blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Porter Nicolaas

Creool, Marron, Afro-Surinamer

Beeld: Edward Wong Loi Sing  
door Nikki Mulder
In Guyana is het gemakkelijk: iedereen met Afrikaanse roots is African/Black of gemengd. In Suriname is de volkstelling echter aanleiding voor behoorlijk wat discussies over zwart, zwarter, zwartst. Stadscreool, plantageneger, busnengre: het zijn allemaal woorden die uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. Of toch niet?
“Carl Breeveld en Ronnie Brunswijk zijn gewoon twee negers, ongeacht of de één nou beter geschoold is dan de ander of er bepaalde tradities op nahoudt.” In een ingezonden stuk inde Ware Tijd van 12 september stelt Irwin Maatrijk resoluut dat we moeten ophouden met het indelen van de Afro-Surinaamse bevolking. Volgens hem is het koloniaal om onderscheid te maken tussen Creolen en Marrons. Wat er toe doet, zijn je Afrikaanse wortels.
Zijn opiniestuk is een stevig pleidooi voor het aanpassen van een gedateerde administratie. Maar ‘Creool’ en ‘Marron’ zijn hoewel niet onbetwist ingeburgerde identiteiten. “Etniciteit geeft aan hoe personen zichzelf zien en hoe ze zich voelen”, zegt Iwan Sno, de directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS). Het heeft daarom minder te maken met vaststaande kenmerken en meer met cultuur, taal en de betekenis die je er zelf aan geeft. Dat maakt etniciteit veranderlijk en wankel, maar niet minder emotioneel beladen.
Blanke Creool
Sno herinnert zich bijvoorbeeld een voorval uit de vorige telling in 2004. “Een blanke man, een geboren en getogen Surinamer, gaf ‘creool’ op als etniciteit.” Niet zo gek met de woordenboekdefinitie van ‘creool’ in het achterhoofd: een afstammeling van Europeanen in Latijns-Amerika of het Caribisch Gebied. “Maar die veldwerker dacht waarschijnlijk: ‘Je bent niet goed snik’ en kruiste Kaukasisch/blank aan.” Dat schoot de man in het verkeerde keelgat; hij joeg de ABS-teller van zijn erf.
De Verenigde Naties schrijft het stellig in zijn richtlijnen voor volkstellingen: etnische identiteit is iets wat je zelf bepaalt. Overheden of veldwerkers mogen etniciteit dus niet opleggen. Dat zoiets niet altijd even gemakkelijk is in het etnisch meest diverse land van het Caribisch Gebied, weet Sno maar al te goed. Bij elke telling moet daarom kritisch gekeken worden naar de categorieën die het ABS gebruikt om de verschillende bevolkingsgroepen te benoemen. Ook is het nodig dat iedereen ongeveer hetzelfde verstaat onder die groepen. Vooral bij Afro-Surinamers leidt dat tot veel vragen en discussies.
Foto @ Nicolaas Porter
Evenwicht
Creolen zijn historisch gezien een groep waarbinnen veel mensen in elk geval een beetje van gemengde afkomst zijn. Vroeger werd de ‘gemengde’ bevolkingsgroep door het ABS altijd samengevoegd met Creolen. Dat had een sociaal-politiek voordeel. Deed het ABS dat niet, dan sloeg de demografische balans over naar de Hindostanen. Op papier was er zo een evenwicht tussen de twee groepen. Socioloog Marten Schalkwijk roemt de samenstelling van de Surinaamse bevolking, van wie de grootste groep toch niet groter is dan dertig procent van het totaal. “Dat betekent dat geen enkele groep dominant is en je gedwongen bent om sámen te leven en oplossingen te vinden voor problemen.”
Dat administratieve evenwicht tussen Creolen en Hindostanen is er inmiddels niet meer. Sinds de vijfde volkstelling in 1980 constateert het statistiekbureau een dalende trend bij de Creoolse bevolkingsgroep. Eerst waren er nog 119.000 Creolen, daarna ongeveer 87.202 en dit jaar telde ABS er nog maar 84.933. In het rapport speculeert de organisatie over een oorzaak: “Hoogstwaarschijnlijk classificeren vele ‘Creolen’ zich thans als gemengd.”
Gemengd
Dat zou betekenen dat mensen die zichzelf eerst zagen als Creool, maar gemengde voorouders hadden, zich nu zien als ‘gemengd’. Hebben die twee etnische identiteiten dan een andere betekenis gekregen in de tussentijd? Volgens antropoloog Salomon Emanuels is dat niet waarschijnlijk. “Mensen zijn wat ze zijn. Ik denk niet dat er mensen zijn die afstand doen van hun Creoolse identiteit.”
Emanuels gelooft er “heilig” in dat de groep van gemengde afkomst alleen maar zal toenemen. “Jonge Surinamers hebben ontdekt dat het niet slecht is om met iemand van een andere groep een relatie te hebben.” Maar dat mensen zich opeens anders identificeren, dat denkt hij niet. De antropoloog ziet wel dat er heel veel mensen zijn die vragen hebben over hun identiteit, vanwege opa’s en oma’s met verschillende huidstinten, haarstijlen en oogkleuren. “Maar dat is niet zodanig dat het aantal Creolen zoveel vermindert”, concludeert hij.
Spectaculaire groei
Een andere beweging binnen de Afro-Surinaamse bevolking is de toename van het aantal Marrons, die het rapport zelfs “spectaculair” noemt. Die groei is volgens het ABS niet alleen te zoeken in de vele kinderen die Marronvrouwen krijgen. In 2004 bestond de grote groep mensen van wie de etniciteit niet bekend was omdat mensen dat niet hebben aangegeven vooral uit Marrons. Zij hebben bij de afgelopen telling hun etniciteit wel opgegeven.
Volgens parlementariër Marinus Bee komt dat andere doordat de negatieve bijklank van ‘Marron’ is afgezwakt. Veel Marrons zijn nu op een positieve manier zichtbaar zijn in onderwijs, sport en politiek. Dat zou betekenen dat de etnische identiteit ‘Marron’ is veranderd: van een gestigmatiseerde, onderontwikkelde groep naar een identiteit om trots op te zijn.
Foto @ Ingrid Moesan
Wetenschappers wijzen echter ook op een rij andere verklaringen. Emanuels ziet de meest voor de hand liggende reden in de gewenning van boslandbewoners aan onderzoekers. “Vroeger wilde men niet graag meewerken uit achterdocht. Tegenwoordig zijn er zoveel organisaties uit de stad actief, dat Marrons minder wantrouwig zijn.” Dat de veldwerkers tegenwoordig niet allemaal alleen maar fotoman zijn, helpt volgens hem ook het cijfer omhoogduwen.
Emanuels gelooft wel dat de politieke participatie van Marrons een verschil maakt, maar op een andere wijze dan dat Bee aangeeft. Het is volgens hem ook zeer van invloed op het vertrouwen in de overheid: “Ze geloven nu dat de belangen overeenkomen. Help je de overheid, dan help je jezelf.”
Schalkwijk kijkt iets anders naar de groei van de groep. “Mensen zijn heel trots om Marron te zijn, dus het lijkt me sterk dat ze dat eerder niet wilden aangeven.” Als onderzoeker ervaart hij in het binnenland bovendien meer medewerking dan in de stad, waar het vaker voorkomt dat je de toegang tot een erf wordt geweigerd. De socioloog denkt dat het waarschijnlijk is dat men de vraag gewoon niet heeft begrepen in 2004. “Het is ook vreselijk duur om onderzoek te doen in het binnenland. Ik heb geen inzicht in de financiën van ABS, maar ik kan me voorstellen dat je niet drie keer teruggaat naar Kwamala als je budget dat niet toelaat.”
Wat de teller ziet
Eén manier om er zeker van te zijn dat mensen de ‘juiste’ etnische identiteit opgeven, is door de veldwerker te laten noteren wat hij of zij ziet. Schalkwijk noemt dat ‘dubbele identificatie’. “Het is niet ideaal, maar je hebt wel gegevens.” Hij erkent wel dat zoiets bij een ‘gewoon’ wetenschappelijk onderzoek gemakkelijker is dan bij een volkstelling. Je komt namelijk heel dicht bij het schenden van die heilige VN-regel: etniciteit leg je niet op.
Toch voelt ABS-directeur Sno wel iets voor zo’n controlemechanisme. “Iemand die er in alle opzichten uitziet als een Creool, maar een Chinese naam draagt, heeft natuurlijk het recht om te zeggen dat hij Chinees is. Maar wat ziet de enquêteur?” Het antwoord van de veldwerker zal niet opgenomen worden in de werkelijke telling, maar moet dienen als een test achteraf: hoeveel mensen lijken op de etnische groep die ze opgeven bij de census?
Afro-Surinamer
Een andere manier om de lastige invulling van etnische identiteit bij deze groepen op te vangen, is door hetzelfde te doen als Guyana. We nemen gewoon één overkoepelende categorie: Afro-Surinamers. Rudi Bottse, de voorzitter van de Stichting 1 juli Keti Koti, heeft bij het ABS gepleit voor deze paraplugroep. “Dat is de beste benaming voor iedereen van wie de voorouders uit Afrika kwamen. ‘Creool’ is een nietszeggend, achterhaald begrip”, stelt hij. De benaming moet volgens Bottse Afrikaans bewustzijn stimuleren. Wel zou hij graag zien dat er binnen de groep onderscheid gemaakt wordt tussen stads-, plantage- en boslandcreool.
Bottse kreeg zijn zin, maar niet helemaal hoe hij het voor ogen had. ‘Afro-Surinamer’ is als aparte categorie opgenomen in de volkstelling. “De bedoeling was, lijkt me, om de verschillen tussen Creolen en Marrons weg te werken”, zegt Sno, “maar nu is het gewoon een derde groep.” Socioloog Marten Schalkwijk noemt die beslissing “een beetje stom”. Zoals het nu is opgenomen, overlapt het met andere categorieën en snoept het aantallen van andere groepen.
Emanuels moet lachen om het initiatief. Hoewel hij ook de manier waarop het in het rapport is opgenomen in twijfel trekt, ziet hij er wel potentie in. “Voorstanders zeggen dat Creool en Marron eigenlijk hetzelfde zijn, met dezelfde Afrikaanse cultuur-historische achtergrond. Dat bewustzijn groeit, dus het zal me niet verbazen als deze groep bij de volgende telling zal groeien.”
De discussies over de namen van etnische groepen onderstrepen hoe uitdagend het is om in zo’n diverse samenleving te werken met statistische categorieën. Sno heeft echter het volste vertrouwen in de statistiek: “Het wordt pas een probleem wanneer de groep ‘overige/andere’ te groot wordt.” Intussen wacht hij op een aanvraag voor een nieuwe etnische categorie “wel met genoeg steun natuurlijk”: Surinamer.
[uit de Ware Tijd, 14/09/2013]

Zijn de stadscreool en de boslandcreool twee aparte bevolkingsgroepen?

door Irwin Maatrijk

Recentelijk heeft het ABS de resultaten van de achtste volkstelling bekend gemaakt. Daarbij kwam naar voren dat de Hindostanen nog steeds de grootste bevolkingsgroep zijn in Suriname en de boslandcreolen de hardst groeiende groep is. Zonder aan het werk van de wetenschappers te willen komen, vroeg ik mij voor de zoveelste keer in vele jaren af waarom de nakomelingen van de Afrikaanse slaven anno 2013 nog steeds verdeeld worden in stadscreolen en boslandcreolen. Waarom heeft de Surinaamse overheid deze racistische verdeling van de kolonisator klakkeloos overgenomen. En waarom hebben wij 38 jaren na de onafhankelijkheid nog steeds geen afstand genomen van dit hokjesjargon in de overheidsadministratie? Velen zullen aandragen dat de levensstijl van de boslandcreool verschilt van de stadscreool. Maar wat zijn de genetische verschillen? Wat is het genetische verschil tussen Carl Breeveld en Ronny Brunswijk? Of wat is het genetisch verschil tussen Guno Castelen en Ronald Asabina? Ik bedoel, kunnen wij nog steeds niet inzien dat één etnische groep gewoon in tweeën is gesplitst, waarbij de ene groep als superieur aan de andere groep wordt gezien? En waar hebben wij dit scenario reeds eerder gezien? Juist ja, in het Afrikaanse land Rwanda waar een deel van het zwarte ras werd wijsgemaakt door de oude koloniale krachten dat zij superieur waren aan de rest, omdat zij beter geschoold waren.
Gelukkig hebben wij in Suriname nooit hoogopgelopen spanningen gehad tussen boslandcreolen en stadscreolen zoals in Rwanda. Maar door de jaren heen is de boslandcreool wel uitgegroeid tot het zwarte schaap van de Surinaamse familie. Vaak genoeg als minderwaardig gezien ten opzichte van de stadscreool vanwege een lage scholing en een traditionele Afrikaanse levensstijl. Vaak genoeg afgeschilderd als de oorzaak van hoge criminaliteitscijfers en andere sociale problemen zoals wilde occupatie. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de aanduiding “boslandcreool” een heel negatieve en stigmatiserende lading heeft gekregen. De stadscreool met zijn betere scholing, bijna perfecte beheersing van de Nederlandse taal en quasi-Europese levensstijl, wil vaak niet geassocieerd worden met de boslandcreool. En aangezien de stadscreool de voorbije veertig jaren de politieke macht in Suriname in handen heeft gehad, is het niet verwonderlijk dat de politiek nooit iets gedaan heeft aan deze irrationele splitsing van de Afro-Surinaamse groep.
Marron. Foto @ Nicolaas Porter
In mijn ogen blijft het een vreemde zaak dat de zwarte groep zo verdeeld wordt in de officiële overheidsadministratie. Waarom worden de nakomelingen van de inheemsen allemaal gewoon indianen genoemd? Waarom wordt er bij die groep niet gesproken over boslandindianen en stadsindianen? Is dit niet een vorm van discriminatie? Het woord boslandcreool is zo negatief geladen dat zelfs opsporingsdiensten vaak genoeg op het verkeerde been worden gezet. Bijna ieder slachtoffer van een beroving waarbij de dader van Afrikaanse afkomst is, geeft gemakshalve door aan de politie dat de dader een boslandcreool moet zijn. Hierdoor gaan opsporingsambtenaren vaak ook op zoek naar de verkeerde verdachten.
Het is hoog tijd dat de overheid en wij als samenleving een gezonde en constructieve discussie gaan voeren over deze discriminerende en segregerende aanduidingen. Het is zelfs zo dat mensen zich schamen om toe te geven dat zij van boslandcreoolse afkomst zijn. Ik blijf persoonlijk van mening dat boslandcreolen en stadscreolen gewoon allemaal nakomelingen van Afrikaanse slaven zijn en daarom genetisch tot dezelfde etnische groep behoren. Carl Breeveld en Ronny Brunswijk zijn gewoon twee negers, ongeacht of de één nou beter geschoold is dan de ander of er bepaalde tradities op nahoudt. Ze als twee verschillende bevolkingsgroepen bestempelen, is net zo vreemd als wanneer de Amerikaanse overheid bijvoorbeeld een hooggeschoolde blanke man die in New York woont en een laaggeschoolde blanke boer die op het platteland van Arkansas woont, als twee aparte bevolkingsgroepen zou beschouwen.
[uit de Ware Tijd, 12/09/2013]

Fri Vrijheid Freedom Gedichten rond 1 juli

 

door Jerry Dewnarain

Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en – waarom niet – troost. Voor het verleden is poëzie een onschatbare informatiedrager, omdat ze momenten en attitudes, in schuld en onschuld, vastlegt, zoals de periode van de slavernij of de strijd om freedom (vrijheid) op elk gebied. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen.
Foto @ Nicolaas Porter
Fri Vrijheid Freedom Gedichten rond 1 juli is een dichtbundel samengesteld door de Commissie ‘Jaar van de Surinaamse poëzie’. De bundel is uitgegeven in juli 2013 door de Schrijversgroep ’77. De gedichten zijn voor mensen die van mening zijn dat een vaderland, een volkslied en een vlag (bijvoorbeeld op het omslag van een dichtbundel) alles met zelfbewustzijn of identiteit te maken hebben. Voor hen die een andere mening hebben, zijn de meeste van de tweeënzeventig bladzijden die de dichtbundel telt nutteloze pagina’s. Voor mensen die van mening zijn dat een geloof of hoop alle raadsels en verscheurdheden voor hen zal oplossen, is Fri… wellicht poëzie met begrijpelijke zinnen.
Identiteit ontleent men voor een groot deel aan zijn taal. De taal is een waardevol ijkpunt voor een gedeelde belevenis en een gedeeld geheugen. Taal is het domein van dromen, taal is wat je moeder je meegaf. Als de taal de ziel is van de identiteit, en dat is de taal voor een groot deel, en als de poëzie de ziel is van de taal, en dat is ze, dan is uiteindelijk de poëzie datgene waar het voortbestaan van eigen cultuur mee staat en valt. De kracht van de taal als bindende factor is enorm.
Fri… telt 48 gedichten waarvan de meeste, vijfentwintig, in het Nederlands zijn geschreven. Tien in het Sranan, zes in het Engels, twee in het Surinaams-Javaans en één gedicht in de talen Sarnámi, Saramakaans, Aukaans, Hindi en het Spaans. De diversiteit aan talen in de dichtbundel is te danken aan het ‘Vrijheid-Libertad project’ van de Nederlandse dichteres Marion Bloem. In 2011 nodigde zij geïnteresseerden uit de hele wereld uit om vertalingen van haar gedicht (pp. 24 en 25) te maken. In Fri… zijn de vertalingen van het gedicht van Marion Bloem in de Surinaamse talen te lezen. Het ligt aan de lezer om te beoordelen welke vertaling het gedicht van Bloem het best benadert, een gedicht vol tegenstrijdigheden over het begrip ‘vrijheid’.
De gedichten hebben als thema ‘Vrijheid’, maar wat is vrijheid? Vrijheid beleeft eenieder op eigen wijze. Dit merken wij ook aan de gedichten in deze bundel. Elk gedicht uit op eigen manier de beleving van vrijheid. Enkele voorbeelden: ‘Vrijheid is de ultieme vorm van laten gaan/ Wanneer je de kunst verstaat om los te laten ben je onaantastbaar/ Angst om verlies is er niet meer/ Geen gebondenheid in vlees en bloed’ (p. 50). Vrijheid is in deze strofe het loslaten van bijvoorbeeld een geliefd persoon die er niet meer is. En dan: ‘Ik ben bevrijd/ Gesjouw van al die ballasten/ Vaker bezocht door de ongewenste gasten/ Ik kan nu mezelf zijn’… (p. 12). Vrij zijn van alle hebi’s en ongewenste gasten bezorgt deze persoon een vredig leven zonder pijn. Vrijheid kan ook op een hoger niveau worden bereikt: ‘Draag mij/ in armen van warmte/ hef mij/ op handen van licht/ voer mij/ op golven van stilte/ naar de zee van liefde/ waar vrijheid is’… (p. 38). Goddelijke liefde kan ook zorgen voor een andere vorm van bevrijding: geestelijke bevrijding. De meeste gedichten gaan over de letterlijke betekenis van vrijheid, namelijk wanneer iemand de vrijheid wordt geschonken. Niet verrassend, want de voorflap van de bundel geeft immers aan dat het gedichten betreft rond 1 juli: ‘Slavernij…/ […] Kettingen om armen en benen/ De zichtbare tekens/ Men was niet vrij om te gaan en staan/ Niet vrij om te denken/ Of een eigen mening te hebben’ (p. 40).
Dit maakt de bundel in zijn geheel nogal cliché. De meeste gedichten ontbreekt het aan originaliteit. Of hoe je er tegen aankijkt, want poëtisch zijn sommige helemaal niet, maar eerder proza: ‘Verschillende volkeren kwamen…/ Gekneveld, geboeid of op contract/ met hun geestelijke bagage/ cultuur en eigen taal./ Ze kregen in ’t nieuwe land/ identiteit en onderdak.// In deze Babylonische spraakverwarring/ leerden ze elkaar accepteren/ met plussen en minnen./ Konden ze elkaar tenslotte verstaan/ in een Surinaamse taal.’ (p. 43) Deze strofen zijn meningen of stukjes geschiedenis die net zo goed proza kunnen zijn. In een goed gedicht heeft de taal altijd iets bijzonders, is beeldend, of is keihard, of raadselachtig, enzovoort. Ook is er een gedicht dat wel poëtisch genoemd mag worden, maar helemaal niet bij het thema van de bundel past. ‘’k Heb een vrijheid ervaren/ in het diepst van een droom/ toen ‘k, de armen gespreid/ en het hoofd geheven/ zonder schaamte mij overgaf/ naakt, aan de zee/ die ons meetrekt, opneemt/ en wiegt tot wij schoon zijn…’ (p. 39). Misschien had de redactie op moeten letten en duidelijker aanwijzingen moeten geven over de doelstelling en het thema van de bundel.
Jozef Slagveer. Fotoportret door Nicolaas Porter
Jozef Slagveer (1940-1982) benadert – vind ik – het thema het best in Fri…. Daarom kies ik zijn gedicht uit deze bundel voor aparte bespreking. Slagveer heeft overigens ook nog een eigen interpretatie over wat een gedicht is (zie het gedicht hieronder). Poëtisch gezien is ‘Ik ben vrij’ (p. 18) ook een mooi gedicht. Er is onder andere sprake van metrum en ritme al in de eerste strofe: ‘Dit is mijn laatste wens/ De vrijheid te betasten/ Oprecht te kunnen zeggen/ Ik ben vrij’. De regelmatige afwisseling van beklemtoonde lettergrepen in deze strofe is duidelijk. Deze lettergrepen zijn soms sterk beklemtoond en soms weer zwakker. In strofe twee wordt de vrijheid verweven met het eenheidsgevoel wat de andere gedichten in deze bundel niet hebben. ‘Ik ben vrij/ Ik ben Surinamer/ En geen neger/ Geen hindustaan/ Maar kind/ Van dit land/ En geen slaaf’. Het gaat de dichter hier om het Surinamer zijn, zonder onderscheid te maken in ras of verschil in historisch verleden. De dichter is eindelijk vrij, omdat hij zich als kind van het land voelt, overal bij hoort. Hij zit niet met verbitterde gevoelens die te maken hebben met zijn verleden.
De meeste gedichten in Fri… wekken bij mij wel dat gevoel op. Ook staan ze op zichzelf. Ze zijn individualistisch. Het collectivisme ontbreekt en dat is ook belangrijk om je vrij te kunnen voelen, vooral als de meeste gedichten in Fri… aangeven dat men eeuwenlang onderworpen is geweest. In de derde strofe kijkt de dichter naar de toekomst. Hij heeft het verleden losgelaten en heeft een plan met zijn land: ‘Ik ben vrij/ Om de tepels/ Van Suriname/ Te beschermen’. Een betere metafoor dan ‘tepels’ kon Slagveer mijns inziens niet bedenken. De meest voor de handliggende interpretatie is het grondgebied, maar ze kunnen ook verwijzen naar de Surinaamse bodemschatten of de multiculturele samenleving. De wens om vrij te zijn wordt in de laatste strofe bestendigd: ‘Neem mijn rijkdom/ Papier en pen/ Mijn vrouw – / Maar laat mijn/ Laatste wens zijn/ In a nen foe mi afo/ De vrijheid te betasten/ Oprecht te kunnen zeggen/ Ik ben vrij/ Ik ben Surinamer.’ Dit gedicht stamt uit een periode toen Suriname nog een Nederlandse kolonie was, maar hard op weg was naar het verwerven van zijn zelfstandigheid (eind jaren zestig). Ik vind het knap van de schrijver dat hij in zijn gedicht behalve het thema vrijheid óók het eenheidsgevoel tussen de verschillende bevolkingsgroepen probeert aan te wakkeren. Een mooi voorbeeld voor eenieder die echt vrij wil zijn in een multicultureel land als Suriname! 
Volgt nog een gedicht van Jozef Slagveer. Dat gedicht gaat over wat het voor Slagveer zelf betekent:
powema
pe wortoe e kaba
pe dronlofroe e tapoe
dape mi powema
e bigin foe waka
pe man nanga oema
e brasa makandra
skin nanga skin
de swari libi
dape mi powema
e bigin foe taki
powema na libi
èn moro lek dati
[bron: www.dbnl.org]
gedichten
waar woorden ophouden
waar het geroffel van de drums stopt
daar begint mijn gedicht
zijn verhaal
waar man en vrouw
elkaars lichamen omarmen
en het leven leven
daar begint mijn gedicht
te spreken
gedichten zijn het leven
en meer dan dat
[vertaling: Eddy van der Hilst]

Paraan boven alles

door Hilde Neus

Foto © Nicolaas Porter

In ‘Paranen tussen stad en bos: Een complexe Afro-Surinaamse ontwikkelingsgang vanuit de slavernij’ schetst Alex van Stipriaan de bijzondere positie van de mensen uit de Para, een positie tussen stad en bos. Vanuit de historische situatie werkten de mensen in de Para op houtplantages, waardoor ze meer dagelijkse ruimte hadden om te bewegen. Veel meer dan op suiker- of koffieplantages. Deze bewegingsvrijheid maakte hen tot mensen met trots, en de plantage-eigenaren zorgden er dan ook voor om op de gronden directeuren neer te zetten die niet tegen hun haren in zouden strijken. Weglopen was immers gemakkelijk. Toch kozen ze daar niet voor omdat het leven op de plantage voordelen bood boven het onzekere leven in het bos. Vanwege de nabijheid hadden ze veel contacten met de marrons. Aspecten als uitingen van winti waren belangrijk. Tot aan de officiële opheffing van het verbod op openbare winti-bijeenkomsten in 1970 werden deze vooral in de Para gehouden. En nog steeds. Ook de overdracht van de ebg-godsdienst beschrijft de auteur. Vele opmerkelijke personen in de samenleving komen uit de Para (Venetiaan, Belliot, Pengel en Derby). Niet verwonderlijk als je kijkt naar de onafhankelijke rol die ze zichzelf toebedeelden. De gehechtheid binnen de groep bleek door de aankoop van gezamenlijke gronden na 1863 en het trouwen binnen het gebied. Geen sakafasi-mentaliteit. Van Stipriaan beschrijft de historie vanuit de bronnen op levendige wijze. Dat maakt zijn stuk zeer prettig leesbaar. Daarnaast brengt hij een extra dimensie in het artikel door niet alleen het verleden te beschrijven, maar ook door het ‘reparations’- debat erbij te betrekken: hoe geëmancipeerd was de Paraan al voor de afschaffing van de slavernij?

Foto © Nicolaas Porter
Jerry Eggerschetst in ‘Langzaam ontwaken: sociaaleconomische ontwikkelingen van creolen, 1873-1940’ de mogelijkheden en beperkingen van de nakomelingen der slaven. Na het staatstoezicht moesten de creolen in hun eigen onderhoud voorzien. Dat geschiedde vooral in de kleinlandbouw, en later ook in de goudindustrie en de balata bleeding-activiteiten. Als bron gebruikt Egger de Koloniale Verslagen, die vanaf 1851 werden opgetekend: niet alleen droge cijfers, maar vaak interessante observaties, die het geheel een meerwaarde geven. Zo stappen de auteurs ervan meer en meer af van de negatieve beeldvorming waar de beschrijvingen van de activiteiten der creolen bol van stonden, hoewel de productie in de kleinlandbouw niet voldeed aan de koloniale verwachtingen.
Vanaf 1884 stimuleerde gouverneur Van Sypesteyn de goudwinning, waarin het overigens javanen en hindostanen verboden was te werken. In navolging van Guyana ving ook Suriname aan met balata-export. Dit natuurrubber leverde heel wat op, zowel voor de arbeiders als voor de staat. In de guyaba-ten – tijdens de dertiger jaren – vielen beide inkomstenbronnen weg, waardoor de economische situatie erg achteruitging, mede ook vanwege de wereldcrisis. Bauxiet en tewerkstelling binnen de ambtenarij maakten de positie van creolen weer wat beter. Leuk dat Egger een egodocument van Elizabeth Singh en zijn eigen familiegeschiedenis opvoert om het verhaal kracht bij te zetten. Beide artikelen bevatten informatie, die heel wat ideeën (vooroordelen) binnen de samenleving bijstellen. Zeer de moeite waard om te lezen dus.

Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Creolen, ontwaakt en ontwikkelt u!

Joop Vernooij: Creolenkerk en creools geloof

door Jerry Dewnarain
Schilderij van Johan Hermsen

 

Zijn bijdrage is het langste artikel (34 pagina’s) in Ontwaakt en ontwikkelt u…. Hij opent met te stellen dat het algemene beeld in Suriname is dat de creolen christen zijn. Een prachtige openingszin, die mij nieuwsgierig maakte. Lange essays lees ik in het algemeen niet graag, want vaak genoeg slaagt de essayist er niet in helder en concreet te formuleren. Geen probleem bij Vernooij. Het is een informatief en verhelderend artikel, omdat de auteur gebruik maakt van veel cijfermateriaal (tabellen). Al in de inleiding legt de theoloog uit dat in Suriname niet alleen creolen christen zijn. Na deze etnische groep is er onder de hindostanen een grote groep christenen. De onderwerpen ‘creolenkerk en creools geloof’ zijn overigens complexe objecten volgens de schrijver. Wat Vernooij met zijn artikel doet: hij legt de wortels bloot van wat tot op heden door- en meespeelt in het christendom van de creolen. Hij doet dit door eerst het begrip creolenkerk uit te leggen dat rond 1900 in gebruik werd genomen door de broedergemeente, toen de Aziatische contractarbeiders ook christen werden. Deze materie wordt historisch behandeld en er wordt verwezen naar andere christelijke kerken in Suriname. Daarnaast legt hij uit dat voor veel creolen het creools geloof vaak van levensbelang is, wat te maken heeft met hun etnische identiteit. Vernooij behandelt voorafgaand de begrippen geloof, religie en kerk die vaak door elkaar worden gebruikt. Hij zegt dat in het Sranan er geen aparte begrippen zijn voor geloof (individuele intuïtie), religie (de vormgeving en beleving van geloof) en kerk (de sociale dimensie van geloof en religie). De auteur stelt verder dat zelfs het begrip ‘bribi’ (in ’t Engels belief) een leenwoord is. Voor religie is geen woord en kerki is ook een leenwoord. Vervolgens geeft hij een schets van het kerkelijk leven op basis van de ‘Koloniale Verslagen’ en verslagen van de ebg en de rooms-katholieke kerk in Suriname. Daarna wordt ingegaan op de geschiedenis van de creolenkerk, met name van de ebg en elementen van het religieus erfgoed der creolen. Verrassend vind ik het gegeven dat een karakteristiek der christelijke kerken stamt uit de koloniale tijd en dat deze kerken erg verdeeld waren. Ik wist wel dat er een verdeeldheid was tussen protestanten en rooms-katholieken, maar niet dat de hervormden en luthersen tegen de ebg waren. Wist u ook dat de christelijke kerken tegen de vrijmetselarij en andere instituties zoals de loge Concordia van de vrijmetselaars, waren? Of tegen de foresters en mechanics, terwijl het bij al die instituten voornamelijk creolen betrof? Wat de creolen meebrachten als religieuze bagage uit West-Afrika leefde voort op de plantages en onder de mensen in Paramaribo. De volksopera’s, de doe-spelen zijn enkele voorbeelden. Evenwel was de expressie verboden. Dat leidde tot de strategie van de-voorkamer-met-de-bijbel en de-achterkamer-voor-de-eigen-zaken: de voorzaal- en de bakadyari-strategie. Deze situatie werd ook wel kruis en kalebas genoemd naar een gedicht van Trefossa die christendom (kruis) en het eigen religieus erfgoed (kalebas) bijeenbrengt. Het gedicht verwijst naar de nauwe verbondenheid tussen christendom en winti. Die verbinding werkte goed en de mensen raakten eraan gewend. De slaven en ex-slaven hadden moeite met het christendom en hebben pogingen tot creolisering van het christendom gedaan. Dit is mijns inziens niet vreemd. Vernooij legt dit op pagina 159 duidelijk uit. Hij schrijft, dat in de wereld van de creool er plaats is voor vele zichtbare en vooral onzichtbare entiteiten, krachten, bewegingen en intuïties. Alles was nabij en dichtbij, dus niet zoals bij de christenen, waarbij alles geconcentreerd was (is) rond het kerkgebouw en een nieuwe samenhang – gemeente – van mensen. Het leven is van vroeg tot laat, van geboorte tot dood, geritualiseerd. Daar voorzag het christendom niet goed in. Vandaar dat het rooms-katholicisme met zijn sacramenten, ceremonies en heiligen de creolen aanspreekt. Het is daarom inderdaad verbazingwekkend, zoals Vernooij dat zelf aangeeft in zijn conclusie, dat de leiding van de christelijke kerken niet veel van de ondergrondse bewegingen in de bevolkingsgroepen oppikte, maar doorging met hun traditionele geest van rivaliteit en vooroordelen. Al met al, pater Joop Vernooij levert een grote bijdrage met zijn essay dat goed aansluit bij de titel van het boek.

 

Lila Gobardhan-Rambocus: Creolen en onderwijs
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975 (Zutphen: Walburg Pers, 2001) is het proefschrift waarop Lila Gobardhan-Rambocus promoveerde. Een belangrijk werk vol informatie over de geschiedenis van ons onderwijs. Logisch dat zij in Ontwaakt en ontwikkelt u… het essay over creolen en onderwijs heeft geschreven. Het is een artikel met veel gegevens uit haar proefschrift, en niet altijd hebben die alleen betrekking op de creoolse bevolkingsgroep. Ze schetst in haar artikel een duidelijk beeld van de sociaaleconomische ontwikkeling van de creolen middels het onderwijs. Onderwijs had voor deze groep een grote betekenis, vooral na het ‘Staatstoezicht’ in 1873. De basis voor deze ontwikkeling werd al in de slaventijd gelegd. Godsdienstonderwijs was in de 17de en 18de eeuw belangrijk, vooral lezen en schrijven van bijbelteksten. De voertaal was Negerengels. Slaven mochten het Nederlands niet leren. Deze teksten werden uit het hoofd geleerd. Gebeurt het van buiten leren van bijbelteksten op bepaalde schooltypen niet nog steeds? Rekenen werd in de zeventiende eeuw en tot ongeveer 1750 niet gegeven op de scholen, althans niet aan slaven. In 1760 kwam de eerste school voor vrije mulatten en negers. Het betekent dat al in de achttiende eeuw deze groep tot welstand kwam. Het onderwijspeil was echter laag. Zeelieden, avonturiers, dansmeesters waren de onderwijzers toentertijd. Geen bevoegde leerkrachten dus. Het was de ebg die in 1754 probeerde onderwijs te geven aan slavenkinderen. Het hoofddoel was bekering der negerslaven en hun ‘beschaving’ bijbrengen. Missie en zending hebben een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van ons onderwijs. De zending begon rond 1831 en in 1844 mocht de ebg officieel scholen openen. Het doel was om jonge slaven op te leiden tot hulponderwijzer. Aan de slavenkinderen werden lezen, schrijven, bijbelkennis en godsdienstige beginselen onderwezen. De slaven werden in hun eigen taal opgeleid en ze mochten op hun plantage scholen openen, die de zending van tijd tot tijd inspecteerde. Vanaf 1854 kwam er een betere aanpak: de zusters van Roosendaal kwamen naar Suriname, speciaal voor het verzorgen van onderwijs. De voertaal was Nederlands. Na 1873 – de opheffing van het staatstoezicht – gingen mensen naar Paramaribo om zich daar te vestigen, maar velen hadden geen werk. Kinderen zwierven rond en veroorzaakten overlast. Om deze groep van de straat te houden werd vanuit de overheid in 1876 de leerplicht ingesteld. Als de ex-slaven niet massaal naar Paramaribo waren gekomen, was de leerplicht misschien nooit ingesteld of veel later, zoals dat onlangs op Aruba is gebeurd, pas in 2012. Gobardhan geeft in het artikel duidelijk de ontwikkeling van het onderwijs weer. De invloed die missie en zending erop hebben gehad wordt ook belicht, evenals de rol of bijdrage die de ebg heeft geleverd. Rond 1940 kende Paramaribo vier muloscholen en 26 lagere scholen. De scholen in de districten waren voor beperkt lager onderwijs en de scholen in het binnenland waren van het type blo en werden geëxploiteerd door de zending (15) en de missie (18). De voertaal was het Nederlands, maar op bijna alle scholen in het binnenland was de onderwijstaal het Negerengels. Hoewel er lang sprake is geweest van een negatieve beeldvorming, zegt Gobardhan in haar conclusie dat veel creolen het heft in eigen handen hebben genomen en hun eigen emancipatie hebben bewerkstelligd. Aanvankelijk vooral door het onderwijs.
Jack Menke: De wisselende betekenis van creool in Suriname

door Tessa Leuwsha

 Dat het begrip creool rekbaar is toont socioloog Jack Menke aan in zijn bijdrage. Het onderwerp is boeiend en beslist interessant voor een breed publiek. Jammer dat het wetenschappelijke taalgebruik en de soms storende herhalingen dit bemoeilijken.

Het woord creool duikt aan het begin van het kolonialisme op voor een in de kolonie geboren blanke ter onderscheiding van de ‘zuivere’ blanke in Europa. Ook op vee was de term van toepassing. In de 19de eeuw kwam in Europa het wetenschappelijk racisme in zwang. Grondlegger Linnaeus plaatste al in 1735 het blanke ras bovenaan zijn hiërarchische rassenladder. Onder ras vallen uiterlijke en erfelijk bepaalde eigenschappen, met huidskleur als meest zichtbare indicator. Huidskleur werd dan ook synoniem aan ras. Toebedachte rassenverschillen in temperament en intelligentie dienden vooral een sociale constructie. In Brazilië bijvoorbeeld keurden de koloniale machthebbers de ideologie van vermenging (‘mestiçagem’) van blank en zwart af. Een grote groep kleurlingen zou een bedreiging voor de raciale hiërarchie kunnen betekenen.
Etniciteit benadrukt de verbondenheid van een groep in cultuur, taal en historie. Bij volkstellingen in Suriname zijn ras- en etniciteitgegevens belangrijke peilinstrumenten gebleken. Vraagstelling en formulering rond deze kenmerken wisselden echter nogal. Tussen 1921 en 2004 vonden er zeven algemene volkstellingen plaats. Ras – ook aangeduid als landaard – vormde in 1921 en 1950 nog een basiskenmerk, in de jaren zestig verdween het begrip ten gunste van etniciteit. Onder sociale en politieke invloeden verbreedde de aanduiding creool met de opname van de groep gemengden. Hindostanen groeiden in aantal, wat een bedreiging vormde voor de positie van creolen in de ambtenarij en in de politiek. In ieder geval op papier diende de demografische balans in evenwicht te blijven. Gevraagd naar het doel van etniciteitgegevens in volkstellingen reageerde het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) in 1972 als volgt: ‘Steeds weer wordt de vraag opgeworpen waarom wij bij elke volkstelling de bevolking naar landaard (…) onderscheiden. Naar ons gevoelen verschillen wij in etnisch opzicht zo zeer van elkaar (…) dat zonder meer voorbijgaan aan dit aspect van onze samenleving zou neerkomen op het miskennen van de aanwezigheid van een wezenlijk spanningsveld in onze gemeenschap.’ Tegenwoordig wint binnen de eigen groep de term Afro-Surinamer het van creool.
Aukaanse jongeman. Foto © Nicolaas Porter

 

Eric Jagdew en Martina Amoksi: De marrons in Suriname in de post-emancipatieperiode
Dit artikel van twee historici over de inburgering van marrons in de plantagesamenleving staat nogal los van de andere bijdragen in de bundel. Marrons hadden zichzelf al langere tijd van slavernij bevrijd, wat hun positie aanzienlijk van die van creolen deed verschillen. Meerwaarde van het artikel is de heldere beschrijving van de eerste zakelijke contacten tussen stadsbewoners en marrons, en van de beeldvorming ten aanzien van marrons. Na de afschaffing van de slavernij richtte de koloniale politiek zich op de voortzetting van de Surinaamse plantagelandbouw. Van de overgebleven plantages verbeterde de productie, hoewel dat ook in andere koloniën gold. Onverkoopbaarheid en ziekten gaven de grootschalige landbouw uiteindelijk de nekslag.
De integratie met marrons bestond in de 18de eeuw uit vredesverdragen, maar met de naleving van bepalingen liep het niet altijd even soepel: bosbewoners leverden niet graag weggelopen slaven uit. Na de periode van het staatstoezicht in 1873 beschouwde het gouvernement de marrons als een noodzakelijk arbeidsreservoir. Pogingen hen te werven liepen echter spaak: in geregeld werk zagen marrons een verkapte vorm van slavernij. Naast houtkap boden zij hun diensten aan als gidsen en vrachtvaarders in de opkomende goud- en balata-industrie. Hiermee viel een hoger dagloon te verdienen dan dat van de plantage- of stadsarbeiders. Niet zelden ontstonden er vanwege de hoge prijzen conflicten met houtopkopers of met klanten. In een poging tot beïnvloeding van de marrons stemde het gouvernement in met missie en zending in hun leefgebied. Rond 1900 kwamen bovendien contacten tot stand met leden van wetenschappelijke expedities die de marrons maar lui en onwillig vonden. Omgekeerd bleek uit een koloniaal verslag van 1904 dat marrons blanken als gierig en kwaadaardig beschouwden. Ook stadsbewoners hadden zo hun mening over marrons. De antikolonialist Anton de Kom schreef: ‘Wij, als kinderen keken naar hen op met een zekere angstige nieuwsgierigheid, als naar wilden (…)’. Marrons op hun beurt voelden zich helden boven de creolen die de slavernij op de plantages hadden uitgezeten. Negatieve beeldvorming over en weer bestond toen. En nu nog!
Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Kinderen van Cham

door Antoine de Kom

Ik moet ongeveer vijftien zijn geweest toen ik Wij slaven van Suriname  voor het eerst las. Ik had tot dan toe een vrij vage notie van wat er tot pakweg 150 jaar geleden aan de hand was geweest. Nu kwam ik ineens bij het lezen van het boek van mijn grootvader in een wereld terecht die ik niet voor mogelijk had gehouden. We waren net als gezin een jaar geleden uit Suriname teruggekeerd. Ik had ons verblijf daar als bijna paradijselijk ervaren.
In Wij slaven  gaf mijn grootvader een rauw beeld van het land dat door de Nederlanders was overheerst. Een geschiedenis van sleepsporen, knechting, marteling, grove exploitatie en verderf. Wat mij vooral bijbleef waren details als het levend ophangen aan een vleeshaak of het met gloeiende tangen bewerken van weke  lichaamsdelen. En ook het bandeloze gedrag van planters, de seksuele onderdrukking en het verwoesten van de familiebanden onder de slaven.
Suikerfabriek, litho van Thédore Bray, 1850
Enkele jaren geleden voeren we met de familie naar de plek waar ooit de suikerplantage Molhoop lag waar de nazaten van onze Afrikaanse voorouders hadden geleefd. Die plek lag aan de Boven-Cottica, een paar uur varen van de stad. Vroeger hadden de planters tentboten en roeiden de slaven. Stel je voor dat je eigendom bent. Dat je een voorwerp bent en dat op ongehoorzaamheid  zware lijfstraffen staan. Die werden ook uitgevoerd in het Fort Zeelandia. Daar zat mijn grootvader in 1933 gevangen omdat hij dit soort verhoudingen met de toenmalige gouverneur wilde bespreken. Er was gedemonstreerd en er waren doden en gewonden gevallen. Hij werd uitgezet naar Holland. Hij was de zwartepiet.
Anton de Kom
Ik heb mij dit soort dingen vaak vreselijk aangetrokken. Ik heb mijn machteloze ontzetting omgezet in pogingen te snappen wat slavernij met mensen doet. Ik denk dat slaven houden slecht is voor de gemoedsrust. Slavinnen houden brengt menig man op verkeerde gedachten en bekort diens leven. Minstens zo schadelijk is het moeten verbloemen van deze feiten. Het zelfbeeld wordt kunstmatig schoongeveegd. Men wordt een zedenmeester. Of een Sinterklaas. Slavernij? De koning heeft hen toch de vrijheid geschonken? Waar heb je het over?
Aan de kant van de nazaten van slaven is er een diepliggend gevoel ontstaan gewoon een stuk vuil te zijn. Zo’n vuile mat waar overheen wordt gelopen. Men legt daar graag een schaamlap op om zich wat meer mens te voelen. Erkenning van het slavernijverleden helpt niet echt veel. Er zijn nog meer gevolgen van slavernij.
In het hedendaagse Suriname ontstaat een nieuw zelfbewustzijn dat tegen de Nederlanders is gericht. Als ik bij mijn ouders ben, die alweer jaren in Suriname wonen, dan is mijn vader de man die dat nieuwe zelfbewustzijn omarmt. Helaas moet ik hem herinneren aan de slechte naam die Suriname heeft op het gebied van de mensenrechten. Moiwana. De decembermoorden. Die laatste grepen plaats in het Fort Zeelandia. Ook daar kan ik mij erg over opwinden. Is er dan niets veranderd? Zitten de Hollanders van weleer nog in de Surinaamse hoofden? Het waren Surinaamse militairen die onder de man die nu President is korte metten maakten met democraten die zij als ongehoorzaam en staatsgevaarlijk zagen. Dat zou mijn grootvader meteen hebben herkend als een gemene plantersstreek.
In Suriname zijn er twee mannen aan de macht die zich als Sinterklaas gedragen. Bouterse en Brunswijk. Beiden hebben het een en ander schoon te vegen. Ik vrees dat zij last hebben van een chronische aandoening die berust op een gebrek aan gemoedsrust en vertrouwen. Dat leidt tot een bedenkelijke aantasting van de eigenheid, de eigen kleur. Een tot nu toe onbekende vorm van psychische leukodermie. Ik heb er een naam voor bedacht. Het witwassyndroom. Overgehouden uit de eeuwen waarin je almaar bevuild werd door perverse verhoudingen. Beide heren herhalen die foute verhoudingen. Want dat doet slavernij uiteindelijk. Je komt er niet zomaar vanaf. Meester en slaaf zijn uiteindelijk allebei slachtoffer. Ze hebben allebei hulp nodig. Een zetje in de goede richting. Onderling zullen ze er namelijk niet uitkomen. Het is lastig om de meester uit het hoofd van de gewezen slaaf te krijgen.
En wanneer mag Zwarte Piet in de Hollander eindelijk eens opstaan? Als we allemaal Zwarte Piet zijn geworden dan gaan we gewoon onder de douche stel ik voor. En daarna eten we samen een boterhammetje met chocoladetranen. Drinken een glaasje zwarte melk. Om bij te komen. Dat mag wel na 150 jaar.
[Eerder verschenen in het alumniblad Spui, juni 2013]
Foto @ Nicolaas Porter

 

Theo Hiemcke – Marrons/Maroons

Onze voorouders werden tegen hun wil naar dit land gebracht, ze werden verhandeld en gedwongen voor hun eigenaren te werken. zij plantten de gewassen en oogstten de opbrengst voor hun meesters, zij zwoegden op het land in de hete zon en in de stromende regen, zij ondergingen afschuwelijk onrecht en stierven in gevangenschap, zij vluchtten in het onbekende oerwoud waar het leven even hard was maar wisten op de een of andere manier te overleven, zij verdedigden hun kwetsbare vrijheid, hun trots en zelfrespect, zij bouwden hun eigen dorpen, plantten hun eigen gewassen en behielden hun eigen cultuur, zij eerden hun voorouders en aanbaden hun eigen goden, zij werden sterker en sterker, zij sloten vrede met degenen die hun hadden gevangen genomen honderd jaar voor de slavernij in het land werd afgeschaft, zij overleefden verschrikkelijke ziekten, vooroordeel, discriminatie en isolement, geleidelijk aan werden zij echte bewoners van het tropisch regenwoud dat hun in leven hield met zijn overvloedige rijkdom, zij kerfden hun korjalen uit boomstammen, bouwden hun hutten van het houd en bedekten ze met palmbladeren, de rivieren boden hen vis, het bos zorgde voor wild en hun kostgrondjes voor mais, bacoven en cassave, zij oogstten geneesmiddelen uit het bos en goud uit de rivierbeddingen. Ze bouwden aan de dam die anderen van stroom voorziet en een belangrijk deel van hun woongebied in een stuwmeer veranderde.

Wij, hun nakomelingen werken als gezondheidswerkers mee in onze eigen poliklinieken en streekziekenhuizen, bouwen scholen voor onze kinderen, ‘lodges’ voor toeristen en een museum om de offers van onze voorouders, nu onze trotse erfenis, te eren, we gaan voor hogere opleidingen naar de universiteit in Paramaribo en komen snel vooruit op de maatschappelijke ladder, we streden een ongelijke strijd tegen de dictatuur, werden opnieuw uit ons woongebied verdreven, raakten op drift maar herstelden de democratie en nemen nu deel aan de regering van het land, we zijn de ‘survivers of the fittest’, gehard door honderden jaren van loodzware geschiedenis en nu beter dan ooit voorbereid op de toekomst.
26.06.13
 
Our ancestors were brought to this country against their will, they were sold and forced to work for their owners, they planted the crops and reaped the harvest for their masters, they toiled the land in the hot sun and pouring rain, they suffered horrible injustice and died in captivity, they fled into the unknown jungle where life was just as hard but somehow they managed to survive, they defended their fragile freedom, their pride and self-respect, they build their own villages, planted their own crops and preserved their own culture, they honored their ancestors and worshipped their own gods, they grew stronger and stronger, they made peace with their former captors a hundred years before slavery was abolished in the country, they survived terrible illnesses, prejudice, discrimination and isolation, they gradually became real inhabitants of the tropical rainforest that sustained them with its abundant natural richness, they carved their canoes out of the trees, build their huts with the wood and covered the roofs with palm leaves,  the rivers provided them with fish, the jungle with meat and their plantings with corn, banana and cassava, they harvested medicines from the bush and gold from the riverbeds, they worked at the dam which drowned an important part of their territory.
 
 
 
We their descendants participate as health workers in our own medical clinics and regional hospitals, we build schools for our children, lodges for tourists and a museum in honor of the sacrifices of our ancestors,  now our proud heritage, we seek better education at the university in Paramaribo and rapidly get higher on the social ladder, we fought an uneven guerilla war against dictatorship, were again driven out of our territory, derailed but restored democracy and now participate in the government of the country, we are the survivors of the fittest, hardened by hundreds of years of harsh history and now better than ever before prepaired for the future.
  
26.06.13

Alle foto’s zijn van Nicolaas Porter, van wie nu een fototentoonstelling is te zien in het Bezoekerscentrum Amsterdamse Bos, Bosbaanweg 5, Amstelveen

Eindelijk Vrij vertelt kinderen marrongeschiedenis

door Tascha Samuel

Paramaribo – In het kader van 150 jaar afschaffing van de slavernij heeft de stichting Hosea gemeend de marrongeschiedenis vast te leggen. De organisatie geeft dan ook een boek uit met als titel Eindelijk vrij, waarin aan kinderen het verhaal van de Marrons verteld wordt.

Ze maken kennis met helden die al eerder dan 1863 het juk van de slavernij van zich af hebben gegooid. “Vanuit mijn stichting heb ik vaker boeken naar het binnenland gebracht voor kinderen. Ik keek het assortiment nog eens door en schaamde me eigenlijk dat er geen Surinaamse boekjes bij zaten. Ik verlangde ernaar om een boekje uit te geven waarvan het verhaal zich afspeelt in de belevingswereld van de kinderen in het binnenland van Suriname”, legt Hyacinth Bos-Halfhide, voorzitter van de stichting Hosea, uit.

Spannend
Zij kwam in contact met Annelies den Boer-Aside uit Moengo die de tekst voor het boek geschreven heeft. Het is een full-color boek met harde kaft van 35 bladzijden. De tekeningen zijn van Ginoh Soerodimedjo, gemaakt op de achtergrond van echte foto’s van het binnenland. “Wat het uniek maakt is dat deze verhalen niet staan in onze geschiedenisboekjes. Het is echter wel een waargebeurd verhaal gegoten in een spannend kinderverhaal “, licht Bos toe. Professor Frank Jabini, is de historische consulent geweest.

Foto © Nicolaas Porter

Gratis
Het is de bedoeling dat dit boekje op elke school in het binnenland aanwezig zal zijn, waar het ook gratis verspreid moet worden. “Door het kopen van het boekje in de stad, ondersteun je ook het project. Het boekje zal ook in Nederland verkrijgbaar zijn”, licht Bos toe. De presentatie is donderdag in het Lalla Rookh gebouw. “Er zal een optreden zijn van een dansgroep en enkele korte speeches van de mensen die hebben meegewerkt. Op zaterdag is er een feestelijke bijeenkomst met live muziek en een signeersessie van Den Boer Aside in boekenwinkel de Oase.”

[uit de Ware Tijd, 26/06/2013]

Marron-expositie Nicolaas Porter in Amsterdam

 
Concepts of power, identity, interpretations of creolisation and belonging
Met plezier nodigt de organisatie van het Amsterdamse Bos u uit voor de opening van een binnen- én buitenexpositie met werk van de in Suriname wonende fotograaf Nicolaas Porter: Concepts of power, identity, interpretations of creolisation and belonging. Dit jaar is het 150 jaar geleden dat Nederland de slavernij afschafte. Porter maakte ter gelegenheid daarvan een selectie uit eigen werk. De zestig foto’s zijn een eerbetoon aan de Marrons: afstammelingen van voormalige slaven die in opstand kwamen en vluchtten naar de diepe binnenlanden van Suriname. Ze bouwden daar een nieuwe samenleving en leefden in vrijheid.
Porter heeft niet voor niets het Amsterdamse Bos gekozen om zijn werk te exposeren. De beelden zijn zowel vervreemdend als confronterend: het organisch ontstane oerwoud als woonplaats versus
de ontworpen boszomen en weiden om op te picknicken en langs te joggen.
Datum: zaterdag 29 juni, 12.00 uur
Bezoekerscentrum Amsterdamse Bos
Bosbaanweg 5, Amstelveen
Wethouder Freek Ossel van de gemeente Amsterdam opent de expositie.
U bent van harte welkom!

Vaderdag …..?

door Rudi Moeridjan

De viering hiervan is ietwat of veel minder dan die van moederdag. 1 van de redenen hiertoe is dat enkele vaders – houdt u mij dat percentage ten goede of misschien zelfs meer dan dat – het niet zo nauw nemen met hun vaderschap.

Maar in switie Sranan hebben zich dit jaar 2 opmerkelijke zaken voorgedaan waaruit blijkt dat meer vrouwen, moeders toch wel denken aan de vaders en dat jongeren m.n. jongens deze erkentelijkheid een extra glans hebben gegeven. Enerzijds om de goede onder hen te laten merken dat ze hun daden waarderen en anderzijds om de vaders die zich niet goed kwijten van hun vaderstaken deze een steun/een overdenking te geven, deze ter hand te nemen.

Foto @ Michiel van Kempen

1. Het Nationaal Bureau Genderbeleid heeft een mooie aanzet hiertoe gegeven met een kaart die mannelijke personeelsleden van het ministerie van Binnenlandse Zaken Suriname kregen. Het verschil was dat de moeders enkele weken geleden zoiets niet hebben gehad. Na enkele comments geef ik later de inhoud van deze kaart prijs.

2. Stichting Rumas een stichting o.l.v. mevrouw Hart die zich bezighoudt met jongens waarvan velen geen vader om zich heen hebben, heeft in hartje Paramaribo aan mannen door deze jongens een presentje laten geven. De gezichten van deze vaders waren, “hé, ik word toch bedacht voor m’n goed vaderschap”, anderen weer,” ik ben het niet waard maar laat mij vanaf nu een goede start maken”, gezichtsuitdrukkingen e.d. van die strekking. Maar het mooie wat ook tentoon werd gespreid is dat vele van deze jongens die de kadootjes letterlijk aan de man/vader brachten het gevoel kregen “ik ga wel vader voor mijn kinderen worden/zijn”. Het schaamtegevoel van de vaders die o.a hun gezin verwaarloosden, hebben deze jongens maar ook de mannen die zich wel een goede vader tonen, emotioneel positief geraakt ondanks het gemis een vader bij hen te hebben. De geschenkjes werden met een grote mate van voldoening door deze jongens aan deze mannen in de stad verdeeld.

Yvonof and sister. Foto @ Nicolaas Porter

Nationaal Bureau Genderbeleid en Stichting Rumas namens alle vaders bedankt voor deze eye-opener, vaders meer te waarderen dan doorgaans het geval is. Alle vaders die deze 2 momenten hebben meegemaakt maar ook deze jongens en zij die het onderhavige lezen, zal het iets doen. Vaders, laat dit iets de komende tijden positief zijn, laat onze omgeving het merken, zodat wij het volgend jaar meer echte vaders om ons heen hebben!

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter