blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Palm Jules de

Literaire middag Dutch Caribbean Book Club

Dutch Caribbean Book Club nodigt u uit voor een literaire middag op zaterdag 9 november 2013 van 12.00 tot 16.00 uur in Theater De Vaillant Den Haag. Heeft u de roman Mijn zuster de negerin van Cola Debrot gelezen? En wilt u deelnemen aan een boeiende discussie waarbij Walter Palm als discussieleider zal optreden? Bezoek dan deze literaire middag.

1e druk van Mijn zuster de negerin (1935)
Ook het boek Bonaire, zout en koloniale geschiedenis van Boi Antoin en Cees Luckhardt komt aan de orde. Cees Luckhardt geeft een lezing hierover. We zullen tevens stilstaan bij het heengaan van Jules de Palm. Alwin Toppenberg zal een ‘in memoriam’ uitspreken. In november bestaat Dutch Caribbean Book Club 1 jaar. We blikken terug op onze activiteiten en kijken vooruit naar onze bijeenkomsten in 2014. Dansgroep Caribbean Dance Flamboyan zal acte de présence geven met dansstijlen als de Seú en de onvergetelijke Remailo.
Aanmelden: dutchcaribbeanbookclub@gmail.com
Toegang: € 5,00
Datum: zaterdag 9 november 2013 van 12.00 tot 16.00 uur
Locatie: Theater De Vaillant, Hobbemastraat 120, 2526 JS Den Haag
Routebeschrijving: http://www.devaillant.nl/over-het-theater/adres-en-openingstijden/item172 Parkeren: In de omgeving van Theater De Vaillant kunt u van 9.00-24.00 uur alleen tegen betaling parkeren. Pinnen of chippen.
Bezoek onze website: www.dutchcaribbeanbookclub.wordpress.com

 

Bij het heengaan van Dr Jules de Palm

door Henry Habibe
 
Op een droevig moment als dit, waarbij een heel dierbaar persoon mij ontvallen is, zou ik het niet willen hebben over zijn vele verdiensten op literair èn taalkundig gebied. Zelf wilde hij niet eens opgebaard worden, maar in stilte gecremeerd. Cola Debrot heeft Jules de Palm ooit getypeerd als een van die auteurs, die de moed weten op te brengen om in alle eenvoud hun ware aard te tonen. Dat is nu weer duidelijk gebleken. Ik probeer dus iets te schrijven dat past bij een meer ingetogen afscheid.
Jules de Palm tussen Henry Habibe (links) en Alwin Toppenberg
Ik heb nogal wat leermeesters gehad. Ook van het soort bij wie je nooit in de klas hebt gezeten. Dat zijn de mensen die je bij gewone gesprekken zo weten te inspireren dat je gefascineerd raakt. Zo’n leermeester was Jules de Palm. Ik moet een eerstejaars of tweedejaars student zijn geweest, toen ik kennis met hem maakte. Ik studeerde toen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en bezocht hem een aantal keren op zijn kantoor in Den Haag. Hij was Directeur van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) en sprak tijdens die bezoeken o.a. ook over zijn Curaçaose jeugd. Zijn naam was ik al eerder tegengekomen in de Antilliaanse Cahiers, waarvan hij in 1956 samen met Cola Debrot en Henk Dennert de redactie vormde. De Palm schreef in 1949-1950 al essays in El Dorado, het maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen. Daarvóór was hij onderwijzer op Curaçao en Aruba.
Jan Engelman en zijn Tuin van eros

 

Direct bij het eerste contact boeide De Palm mij. Hij had, bijvoorbeeld, samen met Pierre Lauffer en René de Rooy liedjes in het Papiaments gecomponeerd. Dat is iets waar men in de beginjaren veertig nog niet over piekerde. Op feestjes werd toen nog geen muziek met Papiamentse teksten gespeeld. Het was een tijd waarin de bevolking  geen waarde hechtte aan de landstaal. Maar het trio zong de liedjes alleen in eigen kring, terwijl er één op een houten kist trommelde. De bedoeling was om zo liedjes, maar ook literatuur in de landstaal voort te brengen en te bevorderen. Jules vertelde ook hoe René de Rooy hem eens verweten had: ‘Jullie hebben een taal, een prachtige taal met rijkdom aan klanken en wat doen jullie ermee?’ Hij vertelde hoe hij samen met Pierre ging luisteren naar native speakers, die deze taal zuiver spraken. Hun Papiaments was nog vrij van lexicale beïnvloeding door het Nederlands (De Palm gebruikte daarbij het woord ‘geïnfecteerd’). Ook hoe Pierre hem af en toe verraste met zijn nieuwe verzen in het Papiaments. De Palm liet soms ook gedichten in het Nederlands horen. Een van zijn favorieten was Jan Engelman (1900-1972). Hij vertelde tevens dat toen Pierre aan zijn vrienden (daartoe behoorde ook Luis Daal) bekend maakte dat hij [Pierre] al een poos bezig was met het schrijven van poëzie in de landstaal, Luis tegen Pierre was  uitgevallen:‘Je onthoudt ons volk iets waar het recht op heeft!’
Huis op Curaçao. Foto @ Bea Moedt
Ik ging graag van Nijmegen naar Den Haag, want er viel in het kantoor van De Palm veel over de cultuur van Curaçao te leren. Als onderwijzer, als taalkundige en als letterkundige had hij interessante dingen te vertellen. Bij een van die ‘tertulia’s’ schonk hij mij een exemplaar van het eerste nummer van Simadan. Op de omslag pronkte een tekening van Chal Corsen: het stelde een hoorn voor, door twee handen vastgehouden en uit die hoorn stroomde het woord ‘simadan’. Ik weet niet hoe het komt, maar dat beeld gebruikte ik later in een van mijn gedichten: ‘for di un kachu, suplá fo’i  un kabés yen di strea….’ (uit een hoorn, geblazen door een kop vol sterren). Omstreeks die tijd begon ik mijn eerste dichterlijke vingeroefeningen op papier te zetten. Op een dag deed ik ze aan Jules toekomen met de vraag wat hij ervan vond. De Curaçaose onderwijzer, die mij zo geboeid had met zijn spannende verhalen, gaf me toen voor ieder gedicht een cijfer. Nog wat later schreef hij met betrekking tot die eerste pennenvruchten: ‘Persoonlijk verwacht ik heel veel van de jonge, nog vrij onbekende dichter Habibe……’ Het behoeft dus niet te verbazen dat ik mijn veel later in het Papiaments geschreven gedicht, ’Papiamentu na kaminda’ (Papiaments onderweg) opgedragen heb aan……Julio Perrenal. Ik wilde de man, van wie ik zoveel geleerd had, eren en via hem óók Pierre Lauffer en René de Rooy. Ik had, na de jaren zestig, regelmatig nog contact met Jules. Wij correspondeerden bij tijd en wijle met elkaar.
Antilliaanse studente aan de Rotterdamse balletacademie

 

In 1992 werd Dr De Palm door de overheid uitgenodigd om op de middelbare scholen iets voor de leerlingen op zijn geboorte-eiland te doen. Op drie van die scholen heeft hij lezingen gehouden. Hij heeft daarbij o.a. over zijn boezemvriend Pierre Lauffer gesproken. Tot zijn grote verbazing constateerde hij dat Lauffer bij de leerlingen niet bekend was. De man, die zijn gehele leven zijn best gedaan heeft voor het onderwijs op Curaçao (proefschrift: Het Nederlands op de Curaçaose school, 1969) en het culturele zelfbewustzijn van zijn eiland, werd anno 1992 geconfronteerd met scholieren die niets meer wisten over Julio Perrenal. Om maar te zwijgen over de nationale dichter van het eiland! De Palm: ‘Nota bene, de man die zijn Bloemlezing Di Nos had opgedragen aan de jeugdvan Bonaire, Curaçao en Aruba!’
Antilliaanse studenten in een sociëteit in Nederland
In de jaren negentig werd het contact met Jules moeilijker vanwege zijn blindheid. Hij leefde teruggetrokken. Hij wenste geen telefoontjes meer te ontvangen en had dan ook een geheim nummer. In 1993 schreef hij: ‘Ora bo yega Ulanda, si no ta muchu molèster, skirbi mi un kartika, duna mi bo adres i number di telefòn, anto ami lo kontakt bo (Als je in Nederland aankomt en het niet te lastig is, stuur me dan een briefje en geef me je adres en telefoonnummer, dan zal ik je wel bellen). Het lukte mij een hele tijd niet meer (gedurende het eerste decennium van de 21ste eeuw) contact met hem te maken. Totdat Alwin Toppenberg (klasgenoot uit mijn Arubaanse Mulo-tijd), mij de weg naar Jules de Palm wees. Wij hebben hem in 2012 samen een bezoek gebracht. Hij was het gezichtsvermogen helemaal kwijt, maar zijn geheugen was voortreffelijk. Ik heb hem daarna nog twee keer bezocht: op Kerstdag 2012 en met Pasen 2013. Op 28 september jl. reed ik in de tram langs ‘Bosch en Duin’ en dacht ik meteen weer aan hem. Van Alwin Toppenberg vernam ik dat hij op 30 september overleden is. Sosegá na pas, Maestro Jules!

In Memoriam ‘Julio Perrenal’

door Fred de Haas
Jules de Palm. Foto Jan van der Weerd

 

Even heb ik geaarzeld om bovenstaande titel te hanteren voor de woorden die ik zou willen wijden aan het overlijden van de heer dr Jules de Palm die voor vele Antillianen op zoveel gebieden een lichtend voorbeeld is geweest. Van verschillende kanten heeft men de overledene terecht veel lof toegezwaaid. Mij rest nog de poging om in de marge van zoveel Antilliaanse lof iets toe te voegen aan de woorden die reeds aan Jules de Palm zijn gewijd.
Jules de Palm en het Onderwijs
Jules de Palm was op de eerste plaats iemand die zich al vroeg bezighield met de plaats van het Nederlands in het Antilliaanse onderwijs, het Nederlands dat voor menig Antilliaans kind een bijna onoverkomelijk struikelblok zou blijken.
Jules leefde mee met het arme Curaçaose kind dat op school onverhoeds werd ondergedompeld in een wezensvreemde taal die het binnen zou leiden in een volslagen onbekende, beangstigende wereld. Hij begreep de onzekerheid en gevoelens van minderwaardigheid die de vanzelfsprekendheid van het Nederlands als taal van instructie met zich meebracht, hij begreep de voortschrijdende vervreemding van de Antilliaanse psyche, de aanval op de geest van al die kinderen die door de koloniale geschiedenis werden gedwongen een strijd aan te gaan die ze wel móesten verliezen, geïsoleerd als ze waren van de voedende taalbron die de Nederlandse kinderen in hun vaderland altijd ter beschikking stond, gedoemd om altijd fouten te maken, al deden ze nóg zo hun best. Voeg daarbij de historisch lange afwezigheid van enige doordachte taalpolitiek en een, op zijn zachts gezegd, omstreden didactiek in het onderwijs en het rampzalig plaatje is compleet.
Maar Jules was er de man niet naar om zijn frustraties hierover op een onbeschaafde manier uit te dragen en het daarbij te laten. Velen op het eiland kunnen nog steeds een voorbeeld aan hem nemen! Hij besloot om verder te studeren en in een proefschrift (Groningen, 1969) te onderzoeken hoe het met dat onderwijs in het Nederlands op Curaçao gesteld was. Het is nog steeds leerzaam om de pagina’s die hij heeft gewijd aan de vele aspecten van het Nederlands en het onderwijs in het Nederlands op de Benedenwindse eilanden te lezen. Ze zijn nog altijd erg actueel.
Meer dan veertig jaar geleden maakte Jules een analyse van de fouten die kandidaat-bursalen zoal in het Nederlands plachten te maken. Op deze plaats moet ik volstaan met te zeggen dat de fouten die hij signaleerde meestal het gevolg waren van de invloed van de moedertaal: het Papiaments. De fouten betroffen het verkeerd gebruik van lidwoorden, persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, vervoegingen, woordvolgorde, voorzetsels, bijwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, spelling en nog enkele zaken.
Frustratie en gevoelens van minderwaardigheid waren het gevolg van dit voortdurend falen. En dit gevoel van permanente mislukking werd onbewust gecontinueerd door de in het onderwijs toegepaste en van Nederland gekopieerde didactiek die geen rekening hield met het feit dat Antilliaanse kinderen uit een totaal andere leef- en taalwereld kwamen. Men zag ze kennelijk – ook met de beste intenties –  als ‘minder taalvaardige Nederlandertjes’. Op school bereikte de frustratie een hoogtepunt omdat de kinderen hun moedertaal niet móchten spreken en de vreemde taal – het Nederlands –  niet kónden spreken.
Sindsdien is er veel gebeurd. Er heeft een grote kentering plaatsgevonden in het denken over de functie van het Papiaments in het onderwijs en de rol van het Nederlands binnen de Curaçaose samenleving. Veranderde inzichten hebben geleid tot het gebruik van de moedertaal in het onderwijs waarmee in 2002 officieel een begin werd gemaakt in het kleuter- en basisonderwijs.
Julio Perrenal
Maar wat heeft ‘Julio Perrenal’ met dit alles te maken?
Veel. Maar op zijn minst 1/3! Want in zijn jonge jaren maakte Jules de Palm deel uit van het pas veel later bekend geworden driemanschap ‘Julio Perrenal’.
‘Julio Perrenal’ was een naam die René de Rooy had gedistilleerd uit de letters van de namen Pierre (Lauffer), René (de Rooy) en Jules (de Palm). Colá Debrot, schrijver en oud-gouverneur van de toenmalige ‘Nederlandse Antillen’ heeft dit geheim ooit onthuld.
Pierre, Jules en René vonden dat er in de jaren veertig – de Tweede Wereldoorlog was in volle gang in Europa –  alle reden was om een tegenwicht te bieden aan de overheersende Zuid-Amerikaanse, Amerikaanse en Nederlandse liedcultuur door originele teksten te schrijven in het Papiaments en originele melodieën te creëren op Antilliaanse ritmes.
De drie jongens waren toen iets ouder dan 20 en enthousiaste liefhebbers van hun moedertaal.
Alle drie spraken ze voortreffelijk Nederlands – met dank aan de Hollandse fraters – en kenden vele verzen van Nederlandse dichters uit hun hoofd. Net als vele anderen zongen ze ook Nederlandse liederen als ‘De paden op, de lanen in’, liederen die nu eenmaal hoorden bij het cultureel Nederlands-Antilliaanse erfgoed van de jaren ’40. Zij spraken voortreffelijk Papiaments, hun moedertaal, en hadden notie van de Spaanse literatuur.
Het driemanschap moest wel wat moeilijkheden overwinnen om de taak die zij zichzelf hadden gesteld enigszins plausibel te kunnen uitvoeren. Een van de grootste obstakels op hun muzikale weg was dat zij de kunst van het muziekschrijven niet beheersten en de melodieën die ze verzonnen steeds weer moesten herhalen totdat zij ze uit hun hoofd kenden.
Maar zo maakten ze dan toch een aantal leuke liedjes, waarvan de versregels….. rijmden. Dat was een wens van Jules de Palm die vond dat rijm hielp om de liedjes beter te onthouden. Pierre Lauffer was geen voorstander van rijm. In het liedje ‘Nèshi di Maribomba’ (Wespennest) dat hij alleen heeft geschreven is het rijm dan ook afwezig. Maar Jules had natuurlijk wel gelijk. Liedjes op rijm zijn makkelijker te onthouden. Alleen was Pierre Lauffer zich er (onbewust) van bewust dat het Papiaments zich niet zo goed leende voor rijm. Het hoorde niet bij de taal. Het Papiaments moest het nu eenmaal hebben van melodie en ritme, de twee onmiskenbare steunpilaren van het Creoolse lied!
De Creoolse liedjes
In 1943 mocht ‘Julio Perrenal’ hun liedjes laten vertolken voor Radio Curom op Curaçao. Maar het trio dat de liedjes zou uitvoeren liet verstek gaan. In arren moede hebben Pierre, René en Jules toen zelf de liedjes maar gezongen met begeleiding van een gitarist die toevallig was op komen dagen. Die uitvoering is toen geen succes geworden en de liedjes raakten in de vergetelheid totdat ze werden herontdekt in de jaren ’70 en op notenschrift vastgelegd door de – inmiddels ook overleden –  Curaçaose musicus (bassist, gitarist) Julian Coco.
In 1979 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bijtoen eindelijk het boekje ‘Julio Perrenal’, waarin Jules de Palm onderhoudend vertelt over de vriendschap tussen hem, Pierre Lauffer en René de Rooij.
Merengue Merikano
Een van de eerste liedjes die door het driemanschap werd gemaakt was de ‘Merengue Merikano’ op een ritme dat het midden houdt tussen een Venezolaanse merengue en een Antilliaanse tumba. Dit liedje is bekend geworden onder de naam ‘Shon Ca’ (= juffrouw Carmencita). In dat liedje wordt de Curaçaose meisjes verweten dat ze liever omgingen met de Amerikaanse militairen die na 1942 ter bescherming van de bevolking op Curaçao verbleven dan met de lokale jongens. Ze gaven de voorkeur aan ‘Bill’ boven ‘Colá’, maar vergaten dat na de oorlog Bill zou vertrekken en dat Colá zou blijven:
Merengue Merikano
M’a tira un tek na Punda
I topa ku Shon Ca
Ta kròs un Merikano
Un tersio bon zetá
Komo mi sa di djele
M’a keda babuká
Ta kiko Carmencita
B’a kibra ku Colá?
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Colá a subi warda
Ku kurason trankil
Sin pensa ni un momentu
Ku Carmen ta ku Bill
Ma guera ta bai kaba
Su chòmi ta bai kas
Shon Cá ku su fantochi
Gañá lo keda tras
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Julio Perrenal
Yankee Merengue
Ik wandelde naar Punda
en stootte op Shon Ca,
die pronkte met een Yankee
zo zat als een garnaal.
Omdat ik haar goed kende
wist ik niet wat ik zag:
is het dat Carmencita
Colá niet langer mag?
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Colá die ging op wacht staan,
zo rustig en zo stil.
Hoe kon hij ook bedenken:
‘mijn Carmen is bij Bill’?
De oorlog gaat ook over,
haar vriendje gaat naar huis…
Shon Ca komt met haar ‘air’ van
een koude kermis thuis!
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Vertaling: Fred de Haas
Curaçaoënaar. Foto @ Bea Moedt
 
Skuridat
Een ander liedje dat ze met hun drieën maakten was ‘Skuridat’ (= Verduistering), een Curaçaose wals. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten ook op de Antillen de ramenworden verduisterd met zwarte houten schotten omdat de regering bang was voor nachtelijke vijandelijke aanvallen.  Dat belette echter niet dat de mensen ’s avonds gezellig voor hun donkere huisjes zaten te praten. De jongelui maakten ook graag gebruik van de duisternis om van de sociale controle af te zijn. Helaas sloegen ook straatrovers hun slag in het donker en de chauffeurs reden roekeloos omdat ze niet betrapt konden worden op verkeersovertredingen. In het laatste couplet worden Hitler, Mussolini en de Japanse keizer Hirohito verwenst.
Skuridat
Awor ku lus a disparsé
Kòrsou a bira trist’unbé
I hendenan ta kik fadá
Ku nan bentananan será
Si bo ke dal un keiru afó
Ai perkurá no bai bo so
Pasobra tin hende golos
Ku ke hòrta bo kos
I si bo dal un stap robes
Tin risk’i kibra bo kabes
Chofùrnan tur ta bon purá
I abo pober ta matá
Si bo ke pasa un ratu bon
Pasa den alameda, shon,
Pa gosa señoritanan
Ta namorá nan yònkuman
Mas hopi kos a sosodé
Awor ku lus no ta sendé
Ta ken lo por a pensa esei
Promé ku guera t’ei
Ai, mare Dòis por spat mañan
Benito hoga den laman
Hirohito haña ki ku ta
Pa nos por biba sosegá
Uit: Julio Perrenal
Verduistering
Nu al het licht verdwenen is
en iedereen vol ergernis,
lijkt Curaçao wel een gesticht
met alle ramen stevig dicht.
En wil je dan toch ergens heen,
ga dan maar liever niet alleen!
Ook boeven gaan er graag op uit,
beschouwen je als buit.
En als je struikelt, wee, o wee!
riskeer je er je leven mee,
want wegpiraten hebben haast:
het is de dood die op je aast!
En als je toch iets leuks wilt doen,
ga dan maar naar het Stadsplantsoen,
dan zie je meisjes ’s avonds laat
nog met hun vriendjes over straat.
En, o, wat is er veel geschied
– want al dat licht dat was er niet –
Wie zou dat ooit hebben gedacht
lang vóór die Oorlogsnacht!
O, Adolf, spring toch in de plee!
Verzuip, Benito, in de zee!
Hirohito, krijg het apezuur!
Dan keert de rust weer op den duur.
Vertaling: Fred de Haas
Beste Jules, je bent nu met je vrienden verenigd. Bai tira un tèk na Punda celeste!
Nederland
Oktober 2013

In Memoriam Jules de Palm

door Jos de Roo

Het is nauwelijks voor te stellen dat Jules de Palm is overleden. Hij was iemand die er altijd was en waarvan ik het idee had dat hij er ook altijd zou zijn. Dit gevoel had natuurlijk met zijn leeftijd en zijn alomtegenwoordigheid te maken.

Jules de Palm. Foto © Carilexis /Aart G. Broek

De Palm was geboren op Curaçao in 1922. Op vele terreinen was hij actief: als literator, als recensent, als bestuurder van Sticusa, als neerlandicus, als hoofdredacteur van de Encyclopedie van de Nederlandse Antillen, en als toezichthouder op Curaçaose bursalen. In die laatste functie leerde hij talloze studenten kennen en van hen hoorde ik voor het eerst wat voor man Jules de Palm was: een geestige man, altijd vol anekdotes, grappen en een wandelende boekenkast. Dat beeld klopte, zo bleek me toen ik hem ontmoette. Maar hij bleek ook een andere kant te hebben. Hij probeerde je nieren te proeven door plaagstootjes te plaatsen om zo te zien hoe je zou reageren. Wetend dat ik recenseerde, zei hij bijvoorbeeld dat hij niet zo’n hoge pet op had van recensenten. Mijn antwoord dat zij als luizen afhankelijk zijn van de pels van schrijvers, beviel hem wel als auteur. Toch had de situatie een dubbele bodem: Jules de Palm was om zo te zeggen pels en luis tegelijk.

Deze speelse zelfspot kenmerkte ook zijn literair werk, waarvan de verhalenbundels Antiya (1981), Kinderen van de fraters (1985) en Lekker warm, lekker bruin (1989) de bekendste zijn. In zijn verhalen is de ik-figuur (vaak een alter ego van de schrijver), meestal ironisch over zichzelf: hij handelt niet adequaat in maatschappij die andere regels hanteert dan hij. Het levert komische situaties op. In zijn bekendste verhaal ‘De Kerstcakes van Sjon Keta’ bijvoorbeeld wil de jonge padvinder goed doen door cakes aan behoeftige mensen te geven, maar zij willen de cakes niet accepteren omdat hij hen niet op de juiste manier benadert. Als zijn moeder vervolgens laat zien hoe hij het wel had moeten doen, vliegen de cakes weg. Het verhaal is niet voor niets zo populair: het geeft een levendig humoristisch beeld van het Curaçaose volksleven. Maar onder de humor en de ironie gaat maatschappijkritiek schuil. Het verhaal laat ook zien dat de Curaçaose maatschappij volgens de schrijver wordt geregeerd door wantrouwen, conservatisme en achterdocht. Idealisme heeft er geen kans.

Pierre Lauffer

De verhalen van Jules de Palm zijn vanuit dit gezichtspunt veel meer dan mooi vertelde anekdotes die gaan over botsingen tussen culturen waarbij mensen (onbedoeld) bokken schieten door hun onwetendheid. Door zijn speelse maatschappijkritiek is zijn hoofdmotief de botsing tussen conservatieve traditionele opvattingen die geen ruimte bieden aan idealisme, en de vernieuwende opvattingen van een jonge generatie. Dit zat in 1943 al in de liedjes die hij samen met zijn vrienden Pierre Lauffer en René de Rooy schreef onder het pseudoniem Julio Perrenal. Jules de Palm heeft er een boekje over geschreven: Julio Perrenal; Dichters van het Papiamentse lied. Hij vertelt hierin dat met de liedjes tegenwicht wilden bieden aan de Spaanse en Engelse succesliedjes uit die tijd. Dat ze voor het Papiaments opkwamen is ongetwijfeld waar. Maar niet waar is de suggestie dat zangers om deze reden weigerden de liedjes voor de radio te zingen. Ze wilden niet omdat het lofliederen waren op het modernismo. Zij propageerden een leven met snelle auto’s, drank en seks, wat helemaal inging tegen de heersende, in het openbaar algemeen omarmde katholieke moraal. Dat dit aspect niet door Jules de Palm helder naar voren is gebracht, maar slechts indirect werd aangeduid, is typerend voor de dubbelheid die de combinatie van speelsheid en kritische instelling bij hem teweeg bracht.

Jules de Palm is literair in het Caribisch gebied een voorloper geweest met de creatie van de moeder als symbool voor behoudzucht. Pas door Jamaica Kincaid werd de Caribische moeder uitgebeeld als iemand die weliswaar zorgt voor haar kinderen, maar hen ook door die zorg verstikt. Dat is precies wat de moederfiguur in de verhalen van Jules de Palm doet: zij verstikt idealen en verspert nieuwe wegen. Men kan wellicht denken dat Jules de Palm deze visie na 1949 in Nederland opdeed tijdens zijn studie daar. Maar zijn verhalen vertellen iets anders. Als kind mocht hij niet meespelen met de wilde spelletjes van jongens omdat hij een bril droeg. Hij zocht zijn heil in boeken en in die jeugdboeken werden helden met idealen uitgebeeld. Dat inspireerde hem.

De laatste keer dat ik Jules de Palm uitvoerig sprak was in de zomer van 2006. Op zijn verzoek zou dit gebeuren in een restaurant bij het station Den Haag Centraal. Toen ik er kwam, bleek het al jaren gesloten te zijn. Op de plek zat Jules in een taxi op me te wachten. We gingen dan maar naar een broodjeszaak. Ik moest hem letterlijk bij de arm nemen, want hij was inmiddels blind geworden. Toen hij eenmaal veilig op een stoel zat, ging hij er echt voor zitten. Ik wilde hem een aantal conclusies voorleggen die ik had getrokken uit onderzoek naar zijn bijdragen aan de Wereldomroep. Klopte het dat zijn nawoord in Antiya uit zijn duim was gezogen, omdat hij een aantal verhalen niet had geschreven op verzoek van zijn vrouw, maar op verzoek van de Wereldomroep? Jules was verbaasd dat ik daar achter was gekomen en schepte ook genoegen in deze onthulling. Klopte het ook dat hij zich een keer in zijn eentje als Julio Perrenal had voorgedaan bij een optreden met het orkest de Zapatera’s? Ook dat klopte. Waarom schiep hij toch zo’n genoegen in dergelijke mystificaties? Daarop kwam geen antwoord.

Des te uitvoeriger gaf hij commentaar op wat ik zei over de rol van de moeder in zijn verhalen. Zijn idealen waren inderdaad ingestoken door de jeugdboeken die hij had gelezen en door de padvinderij. Van beide moest zijn moeder niets weten. En hij ging door: “Toen ik coördinator toezicht bursalen was, kwam ik geregeld op Curaçao. Thuis hadden een paar mensen het een keer over het toekennen van beurzen. Zij beweerden dat je politieke vriendjes moest hebben om er eentje te krijgen. Ik ging daar tegenin, want ik meende dat ik daar als coördinator toe gerechtigd was. De mannen meesmuilden. Toen ze weg waren, zei mijn moeder: ‘Jongen, hoe kan je dat nou zeggen, het is toch allemaal bedisseld.’ Terwijl ik er middenin zat!” Ik hoor nog de afschuw in zijn stem waarmee hij dit zei, zonder een spoor van ironie. Het deed hem nog pijn. Toen begreep ik waarom hij zijn proefschrift had opgedragen aan zijn Nederlandse hospita.

Jules de Palm leeft voort in een oeuvre dat weliswaar klein is, maar een heel eigen geluid heeft: speels, kritisch, humoristisch. Hij vernieuwde met traditionele middelen. Achter zijn lach schuilt de verontwaardiging om onbegrip in zijn jeugd.

Jules de Palm (1922 – 2013)

door Alwin Toppenberg

Met innig leedwezen bericht ik u dat op maandag 30 september 2013 – op 91-jarige leeftijd – van ons is heengegaan: dr. Julius Philip de Palm. Conform zijn wens, zal hij niet worden opgebaard en later deze week in stilte worden gecremeerd. Er komt een algemene advertentie in het AD en in het NRC. Er is geen behoefte aan bloemen of rouwbeklag.

Jules de Palm © Aart G. Broek

Jules de Palm, de schrijversnaam van Julius Ph. de Palm, geboren op 25 januari 1922 in Curaçao, studeerde Nederlands aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag en aan de Universiteit Leiden waar hij in 1969 promoveerde tot Doctor in de Nederlandse Taal- en Letterkunde op het onderwerp: Het Nederlands op de Curaçaose school.

In zijn jonge jaren heeft hij samen met Pierre Lauffer en René de Rooy, onder het pseudoniem Julio Perrenal, getracht het Papiamentu te promoten door het componeren van Curaçaose liedjes zoals “Shon Ca”.

Jules was jarenlang vice-voorzitter van Sticusa. Hij was de grondlegger van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) waar de bursalen van het toenmalige eilandgebied Curaçao werden ondergebracht. Vanaf 1959 tot aan zijn pensioenering in 1982 was hij hoofd van het CBTCB.

De Arubaanse perioden

Als jong afgestudeerde onderwijzer is Jules, na zijn overplaatsing naar Aruba, tewerkgesteld op de Benardschool in San Nicolas van 1942 tot 1948. Het is in deze tijd dat hij de harten van de bewoners van het toenmalige “Village” heeft veroverd. Vermeld dient te worden dat Jules de Palm in deze periode vriendschap voor het leven heeft gesloten met de heer Cornelius Albert Eman, beter bekend als Shon A. Shon A was de zoon van de heer Henny Eman, de oprichter en leider van de Arubaanse Volkspartij (AVP). De huidige minister-president, de heer Mike Eman, is de jongste zoon van Shon A.

De tweede periode die Jules de Palm heeft gewoond en gewerkt in Aruba is in het schooljaar 1954-1955. Jules, die net zijn Kandidaatsexamen met goed gevolg heeft afgelegd, is vanuit Nederland gecontracteerd om les in het vak Nederlands te komen geven aan het Maria College, een katholieke meisjesschool. Het Maria College werd toen geleid door de strenge directrice zuster Dorethea, onder de leerlingen beter bekend als zuster Dòdò.

Jules de Palm, ets, 2010 © Bert Kienjet

Het is in deze periode dat de naam van meneer De Palm groeide onder de jongedames in Aruba. Dit kwam omdat Jules de Palm het aandurfde een beslissing van zuster Dorothea te kritiseren en opkwam voor de belangen van de jongedames op het Maria College. Zoiets was nooit eerder voorgekomen! Het optreden van meneer De Palm heeft er toe geleid dat de meisjes hem in hun harten sloten!
Ondergetekende, die toen in de 10e klas van het Sint Dominicus College zat en in dezelfde wijk Companashi woonde vlakbij Jules die bij zijn broer Ro verbleef, was erg trots te horen van zijn leraar Nederlands de heer De Rijt, dat Jules de Palm – op dat moment – voor het vak Nederlands de intelligentste persoon was van Aruba. Immers hij had Kandidaats Nederlands.
Later, toen ondergetekende in Nederland kwam studeren, was Jules de Palm de nestor onder de Antilliaanse studenten (in die tijd had Aruba nog geen Status Aparte). In 1980 had ondergetekende de eer door Jules de Palm gevraagd te worden om – als eerste Arubaan – studiementor te worden van de Curaçaose Bursalen van het CBTCB.

Tijdens het verblijf van Jules, die inmiddels 100% visueel gehandicapt was, eerst in het Lozerhof en vervolgens in Bosch en Duin, was het ondergetekende degene die tot het laatst – samen met Jorge Labadie Solano – Jules bleven bezoeken. Jorge las hem zelfs vaak voor.
Ondergetekende heeft in deze periode veel genoten van de uren die hij met Jules doorbracht. Vooral van de verhalen die Jules vertelde over hetgeen hij heeft meegemaakt met Pierre Lauffer en met doctor Da Costa Gomez. Eén van die verhalen met Pierre Lauffer ging over frater Franciscus. Door de combinatie van de klassen zaten Pierre en Jules samen in dezelfde klas waar zij genoten van de gedichten die werden voorgedragen door frater Franciscus. Het gebeurde vaak dat frater Franciscus in tranen uitbarstte als hij een gedicht voordroeg. Hierdoor gaven zij hem de troetelnaam: “Cobito”. Echter als frater Franciscus die behalve Nederlands ook andere vakken gaf, een onvoorbereide schriftelijke overhoring uitdeelde, dan was hij geen “Cobito” meer maar kreeg hij de bijnaam “Kobus”. (Ta ki Kobus ta haci ku nos aki?) Jules vertelde dat doctor Da Costa Gomez altijd je naam in verkleinde vorm gebruikte als hij je wilde paaien. Voor Jules was het: (“Palmito, Palmito tin rason”).

Wij verliezen in Jules de Palm een groot leermeester, mentor en raadgever maar bovenal iemand met een grote persoonlijkheid, die altijd klaarstond om de student te helpen. Dat hij zo bescheiden is, typeert het volgende: Toen Jules 90 werd en ondergetekende hem meedeelde dat deze leeftijd niet niks was, antwoordde hij: “Ja maar Johan Heesters (een Nederlandse operazanger, AT) is 108 jaar geworden.”

‘Wereldomroep bood uniek podium Caribische schrijvers’

Jos de Roo; foto @ Michiel van Kempen

Het is onderbelicht tot nu toe. Maar de Wereldomroep bood in de jaren vijftig van de vorige eeuw een uniek podium voor Caribische schrijvers. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Jos de Roo, oud-medewerker.

Het is bijna ongelooflijk wat er gebeurde tussen 1949 en 1957, zo constateert De Roo, terugblikkend. In die jaren werden maar liefst 258 literaire bijdragen uitgezonden, speciaal geschreven voor de Wereldomroep. Vaak, heel vaak in de eigen taal. Het Papiaments of het Sranantongo. “Daarmee deed de Wereldomroep meer dan welk literair tijdschrift in Suriname of op de Antillen. Waarmee de Wereldomroep historisch gezien de belangrijkste promotor was van het schrijven van Surinaamse en Antilliaanse auteurs”, aldus De Roo.
J. van de Walle

De literaire bijdragen waren een idee van de eerste chef van de Westindische afdeling (zoals de Caribische afdeling toen heette), Jo van der Walle. De chef die volgens Jos de Roo een ‘eigen invulling’ gaf aan de belangrijke opdracht die de Wereldmroep destijds had: ‘geef een beeld van Nederland’. “Hij liet dat beeld geven door studenten uit Suriname en de Antillen, vaak dus in hun eigen taal. De herkenbaarheid voor de luisteraars was daarmee natuurlijk veel groter dan dat je een Nederlander laat vertellen welk beeld hij van Nederland heeft.”

Jules de Palm
Voor tal van (beginnende) schrijvers bleek de literaire bijdrage van toen een opstapje naar een carrière. De Roo noemt de namen van John Leefmans, Frits Mol, Jules de Palm, Boeli van Leeuwen, Raul Römer, Henk en Hubert Dennert. Maar hij kan die lijst moeiteloos uitbreiden. Ga maar na: 258 literaire bijdragen. 258 keer aandacht voor ‘orale literatuur’, ‘iets wat in die tijd nauwelijks gebeurde,’ aldus de aanstaande promovendus.

Boeli van Leeuwen; foto @ Nicolaas Porter

Achteraf is bij sommigen de indruk ontstaan dat de Wereldomroep daarmee een ‘koloniaal’ beleid voerde. De Roo: “Dat beeld is pas later ontstaan. Als je nagaat dat de Surinaams nationalistische beweging een maandelijks programma had wat ze zelf vulden – en daarmee hun ideeën verspreidde naar Suriname – in de tijd dat diezelfde beweging door de veiligheidsdienst en de Surinaamse veiligheidsdiensten in de gaten werd gehouden als bedreigend voor de status quo – dan zie je dat dat stempel van kolonialisme onterecht was. Hij (Van der Walle, red.) gaf juist het woord aan mensen die tegen het kolonialisme streden. Dat blijkt ook uit de taalkeuze. De mensen waren vrij in het gebruik van de taal.”

Podium
Het is volgens de Roo ‘koffiedik kijken’ of veel schrijvers uiteindelijk ook zonder de Wereldomroep als podium waren doorgebroken. Al denkt hij van wel, bijvoorbeeld bij Boelie van Leeuwen of Jules de Palm. “Het verbaast me dat die vraag wél bij de Wereldmroep gesteld wordt en niet als het gaat om het bestaansrecht van literaire tijdschriften. Het belangrijkste is dát er een podium was en dat daar flink gebruik van gemaakt werd.”

Jos de Roo in gesprek met Désirée Martis, klik hier
[RNW, 24 september 2012]

Pierre Lauffer – Mi ta kansa/Ik ben moe

Ora boso kaba benta tera
riba mi i tapa mi buraku,
no keda para spera
ningun diskurso o ko’i makaku
di kwalke komediante
ku ke hasi su mes interesante.
Bai. Bai lew, lagami so.
Mi ta kansá,
lagami sosegá.
Mi n’ ke pa boso planta
palu di tamarein na mi kabes
pa ‘nami sombra. Páranan lo kanta
den su ramanan pa boso mes.
No buta na mi túmba ningun flor,
mi no por gosa mas nan dushi oló.
Bai. Bai lew, lagami so.
Mi ta kansá,
lagami sosegá.
Ku mi mundu a hunga basta
te ku di mi el a bira fastioso.
Pesei mi n’ke pa boso para trasta
na mi túmba ku lagrimanan mentiroso.
Awor marinero a bolbe di lamán,
p’e no barka mas mañan.
Bai. Bai lew, lagami so.
Mi ta kansá,

 

lagami sosegá.
[uit: Kennismaking met de Antilliaanse poëzie, 1973]
Als jullie dan eindelijk aarde
op mij hebben gegooid
en de kuil is dicht,
blijf dan niet staan wachten
op een toespraak of aanstellerig gedoe
van de een of andere komediant
die zo nodig interessant
moet doen.
Ga weg. Ga ver weg. Laat me alleen.
Ik ben moe,
laat me rusten.
Ik wil niet dat jullie aan mijn hoofdeinde
een tamarinde-boom planten
om mij schaduw te geven. De vogels
zullen in zijn takken toch alleen maar
voor jullie zingen.
Op mijn graf wil ik geen enkele bloem:
ik kan van haar zoete geur
niet meer genieten.
Ga weg. Ga ver weg. Laat me alleen.
Ik ben moe,
laat me rusten.
De wereld heeft met mij
al zo lang gesold,
dat-ie mij meer dan zat is.
Daarom wil ik niet dat jullie
met geveinsde tranen
aan mijn graf staan.
Nu is de zeeman teruggekeerd van zee
om morgen niet meer uit te varen.
Ga weg. Ga ver weg. Laat me alleen.
Ik ben moe,
laat me rusten.
[Vertaling: Jules de Palm]

Jules de Palm

Portret van de Antilliaanse schrijver Jules de Palm, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 100 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Mystificaties van Jules de Palm

Jules de Palm, Pierre Lauffer, René de Rooy

door Jos de Roo

De Curaçaose schrijver Jules de Palm (1922) staat vooral bekend als een humoristische verhalenverteller die met de nodige zelfspot een mild ironiserend beeld geeft van de Curaçaose maatschappij en van de Curaçaoënaars in Nederland. Bij mijn onderzoek naar de bijdrage van de Wereldomroep aan de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur stuitte ik in het draaiboekenarchief op een aantal bijdragen van hem, stammend uit de jaren 1952 – 1957, die duidelijk maken dat hij ook een liefhebber is van literaire mystificaties. Eigenlijk was hij dat al vanaf het begin. In 1943 gaf hij samen met zijn vrienden Pierre Lauffer en René de Rooy de Cancionero papiamento no. 1 uit, bestaande uit tien Papiamentstalige liedjes. Ze gebruikten het pseudoniem Julio Perrenal. Ze hadden de liedjes gemaakt, omdat ze het beu waren dat de amusementswereld alleen Spaans- en Engelstalige liedjes gebruikte. Hierover publiceerde De Palm in 1979 het boek Julio Perrenal; Dichters van het Papiamentse lied, waarmee hij deze liedjes volgens Aart Broek de Antilliaanse literatuurgeschiedenis binnendroeg.

De Palm beschrijft dat de liedjes aanvankelijk geen waardering kregen: musici weigerden Papiamentstalige liedjes te zingen. Ook suggereert hij dat het niet bekend was wie er achter het pseudoniem Julio Perrenal schuil gingen. Zo presenteert hij deze schuilnaam als een mystificatie voor de werkelijke makers. Hij haalt René de Rooy aan die vertelde dat een bandleider die succes met een van hun liedjes had “na afloop van het stuk met bescheiden trots bekend maakte, dat dit nieuwe lied “Sjon Ca” genaamd, een eigen compositie was”. Doordat Cola Debrot in 1949 bekend maakte welk driemanschap achter  het pseudoniem schuil ging, kwam er volgens De Palm een einde aan de Perrenal-mystificatie. Tegelijkertijd schiep hij volgens mij een nieuwe, namelijk dat tot 1949 onbekend was wie achter de naam Julio Perrenal schuil gingen. De Palm zelf reikt in zijn relaas hiervoor de argumenten aan. Voor de uitgave van hun liedjes moesten ze winkeliers benaderen die in hun bundeltje wilden adverteren. Ook hadden ze geregeld dat het radiostation Curom de liedjes zou uitzenden en voor die uitzending hadden ze musici nodig die ze zelf regelden. Toen het puntje bij het paaltje kwam, weigerden de musici de tekst te zingen, zodat ze dit zelf moesten doen. Ook uit andere elementen uit De Palms relaas wordt duidelijk dat het niet anders kan dan dat in een kleine gemeenschap als Curaçao al vanaf het begin bekend was wie achter de naam Julio Perrenal schuil gingen. De conclusie is dat niet het kiezen van de naam Julio Perrenal de mystificatie is, maar het verhaal van De Palm dat pas Cola Debrot bekend maakte hoe het met die naam zat.

 Uit het archief van de Wereldomroep blijkt een tweede mystificatie. Op zaterdag 17 april 1954 droeg Jules de Palm in de uitzending twee gedichten van hem voor, waaronder ‘Rabia’ dat Pierre Lauffer 17 jaar later opnam in zijn anthologie Di nos. De mystificatie die dan plaats vindt is dat werd gedaan alsof ‘Rabia’ voor het eerst werd gepubliceerd in Di Nos. Telkens als Lauffer een stuk opneemt dat eerder was gepubliceerd, vermeldt hij consciëntieus de bron, maar bij ‘Rabia’ wordt de Wereldomroep niet als bron vermeld, er staat er helemaal geen. De Palm heeft kennelijk verzwegen dat hij het gedicht eerder had gepubliceerd. Hetzelfde is het geval met het verhaal ‘Toni Gonsales’, waarvan ook werd gedaan of het voor het eerst in Di Nos werd gepubliceerd, maar dat Jules de Palm voor de Wereldomroep had geschreven. Op 20 augustus 1956 werd het al uitgezonden, toen onder de titel ‘Toni’s Waterloo’.

Het verzwijgen van de bron van ‘Rabia’ en ‘Toni Gonsales’ lijkt op het eerste oog een slordigheidje. Toch is het dat niet, zo blijkt uit het nawoord van De Palms eerste verhalenbundel Antiya uit 1981. Hij vertelt er over de ontstaansgeschiedenis van het verhaal ‘Toni Gonsales’. Eerst merkt hij op dat hij meer een causeur is dan schrijver. Daarom heeft hij de aanmoediging van een ander nodig om tot schrijven te komen. Die ander was in zijn geval Cola Debrot, die hem stimuleerde tot het schrijven van ‘De Kerstcakes van Sjon Keta’ en ‘Shòròmbo’, beide gepubliceerd in Antilliaanse Cahiers. Het eerste verhaal werd een succes: De Palm werd vaak gevraagd het voor te dragen. In Antilliaanse kringen kreeg hij zelfs de bijnaam ‘De Kerstcake’. De Palm vervolgt dat zijn vrouw eens zei dat zijn epitaaf zou luiden: “Hier ligt Jules de Palm, schrijver van ‘De Kerstcakes’.” Hij voegt eraan toe: “De opmerking van mijn vrouw had […] tot gevolg, dat ik de hele nacht heb zitten zwoegen om nóg een herinnering aan mijn mager oeuvre toe te voegen: ‘Toni Gonsales’ werd na een zware bevalling bij het krieken van de dag geboren. Het verhaal is nooit gepubliceerd.” (105). Hij probeerde het vergeefs op een studentenavond voor te lezen, waarna hij schrijft: “Het verhaal heb ik in portefeuille gehouden, zoals dat heet, totdat Pierre Lauffer bij het samenstellen van zijn bloemlezing Di Nosom proza verlegen zat. ‘Toni Gonsales’ is toen in het Papiamentu herschreven.” (105-106)

Het is een mooi verhaal, maar het heeft een hoog fictief gehalte. De feiten zijn dat hij ‘Toni’s Waterloo’ op aandrang van Van de Walle heeft geschreven in 1956, het niet in portefeuille heeft gehouden, maar publiceerde via de Wereldomroep; dat het in 1971 werd vertaald in het Papiaments en omgewerkt tot ‘Toni Gonsales’, dat weer in het Nederlands werd vertaald voor de bundel Antiya in 1981. De Palm was overigens de eerste die dit lachend toegaf toen ik hem mijn bevindingen vertelde.
In het nawoord van Antiyadoet De Palm alsof de verhalen uit de bundel op ‘De Kerstcakes’ en ‘Shòròmbo’ na, allemaal speciaal voor de bundel waren geschreven, maar dat is niet het geval. Naast ‘Toni Gonsales’ heeft De Palm ook ‘Weerzien’ en ‘ ‘t Geluk gaat de drempel over’ voor de Wereldomroep geschreven die in 1956 zijn uitgezonden. Van de tien verhalen uit de bundel zijn er dus twee op aandringen van Cola Debrot geschreven en drie op aandringen van Jo van de Walle, het toenmalige hoofd van de West-Indische afdeling van de Wereldomroep.

Het nawoord blijkt door de mystificatie het elfde verhaal te zijn. De opmerking dat zijn vrouw hem inspireerde is een echt Leidmotief in het nawoord. De waarheid is anders. In december 1955 had hij ‘De Kerstcakes voorgedragen voor de Wereldomroep en sindsdien vroeg Van de Walle hem steeds om nieuwe verhalen.

De historische onjuistheden in het nawoord zorgen er wel voor dat ook dit een smakelijk verhaal is geworden met een duidelijke lijn: De Palm heeft de aanmoedigingen van anderen nodig om zijn anecdotes en ervaringen op papier te zetten. Dat hij hierbij de aanmoedigingen en waardering van een bekende Antilliaanse schrijver als Cola Debrot kon noemen, was mooi meegenomen. Borstklopperij van schrijvers komt meestal op een minder intelligente manier tot uiting. Het nawoord is dus een voorbeeld van een literaire mystificatie, waar De Palm van houdt, getuige de geschiedenis van Julio Perrenal. De historische feiten zijn voor De Palm minder interessant als hij de lezer wil uitleggen dat hij wel uit zichzelf gaat zitten praten, maar dat hij de aandrang van een ander nodig heeft om zich tot schrijven te zetten. Het gaat tenslotte om een sappig verhaal voor de lezer. Ik acht het in dit verband ook niet uitgesloten dat de opmerking van zijn vrouw over zijn latere grafschrift ook aan de fantasie van De Palm is ontsproten.

Jules de Palm is overigens niet de enige Curaçaose auteur die van mystificaties houdt. Zo deed Charles Corsen het voorkomen dat hij sonnetten van ene Miguel H. Romano had vertaald, een dichter die helemaal niet bestond. In Antilliaans Literair Logboekvertelt hij: “Samen met Henk Dennert en Tip hebben we een biografie van Romano opgesteld.[…] In Holland was een man die schreef dat die gedichten van Romano subliem vertaald waren. Hij had meer over Romano te vertellen dan wij wisten. Toen hebben we hem een telegram gestuurd: ‘Romano bestaat niet.’ Hij was natuurlijk pisnijdig. Sindsdien konden Tip en ik niks meer goed doen, omdat hij zich genomen voelde. Wat ook ergens de bedoeling was.”
En Cola Debrot heeft eens in een interview met het Utrechts Nieuwsblad een hele stamboom bij elkaar gefantaseerd. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik daar ingestonken ben en er wel eens uit heb geciteerd. Sindsdien ben ik op mijn hoede voor wat schrijvers over zichzelf vertellen. De fictie loert om de hoek, ze willen nu eenmaal mooie verhalen vertellen en wij als lezers smullen ervan.

De ‘strijd’ van Federico Oduber

door Henry Habibe

De ontwikkeling naar een intensiever gebruik van het Papiamentu dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Aan het hoofd van de ‘Papiamentse Beweging’, die beginjaren veertig opkwam, staat Pierre Lauffer. Deze behoorde tot het trio Curaçaose jongeren, dat zich de naam ‘Julio Perrenal’ gaf. Het trio bestond uit Pierre Lauffer, Jules de Palm en René de Rooy.

Hun eerste literair product was Cancionero Papiamentu (1942). Deze bundel bestond uit populaire liedjes in de volkstaal. Later breidde het trio zich uit en bestond rond 1949 uit vijf personen en werd dus in feite een kwintet. De twee personen die het trio kwamen versterken waren Luis Daal en Nicolás Piña-Lampe. Zo is de groep ontstaan die in 1950 de redactie van het literaire blad Simadan vormde. Van deze groep zijn Jules de Palm en Luis Daal later uit Curaçao vertrokken. De Palm vestigde zich in Nederland, Daal in Spanje. Daal liet niet na om, voor zijn vertrek, iemand voor te dragen die zijn plaats in de redactie kon innemen. Het was Raphael Martinez. Het literaire blad kwam twee keer uit: in 1950 en in 1951. In 1956 verhuisde Nicolás Piña naar Aruba. Hij was iemand met een brede culturele ontwikkeling en ging werken bij de Arubaanse overheid (Voorlichtingsdienst). Zijn inzet voor het Papiamentu dateerde al uit de jaren veertig, toen hij op Curaçao woonde en daar ook les gaf in die taal. Zijn leuze was: ‘Nan di lenga papiamentu/n’ta lenga refina,/ma den dje mi sentimentu/semper ta zona kla’ (Men zegt wel dat het Papiamentu geen verfijnde taal is, maar daarin klinken mijn gevoelens altijd helder op).

Bewijs dat Nicolás Piña de Nederlandse gedichten van Oduber waardevol vond om ze in het Spaans te vertalen en op te nemen in Simadan.

In 1961 gaf Piña een derde nummer van het blad Simadan uit. Dit nummer verscheen op Aruba. Daarin werden onder meer teksten opgenomen (hoe kon het anders) van Pierre Lauffer, Luis Daal, René de Rooy, Piña-Lampe en… Federico Oduber. De teksten van Oduber waren echter in het Spaans vertaalde gedichten uit zijn Nederlandstalige dichtbundel Beseffend, die in datzelfde jaar uit was gekomen.

Kritische student
In 1961 begon Federico Oduber met zijn studie rechten aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Hij speelde een actieve rol in de Antilliaanse en Surinaamse discussiegroepen.
In 1963 werd hij mederedacteur van het studentenblad Kakiña, dat in dat jaar van start ging. Daarin protesteerde Oduber onder meer tegen de rassendiscriminatie op Aruba. In het Arubaanse weekblad Observador, liet hij ook bij tijd en wijle zijn kritische stem horen. Zo bekritiseerde hij de tendens bij de Arubanen om zich negatief op te stellen tegenover het Papiamentu. In een artikel getiteld ‘Ki tempo nos lo hanja un berdadero siman di buki antillano’ benaderde hij zijn moedertaal op een min of meer filosofische wijze: ‘Nos ta ripará pues cu un idioma propio por duna naturaleza bida i haci nos existencia netamente di nos mes…’ (Wij merken dus dat de eigen taal tot leven kan wekken en ons bestaan een grote eigenwaarde kan schenken). Oduber bleek toen al (1964) een voorstander te zijn van de invoering van het Papiamentu in het onderwijs. Het bleef niet bij een passieve houding van zijn kant, getuige zijn woorden uit hetzelfde artikel: ‘Ta bira tempo anto pa nos ranka nos fei di e agarro estranjero’ (Het wordt nu tijd dat wij ons losrukken uit de buitenlandse houdgreep). Hij keerde zich ook tegen het Lay-off-programma van de Lago-raffinaderij, waarbij men de oplossing voor het probleem van de werkloos geworden arbeiders meende te hebben gevonden in een ‘aftocht van de werklozen naar Nederland’. In zijn artikel ‘Nos ta bai Hulanda’ laat hij zich op de voor hem typische, spottende, wijze uit over deze schaamteloze houding van de Lago en de IOWUA (vakbond). Hij sprak van een ‘tragedie’, maar merkte ook ironisch op: ‘… na Aruba pa 40 anja mas o menos nos barica tabata yená, toer dia sin falta. Pero mañan ken sabi? Nada ta sigur. I Aruba ta chiquito i pues laga nos bai caminda e spèki ta. Caminda capitalistanan por haci uso di nos’. Hier krijgt ook het kapitalisme een veeg uit de pan.

Kritiek op Beseffend
Een Nederlandse criticus schreef in 1961 met betrekking tot Beseffend het volgende: ‘Een bepaald niet volmaakt woordgebruik, een clichématige symboliek en een gebrek aan oorspronkelijke ideeën, ziedaar de negatieve zijden van dit dichterschap. Is daarmee gezegd dat Oduber geen dichter zal worden? Vanzelfsprekend niet. Zelfkritiek en transpiratie zijn voor het scheppen van een kunstwerk even onontbeerlijk als de inspiratie die de kunstenaar aan het werk zette’ (De Gelderlander, Nijmegen).

Simadan in Nijmegen?
In die jaren bestond in Nijmegen ‘Canoa’, de Vereniging voor Antilliaanse studenten, die zich vooral bezighield met de opvang en begeleiding van de eerstejaarsstudenten uit Curaçao en Aruba. Er werden af en toe culturele activiteiten (lezingen) gehouden. Zo kwam in 1964 niemand minder dan de toen in Madrid wonende Curaçaose dichter en linguïst Luis Daal een lezing houden. Het onderwerp was vanzelfsprekend de literatuur in het Papiamentu. Daal had kort daarvoor (1963) zijn eerste Papiamentstalige dichtbundel, Kosecha di Maloa, op de markt gebracht. Na deze bundel van Daal, zag Kantika pa Bientu van Pierre Lauffer het licht, die door Oduber in juni van 1964 besproken werd. In hetzelfde jaar hield ook Nicolás Piña een lezing voor Canoa. Het ging weer over de literatuur in het Papiamentu. Piña was degene die twee van Odubers gedichten in het Spaans had vertaald en had opgenomen in het Arubaanse nummer van Simadan. In 1964 zijn dus drie prominente dichters van de Simadan-groep bij wijze van spreken in Nijmegen geweest. In datzelfde jaar schreef de Arubaanse dichter, toneelschrijver en schrijver van novelles, Hubert Booi, een brief aan Nicolás Piña met het verzoek om Canoa op de hoogte te stellen van het feit dat Oduber ‘de laatste tijd in het Papiamentu schrijft’. Dat was in september van het jaar 1964.

De vijf strijdliederen. Interessant, want dit gedicht werd later niet opgenomen in Putesia.

Eerste gedicht in het Papiamentu
Nauwelijks een jaar later zag Odubers eerste gedicht in het Papiamentu ‘cantica di espada’ (Vijf strijdliederen) het licht. Toen het studentenblad Kambio in 1965 van start ging, werd dit gedicht in het eerste nummer opgenomen. Het werd op enthousiaste wijze aan de lezers van het studentenblad gepresenteerd. Redactie-lid Joe Eustatia zei toen dat Oduber zich in dit gedicht manifesteerde als een heel andere dichter dan die hij eerder kende. Hij had met diens vroegere poëzie in het Nederlands immers kennis gemaakt waarbij de dood en het verlangen naar een onbereikbare liefde de voornaamste thema’s waren. In ‘cinco cantica di espada’ echter was geen sprake meer – aldus Eustatia – van ‘heimwee’ of ‘romantische gevoelens van pessimisme’. Oduber werd toen als een revolutionaire dichter gepresenteerd.

Geëngageerd?
Later sprak Oduber nogal laatdunkend over zijn gedichten. In verband daarmee bezigde hij in de beginjaren zeventig het woord ‘baina-nan’ (zootjes). In 1969 was hij naarstig op zoek naar een uitgever voor zijn nieuwe dichtbundel. Hij bood toen een aantal gedichten ter publicatie aan bij de redactie van het tijdschrift Watapana, dat in 1968 opgericht was. Er kwam echter een kink in de kabel en de publicatie ging niet door. Voor zijn bundel had hij aanvankelijk als titel bedacht: Biloria (Dodenwake). Toen de bundel in 1973 verscheen (bij Editorial Antiyano) had hij een andere zeer opvallende titel gekregen: Putesia (samensmelting van ‘puta’ en ‘poesía’). Een titel die veelzeggend is voor de excentrieke houding van Oduber.

In Putesia ontbreekt het gedicht ‘cinco cantica di espada’. Daarin werd wel een ander ‘strijdlied’ opgenomen dat in 1966 in Kambio had gestaan. Het kan als onbegrijpelijk overkomen, maar de vijf allereerste ‘strijdliederen’, waarmee hij in 1965 zijn debuut in het Papiamentu maakte, werden later niet meer opgenomen. Merkwaardig, want het gaat om een van de composities waarop Cola Debrot in 1966 zich baseerde toen hij met betrekking tot Oduber sprak van een ‘maatschappelijk geëngageerde dichter’, tijdens zijn lezing ‘De polylinguale literatuur van de Nederlandse Antillen’ (zie: Amigoe, 17 augustus 1966). Wat zou toch de reden kunnen zijn dat ‘cinco cantica di espada’ door de auteur niet beschouwd werd als te behoren tot de bundel Putesia?

[eerder verschenen in Amigoe, zaterdag 27 augustus 2011]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter