blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Palm Walter

Woorden zijn (overzeese) oorden

Curaçao, Suriname en Nederlands-Indië in boeken 

Voor het vierde achtereenvolgende jaar presenteert Uitgeverij In de Knipscheer een gevarieerd programma met schrijvers, dichters en muzikanten n.a.v. nieuw verschenen boeken in Podium Mozaïek in Amsterdam. Nu op zondag 5 oktober 2014, om 15:00 uur.
Met/over o.a.: Barney Agerbeek, Diana Lebacs, Boeli van Leeuwen, Walter Palm, Ezra de Haan (Op zoek naar Michaël Slory). read on…

Literaire middag met Jacques Hermelijn

De Dutch Caribbean Book Club organiseert een literaire middag met Jacques Hermelijn waarbij ‘Florinda’s tweede keus wordt besproken, op zaterdag 27 september in de Centrale Bibliotheek Den Haag. read on…

Arubaanse intimiteit & vrolijkheid

Op zondag 14 september j.l. vond in het Arubahuis een literaire manifestatie plaats. Promovendi van de leerstoel Nederlands-Caraïbische Letteren van de Universiteit van Amsterdam (prof. Michiel van Kempen) gaven presentaties, terwijl de schrijvers Olga Orman, Giselle Ecury, Sonia Ruiz, Walter Palm en Charlotte Doornhein acte de présence gaven en voorlazen uit hun werk. Het publiek moest al vanaf de Laan van Meerdervoort aanschuiven, maar had de wachttijd graag over voor een prachtige culturele middag, die vlot aan elkaar werd gepraat door de Arubaanse literatuurdeskundige en hoogleraar prof. Wim Rutgers.Een fotoreportage van Michiel van Kempen. read on…

Nieuwe dichtbundel van Walter Palm: Serenade voor mijn Shéhérazade

Walter Palm in Arubahuis

 

De liefde voor en van zijn muze inspireerde Walter Palm tot gedichten die een liefdeswind hem met orkaankracht influisterde. De bundel vormt een ode aan zijn Shéhérazade. Net als de legendarische verhalenvertelster tracht de dichter zijn geliefde een jaar lang te boeien met een lofdicht voor iedere week. Zij heeft zijn ingeslapen bestaan met haar liefde weer tot leven gekust en hij, hij probeert haar blijvend te boeien met betoverende gedichten. Gloedvol, zoals soms de verhalen van Shéhérazade waren. read on…

Literaire middag in de Plantage in het teken van de Caribische letteren

Curaçao, Pontjesbrug. Foto @ Sanne Landvreugd
Op zaterdag 12 april is er een literaire middag in de Plantage, die in het teken van de Caribische letteren staat. Wanda Reisel en Walter Palm lezen niet alleen uit eigen werk voor, maar ook uit dat van Antilliaanse auteurs die zij bewonderen. Walter Palm reciteert onder meer zijn gedicht De mazurka en zal dat illustreren met CD-opnames van mazurka’s van (zijn grootvader) Jacobo Palm en (zijn betovergrootvader) Jan Gerard Palm. Ko van Geemert vertelt over zijn net verschenen literaire, culturele gids Dushi Willemstad.
Walter Palm
Daarna kunt u kijken naar een aflevering van Literaire ontmoetingen, een televisie-uitzending uit 1963. Hierin ontmoet Hans Gomperts schrijvers en schrijfsters van de Nederlandse Antillen.
Datum: zaterdag 12 april 2014
Tangosalon, Plantage Muidergracht 155, 14.30 uur.
Zaal open vanaf 14.00 uur. Toegang gratis voor leden van de Vrienden van de Plantage. Voor niet-leden  € 5.
De boeken van de aanwezige (en van andere) auteurs zullen deze middag te koop zijn.

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (3 en slot)

door Walter Palm
De tweede vraag is in hoeverre deze novelle autobiografisch is, want de hoofdpersoon Frits Ruprecht is op dezelfde dag geboren als de auteur Cola Debrot, namelijk op 4 mei 1902.
Zijn biograaf Jaap Oversteegen rept in de biografie Gemunt op wederkeer (1994) over Cola Debrot niet over een halfzus van Cola. Ook ontkende Cola Debrot dat hij ooit een halfzus heeft gehad. Als ik de biograaf van Cola Debrot en Cola Debrot zelf mag geloven, dan is Mijn zuster de negerin niet autobiografisch in de zin dat Cola Debrot een halfzus gehad heeft. Wel schrijft Jaap Overstegen dat Cola Debrot veelvuldig last had van depressies. Is Mijn zuster de negerin in die zin autobiografisch dat Cola Debrot net als Frits Ruprecht last had van depressies?
Een derde vraag is in hoeverre Mijn zuster de negerin nog actueel is. Deze novelle speelt zich af tegen de achtergrond van een etnisch gesegregeerde samenleving waarbij als erecode gold dat een vader de opleiding van zijn buitenechtelijk kind betaalde. De vraag is of Curaçao bijna tachtig jaar na het verschijnen van deze novelle nog steeds een etnisch gesegregeerde samenleving is. En de vervolgvraag is of deze erecode nog steeds actueel is.
Walter Palm (rechts), naast hem met open mond Gilbert Wawoe, en daarnaast Quito Nicolaas

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (2)

Landhuis Ascension, Curaçao

door Walter Palm

  • De vorm van Mijn zuster de negerin: een literaire thriller met  een magisch-realistische inslag
Mijn zuster de negerin is een spannende thriller met twee spanningslijnen.
Wat het spannend maakt is dat vanaf het begin van de novelle het onderscheid tussen feit en fictie wazig is. Stond de nicht van Frits Ruprecht nu echt achter de opengeklapte jaloezieën? Lagen zijn overleden ouders in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond? Was Karel nu echt zo vijandig tegen hem of had hij woorden gehoord die nooit uitgesproken waren?  Zweeft daar inderdaad de schim van Maria? Shakespeare zou zeggen “To be or not to be. That is the question”.

Wat het ook spannend maakt is dat Frits gaat twijfelen of Maria nu echt de dochter is van Theodoor zoals beweerd wordt. Hij vindt het verdacht dat zijn vader Alexander Ruprecht de opleiding van Maria heeft betaald. Dit is veelal een teken dat het zijn buitenechtelijk kind is.
Aan het slot van de novelle volgt de ontknoping. Nee, het is niet de schim van Maria die door het huis dwaalt. En ja, Maria is inderdaad de dochter van zijn vader, het is dus zijn halfzus.
Ook in de short story Don’t look now uit 1971 van de bekende thrillerschrijver Daphne du Maurier vervaagt de grens tussen realiteit en fictie. Deze short story gaat over een echtpaar dat een dochter verliest. In Venetië ontmoeten zij een helderziende die hen vertelt dat hun overleden dochter met hen in contact wil komen om hen te waarschuwen voor gevaar. Zij menen een schim te zien van hun dochter.
De in 1935 gepubliceerde Mijn zuster de negerin heeft een magisch realistische inslag in de zin dat het zich afspeelt op het grensvlak van werkelijkheid en ingebeelde werkelijkheid. De dubbelzinnige perspectieven van deze novelle versterken de magische suggestie.
De koetsier Pedritoe die de jongen Frits Ruprecht verhalen vertelt over “prinsessen die zingen in den hemel, over het spook dat als witte ezel verschijnt met een blauwe ster tussen zijn rechtopstaande oren” versterkt de magisch realistische sfeer in deze novelle.
Ook in een gedicht als “Wie weet Malinda” dat geen deel uitmaakt van Mijn zuster de negerin,  is de magisch realistische sfeer aanwezig. Dit gedicht van Cola Debrot is ontleend aan het verhaal van Ma Linda dat op Bonaire wordt verteld. In dit verhaal ontmoet een jongeman op een begrafenis een mooie jonge weduwe met een diabolische maar tegelijkertijd engelachtige glimlach. Zij nodigt hem uit om haar op haar plantage te bezoeken. Als hij besluit om op haar uitnodiging in te gaan, kan hij de plantage niet vinden. Als hij het zoeken opgeeft en naar huis terugkeert, blijkt hij een oude man geworden te zijn met grijze haren, een gerimpeld gezicht en een duistere oogopslag.
Cola Debrot geschilderd door Carel Willink

 

Een van de beste vrienden van Cola Debrot was Carel Willink. Hij was getuige bij het huwelijk van Cola Debrot met Estelle in mei 1936. Deze bekendste magisch realistische Nederlandse schilder heeft in 1936, een jaar dus na het verschijnen van Mijn zuster de negerin, een intrigerend portret van Cola Debrot geschilderd
Slot
Na herlezing van Mijn zuster de negerin blijven drie vragen, waar ik zelf geen antwoord op heb, mij intrigeren, namelijk: (1) is  Mijn zuster de negerin met zijn magisch realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad (1967) van  de Colombiaanse auteur en Nobelprijswinnaar  (1982) Gabriel García Márquez ?; (2) in hoeverre is deze novelle autobiografisch ?  en (3) wat is de actualiteitswaarde van deze novelle uit 1935?
Om bij de eerste vraag te beginnen. Gabriel García Márquez maar ook een schrijver als de Chileense auteur Isabel Allende die La casa de los espíritus (1982) schreef, zou niet vreemd opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand of iets met gloeiende ogen” als hij in “Miraflores” de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan.
Zo wist Gabriel García Márquez te vertellen dat hij als kind opgroeide bij zijn grootouders en dat hij een keer geen slaap kon vatten vanwege gesnurk in zijn slaapkamer. Toen hij zich daarover beklaagde bij zijn grootvader antwoordde die dat hij sliep in de slaapkamer van zijn overleden tante en dat die altijd hevig snurkte!  Alsof een snurkende overleden tante de gewoonste zaak ter wereld is.
In de Nederlandstalige magisch realistische literatuur zijn De trap van steen en wolken (1940) van Johan Daisne en De komst van Johan Stiller (1960) bekende magisch realistische romans.
Maar schrijft Cola Debrot nu in de magisch realistische stijl of juist in expressionistische stijl met explosieve passages als: (a) “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond””; (b) als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terug maakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”; en (c) “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””?
Bij de passage “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”” dringt bij mij zich de associatie op met het gekwelde schilderij “De schreeuw” uit 1893 van de Noorse schilder Edvard Munch dringt zich bij de lezer op.  In dit expressionistisch schilderij staat tegen de achtergrond van een ondergaande zon een wanhopige figuur te schreeuwen. Het lijkt wel of de hele omgeving met hem mee schreeuwt.

 

[voor deel 3 en slot, klik hier]

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (1)

Cola Debrot. Portret door Nicolaas Porter

door Walter Palm

Inleiding
Jules de Palm vertelde me eens een kostelijke anekdote over Cola Debrot. Cola Debrot en hij moesten eens iemand met de auto afhalen bij het Centraal Station in Amsterdam. Cola Debrot zat achter het stuur en Jules de Palm naast hem. Aangekomen bij het Centraal Station parkeerde Cola Debrot de auto pardoes en pontificaal voor de uitgang van het Centraal Station, terwijl dat uitdrukkelijk verboden was. Prompt werd hij daarop aangesproken door een agent. Cola Debrot wees toen naar Jules de Palm  en zei tegen de agent “Ziet u die man die naast mij zit? Dat is een gevaarlijke gek. Van hem moet ik de auto hier parkeren”. Verbouwereerd droop de agent af.
Bij het herlezen van Mijn zuster de negerin met het oog op mijn presentatie over dit boek op 9 november 2013 bij de “Dutch Caribbean Book Club” moest ik erg denken aan deze anekdote, want bij herlezing trok tot mijn stomme verbazing de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat.
Onderstaand ga ik eerst in op de inhoud van dit boek en vervolgens op de door de auteur gekozen vorm. 

  • Beknopte inhoud van Mijn zuster de negerin: “Een zuster gevonden, een minnares verloren”
De dertigjarige hoofdpersoon Frits Ruprecht is na een afwezigheid van veertien jaar terug op zijn geboorte-eiland om zijn erfenis af te wikkelen. Aangezien zijn ouders zijn overleden en hij geen broer of zus heeft is hij de enige erfgenaam. De erfenis bestaat uit een woonhuis in de stad, het bijbehorend koetshuis met daarin geparkeerd de oude Ford en de plantage Miraflores.

Maar er is ook een andere reden waarom hij is terug gekeerd. Hij heeft genoeg van Europa waar hij als zestienjarige naar toe was gegaan. Hij wil “bij een negerin leven” en hij haatte “in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie”.

…bleke gezichten, met hun visachtige kilheid…


Reeds op het schip waarop hij aankomt, overhandigt de notaris hem de sleutels van de stadswoning, het koetshuis en de plantage Miraflores. Achter zijn rug wordt gefluisterd dat hij zijn vader al veel geld heeft gekost en dat het niet lang meer zal duren alvorens hij ook deze erfenis er doorheen zal jagen. Een  uitnodiging van de notaris om bij hem thuis een hapje te eten met zijn vrouw en hun dochter Tonia, slaat Frits Ruprecht beleefd maar resoluut af.
Als hij het schip verlaten heeft en hij alleen op de kade staat moet de eerste opwelling  van “niets dan heerlijkheid” de nodige plaats inruimen voor een bepaalde sombere en wordt hij overvallen door zelfmoordneigingen (“Frits werd tegelijk bevangen door het gevoel maar dadelijk hara-kiri te zullen plegen”). Hij weet de zelfmoordneigingen te bedwingen en hij wandelt van de kade  naar zijn stadswoning. Onderweg verbeeldt hij zich dat zijn nicht die zo’n hekel aan hem had, hem weer staat uit te lachen achter een van die opengeklapte jaloezielatten.
Bij de stadswoning aangekomen doet zijn ouderlijk huis hem denken aan een mausoleum. Hij durft niet naar binnen te gaan, want volgens zijn gevoel waren zijn ouders niet begraven op het kerkhof, maar lagen zijn ouders “in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond”.
Hij stapt in de oude Ford van zijn vader en rijdt niet naar het kerkhof om het graf van zijn ouders te bezoeken, maar gaat naar “Miraflores”. Op weg stopt hij bij zijn jeugdvriend Karel die inmiddels districtmeester is geworden. De aanvankelijke amicale sfeer van het gesprek slaat om als Karel opmerkt dat hij graag had gezien dat Frits een schim was gebleven en nu niet in levende lijve voor hem had gestaan met jaloezie opwekkende verhalen over Europa. Deze opmerking schiet Frits in het verkeerde keelgat. Hij breekt het gesprek abrupt af en beent boos weg. Hij stapt in de auto en rijdt weg.Als Frits vertrokken is, vraagt hij zich af of Karel inderdaad zo onvriendelijk was geweest of dat hij misschien woorden had gehoord die nooit zijn uitgesproken, want  behalve zelfmoordneigingen, heeft hij ook  hallucinaties.

Tegen zonsondergang komt hij aan in Miraflores. Rentmeester Wantsjo doet het hek voor hem open. De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”.
Aangekomen bij het landhuis schreide “diep in hem een oude, bijna dode stem” als hij denkt aan zijn moeder die vaak schommelde op het terras van het landhuis. Het gevoel dat hij nooit meer zijn moeder zou zien schommelen op het terras vervult hem van “een grote bijna misselijke leegheid”.
Hij loopt het landhuis binnen. Als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terugmaakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”. Doodsbleek slaat hij de deur van de slaapkamer dicht.“Miraflores” is voor Frits Ruprecht “a trip down memory lane”. Jeugdherinneringen dringen zich op. Hij ziet nog voor zich hoe hij vroeger ging jagen met Karel die hem nu zo vijandig bejegent en hoe zijn nicht met haar helderblauwe ogen en goudkleurige haren hem vaak uitlachte.

Maar vooral moet hij denken aan Maria, de kleindochter van de rentmeester, die samen met hem is opgegroeid en waarmee hij vaak op een bankje in de palmentuin zat te luisteren naar koerende duiven.

 

Hij heeft gehoord dat Maria nu onderwijzeres is in de stad en dat zijn vader  haar opleiding had bekostigd. Hij vindt dat verdacht want waarom zou zijn vader de studie van Maria betalen. “Wat den mens het meest verraadt, blijft nog steeds zijn eigen hart”, merkt hij op. Was zijn vader ook de vader van Maria en niet Theodoor zoals de officiële vader van Maria heet. Ondertussen lijkt hij in het schemerdonker een schim van Maria te zien in het huis, maar dat kan niet, want Maria is onderwijzeres en woont in de stad.

Voor alle zekerheid gaat hij in het achterhuis naar de voormalige slaapkamer van Maria. Tot zijn verbazing is zij daar. Zij is heel blij om hem te zien en zij is na veertien jaar een volwassen vrouw geworden. Maar net als zij intiem worden, klinkt er gerammel aan de voordeur. Frits gaat ontstemd naar de voordeur en treft daar Wantsjo aan. Boos laat hij hem niet uitpraten. “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””  Na deze dramatische anticlimax blijft Frits onthutst en ontnuchterd  achter. En zo heeft hij een zuster gevonden, maar een minnares verloren.[vervolg klik hier]

Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club

Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm

Eerste druk 1935

door Henry Habibe

Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9 november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’  dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.
Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De hoofdpersoon geeft – aldus Debrot – de voorkeur aan een negerin boven de blanke vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij ‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst eigen wijze behandeld.
Editie 1955
In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en  veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’ sprake is.  Hij gaat als volgt te werk. Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’. Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de ‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in  de novelle aanwezig is.
Elfde druk
De spreker meende bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).
Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade (wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (…) Isabel Allende (…) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerinwaarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand  of iets met gloeiende ogen” als hij in Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de hand van sterk hyperbolische elementen.
Derde druk
Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een wishfull thinking van de heer Palm.
Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.

Film over Frank Martinus Arion ook in Den Haag te zien

https://webmail.uva.nl/owa/14.3.174.1/themes/resources/clear1x1.gif
Voor het eerst te zien in Den Haag: de documentaire Frank Martinus Arion: Yu di Kòrsou. Extra film in het programma van Friday Night Unlimited, vrijdag 17 januari, Theater aan het Spui Den Haag. 

Regisseur Cindy Kerseborn maakte een prachtige documentaire over Frank Martinus Arion (Curaçao, 1936), de grote dichter en schrijver van het Nederlands Caribisch gebied, o.a. bekend van de roman Dubbelspel. In de film ziet u behalve de schrijver onder anderen bekende Antillianen als Trudi Martinus-Guda, Omayra Leeflang, Igma van Putte-De Windt, Jos de Roo, Walter Palm en Francio Guadeloupe. De documentaire was de afsluiting van het project Hommage aan Frank Martinus Arion. Cindy Kerseborn maakte met Yu di Kòrsou het tweede deel van haar drieluik over Surinaams-Caribische Nederlandse schrijvers. Voor iedereen die Curaçao, het Papiaments en het werk van Arion kent of wil leren kennen, een absolute aanrader.

Francio Guadeloupe
Aanvang totale programma 20.00 uur.

 

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter