blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Rijssen Jules

Toni Morrison in een Caraïbische anthologie?

door Jules Rijssen en Lucia Nankoe

In de Ware Tijd Literair van 1 maart 2014 verscheen met als titel ‘Vlieg terug naar Afrika’ een recensie van Hilde Neus over het boek De slaaf vliegt weg onder redactie van Lucia Nankoe en Jules Rijssen (Arnhem: uitgeverij LM Publishers, december 2013). [Klik hier]
Een gemiste kans van de recensent om een unieke publicatie te bespreken, hoe de doorwerking van de slavernij wordt verbeeld in het werk van hedendaagse Caraïbische kunstenaars. Het is een gemiste kans indien de inleiding tot de bundel die als sleutel dient niet goed wordt gebruikt oftewel gelezen. Natuurlijk kan de bundel gelezen worden zonder de inleiding te raadplegen en dan wordt de lezer geconfronteerd met het thema doorwerking en verbeelding van de slavernij in verschillende kunstgenres te weten: poëzie, het korte verhaal, essays, fragmenten van historische romans, biografische portretten, storytelling, theater, cinematografie. Verschillende genres die over hetzelfde thema gaan, want dat is de essentie van een anthologie, zoals we weten.
George Padmore
De lezer maakt in De slaaf vliegt weg ook kennis met het denkwerk van Caraïbische en Afrikaanse filosofen én letterkundigen die bij velen uit het Caraïbisch Gebied onbekend (gebleven) zijn. Bijvoorbeeld het denkkader van de grondleggers van de invloedrijke Négritude-beweging die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw in Parijs opbloeide met Caraïbische vertegenwoordigers in de personen van George Padmore (Trinidad), Aimé Césaire (Martinique), Léon-Gontran Damas (Frans-Guyana). De invloed van deze beweging was en is nog steeds terug te vinden in artistiek werk van verschillende kunstenaars en niet alleen bij hen die afkomstig zijn uit het Caraïbisch Gebied. In onze bundel is er ook prachtig werk opgenomen van Léon-Gontran Damas en van Ina Césaire; ja, de talentvolle dochter van Aimé.
Ook wordt er geschreven door de auteur Ernest Pépin (Guadeloupe) over de visie van de in 2011 overleden Caraïbische denker en essayist Édouard Glissant (Martinique), over de identiteit en ontwikkeling van de Caraïbische cultuur. Glissant bedacht hiervoor het concept Antillianité. Zijdelings wordt het denkwerk over meervoudige Caraïbische identiteiten van de onlangs overleden Brits-Jamaicaanse socioloog, cultuurwetenschapper en grondlegger van de British Cultural Studies – ook bekend als The Birmingham School of Cultural Studies – Stuart Hall aangestipt.
Het is wederom een gemiste kans dat de recensent de inleiding niet goed heeft gelezen en daardoor de opzet van de bundel versmalt tot slechts de vraag welke rol historische romans vervullen in de beeldvorming met betrekking tot de slavernijgeschiedenis. Dat was daadwerkelijk het onderwerp van het symposium uit 2009 in de Muiderkerk te Amsterdam. We hebben op pagina 8 aangegeven, met het oog op 150 jaar afschaffing Nederlandse slavernij (sommigen onder ons praten liever over 140 jaar), het thema van de beeldvorming op te rekken naar kunst in het algemeen. En niet alleen de historische roman te beschouwen, omdat deze slechts één cultuurbron is. De lezer wordt op het verkeerde been gezet door de recensent doordat ze vermeldt welke teksten ontbreken in plaats van aan te geven wat er wel wordt gepresenteerd. Waarom de magnifieke Noord-Amerikaanse Toni Morrison in een Caraïbische anthologie opnemen?
Nicolaas Porter – Facing truth
De mens krijgt culturele informatie vanuit verschillende kunstbronnen van waaruit beïnvloeding uitgaat. Op basis van deze beïnvloeding en ontstane (positieve of negatieve) beeldvorming wordt vaak het debat gevoerd. En niet alleen aan de keukentafel, onder de markt of bij de bushalte. Maar ook op heuse maatschappelijke en wetenschappelijke podia. Daarnaast hebben wij ook aangegeven dat kunst fungeert als doorgeefluik én bewaarders [sic] van nationale en individuele identiteiten en idem herinneringen.
De bloemlezing De slaaf vliegt weg richt zich niet slechts op kenners. Neen, met de bundel willen wij ook de lezer bereiken die geen of geringe kennis heeft van het wetenschappelijke debat over bijvoorbeeld de complexe processen van beeldvorming en taal die zich in ons denken voltrekken. En met dat doel hebben wij gepoogd dit in begrijpelijk taalgebruik te beschrijven.
Maar ook hier constateren wij dat de recensent de theoretische discussie over beeldvorming verengt en versimpelt. Ze schrijft: ‘Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel.’
In onze Caraïbische bundel komen literaire kaders en verschillende kunstgenres ter sprake. Daarnaast bespreken we in onze beschrijving over beeldvorming de kunstzinnige wereld en de realiteit van het leven van alledag. Mede vanuit dát perspectief moet de inleiding tot de bloemlezing gelezen worden. Hiermee overstijgen we de gedachte dat (literaire) kunst een weerspiegeling is van de samenleving en de actualiteit. Ten derde gaan wij ook in op de kracht en invloed van taal. Want taal beïnvloedt niet alleen in hoge mate onze gedachten maar stuurt ze ook aan.
Ten vierde, nog een gemiste kans om thema’s als familie, taal, overleveringen, tradities, opvoeding, opleiding, levensvisie, en -houding, geschiedenis, politieke verhoudingen en samenleving die de kunstenaars in de bundel beïnvloeden en hoe deze aspecten terugkomen in hun werk niet aan te halen.
Hilde Neus bespreekt geen van de bijdragen uit De slaaf vliegt weg diepgaand en haalt alleen Surinaamse auteurs aan op Suzanne Diop na.
Het beoordelen en appreciëren van het werk vraagt dus het nodige van de lezer en/of toeschouwer om overeenkomsten en parallellen tussen verschillende Caraïbische landen te zien.
De slaaf die terugvliegt naar Afrika behoort daardoor tot één van de denkconstructies die tot op heden opgaat voor grote delen van het immense Caraïbisch Gebied dat zich uitstrekt tot de metropolen van West-Europa en de Verenigde Staten.
Ten slotte: ‘terug naar Afrika’, is dat cynisch bedoeld door de recensent, vroeg een lezer over de kop. Ziedaar de sturing van taal!
Wij hebben een Caraïbische bloemlezing samengesteld met bijdragen van beeldend kunstenaars als Letitia Brunst (Suriname), Frank Creton (Suriname), Remy Jungerman (Suriname), Natasja Kensmil (Nederland), Elis Juliana (Curaçao), Ras Ishi Butcher (Barbados) en literaire bijdragen van Rudy Bedacht (Suriname), Ina Césaire (Martinique), Fausten Charles (Trinidad), Léon-Gontran Damas (Frans-Guyana), Gilda Dannarag (Suriname), Margot Dijkgraaf (Nederland), Suzanne Diop (Senegal), Glenn Helberg (Curaçao), Rihana Jamaludin (Suriname), Cynthia Mc Leod (Suriname), Lucia Nankoe (Suriname), Quito Nicolaas (Almere), Anil Ramdas (Suriname), Jules Rijssen (Suriname), Ernest Pépin (Guadeloupe) en Ini Statia (Aruba). En de vertalers: Carmen Lie, Henne van der Kooy en France Olivieira. Het woord is nu aan de lezers!
Nederland, 9 maart 2014

 

Vlieg terug naar Afrika

door Hilde Neus

 
De meest indrukwekkende versie die ik ooit las van de slaaf die terugvliegt naar Afrika, is in de roman De hemelvaart van Solomon van de zwarte Amerikaanse auteur Toni Morrison. Het is het verhaal van Macon Dead, wiens zoon beweert dat zijn opa Solomon kon vliegen en als een adelaar weggezeild is naar Afrika. Het is jammer dat dit verhaal niet is opgenomen in De slaaf vliegt weg(samenstelling Lucia Nankoe & Jules Rijssen). Maar ook de vermelding van het motief in het verhaal over Tata Colinvan Ruud Mungroo zou hier niet hebben misstaan. Dit motief van de titel van de bundel komt verder voor als afbeelding van Elis Juliana, met een kleine verklaring erbij. De kern wordt gevormd door lezingen, gepresenteerd op het internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Waar en wanneer deze bijeenkomst werd gehouden staat in een noot vermeld; in de Muiderkerk in 2009. De centrale vraag is of en welke historische romans een rol spelen in de beeldvorming over het slavernijverleden. En hoe ze doorwerken in de hedendaagse discussies en in de persoonlijke beleving van de nazaten. De samenstellers proberen deze vragen in de inleiding te beantwoorden. Ze slagen daar maar deels in, omdat er veel voorbeelden aangehaald worden die allerlei kunstvormen bevatten, maar geen historische romans zijn. Het artikel van Suzanne Diop, ‘Het Eerste Internationaal Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars’ (pp. 29-33) is zo’n voorbeeld dat niet over historische romans gaat. (Kijk ook naar het onterechte gebruik van hoofdletters in de titel!)
Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel. Dan is de opname van veel stukken in de bundel, zoals de verhouding tussen etnische groepen getoond in de film Wan Pipel, wel verantwoord. Er zijn natuurlijk allerlei gevoelige zaken die uitvloeiselen zijn van de slavernij, en zodra die gevisualiseerd worden heb je ook een bepaalde vorm van beeldvorming.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd
De inhoud van de bundel werkt dus vervreemdend omdat je van de auteur, zelf literatuurwetenschapper, een andere insteek zou verwachten. En zeker als dan blijkt dat er allerlei stukken zijn opgenomen die niet op het symposium voorbij zijn gekomen, terwijl de bijdrage van M. van Kempen, die er wel bij was, vanwege een tekort aan beschikbare redactionele ruimte is teruggetrokken. Dan roept dit vragen op.
Bij zo een titel en inleiding waren mijn verwachtingen anders. Dat neemt niet weg dat de stukken bijna allemaal iets met de slavernij te maken hebben, maar het gevaar is dat de lezer met zo een gevarieerde waaier aan informatie toch blijft zitten met vragen over de context. Je kunt die dan op internet opzoeken, maar is dat de bedoeling van de bundel? Al in het eerste stuk, van Nankoe zelf (‘Reverence’) heeft ze het binnen vier pagina’s over Toussaint Louverture, Edwi[d]ge Danticat, de kunstenaar Basquiat, de zanger Maxwell en de Neville Brothers, auteur Simone Schwartz-Bart en de kunstenaar Frankétienne. Alles wordt even aangestipt en daardoor mist het stuk diepgang.
Cynthia Mc Leod vraagt zich in haar bijdrage af of het aan te bevelen is dat de lezer zich een beeld vormt van de geschiedenis via historische romans. Daar wil ze zich, ondanks de geweldige verkoopcijfers van bijvoorbeeld Hoe duur was de suiker?, niet over uitlaten. ‘Dat zou de uitkomst van het symposium moeten zijn’, is haar mening.
Ik denk dat een symposium over dit onderwerp ook geen uitsluitsel kan geven, daarvoor is het onderwerp te breed en te gecompliceerd. Wel is duidelijk dat historie in vele vormen verwerkt kan worden, letterlijk en figuurlijk. In literatuur, schilderijen, beelden, poëzie en zang, alle denkbare kunstvormen. En door over de slavernij na te denken en die uit te drukken in kunst, kunnen de nazaten van de slaven tevens aan een stukje rouwverwerking doen. En de nazaten van de slavenhouders kunnen zich plaatsvervangend schamen na zich verwonderd te hebben over de verschrikkingen die in die tijd plaats hebben gevonden. Eenieder doet dat op zijn eigen manier. Dat blijkt wél duidelijk uit de inhoud van deze bundel. Met bijdragen van onder meer Anil Ramdas, Rudy Bedacht, Remy Jungerman en Rihana Jamaludin, om maar wat Surinaamse auteurs in deze bundel te noemen.
Lucia Nankoe & Jules Rijssen (samenstelling): De slaaf vliegt weg. Beeldvorming over slavernij in de kunsten. Arnhem: LM Publishers, 2013. ISBN 978-94-6022-274-0

De slaaf vliegt weg

Beeldvorming over slavernij in de kunsten
De kern van de bundel vormen enkele tot essays bewerkte lezingen op het in september 2009 te Amsterdam gehouden internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis, georganiseerd door stichting Podium Kwakoe en het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfgoed (NINsee).
Sprekers waren Lucia Nankoe, Michiel van Kempen, Ernest Pépin, Quito Nicolaas, Cynthia Mc Leod, Rihana Jamaludin, Fausten Charles. Suzanne Diop was afwezig maar stelde haar essay ter beschikking. De lezing van Michiel van Kempen moest van de redactie zo drastisch worden ingekort, dat de auteur zijn inhoud op onaanvaardbare manier zag worden aangetast en hij trok zijn stuk in. Dagvoorzitter was Margot Dijkgraaf.
In het publieke debat worden vaak historische romans aangehaald om standpunten te verdedigen, vooral van succesvolle Caribische auteurs als Edgar Cairo, Lou Lichtveld/Albert Helman, Frank Martinus Arion en Carel de Haseth, waarin het Nederlandse slavernijverleden aan de orde komt. Die auteurs gelden dan als autoriteiten en worden geciteerd in allerlei discussies.
Spelen romans en andere kunstgenres werkelijk een rol in de beeldvorming over het slavernijverleden, en zo ja welke? Welke rol hebben ze in de hedendaagse discussie over de doorwerking ervan in het algemeen en in de persoonlijke beleving van de nazaten van de in slavernij gebrachte Afrikanen?
In deze bundel verwijzen ook beeldend kunstenaars als Frank Creton, Remy Jungerman, Letitia Brunst, Natasja Kensmil, Elis Juliana en Ras Ishi Butcher naar de geschiedenis waarin het thema slavernij centraal staat. Literaire bijdragen zijn van de hand van Rudy Bedacht, Ina Césaire, Léon-Gontran Damas, Gilda Dannarag,
Lucia Nankoe en Jules Rijssen nodigen u – mede namens alle auteurs en beeldend kunstenaars – uit voor de boekpresentatie van De Slaaf vliegt weg, die plaats zal vinden op vrijdag 13 december 2013 in het Stadsarchief Amsterdam (Vijzelstraat 32, 1017 HL Amsterdam). Inloop: 15.30 uur, aanvang 16.00 uur
Organisatie: NiNsee (Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis). Aan/afmelding: info@ninsee.nl
Na de presentatie is er gelegenheid tot het kopen van het boek.

Surinamers in WO II: geen eenduidige strijd

Surinamers in Kijkduin, winter 1946. Collectie William Watson

 

door Guno Jones
In Teken en zie de Wereld heeft Jules Rijssen de herinneringen van oorlogsveteranen uit Suriname aan de vergetelheid ontrukt. Op basis van Oral History heeft de auteur bloot weten te leggen hoe deze veteranen, 31 mannen en zes vrouwen, betekenis hebben gehecht aan de Tweede Wereldoorlog. Eerder historiografisch werk heeft al in kaart gebracht dat militairen uit het toenmalige ‘rijksdeel’ Suriname in uiteenlopende geografische gebieden en functies bij de Tweede Wereldoorlog betrokken zijn geweest: als schutter of stads- en landwacht (in Suriname), als marinier en gunner, in het verzet in Nederland, als militair in Nederland en Europa, als verpleegkundige en in de strijd tegen het Japanse leger. Het vernieuwende karakter van dit boek is dat Rijssen een ‘geschiedenis in herinneringen’ in kaart heeft gebracht, door de veteranen zelf aan het woord te laten (p.11-12).
Deze rijk geïllustreerde studie laat zien waarom de gangbare kennisvorming over de Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie tekortschiet. In de historiografie is sprake van schotten, waarin de geschiedenis van Nederland en de (voormalige) kolonies Suriname, de Nederlandse Antillen en ‘Nederlands-Indië’/Indonesië afzonderlijk worden beschreven. Teken en zie de wereld toont daarentegen de verwevenheid van Nederland en wat in het koloniale discours ‘de West’ en ‘de Oost’ heette: door bemiddeling van de Nederlandse regering waren militairen uit Suriname, vrouwen zowel als mannen, direct en actief betrokken bij ontwikkelingen in Indonesië, waar ze (vaak) via de VS en Australië heengingen.
Vera Cornelly Tjien Fooh.
Collectie Vera Levens-Tjien Fooh/Museum Suriname
Naast de reikwijdte kan Teken en zie de wereld gelezen worden als een kritiek op een universalisme dat de Tweede Wereldoorlog als een eenduidige strijd van ‘de goede legers’ (de geallieerden) tegen het absolute kwaad van de asmogendheden (Duitsland, Italië, Japan) voorstelt. De Surinaamse militairen, destijds Nederlanders, vochten vol overgave tegen het kwaad van de asmogendheden (vooral tegen Japan), maar maakten tegelijkertijd op indringende wijze kennis met het onrecht aan geallieerde kant, zoals kolonialisme, racisme en seksisme. Ze waren als ‘rijksgenoten’ én gekoloniseerden bij de Tweede Wereldoorlog betrokken; Juist die double consciousness (een concept waarmee W.E.B. Dubois verwijst naar de historische ervaringen van zwarte Amerikanen) brengt in dit boek een parallelle geschiedenis aan het licht en daarmee andere sociale, morele en politieke betekenissen van de Tweede Wereldoorlog. Nog beter is om (op z’n minst) te spreken over ‘parallelle geschiedenissen’ gelet op de uiteenlopende herinneringen van mannen en vrouwen.
De Prinses Irenebrigade trekt Utrecht binnen; op de bok een Surinamer.
Foto www.prinsesirenebrigade.nl
Die parallelle geschiedenissen komen in Teken en zie de wereld tot uiting in de ervaringen van de veteranen in de verschillende fases van hun inzet tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Bij de Tweede Wereldoorlog denkt men wellicht primair aan een gewapend conflict, maar die oorlog markeerde ook de ‘strijd’ om rolpatronen. Vrouwelijke militairen leerden telegraferen, schieten, exerceren en trucks besturen, banden verwisselen en olie verversen. Publieke activiteiten die destijds als ‘mannelijk’ werden gezien en de betreffende vrouwen soms op afwijzende reacties van mannelijke collega’s kwamen te staan, zoals veterane Esselien Bakrude-Bolwerk meemaakte (p.23). Bij de inzet van verpleegkundigen (die via de VS en Australië naar ‘Nederlands-Indië’ afreisden) was niet zozeer de functie een probleem maar wel de ‘bedreigingen’ van het overschrijden van de heersende fatsoensnormen aangaande vrouwelijke seksualiteit. Zo was het de taak van Theophila D’Hont-Berkenveld om ‘de jonge meiden onbeschadigd af te leveren in Australië’; ze moest, onder meer door middel van bed checks, zorgen dat de meisjes ‘goed’ bleven, wat betekende dat ze moest voorkomen dat ze zwanger raakten (p. 44-45). Een soortgelijke regulering van seksualiteit en voortplanting maakten de mannelijke collega’s niet mee.
Eerste deel van het Geuzenliedboek, waaraan Albert Helman
– actief in het verzet tegen de Duitsers – ook bijdroeg.
‘Onbeschadigd blijven’ betekende voor de mannelijke strijders iets heel anders, omdat ze op een andere wijze dan hun vrouwelijke collega’s in de oorlog gesitueerd waren. Zo werden ze nog voor hun inzet in de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met de segregatie in de VS en de ‘colour bar’ in Australië. De getuigenissen van, in woorden van veteraan August Hermelijn, ‘die verschrikkelijke discriminatie’ (p. 64) tijdens de trainingsperiode in het zuiden van de VS zijn legio onder de veteranen. Ze maakten kennis met segregatie door bordjes ‘coloured only, white only’, waarbij ook hun fysieke veiligheid gevaar liep: ‘Ik heb daar echt racisme ondervonden. Ik kom in een zaal in Mobile, Alabama om iets te kopen […] Die man trekt een pistool en zei: negro, one more step and you are a dead man! (veteraan André Neiden: p. 83). Soortgelijke verhalen vertellen de veteranen over Australië. Veteraan Iwan Dompig: ‘Het eerste wat luitenant De Gooyer tegen ons zei was: gaan jullie niet in de stad, want er is voor jullie als kleurling geen plaats in de stad’ (p. 39). Deze ervaringen onderstrepen dat het sociale onrecht niet alleen bij de asmogendheden plaatsvond, maar − in de vorm van structureel racisme − ook bij de geallieerden. Tezamen met het feit dat Suriname op koloniale wijze werd bestuurd door gouverneur Kielstra hebben ze ongetwijfeld als moreel kompas gefungeerd voor de houding van de Surinaamse militairen in de strijd. Zo vochten ze met volle overgave en succes tegen de Japanse bezetters, maar toen de Nederlandse regering hen na de capitulatie van Japan wilde inzetten in de strijd tegen het Indonesische nationalisme voelden ze zich misleid. Men had ‘getekend voor de strijd tegen de Japanners en niet tegen de Indonesiërs’, zoals Hugo Alberga het stelde (p. 16). Sommigen gaven gehoor aan de orders van de Nederlandse autoriteiten, maar uit veel getuigenissen komt naar voren dat men zich waar mogelijk onttrok aan deze strijd, terwijl enkelen overliepen naar Indonesische zijde. ‘Toen ze zeiden dat we tegen de Javanen moesten vechten, hebben wij geprotesteerd. In Suriname zijn ze onze buren en misschien vecht je tegen hun ouders of familie.’ (veteraan William Watson, p. 120).
Piet Wielemaker en George Spong
op vliegveld Tjililitan bij Batavia. Collectie George Spong

 

Hoewel het, gelet op de uiteenlopende herinneringen aan de rol van de Surinaamse militairen tijdens deze oorlog, de vraag blijft hoe algemeen deze ervaringen zijn rijst niettemin het beeld dat men zich niet senang voelde bij deze missie en dit conflict eerder als een koloniale oorlog dan als politionele acties beschouwde. Overigens wilden ook de Indonesische strijders, op instructie van Soekarno, de Surinaamse militairen (die formeel aan Nederlandse zijde stonden) zoveel mogelijk ontzien. Veteraan Iwan Dompig: ‘Op de bussen en trams hadden de Indonesiërs geschilderd: ‘Awas Orang Suriname, Surinamers oppassen! Deze zaak gaat jullie niet aan! En gelijk hadden ze […]. Zelfs ’s avonds riepen ze op de radio: Ini perkara Blanda poena, het is een gevecht tegen de Hollanders’ (p. 40). De ‘rijksgenoten uit de West’ bevonden zich dus middenin de Indonesische dekolonisatiestrijd en namen in die strijd, in vergelijking met de ‘Hollandse’ militairen, een aparte positie in.
In Teken en zie de Wereld heeft Jules Rijssen kortom ‘een andere kant’ van de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Indonesië laten zien en getoond dat ieder historisch narratief, het heersende niet uitgezonderd, gesitueerd is. Daarmee doet dit boek een beroep op onderzoekers om deze geschiedenissen in breder verband te analyseren en daartoe ‘de bronnen’ opnieuw onder loep te nemen.
Jules Rijssen, Teken en zie de wereld; Oorlogsveteranen in Suriname. Amsterdam: KIT Publishers/Jules Rijssen, 2012. 127 p., isbn 978 94 6022 172 9, prijs € 24,50.
[uit Oso 2012.2]

 

Stichting Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam presenteert: ‘Opdat wij niet vergeten’

In Kruithuis 1740 in het Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam is het nu nog stil. Maar over een paar dagen worden hier verhalen verteld: Surinamers, mannen én vrouwen, die in de Tweede Wereldoorlog als militaire vrijwilligers overzee gingen, delen hun herinneringen, in woorden en beelden, omlijst door voorwerpen.

Op vrijdag 10 augustus a.s. om 10:30 uur is het museumcafé van het Openluchtmuseum de ontmoetingsplek voor Surinaamse oorlogsveteranen. Dan wordt het boek Teken en zie de wereld gepresenteerd, een uitgave van KITPublishers. En de documentaire Opdat wij niet vergeten van Fawaka Creations beleeft zijn première. Beide producties omlijsten de openstelling van de expositie Opdat wij niet vergeten.

In 2011 schonk de Federatie van Oud-strijders en Ex-militairen in Suriname haar collectie aan de Stichting Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam (SOFNA). Voorwaarde voor de aanvaarding van de schenking was deze collectie in een permanente expositie te tonen. SOFNA accepteerde de schenking die bestaat uit foto’s en enkele voorwerpen: een slaapmatje, een kompas, lintjes, een legerjasje, een sabel. Er is meer, vertellen de heren Dest en Van Russel van de Federatie. Maar die soms zeer dierbare dingen liggen nog bij mensen thuis, of bij de weduwen of de kinderen. Het blijkt voor sommigen moeilijk te zijn om er afstand van te doen. Dat is te begrijpen, het zijn tastbare getuigenissen van een ingrijpende periode in het leven van de toen jonge Surinamers.

De expositie kreeg de titel: Opdat wij niet vergeten. En wie luistert naar de verhalen, begrijpt waarom. Voor de gelijknamige documentaire interviewde Dave Edhard van Fawaka Creations enkele veteranen over de keuzes die ze maakten en waarom, hoe de oorlog hun leven heeft veranderd. Wie de documentaire bekijkt, kan misschien een heel klein beetje invoelen wat oorlog met mensen doet. Daarom is het belangrijk om niet te vergeten.

Bij de herdenking van de oorlogslachtoffers op 4 mei 2012 had de voorzitter van de Federatie dhr. Fred van Russel, de eer het boek Teken en zie de wereld van de auteur Jules Rijssen te mogen overhandigen aan de oud-strijders en ex-militairen of aan hun familie, nog voor de officiële presentatie. In het boek staan 37 verhalen met foto’s, herinneringen van Surinaamse mannen en vrouwen die als vrijwilligers en dienstplichtigen werden uitgezonden overzee in de Tweede Wereldoorlog en in de Korea-oorlog. Wie waren die militaire vrijwilligers? Wat gebeurde er met hen op de slagvelden? Hoe heeft die oorlog hun jonge levens direct beïnvloed? Wie waren de Surinamers die in Nederland in het verzet gingen? Welk effect had de Koreaanse oorlog op die jongens die na hun Nederlands-Indië-ervaring voor nog een ‘tour’ bijtekenden? Hoe hebben de ervaringen het verloop van hun verdere leven beïnvloed?

Het boek is opgedragen aan alle Surinamers die niet terugkwamen van de oorlog. Op 4 mei jl. tijdens de herdenking bij het Monument voor de Gevallenen gaf de heer Van Russel aan dat herdenking alleen niet genoeg is. Er moet meer bekendheid en waardering komen voor wat de veteranen hebben gedaan in de oorlog. Een bezoek aan Kruithuis 1740 kan hieraan bijdragen en is dan ook een must.

[Dagblad Suriname, 7 augustus 2012]

Oorlogsveteranen van Suriname

Dat Suriname een belangrijke rol heeft gespeeld in WOII is evident. Zo leverde Suriname meer dan 60% van het bauxiet die als grondstof diende voor het vervaardigen van militaire vliegtuigen in de VS. Honderden jonge mannen én vrouwen gingen als vrijwilligers en dienstplichtigen het leger in. Bekend zijn de Surinaamse gunners, die dienst deden op de marine- en koopvaardijschepen van het KNSM. Daarnaast gingen er ongeveer 400 Surinaamse militairen (mannen en vrouwen) naar Oost-Indië om te vechten tegen de Japanners. Velen keerden niet terug van het slagveld in Nederlands-Indië of Europa. En niet te vergeten de Surinamers die hun leven in het verzet gaven en zij die vanwege hun joodse etniciteit niet terugkwamen uit de concentratiekampen. Enkele jaren later werden dezelfde militairen die na hun demobilisatie in 1946 waren afgekeurd opnieuw goedgekeurd en ingezet voor de VNmissie in Korea(1950-1953). Ook tijdens deze missie sneuvelden en raakten Surinamers gewond op het slagveld bij Pusan in Korea.

Over de inzet en de ervaringen van de Surinaamse militairen is helaas vrij weinig bekend. Wie waren die militaire vrijwilligers die over zee gingen? Wat gebeurde met die jonge jongens en meisjes die in het zuiden van Amerika (bijvoorbeeld Florida) werden geconfronteerd met segregatie? Wat gebeurde met hen op de slagvelden? Hoe heeft die oorlog hun jonge levens direct beïnvloed? Wie waren de Surinamers die In Nederland in het verzet gingen? Welk effect had de Koreaanse-oorlog op die jongens die na hun Nederlands-Indië ervaring voor nog een ‘tour’ bijtekenden? Hoe hebben de ervaringen het verloop van hun verdere leven beïnvloed?

Auteur: Jules Rijssen
ISBN 9789460221729
Pagina’s: 128 pagina’s
Prijs: € 24.50
Uitgever: KIT, Amsterdam

Het Koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog


Op 8 mei j.l. vond bij de vereniging Ons Suriname in Amsterdam een avond plaats over de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk gedurende de Tweede Wereldoorlog, naar aanleiding van het verschijnen van het boek van Esther Captain en Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee. Op de foto van links naar rechts Dorna van Rouveroy, Guno Jones, Esther Captain en interviewer Jules Rijssen. Foto @ Frank Consen.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter