blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: reggae

Poppe misdraagt zich op Carifesta-Podium

Paramaribo – De Surinaamse reggaeartiest, Simonia ‘Poppe’ Darson, heeft zondagavond het Carifesta-podium in Latour gebruikt om een vete die zij kennelijk met een ‘zusje’ zou hebben, te beslechten.

Poppe (Facebook)
Nadat zij enkele hits had laten horen en het publiek met zich mee had, gleed de topartiest af naar een laag niveau. Poppe besprak de seksuele behoefte van haar vijandin, die volgens haar onvoldoende werd bevredigd. Zij adviseerde ‘zusje’ vervolgens liever seks te hebben met een paard.
Vanuit het publiek waren er afkeurende reacties, terwijl anderen dit gedrag stimuleerden. De verantwoordelijken, die aanwezig waren, hebben de artiest haar gang laten gaan en zij heeft haar optreden normaal afgerond. “Den kill tak mi kan du mi sani.Ma feti un no mus fu feti”, gaf zij trots aan.
De organisatie zegt het gebeurde te betreuren. Publiciteitsman van Carifesta Latour Giovanny van Kust geeft aan dat de organisatie de artiest alsnog zal aanspreken over dit gedrag.
In Latour vonden zondag op twee plekken Carifesta-activiteiten plaats; op het voetbalveld aan de Latourweg en in het buurtcentrum Stibula. De activiteit op het veld trok veel jongeren. Naast Poppe hebben daar ondermeer Kolonel, Koyeba en Damaru opgetreden.
[uit de Ware Tijd, 20/08/2013]

Marley, Tosh en Wailer (2)

door Peter Meel

Valt Rita Marley samen met het beeld dat van haar bestaat als inhalige weduwe die de Marley mythe tegen elke prijs intact wenst te laten om het familiefortuin veilig te stellen? Of wordt haar daarmee onrecht gedaan en moet zij worden beschouwd als een vrouw die de erfenis van haar overleden man zo integer mogelijk probeert te beheren? Deze vragen bestrijken het domein van Marley’s afterlife Daarover valt veel te zeggen. In zijn biografie Catch a Fire had Timothy White meer dan honderd pagina’s nodig om de lezer een indruk te geven van de nalatenschap van zijn hoofdpersoon, de vervolgcarrières van Tosh en Wailer en de conflicten en rechtszaken waarin familieleden, componisten, managers en producers na Marley’s dood verwikkeld waren. Rondwandelend op 56 Hope Road ontkwam ik niet aan de indruk dat de erfgenamen uitstekend wisten hoe zij de naam en faam van Marley te gelde moesten maken. In de rij voor de kassa reageerden bezoekers vóór mij geschrokken nadat zij te horen hadden gekregen welk bedrag zij voor een toegangskaartje dienden neer te tellen. Ook de prijzen van Marley memorabilia en van consumpties in het Marley café logen er niet om.

56 Hope Road

 

Wie het Hope Road terrein betreedt, stuit als eerste op een levensgroot standbeeld van de reggaester, gitaar in de linkerhand, rechtervuist gebald in de lucht. Op het witgepleisterde voetstuk zijn schilderingen aangebracht van de I-Threes (Marley’s achtergrondzangeressen) en Haile Selassie. In hetzelfde omrasterde deel van het erf draaien twee stenen leeuwen waakzaam cirkels rond een bloemperk. Voor Marley’s lichtblauwe landrover is een plek onder een afdakje ingeruimd. Een bordje maant bezoekers zich te realiseren dat de wagen uit 1976 afkomstig is. Na het inspecteren van het terrein is het even wennen aan de jaren zeventig inrichting van de villa. De fantasieloze geometrie, het weinig comfortabele meubilair, de schrilheid van de kleuren, het straalt allemaal een ontnuchterende alledaagsheid uit. De geest van Marley valt er wel bij te bedenken – in de keuken, in de slaapkamer, in de opnamestudio – maar dat 56 Hope Road ooit een sprankelend trefpunt is geweest voor musici, vrienden, kunstenaars, handelaren, profiteurs en meelopers is wat lastiger voor te stellen. Bij het verlaten van het complex had ik er geen spijt van het bedevaartsoord te hebben bezocht. Tegelijk kon ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat ik behalve mijzelf toch vooral de portemonnee van de familie Marley een dienst had bewezen.

Muurschildering van Bob Marley en zijn zonen bij het museum

 

 

Wat lag er precies ten grondslag aan de breuk tussen Marley, Tosh en Wailer en hoe moet de rol van producer Chris Blackwell daarbij worden geduid? De documentaire vertelt het volgende verhaal. Na het maken van Catch a fire – het eerste album dat de Wailers met Blackwell maakten – vertrok de groep naar Engeland en de VS om hun muziek te promoten. Na verloop van tijd kwamen Marley, Tosh en Wailer erachter dat deze concerten de groep geen inkomsten opleverden. Voor Bunny Wailer was daarmee de maat vol. Hij hield niet van toeren en voelde zich slecht opgewassen tegen het Britse klimaat. Nu zijn inspanningen bovendien financieel niet werden beloond, besloot hij na beëindiging van de optredens in Engeland terug te keren naar Jamaica. Peter Tosh verliet de band na de Amerikaanse tournee. In een interview waarin hij terugkeek op het uiteenvallen van The Wailers stak hij de beschuldigende vinger uit naar Blackwell. Naar zijn zeggen had Blackwell de groepsleden als amateurs behandeld en geen recht gedaan aan hun talenten. Zij werden volgens Tosh de erkenning en het respect onthouden waar zij recht op hadden. Op de achtergrond speelden ras- en klassenverschillen. Blackwell was wit, kwam uit een welgestelde familie en had de naam een gewiekst zakenman te zijn. Hem stond als eigenaar van Island Records een commercieel doel voor ogen. Hij was ervan overtuigd dat wilde de groep kunnen doorbreken in Engeland en de VS de muziek aan de smaak van het grote publiek diende te worden aangepast. Om die reden bevatte Catch a fire veel overdubs en was de assistentie ingeroepen van enkele sessiemuzikanten. Blackwell en andere geïnterviewden in de documentaire stellen dat de breuk terug te voeren is op verschillen in houding. Marley streefde succes na en stelde zich om die reden tamelijk meegaand op. Wailer en Tosh waren militanter en veel minder geneigd tot het sluiten van compromissen.

In het vorig jaar verschenen The Natural Mystics biedt Colin Grant aanvullende verklaringen voor het einde van de Wailers. In deze elegant geschreven karakterstudie maakt Grant inzichtelijk dat Marley, Tosh en Wailer veel met elkaar gemeen hadden. Opgegroeid in kommervolle omstandigheden op het platteland – Marley en Tosh zonder vader en Wailer met een zeer autoritaire vader – waren zij erop gebrand om in Kingston voor het grote succes te gaan. Het leven in Trenchtown maakte hen streetwiseen leerde hen behalve hun mond ook hun vuisten te gebruiken wanneer dit nodig was. De band die het drietal formeerde, kende geen leider. Wederzijds vertrouwen en gedeelde ambities waren het fundament waarop hun activiteiten rustten. Na een flirt met een rude boy-achtige leef- en muziekstijl zouden Marley, Tosh en Wailer vanaf de middenjaren zestig geleidelijk overgaan tot het Rastafari geloof. Aanvankelijk voelden zij zich vooral aangetrokken door de ermee verbonden vrijheid en gemakkelijke toegang tot ganja. Geleidelijk gaven meer levensbeschouwelijke redenen de doorslag. Dat zij alle drie sterke persoonlijkheden waren die, als het erop aankwam, niet voor elkaar wilden onder doen, bleek toen zij, naast hun werk voor de band, ieder afzonderlijk een platenlabel begonnen.

Vanaf het moment dat The Wailers met de muziekindustrie in aanraking kwamen, stonden de verhoudingen binnen de groep onder spanning. Marley werd door studiobazen en producenten niet alleen gezien als frontman, maar ook als natuurlijke leider van de groep, tot ongenoegen van de twee anderen. Die weigerden te erkennen dat Marley van de drie de beste zanger was, de meest aansprekende liedjes schreef, de meest innemende uitstraling had en het gemakkelijkst communiceerde met de pers. Hij was geen koekje en in zelfbewustzijn en assertiviteit zeker de gelijke van de anderen, maar in de omgang minder uitgesproken en rebels dan Tosh en minder introvert en ontvlambaar dan Wailer. Tosh deed in 1968 in de voorste linies mee aan de Walter Rodney rellen en zou in 1978 tijdens het One Love Peace concert niet als Marley politieke tegenstanders met elkaar proberen te verzoenen. In plaats daarvan blies hij de aanwezige Michael Manley en diens politieke rivaal, JLP-leider Edward Seaga, provocerend marihuanarook in hun gezicht en pleitte hij met kracht voor het legaliseren van cannabis. Hoezo vrede? ‘Peace is the diploma you get at the cemetery.’ Wanneer het hem teveel werd, liet ook Wailer zich niet onbetuigd. Het gebruik van fysiek geweld tegen malafide producenten was volgens hem onder bepaalde omstandigheden geoorloofd. Wailer ontstak in woede toen Marley een relatie begon met de lichtgekleurde actrice, fotografe en model Esther Anderson, een daad die hij beschouwde als verraad aan de zwarte onderklasse waartoe het drietal naar zijn zeggen behoorde. Naarmate hij ouder werd, trok Wailer zich voor steeds langere perioden terug in zijn eenvoudige buitenverblijf, waar hij trouw aan de Rastafari filosofie en in harmonie met de hem omringende natuur probeerde te leven.

 

Zoals Grant overtuigend laat zien, was Marley behalve de meest getalenteerde en sociaal vaardige ook de meest gedisciplineerde van de drie. Hij was geconcentreerd bezig met componeren, opnemen en spelen, sliep weinig en liet zich in alles kennen als een competitief ingesteld man. Het maakt eens te meer begrijpelijk waarom Blackwell zijn kaarten op Marley zette. Na het verschijnen van het Burnin’ album veranderde Blackwell de bandnaam in Bob Marley and the Wailers. Daarmee speelde hij de vrienden definitief uit elkaar. Volgens Tosh koos Blackwell voor Marley vanwege diens lichte huidskleur met de bedoeling hem als cross-over-artiest bij een mainstream publiek in de smaak te laten vallen. Zijn conclusie: Marley liet zich door een gehaaide kapitalist uit Babylon overhalen om zijn zwarte broeders in de steek te laten voor eigen gewin. Met bitterheid herinnerde Tosh zich dat uitgerekend híj Marley gitaar had leren spelen. Hij stelde vast dat zijn inspanningen hem uiteindelijk alleen maar van zijn vriend hadden vervreemd.


Met Tosh zou het niet lang na Marley’s overlijden dramatisch aflopen. In 1987 werd hij in zijn huis bij een gewapende overval bruut om het leven gebracht. Wailer treedt sporadisch nog op, maar mijdt de publiciteit. De betekenis van beide musici wordt alom erkend, maar hun reputatie wordt nog altijd overschaduwd door die van Marley. Zíjn liedjes spreken onverminderd een breed publiek aan, zijn onderwerp van studie en worden bij uiteenlopende gelegenheden gespeeld. Als global brand laat Marley in termen van omzet en impact vele artiesten achter zich. Een documentaire over het naleven van Marley, kan Kevin Macdonald het op zich nemen die ook te maken?

Marley, Tosh en Wailer (1)

door Peter Meel

 

Marley, de bejubelde documentaire over reggaelegende Bob Marley, is inderdaad een indrukwekkende film. Vooral de eerste helft van dit muzikale portret, over de jaren vóór de internationale doorbraak, geven een meeslepend beeld van de moeizame carrièrestart van Bob Marley, Peter Tosh en Bunny Wailer. De drie vrienden verruilden in de jaren vijftig het Jamaicaanse platteland voor Kingston, vastbesloten om het in de stad te gaan maken. Met wisselend succes traden zij op, brachten zij nummers uit en hielden zij zich staande in de jungle van de lokale muziekindustrie. Simmer down, de eerste single van hun groep The Wailers, haalde in 1964 de top van de hitparade. Veel wijzer werden zij niet van hun gestaag groeiende populariteit. Inkomsten uit hun platenverkoop verdwenen in de zakken van louche studiobazen en producers. Ook de opbrengsten uit optredens waren te gering om de armoede van Trenchtown te kunnen ontvluchten. Volgens Marley bood het westelijk deel van Kingston in de jaren zestig maar één troost: er borrelden creatieve muzikale ideeën op.
In de documentaire zijn overgeleverde fragmenten uit interviews met Marley verwerkt en worden veel intimi aan het woord gelaten. Tot deze groep behoren Bunny Wailer (die ook als associate producer optreedt), Marley’s vrouw Rita, zijn moeder Cedella Booker en vrienden, vriendinnen en kinderen van Marley. Zij laten zich op een openhartige wijze over de reggaester uit. Dat doen ook muzikanten, managers en producers met wie Marley samenwerkte. Daarnaast hebben veel historische opnamen in de film een plaats gekregen (het bezoek van Haile Selassie aan Jamaica in 1966, Marley’s optreden tijdens het One Love Peace concert in 1978, Marley’s bezoeken aan Gabon en Zimbabwe) en is er op locatie gefilmd. Er zijn beelden van zijn geboortedorp Nine Miles, van Trenchtown en van 56 Hope Road, Marley’s villa in uptown Kingston waar hij vanaf de middenjaren zeventig woonde en dat tegenwoordig als museum dienst doet. En natuurlijk ontbreken de zinderende concertfragmenten niet en duiken er af en toe minder bekende opnamen van beroemde nummers op (waaronder een gospeluitvoering van No woman, no cry met Peter Tosh op piano).
Een terugkerend aspect in de film is Marley’s gemengde afkomst. Als zoon van een blanke vader (een Engelsman over wie weinig bekend is en die hij nooit zou leren kennen) en een zwarte moeder (die toen hij zeventien jaar oud was naar de VS emigreerde) was hij in de raciaal gestratificeerde samenleving een buitenstaander. Hij werd geplaagd met zijn lichte huidskleur, maar vaker nog afgewezen. Zelf zei hij er over: ‘Ik sta niet aan de kant van de zwarten. Ik sta niet aan de kant van de witten. Ik sta aan de kant van God. De man die mij uit zwart en wit gecreëerd heeft.’ Zijn bekering tot het Rastafari geloof was volgens mensen in zijn directe omgeving een bevrijding. Hij zou in Ras Tafari (de als God vereerde Ethiopische keizer Haile Selassie) de vader hebben gevonden die hij een leven lang had gezocht. Volgens Rita Marley was haar man vanaf dat moment niet langer gemengd, maar zwart en Afrikaan. In 1970 zou Marley in het liedje Corner Stone die omslag pakkend onder woorden brengen. De steen die de bouwer verwierp, was een hoeksteen geworden.

 

Zijn gemengde afkomst en geloof zouden een doorslaggevende rol spelen toen in 1977 werd vastgesteld dat Marley een melanoom aan de grote teen van zijn rechtervoet had. Amputatie was volgens artsen geboden om de huidkanker effectief te kunnen bestrijden. ‘Zijn blanke genen waren de oorzaak van zijn melanoom, niet zijn zwarte genen’, merkt Rita Marley in de documentaire gedecideerd op. De behandelende geneesheren kregen van de Marley’s geen toestemming om de noodzakelijke medische ingrepen te verrichten. Volgens Rastafarians is het lichaam een tempel van Jah en mag de integriteit ervan niet worden geschonden. De verwaarlozing van zijn ziekte en de ontoereikende behandeling die erop volgde, zouden in 1981 leiden tot Marley’s vroegtijdige dood. Een half jaar vóór zijn overlijden had hij zich laten dopen in de Ethiopisch Orthoxe Kerk. Voor de toetreding tot deze gemeente wordt in de documentaire geen verklaring gegeven. Bij het organiseren van Marley’s staatsbegrafenis werd er wel rekening mee gehouden. De plechtigheid bevatte verwijzingen naar het christendom èn het Rastafari geloof.
Regisseur Kevin Macdonald lijkt zich te hebben voorgenomen alle hoogtepunten uit het leven van Marley in de documentaire voorbij te laten komen. Dit gaat onvermijdelijk ten koste van de verdieping, ook bij een filmlengte van bijna tweeënhalf uur. Controle van de kant van de familie Marley en producer Chris Blackwell zal eveneens van invloed zijn geweest op de vluchtige behandeling die een aantal zaken ten deel is gevallen. Blackwell en zoon Ziggy Marley treden op als uitvoerend producent en hebben zich kennelijk op voorhand tegen al te veel reuring willen indekken. Kijkers die het naadje van de kous willen weten, zullen dat als een gemis ervaren. Een voorbeeld.

 

Wie zat er in 1976 achter de moordaanslag op Bob Marley? In een in de film gemonteerd interviewfragment weigert de zanger/musicus hierop een rechtstreeks antwoord te geven. Hij wijst ‘de duivel’ als dader aan, maar – zo voegt hij eraan toe – ‘God beschermt je’, verwijzend naar de omstandigheid dat hij de aanslag op 56 Hope Road overleefde. Andere geïnterviewden laten weten dat de regering van Michael Manley de reggaelegende had gestrikt voor het geven van een gratis concert en kort daarna bekend maakte dat er diezelfde maand verkiezingen zouden plaatsvinden. Had Marley dit van tevoren geweten dan had hij nooit in een overeenkomst met de regering ingestemd. Want nu laadde hij onbedoeld de verdenking op zich dat hij Manley en zijn PNP politiek steunde. De aanslag – waarbij Bob en Rita Marley en familievriend Lewis Griffith licht gewond raakten en manager Don Taylor zware kwetsuren opliep waarvan hij als door een wonder herstelde – was voor Marley geen reden het concert af te gelasten. Maar na het optreden nam hij een radicaal besluit. Teleurgesteld door het aanhoudende politieke geweld in zijn land vertrok hij naar Engeland. Daar verbleef hij gedurende achttien maanden in vrijwillige ballingschap.Er zijn aanwijzingen dat politieke tegenstanders van Manley, verbonden met de JLP, achter de aanslag op Marley zaten, maar dit is nooit bewezen. De gids die ik er in 2008 tijdens een rondleiding op 56 Hope Road naar vroeg, weigerde erop in te gaan. Eerder had hij nog bevlogen verslag gedaan van de beschieting van de ruimte waar Marley en de zijnen voor het concert aan het repeteren waren geweest. Nu vroeg hij als bij toverslag aandacht voor de blender in de keuken van de reggaekoning. Was Marley naïef geweest door met Manley in zee te gaan? Had hij onvoldoende beseft dat die link (ongeacht of er verkiezingen in aantocht waren) hem verdacht maakte in de ogen van diens opponenten? Hoe serieus moeten wij Marley’s tegenwerping nemen dat hij met geen van de twee partijen sympathiseerde, dat hij politiek geweld verafschuwde en dat hij als toegewijd Rastafarian geen enkel vertrouwen had in de politiekvoering in Babylon? Manager Don Taylor zou in 1987 tijdens een rechtszaak in New York verklaren dat de aanslag behalve een politieke ook een zakelijke achtergrond had. Marley werd er volgens hem van verdacht met de winst van gemanipuleerde paardenraces vandoor te zijn gegaan. Bovendien was hij verwikkeld in een conflict over de rechten op een aantal van zijn liedjes. Taylor – die tussen 1974 en 1979 van Marley een man in bonus maakte – liet weten dat de zeven schutters ‘door onze vrienden in het getto’ waren berecht en uit de weg geruimd. Justitie was er niet aan te pas gekomen. Sprak Taylor de waarheid? Bekend om zijn grootspraak en in 1979 op beschuldiging van bedrog door Marley aan de kant gezet als manager, kan hij redenen hebben gehad om zaken op te blazen en de rol van Marley een hem welgevallige invulling te geven. Maar zeker weten doen we het niet.

Jah

 

Hoe ging Rita Marley om met de vrije seksuele moraal van haar man? In de documentaire is de reactie van de echtgenote soeverein. Zij was naar eigen zeggen niet alleen de eerste onder zijn vrouwen, zij was de status van vrouw ontstegen en zijn beschermengel geworden. Hun huwelijk draaide niet zozeer om de instandhouding van een persoonlijke relatie, maar diende een hoger doel: mensen inspireren met de bedoeling hen dichter bij Jah te brengen. Zoveel onbaatzuchtigheid kunnen de geïnterviewde kinderen niet opbrengen. Een van hen laat met veel gevoel voor understatement weten: ‘Bob Marley was geen overbezorgde vader.’ Als hij er al was, dan ging hij in de beleving van zijn zonen en dochters tamelijk ruw met hen om. Hij daagde hen uit voor een partijtje hardlopen of voetbal, maar vermeed intiem contact. De documentaire houdt het erop dat Marley elf kinderen bij zeven verschillende vrouwen verwekte. Gelet op wat andere bronnen melden, is dat een conservatieve schatting. Volgens de geïnterviewden lag voor vrouwen de aantrekkingskracht van Marley in zijn verlegenheid. Vrouwen kwamen naar hem toe, hij hoefde hen niet het hof te maken. Er zijn fragmenten in de film die dit weerspreken.[vervolg: klik hier]

General D pleegt plagiaat

door Steven Seedo

Paramaribo – De Frans-Guyanese artiest met Surinaamse roots General D heeft met zijn nieuwe single Ay Na Yu plagiaat gepleegd. Volgens gospelzangerenrapper-Epee is het oorspronkelijk zijn lied. Het nummer zou gejat zijn van het album Hopo da Hemel dat in 2009 uitkwam. “Er is bijna niets veranderd aan het lied. De melodie is nog hetzelfde alleen de tekst is een beetje veranderd”, reageert Epee.

“Ik heb heel veel telefoontjes van mensen gekregen die het hebben opgemerkt. De meeste bellers denken dat het mijn lied is”, vervolgt hij. De gospelrapper zegt geen juridische stappen te zullen ondernemen. Hij zoekt eerst het pad van onderhandeling. Ondertussen vernemen we dat Epee en General D al on speaking terms zijn. General D – die eigenlijk Danny Alasa heet – lanceerde een week geleden tijdens een korte promotietour in Suriname Ay Na Yu die hij samen opnam met de Jamaicaanse reggaeartiest Turbulence . Van het nummer is ook een videoclip op de lokale tv-zenders te zien. General D ziet de lancering van Ay Na Yu in Suriname als een eerste stap naar meer naamsbekendheid. Het nummer is door de media op Jamaica al goed ontvangen.

[uit de Ware Tijd, 17/01/2012]

Wycliffe Smith (pon di riddim)

Hieronder (zie link) mijn verwerking van een gedicht van de in 1948 op Saba geboren Wycliffe Smith (foto rechts). Het betreft het gedicht ‘I died’. Dit gedicht is gepubliceerd in de gedichtenbundel A voice from W-inward (1976) waarmee Smith debuteerde.

Het gedicht ‘I died’ sprak mij in deze bundel het meeste aan, hoewel er ook andere lezenswaardige in staan. De schoonheid (of kracht) van het gedicht ‘I died’ zit naar mijn mening in de dramatiek ervan, en de interessante vermenging van Caraïbische, zwarte en persoonlijke geschiedenis die het lijkt te verwoorden.

Ik heb er een song van gemaakt – door mezelf gezongen – op een Jamaicaans reggae “riddim” (instrumental), en heb ter vorming van een refrein wat Rastafari-verwijzingen toegevoegd, welke ik wel in lijn vond met de algehele strekking van het gedicht.

Het Jamaicaanse riddim waarop ik zing is het “viool-rijke” Nylon riddim, o.m. succesvol op gezongen door bekende Jamaicaanse artiesten/vocalisten Sizzla (song ‘Chilling In Chile’) en Busy Signal (song ‘Trading Places’). Deze nummers zijn vanuit muzikaal/vocaal oogpunt waarschijnlijk interessanter of beter dan mijn song erop – ik erken het -, met name het catchy ‘Chilling In Chile’ van Sizzla (hoewel Busy Signal’s ‘Trading Places’ tekstueel ook interessant is). Het ging er mij echter vooral om het gedicht ‘I died’ meer exposure te geven, via een andere Caraïbische (Jamaicaanse reggae) connectie die mij wel leuk leek.

In de dia-video zijn (recente) foto’s van Wycliffe Smith en Saba te zien en in de Info staat de gehele tekst (en dus het gedicht)

Klik hier

Europese première van Bad Friday: Rastafari after Coral Gardens

Ter nagedachtenis van de 67ste geboortedag van Bob Marley, presenteert Caribbean Creativity, in samenwerking met Each One Teach One, de vijfde editie van Rootical Vibrations op vrijdag 10 februari. Het evenement vindt plaats in Studio/K en bestaat uit de Europese première van de aangrijpende documentaire Bad Friday: Rastafari after Coral Gardens en een Roots Reggae afterparty met The Skankin’ Monks en Drunken Lion Sound System.

Bad Friday is een nieuwe documentaire die zich richt op een Rastafari-gemeenschap in westelijk Jamaica die elk jaar het Coral Gardens-incident herdenkt. Dit incident vond net na de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962 plaats, toen de Jamaicaanse overheid honderden Rasta’s arresteerde, gevangen zette en martelde. De film documenteert de schokkende geschiedenis van geweld tegen Rasta’s in Jamaica door de ogen van de meest iconische Rastafari-gemeenschap en laat zien hoe mensen herinneringen van traumatische gebeurtenissen gebruiken om nieuwe mogelijkheden voor een gezamenlijke toekomst te creëren.

De vertoning van Bad Friday wordt gevolgd door een Q&A met de filmmakers, Deborah A. Thomas and Junior “Gabu” Wedderburn, die speciaal voor de Europese première naar Amsterdam afreizen. Na afloop, rond 22.30 uur, gaat de avond en nacht (tot 3 uur!) door met een Roots Reggae afterparty met een optreden van de Amsterdamse reggaeband The Skankin’ Monks en de groovy DJ’s van Drunken Lion Sound System.

De vijfde editie van Rootical Vibrations, getiteld “Rasta Struggles”, wordt gehouden ter nagedachtenis van Bob Marley’s 67e geboortedag (6 februari 1945). De muziek van Bob Marley bracht de Rastafari-beweging internationale bekendheid. Zijn reggae zorgde voor wereldwijde (h)erkenning van Rastafari in een periode dat Rasta’s in Jamaica nog steeds werden geteisterd door aanvallen en vervolgingen van de Jamaicaanse overheid.

Datum: Vrijdag 10 februari 2012
Tijd: 20.30-03.00 uur
Locatie: Studio/K (Timorplein 62), Amsterdam
Prijs: €12,50 (film + afterparty), €5,00 (afterparty only)
Reserveringen: 020 6840090 (kassa Studio/K)
RSVP: www.facebook.com/caribbeancreativity
Meer info: www.caribbeancreativity.nl

Dear Dad, a book by Ky-Mani Marley

Howard Campbell spoke to Ky-Mani Marley about his new biography, Dear Dad, for the Jamaica Gleaner. Here are some excerpts, with the link to the complete article below.

Although he is the son of music royalty, Ky-Mani Marley says life has not always been a bed of roses. The 33-year-old singer/actor tells his story in Dear Dad, his autobiography to be released February 6, just in time to celebrate his father’s birthday.

Marley is best known for minor hit songs like Dear Dad and Warriors and roles in movies such as One Love, as well as starring in a hit reality show on Black Entertainment Television (BET). But he says his childhood was difficult, even though his father was reggae superstar Bob Marley.

“I’ve lived a life many cannot imagine. Many people don’t even know half the things I’ve been through,” Marley told The Sunday Gleaner.

In Dear Dad, he revisits those years of strife. He said he lived with his mother Anita Belnavis in a two-bedroom board house in her hometown of Falmouth, Trelawny, where he was born. Belnavis was a leading table tennis player in the Caribbean in the 1970s, and one of several women with whom Bob Marley had children outside of marriage.

Marley said things did not improve after he and his mother moved to Miami, Florida, when he was nine years old. They lived in the tough, crime-prone community of Liberty City, scene of many riots during the 1980s. “That was another two-bedroom house worse than where we were living in Jamaica,” he said.

Life changed for the better in 1994, 13 years after his father’s death from cancer at age 36. He gained a considerable financial settlement from the Marley estate, which, among other things, provided for Bob’s ‘outside’ children. “I can tell you that that was a big relief for me, my mother, my auntie. We were living on nothing, really,” Marley recalled.

He also comments on his relationship with his father’s wife, Rita, and her children for Marley but stays clear of sensationalism.http://www.blogger.com/img/blank.gif

“I tell the truth; I’m not stepping on toes to create conflict. But I tell no lies,” he said.

Dear Dad, which will be distributed in five languages, was done with the assistance of a professional writer. It will be released in association with Dr Farrah Gray, the influential African-American empowerment guru who lives in Las Vegas, on what would have been Bob Marley’s 65th birthday.

Several Marley biographies have been written since the singer’s death.

For more click here

Reggae-star Harry Mo op 8ste editie Rastaplas

Zoetermeer maakt zich op voor de 8ste editie van het reggaefestival Rastaplas op 30 juli. De absolute headliner dit jaar is roots reggae-vocalist Harry Mo (Maagdeneilanden), die op Rastaplas aan zijn langverwachte eerste Europese tournee begint. Het onderstreept de status van Rastaplas: het is langzaamaan uitgegroeid tot een van de grootste openluchtreggaefestivals van Nederland. Uitgangspunt blijft echter dat Rastaplas voor alles een gezellig, laagdrempelig familiefeest moet blijven.

Rastaplas is er uiteraard trots op dat Harry Mo (foto rechts) zijn Europese debuut onder eigen naam op dit sfeervolle festival aan de Noord AA maakt. Er is een strand, zwemwater, een bosrijke omgeving, en dus ook de aansprekende roots reggae van Harry Mo, die diepe indruk maakte met de albums Runaway Slave en Back To Africa.

Mo leerde spelen op het eiland Dominica. Instrumenten worden hier eigenhandig gemaakt, en de sound in dit eiland waar nog geen elektriciteit is aangelegd, is Afrikaans georiënteerd. Mo bouwde stapje voor stapje aan zijn carrière. Als geluidstechnicus en vervolgens backing vocalist/toetsenist reisde hij met de L.A.-reggaestar Boom Shaka overal ter wereld op.

Andere artiesten op het hoofdpodium zijn Star David (roots reggae uit Rotterdam), Wahwahsda (winnaar van Benelux Reggae Contest) en de talentvolle jonge Amsterdamse zangeres Leah Rosier. Al met al een uitgebalanceerde line-up met een topartiest en aankomende talenten.

In de Dub Area is het podium voor verschillende sound sistems, waaronder de Belgische sensatie Dub Front Association en Crucial Warrior Sound. Vinylfreaks rael, Jan en Serge komen met gasten obscure tracks en persoonlijke favorieten draaien. Veelal roots reggae, maar ook early dance hall, zo valt te verwachten.

Naast de muziek, is er een kleurrijke RastaMarket, boordevol kraampjes, w.o. gezellige eetgelegenheden. Voor de kinderen is er een springkussen, er kan worden gevoetbald, en bij mooi weer is er het traditionele strandvertier aan de Noord AA. Door het wegvallen van verschillende sponsors, moet dit jaar helaas een bescheiden toegangsprijs (€10,-) worden gevraagd. Kinderen tot 12 jaar hebben gratis toegang.

Rastaplas vindt dit jaar voor het eerst op zaterdag plaats, zodat de concerten twee uur langer door gaan (tot middernacht). Dit is ook prettig voor de vele buitenlandse bezoekers: circa 70% van de bezoekers komt van buiten Zuid-Holland, met opvallend veel bezoekers uit België. Bij mooi weer worden 3.000 bezoekers verwacht.

Rastaplas: 30 juli. Toegang: €10,-. Aanvang festival: 13:00 uur. Einde 24:00 uur. Kinderen tot 12 jaar gratis entree. Locatie: Recreatiegebied Noord AA, Kooienswater 1, 2715AD Zoetermeer. Programma-informatie www.rastaplas.nl

Zanger Buju Banton veroordeeld tot gevangenisstraf

Buju Banton, de Jamaicaanse zanger die eerder dit jaar nog een Grammy ontving voor zijn album Before the Dawn is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens zijn rol in het opzetten van een cocaïnedeal in 2009.The rechtbank van Tampa legde de zanger, die in het echt Mark Myrie heet, ook vijf jaar reclassering op na zijn gevangenisstraf.

Banton heeft altijd gezegd dat hij alleen maar heeft opgeschept over de deal. Hij zou nooit geld erin hebben gestopt of ervan hebben geprofiteerd. Het bewijsmateriaal, nodig om hem te kunnen veroordelen, bestond voornamelijk uit video- en audio opnames. Een informant ontving hiervoor 50.000 euro.

In februari werd Banton veroordeeld voor samenzwering voor het bezit van cocaïne met de intentie tot het verspreiden ervan, drugs dealen en wapenbezit. Hij werd toen vrijgesproken voor een vierde aanklacht voor drugsbezit. Dit was overigens de tweede keer dat Banton voor de rechtbank verscheen. In september vorig jaar kreeg de rechtbank het niet voor elkaar om hem te veroordelen.

 

[Bron : LAChispa/BBC]

Reggae biography time

by Michel Conci

Several biographies have appeared on Bob Marley by now. The recent work titled ‘I & I : the Natural Mystics: Marley, Tosh and Wailer’ (2011) by Colin Grant, is partly another one, moving thus on a well-trodden path. Yet it is more than that, and is more original.
Actually, it’s a biograhy of the Wailers, all three original Wailers: including Bunny Wailer and Peter Tosh – to an equal degree – elaborating on the developing relationships between Bunny, Bob and Peter, as well as of these three with other influential persons in Jamaican music and society, such as studio owner Coxsone Dodd, Rasta ”leader” Mortimmo Planno, Joe Higgs, Chris Blackwell and others.

Thus, you get the combined life stories of the three original Wailers who met in the ghetto of Trench Town in Kingston, Jamaica, up to international stardom of Bob and later careers (and lives) of Peter and Bunny. The author, Colin Grant, knows how to write. He has the ability to write engagingly, humourously and at the same time educationally. I noticed this already with one of my favourite books, also by Grant: ‘Negro With a Hat : Rise and Fall of Marcus Garvey’ (2008), a biography of Marcus Garvey.

A difference with the book on Garvey is that in ‘I & I’ Grant interchanges information and stories on the Wailers’ lives with his personal travel experiences in Jamaica. A great skill of Grant is further the way he elucidates the essence of human relationships, in such a way that all dilemmas and complexities of human beings come to the fore in an insightful manner. Jah knows that all three Wailers are/were interesting, strong personalities.

He furthermore places these personal stories in the context of Jamaican history, culture, and Rastafari’s development in Jamaica, including in Trench Town. Rastafari is mostly discussed socially and less spiritually. How the three Wailers “converted” to Rastafari gets attention, but less why. That is a criticism I can give to an otherwise outstanding work.
Bunny Wailer’s and Peter Tosh’s fathers were both ministers of local (Protestant Christian) churches, and were generally raised in a Christian context, as was Bob Marley. The social dilemmas of turning Rasta in conservative Jamaican society are well-described in the book. Rastas were often seen as undesirable outcasts, made to pay social prices for their alternative, rebellious thinking and way of life.

There are thus various threads in this work, skilfully intertwined and combined by Grant, and based on various sources, biographical, press, archival, strictly scholarly etcetera.

(video underneath:on Bob Marley from 21:45, interview with Colin Grant on book from 25:35)
Link: http://www.voxafrica.co.uk/vod/videos/&v=0_ep0hsmyc&p=
video platformvideo managementvideo solutionsvideo player

Especially on Bunny Wailer’s and Peter Tosh’s lives and backgrounds not much is widely known. The information on Bob Marley is more known to more experienced “reggae readers”, but is presented from another perspective.

I considered the most interesting parts the Wailers’ dealings with producers, such as Coxsone Dodd, the depictions of ghetto life in Trench Town around the 1960s, as well as the added background knowledge on Jamaican history and on cultural and social customs, such as the value placed on having many children or several women. Information on or anekdotes illustrating Bunny’s, Peter’s, or Bob’s personal character, attitude or temperament are very interesting to read as well, as are Grant’s memoirs while travelling. How growing up in the ghetto necessarily “roughened” the characters of the Wailers becomes clear, as do influences from other life experiences, such as gaol time for Bunny Wailer (accused of ganja possession).

Rastafari reference in Trench Town, which I visited in 2008. Not far (around the corner) was the “yard” where Bob Marley lived

A well-written and insightful work that may be interesting for Marley “novices”, but also for those who know already more about the Wailers and reggae history.

Still, on a sidenote, a thought repeatedly came in my head, while and after reading this work: it is time for a biography on other “icons” of Jamaican musical history, equally well-written and insightful. I mean, more scholarly, and not superficial biographies. The names Dennis Brown, Gregory Isaacs, Joseph Hill of Culture, Mikey Dread, Lucky Dube, Alton Ellis, Yabbi You, Sugar Minott, Coxsone Dodd, I Roy, Garnett Silk, Augustus Pablo, Hugh Mundell, Jacob Miller, Junior Delgado – all unfortunately no longer among us – come to my mind.

The lack (largely) thereof may be explained by commercial/marketing reasons, problematic often also in academic circles. A market beyond (albeit international) reggae enthusiasts for a more thorough biography on, say, Mikey Dread or Hugh Mundell, should maybe not be exaggerated, but it’s the loss of that wider public. Jah knows that their lives in themselves are surely interesting and multidimensional enough for an insightful elaboration. Even, I think, for a monography/book and not just a shorter article. At least a combined biography (like Grant’s book) seems an option.

The sudden (natural and unnatural) deaths of many of these illustrate issues of their lives. In general, – as one of the world’s sad truths – the poor and hard-working die younger. Drugs (cocaine) or other habits may furthermore exert influence. The causes of these artists’ mostly premature deaths ranged from cancer, other, suddenly fatal diseases (cardiovascular, lung-related or otherwise), as well as car accidents (Jacob Miller) or being shot (Hugh Mundell and Lucky Dube). One’s death often – though not always – says something about one’s life, while on the other hand these artists “live on I-tinually”, such as through their music. Well worth biographies!

Several of these deceased artists I mentioned grew up in Kingston ghettoes (Trench Town or other), though there are variations. Joseph Hill came from outside Kingston (Linstead, near Spanish Town I believe), Mikey Dread also (from Portland), while Augustus Pablo had exceptional middle-class ties and an equally exceptional Indian background. How they started in music, their developing career, how they grew up, family and other social relations, personal beliefs: all interesting.

Still, the biggest, international name of reggae remains Bob Marley, that is a fact also in 2011. The biggest and therefore most “marketable” name.
At the very least Colin Grant’s book, by discussing e.g. also Bunny Wailer’s and Peter Tosh’s post-Wailers work, treats Marley in a broader reggae and social context than other biographical works on Bob, adding to its quality, and, perhaps, necessity. Recommendable.

I & I : the Natural Mystics: Marley, Tosh and Wailer: Colin Grant . – 305 p. – London : Jonathan Cape, 2011. ISBN: 9780224086080

(ook gepubliceerd op http://michelconci.blogspot.com)

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter