijthuis op een stinkend achtererf
insektenbroedplaats
schandvlek op de borst van ons zuidelijk continent
heiligschennende mannelijke hoer
bilharzia-moeras
giftige makkaslang
Het proza van Verworpen vaderland is geschreven in een afwisseling van dagboekstijl en pure lyriek, sober vertellen en sterk beeldende taal in poëtische zinnen met echo’s van Aimé Césaire. Compositie en stijl van het boek weerspiegelen het temperament van iemand die liever zijn heil zocht in extremen, dan in het compromis of de relativering. Luc Tournier vergeleek De Rooy met Federico García Lorca `toen hij door New York dwaalde, bitter en vol angst, om daarna te worden gefusilleerd.’ De Antilliaan Jules de Palm noemde hem `een echte yu di Kòrsòw’ [kind van Curaçao] en Hugo Pos `verliefd op Suriname […] gestorven in het gevoel van een grote onbeantwoorde liefde.’ Frank Martinus Arion schreef over De Rooy: `een groot Caribeaan […] die de waarden van literatuur zo oprecht en totaal beleefde dat hij eigenlijk zelf literatuur was.’
[uit Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur]

René de Rooy

Portret van de Surinaams-Antilliaanse schrijver René de Rooy, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 102 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Mystificaties van Jules de Palm

Jules de Palm, Pierre Lauffer, René de Rooy

door Jos de Roo

De Curaçaose schrijver Jules de Palm (1922) staat vooral bekend als een humoristische verhalenverteller die met de nodige zelfspot een mild ironiserend beeld geeft van de Curaçaose maatschappij en van de Curaçaoënaars in Nederland. Bij mijn onderzoek naar de bijdrage van de Wereldomroep aan de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur stuitte ik in het draaiboekenarchief op een aantal bijdragen van hem, stammend uit de jaren 1952 – 1957, die duidelijk maken dat hij ook een liefhebber is van literaire mystificaties. Eigenlijk was hij dat al vanaf het begin. In 1943 gaf hij samen met zijn vrienden Pierre Lauffer en René de Rooy de Cancionero papiamento no. 1 uit, bestaande uit tien Papiamentstalige liedjes. Ze gebruikten het pseudoniem Julio Perrenal. Ze hadden de liedjes gemaakt, omdat ze het beu waren dat de amusementswereld alleen Spaans- en Engelstalige liedjes gebruikte. Hierover publiceerde De Palm in 1979 het boek Julio Perrenal; Dichters van het Papiamentse lied, waarmee hij deze liedjes volgens Aart Broek de Antilliaanse literatuurgeschiedenis binnendroeg.

De Palm beschrijft dat de liedjes aanvankelijk geen waardering kregen: musici weigerden Papiamentstalige liedjes te zingen. Ook suggereert hij dat het niet bekend was wie er achter het pseudoniem Julio Perrenal schuil gingen. Zo presenteert hij deze schuilnaam als een mystificatie voor de werkelijke makers. Hij haalt René de Rooy aan die vertelde dat een bandleider die succes met een van hun liedjes had “na afloop van het stuk met bescheiden trots bekend maakte, dat dit nieuwe lied “Sjon Ca” genaamd, een eigen compositie was”. Doordat Cola Debrot in 1949 bekend maakte welk driemanschap achter  het pseudoniem schuil ging, kwam er volgens De Palm een einde aan de Perrenal-mystificatie. Tegelijkertijd schiep hij volgens mij een nieuwe, namelijk dat tot 1949 onbekend was wie achter de naam Julio Perrenal schuil gingen. De Palm zelf reikt in zijn relaas hiervoor de argumenten aan. Voor de uitgave van hun liedjes moesten ze winkeliers benaderen die in hun bundeltje wilden adverteren. Ook hadden ze geregeld dat het radiostation Curom de liedjes zou uitzenden en voor die uitzending hadden ze musici nodig die ze zelf regelden. Toen het puntje bij het paaltje kwam, weigerden de musici de tekst te zingen, zodat ze dit zelf moesten doen. Ook uit andere elementen uit De Palms relaas wordt duidelijk dat het niet anders kan dan dat in een kleine gemeenschap als Curaçao al vanaf het begin bekend was wie achter de naam Julio Perrenal schuil gingen. De conclusie is dat niet het kiezen van de naam Julio Perrenal de mystificatie is, maar het verhaal van De Palm dat pas Cola Debrot bekend maakte hoe het met die naam zat.

 Uit het archief van de Wereldomroep blijkt een tweede mystificatie. Op zaterdag 17 april 1954 droeg Jules de Palm in de uitzending twee gedichten van hem voor, waaronder ‘Rabia’ dat Pierre Lauffer 17 jaar later opnam in zijn anthologie Di nos. De mystificatie die dan plaats vindt is dat werd gedaan alsof ‘Rabia’ voor het eerst werd gepubliceerd in Di Nos. Telkens als Lauffer een stuk opneemt dat eerder was gepubliceerd, vermeldt hij consciëntieus de bron, maar bij ‘Rabia’ wordt de Wereldomroep niet als bron vermeld, er staat er helemaal geen. De Palm heeft kennelijk verzwegen dat hij het gedicht eerder had gepubliceerd. Hetzelfde is het geval met het verhaal ‘Toni Gonsales’, waarvan ook werd gedaan of het voor het eerst in Di Nos werd gepubliceerd, maar dat Jules de Palm voor de Wereldomroep had geschreven. Op 20 augustus 1956 werd het al uitgezonden, toen onder de titel ‘Toni’s Waterloo’.

Het verzwijgen van de bron van ‘Rabia’ en ‘Toni Gonsales’ lijkt op het eerste oog een slordigheidje. Toch is het dat niet, zo blijkt uit het nawoord van De Palms eerste verhalenbundel Antiya uit 1981. Hij vertelt er over de ontstaansgeschiedenis van het verhaal ‘Toni Gonsales’. Eerst merkt hij op dat hij meer een causeur is dan schrijver. Daarom heeft hij de aanmoediging van een ander nodig om tot schrijven te komen. Die ander was in zijn geval Cola Debrot, die hem stimuleerde tot het schrijven van ‘De Kerstcakes van Sjon Keta’ en ‘Shòròmbo’, beide gepubliceerd in Antilliaanse Cahiers. Het eerste verhaal werd een succes: De Palm werd vaak gevraagd het voor te dragen. In Antilliaanse kringen kreeg hij zelfs de bijnaam ‘De Kerstcake’. De Palm vervolgt dat zijn vrouw eens zei dat zijn epitaaf zou luiden: “Hier ligt Jules de Palm, schrijver van ‘De Kerstcakes’.” Hij voegt eraan toe: “De opmerking van mijn vrouw had […] tot gevolg, dat ik de hele nacht heb zitten zwoegen om nóg een herinnering aan mijn mager oeuvre toe te voegen: ‘Toni Gonsales’ werd na een zware bevalling bij het krieken van de dag geboren. Het verhaal is nooit gepubliceerd.” (105). Hij probeerde het vergeefs op een studentenavond voor te lezen, waarna hij schrijft: “Het verhaal heb ik in portefeuille gehouden, zoals dat heet, totdat Pierre Lauffer bij het samenstellen van zijn bloemlezing Di Nosom proza verlegen zat. ‘Toni Gonsales’ is toen in het Papiamentu herschreven.” (105-106)

Het is een mooi verhaal, maar het heeft een hoog fictief gehalte. De feiten zijn dat hij ‘Toni’s Waterloo’ op aandrang van Van de Walle heeft geschreven in 1956, het niet in portefeuille heeft gehouden, maar publiceerde via de Wereldomroep; dat het in 1971 werd vertaald in het Papiaments en omgewerkt tot ‘Toni Gonsales’, dat weer in het Nederlands werd vertaald voor de bundel Antiya in 1981. De Palm was overigens de eerste die dit lachend toegaf toen ik hem mijn bevindingen vertelde.
In het nawoord van Antiyadoet De Palm alsof de verhalen uit de bundel op ‘De Kerstcakes’ en ‘Shòròmbo’ na, allemaal speciaal voor de bundel waren geschreven, maar dat is niet het geval. Naast ‘Toni Gonsales’ heeft De Palm ook ‘Weerzien’ en ‘ ‘t Geluk gaat de drempel over’ voor de Wereldomroep geschreven die in 1956 zijn uitgezonden. Van de tien verhalen uit de bundel zijn er dus twee op aandringen van Cola Debrot geschreven en drie op aandringen van Jo van de Walle, het toenmalige hoofd van de West-Indische afdeling van de Wereldomroep.

Het nawoord blijkt door de mystificatie het elfde verhaal te zijn. De opmerking dat zijn vrouw hem inspireerde is een echt Leidmotief in het nawoord. De waarheid is anders. In december 1955 had hij ‘De Kerstcakes voorgedragen voor de Wereldomroep en sindsdien vroeg Van de Walle hem steeds om nieuwe verhalen.

De historische onjuistheden in het nawoord zorgen er wel voor dat ook dit een smakelijk verhaal is geworden met een duidelijke lijn: De Palm heeft de aanmoedigingen van anderen nodig om zijn anecdotes en ervaringen op papier te zetten. Dat hij hierbij de aanmoedigingen en waardering van een bekende Antilliaanse schrijver als Cola Debrot kon noemen, was mooi meegenomen. Borstklopperij van schrijvers komt meestal op een minder intelligente manier tot uiting. Het nawoord is dus een voorbeeld van een literaire mystificatie, waar De Palm van houdt, getuige de geschiedenis van Julio Perrenal. De historische feiten zijn voor De Palm minder interessant als hij de lezer wil uitleggen dat hij wel uit zichzelf gaat zitten praten, maar dat hij de aandrang van een ander nodig heeft om zich tot schrijven te zetten. Het gaat tenslotte om een sappig verhaal voor de lezer. Ik acht het in dit verband ook niet uitgesloten dat de opmerking van zijn vrouw over zijn latere grafschrift ook aan de fantasie van De Palm is ontsproten.

Jules de Palm is overigens niet de enige Curaçaose auteur die van mystificaties houdt. Zo deed Charles Corsen het voorkomen dat hij sonnetten van ene Miguel H. Romano had vertaald, een dichter die helemaal niet bestond. In Antilliaans Literair Logboekvertelt hij: “Samen met Henk Dennert en Tip hebben we een biografie van Romano opgesteld.[…] In Holland was een man die schreef dat die gedichten van Romano subliem vertaald waren. Hij had meer over Romano te vertellen dan wij wisten. Toen hebben we hem een telegram gestuurd: ‘Romano bestaat niet.’ Hij was natuurlijk pisnijdig. Sindsdien konden Tip en ik niks meer goed doen, omdat hij zich genomen voelde. Wat ook ergens de bedoeling was.”
En Cola Debrot heeft eens in een interview met het Utrechts Nieuwsblad een hele stamboom bij elkaar gefantaseerd. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik daar ingestonken ben en er wel eens uit heb geciteerd. Sindsdien ben ik op mijn hoede voor wat schrijvers over zichzelf vertellen. De fictie loert om de hoek, ze willen nu eenmaal mooie verhalen vertellen en wij als lezers smullen ervan.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter