blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Palm Jules de

“De Stoep”, doctoraalscriptie Jules Ph. de Palm

Voor de studie Nederlands aan de universiteit van Leiden, heeft Jules de Palm twee doctoraalscripties moeten schrijven, zoals in 1958 te doen gebruikelijk was. Omdat het in 2018 zestig jaar geleden is geweest, dat de scriptie over de Stoep, het Nederlandstalige literaire tijdschrift dat Chris Engels in 1940 op Curaçao heeft opgericht, met succes in Leiden is verdedigd en ik in de lokale kranten van die tijd geen verslag van deze scriptie heb kunnen terugvinden, past het om hier alsnog een verslag ervan te geven. read on…

Jules de Palm over ‘de Stoep’

Vooraankondiging:
Dat Jules de Palm vóór zijn proefschrift uit 1969, over het Nederlands in het onderwijs in de Antillen, om zijn drs.-titel te verkrijgen een (andere) scriptie heeft geschreven, is bij weinig mensen bekend. read on…

Jules de Palm als inspirerende gids en gezel

In haar jeugd bracht Miep Diekmann (1925 – 2017) enkele jaren door op Curaçao. Herinneringen aan het eiland verwerkte zij in de jeugdroman De boten van Brakkeput, gepubliceerd in 1956 en vervolgens uitgeroepen tot kinderboek van dat jaar in 1957.  Het eiland kwam daarop met een opmerkelijke nieuwsgierigheid naar háár toe in de persoon van Jules de Palm.

door Aart G. Broek read on…

Jan de Heer over De Stoep, Chris Engels en de literatuur op Curaçao 1940-1951 (deel 1)

door Jeroen Heuvel

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het allengs moeilijker voor Nederlandse auteurs om in Nederland hun (literaire) werk te publiceren, door de nazificatie van de Nederlandse maatschappij. Met het instellen van de Nederlandse Kultuurkamer, in 1942, kon er alleen nog in het door de Duitsers bezette Nederland met goedkeuring van die bezetter werk verschijnen, hoewel er ook illegaal boeken werden gedrukt. Op Curaçao was de invloed van de bezetter niet bepalend voor wat wel en niet gepubliceerd mocht worden. Chris Engels heeft er al snel in het begin van de oorlog voor gezorgd dat een vrij platform voor Nederlandse auteurs werd opgericht.  read on…

Balans: Arubaans letterkundig leven (30)

door Wim Rutgers

04.8 Passanten en migranten

Vanaf het moment dat Europeanen de eilanden van het Caribisch gebied ontdekten en er zich vestigden, waren er schrijvers die de wederwaardigheden optekenden in dagboeken en reisverslagen. Columbus was met zijn Diario de eerste en na hem volgden er velen, zoals Bartolomé de las Casas en Juan de Castellanos die aan de eilanden een lang gedicht van achttien strofen wijdde. read on…

Literaire buit van schatgraver Jos de Roo

Academisch proefschrift: Praatjes voor de West

Er is niet genoeg aandacht te geven aan het proefschrift van Benjamin Jos de Roo waarmee hij doctor is geworden. Het betreft een ware schat aan verloren gewaande literaire verhalen, van Antilliaanse en Surinaamse auteurs, geschreven op verzoek van en opgenomen en uitgezonden door Radio Nederland Wereldomroep, tussen 1947 en 1958. read on…

Praatjes voor de West: Promotie Jos de Roo

Op vrijdag 12 september verdedigt Jos de Roo zijn proefschrift Praatjes voor de West. De Wereldomroep en de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur: 1947-1958. Dit gebeurt om 13:00 uur in de Aula van de Universiteit Amsterdam (de Oude Lutherse Kerk aan het Spui). Promotor is Prof. dr. Michiel van Kempen. Toegang vrij. read on…

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (1)

Cola Debrot. Portret door Nicolaas Porter

door Walter Palm

Inleiding
Jules de Palm vertelde me eens een kostelijke anekdote over Cola Debrot. Cola Debrot en hij moesten eens iemand met de auto afhalen bij het Centraal Station in Amsterdam. Cola Debrot zat achter het stuur en Jules de Palm naast hem. Aangekomen bij het Centraal Station parkeerde Cola Debrot de auto pardoes en pontificaal voor de uitgang van het Centraal Station, terwijl dat uitdrukkelijk verboden was. Prompt werd hij daarop aangesproken door een agent. Cola Debrot wees toen naar Jules de Palm  en zei tegen de agent “Ziet u die man die naast mij zit? Dat is een gevaarlijke gek. Van hem moet ik de auto hier parkeren”. Verbouwereerd droop de agent af.
Bij het herlezen van Mijn zuster de negerin met het oog op mijn presentatie over dit boek op 9 november 2013 bij de “Dutch Caribbean Book Club” moest ik erg denken aan deze anekdote, want bij herlezing trok tot mijn stomme verbazing de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat.

Onderstaand ga ik eerst in op de inhoud van dit boek en vervolgens op de door de auteur gekozen vorm.

  • Beknopte inhoud van Mijn zuster de negerin: “Een zuster gevonden, een minnares verloren”
De dertigjarige hoofdpersoon Frits Ruprecht is na een afwezigheid van veertien jaar terug op zijn geboorte-eiland om zijn erfenis af te wikkelen. Aangezien zijn ouders zijn overleden en hij geen broer of zus heeft is hij de enige erfgenaam. De erfenis bestaat uit een woonhuis in de stad, het bijbehorend koetshuis met daarin geparkeerd de oude Ford en de plantage Miraflores.

Maar er is ook een andere reden waarom hij is terug gekeerd. Hij heeft genoeg van Europa waar hij als zestienjarige naar toe was gegaan. Hij wil “bij een negerin leven” en hij haatte “in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie”.

…bleke gezichten, met hun visachtige kilheid…


Reeds op het schip waarop hij aankomt, overhandigt de notaris hem de sleutels van de stadswoning, het koetshuis en de plantage Miraflores. Achter zijn rug wordt gefluisterd dat hij zijn vader al veel geld heeft gekost en dat het niet lang meer zal duren alvorens hij ook deze erfenis er doorheen zal jagen. Een  uitnodiging van de notaris om bij hem thuis een hapje te eten met zijn vrouw en hun dochter Tonia, slaat Frits Ruprecht beleefd maar resoluut af.
Als hij het schip verlaten heeft en hij alleen op de kade staat moet de eerste opwelling  van “niets dan heerlijkheid” de nodige plaats inruimen voor een bepaalde sombere en wordt hij overvallen door zelfmoordneigingen (“Frits werd tegelijk bevangen door het gevoel maar dadelijk hara-kiri te zullen plegen”). Hij weet de zelfmoordneigingen te bedwingen en hij wandelt van de kade  naar zijn stadswoning. Onderweg verbeeldt hij zich dat zijn nicht die zo’n hekel aan hem had, hem weer staat uit te lachen achter een van die opengeklapte jaloezielatten.
Bij de stadswoning aangekomen doet zijn ouderlijk huis hem denken aan een mausoleum. Hij durft niet naar binnen te gaan, want volgens zijn gevoel waren zijn ouders niet begraven op het kerkhof, maar lagen zijn ouders “in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond”.
Hij stapt in de oude Ford van zijn vader en rijdt niet naar het kerkhof om het graf van zijn ouders te bezoeken, maar gaat naar “Miraflores”. Op weg stopt hij bij zijn jeugdvriend Karel die inmiddels districtmeester is geworden. De aanvankelijke amicale sfeer van het gesprek slaat om als Karel opmerkt dat hij graag had gezien dat Frits een schim was gebleven en nu niet in levende lijve voor hem had gestaan met jaloezie opwekkende verhalen over Europa. Deze opmerking schiet Frits in het verkeerde keelgat. Hij breekt het gesprek abrupt af en beent boos weg. Hij stapt in de auto en rijdt weg.Als Frits vertrokken is, vraagt hij zich af of Karel inderdaad zo onvriendelijk was geweest of dat hij misschien woorden had gehoord die nooit zijn uitgesproken, want  behalve zelfmoordneigingen, heeft hij ook  hallucinaties.

Tegen zonsondergang komt hij aan in Miraflores. Rentmeester Wantsjo doet het hek voor hem open. De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”.
Aangekomen bij het landhuis schreide “diep in hem een oude, bijna dode stem” als hij denkt aan zijn moeder die vaak schommelde op het terras van het landhuis. Het gevoel dat hij nooit meer zijn moeder zou zien schommelen op het terras vervult hem van “een grote bijna misselijke leegheid”.

Hij loopt het landhuis binnen. Als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terugmaakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”. Doodsbleek slaat hij de deur van de slaapkamer dicht.“Miraflores” is voor Frits Ruprecht “a trip down memory lane”. Jeugdherinneringen dringen zich op. Hij ziet nog voor zich hoe hij vroeger ging jagen met Karel die hem nu zo vijandig bejegent en hoe zijn nicht met haar helderblauwe ogen en goudkleurige haren hem vaak uitlachte.

Maar vooral moet hij denken aan Maria, de kleindochter van de rentmeester, die samen met hem is opgegroeid en waarmee hij vaak op een bankje in de palmentuin zat te luisteren naar koerende duiven.

 

Hij heeft gehoord dat Maria nu onderwijzeres is in de stad en dat zijn vader  haar opleiding had bekostigd. Hij vindt dat verdacht want waarom zou zijn vader de studie van Maria betalen. “Wat den mens het meest verraadt, blijft nog steeds zijn eigen hart”, merkt hij op. Was zijn vader ook de vader van Maria en niet Theodoor zoals de officiële vader van Maria heet. Ondertussen lijkt hij in het schemerdonker een schim van Maria te zien in het huis, maar dat kan niet, want Maria is onderwijzeres en woont in de stad.

Voor alle zekerheid gaat hij in het achterhuis naar de voormalige slaapkamer van Maria. Tot zijn verbazing is zij daar. Zij is heel blij om hem te zien en zij is na veertien jaar een volwassen vrouw geworden. Maar net als zij intiem worden, klinkt er gerammel aan de voordeur. Frits gaat ontstemd naar de voordeur en treft daar Wantsjo aan. Boos laat hij hem niet uitpraten. “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””  Na deze dramatische anticlimax blijft Frits onthutst en ontnuchterd  achter. En zo heeft hij een zuster gevonden, maar een minnares verloren.[vervolg klik hier]

Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club

Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm

Eerste druk 1935

door Henry Habibe

Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9 november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’  dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.
Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De hoofdpersoon geeft – aldus Debrot – de voorkeur aan een negerin boven de blanke vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij ‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst eigen wijze behandeld.
Editie 1955
In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en  veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’ sprake is.  Hij gaat als volgt te werk. Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’. Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de ‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in  de novelle aanwezig is.
Elfde druk
De spreker meende bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).
Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade (wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (…) Isabel Allende (…) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerinwaarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand  of iets met gloeiende ogen” als hij in Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de hand van sterk hyperbolische elementen.
Derde druk
Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een wishfull thinking van de heer Palm.
Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.

Alwin Toppenberg opent lustrumviering Werkgroep Caraïbische Letteren

De Arubaanse pianist Alwin Toppenberg zal op vrijdag 6 december a.s. de viering van het eerste lustrum van de Caraïbische Letterendag – gewijd aan poëzie & muziek – openen.
Alwin Toppenberg

 

Alwin Genardo Toppenberg werd op 19 januari 1940 geboren in Aruba. Hij was het vijfde kind in een gezin van 8 jongens en 2 meisjes. Alwin toonde al op jonge leeftijd een groot talent voor muziek en sport. Vanaf zijn negende jaar speelde Alwin piano en bleek hij zowel een goede honkbalwerper als een basket- en volleyballer te zijn.
Na afronding van de 3e HBS vertrok Alwin in 1957 op 17-jarige leeftijd naar Nederland om in Rotterdam de HBS-B af te maken. Tussentijds werkte hij in het ziekenhuis waar al gauw zijn liefde ontstond voor het laboratoriumonderzoek. Alwin koos uiteindelijk vastberaden voor de analistenopleiding.
Als werkstudent behaalde Alwin achtereenvolgens de akte MO-A Natuur- en Scheikunde en de akte MO-B Scheikunde. In 1974 heeft hij met goed gevolg het Doctoraalexamen Scheikunde afgelegd aan de Universiteit Leiden met als hoofdvak: Organische Chemie, bijvak: Anorganische Chemie en derde richting Theoretische Organische Chemie.
In het schooljaar 1968-1969 is Alwin begonnen met het lesgeven. Aanvankelijk aan het Voortgezet Onderwijs en later aan het HBO en het MBO. In 1975 vertrok Alwin naar Aruba waar hij in het schooljaar 1975-1976 aan het Colegio Arubano les gaf in de vakken Scheikunde en Natuurkunde. Ook was hij vanaf 1975-1978 verbonden aan de Antilliaanse Lerarenopleiding in Aruba waar hij belast was met het opzetten van de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs voor de tweedegraads bevoegdheid voor de vakken Biologie en Scheikunde. Onder zijn leiding werd de Applicatiecursus Scheikunde voor MAVO- en LBO-docenten gegeven waarbij genoemde docenten her- en bijgeschoold werden.
Van 1976-1978 had hij de leiding van de Antilliaanse Lerarenopleiding. Als voorzitter van het bestuur van de Arubaanse Muziekschool en als directeur van de Antilliaanse Lerarenopleiding heeft Alwin ervoor gezorgd dat aan de Antilliaanse Lerarenopleiding – in samenwerking met de docenten van de Arubaanse Muziekschool – de opleiding ter verkrijging van de LO-akte Muziek werd gegeven. In het bijzonder was deze opleiding bestemd voor zittende leerkrachten. Op deze manier kon het muziekonderwijs op de basisscholen worden verbeterd met als gevolg dat meer kinderen lessen zouden volgen aan de Arubaanse Muziekschool.
In 1978 keerde Alwin terug naar Nederland waar hij weer in dienst trad bij het Van Leeuwenhoek Instituut in Delft waar Hoger Laboratorium Onderwijs (HLO) werd gegeven. Deze HBO-opleiding is later overgegaan in de Hogeschool Rotterdam.
In 1980 begon Alwin op verzoek van de heer dr. Jules de Palm als studiementor voor de studenten van het eilandgebied Curaçao, welke taak hij uitvoerde tot 1989. Alwin was als studiementor verbonden aan het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (het CBTCB) onder leiding van de heer Jules de Palm. In 1983 was Alwin naast Miro Dabian en Jaime Kelly medeoprichter van het Mentorenteam dat de Arubaanse studenten ging begeleiden. Als studiementor voor het eilandgebied Aruba heeft hij deze taak tot 1 september 2005 vervuld.
Naast het mentorschap heeft Alwin zich ook bezig gehouden op andere maatschappelijke fronten. In de Nederlandse honkbalwereld heeft hij zich een uitstekende derde en tweede honkman getoond bij onder meer de eersteklasser Storks en later de hoofdklasser ADO. Ook op het gebied van organiseren deed Alwin van zich spreken. Hij is de grote motor geweest achter de honkbalwedstrijden Aruba vs Curaçao die jaarlijks werden gespeeld respectievelijk op de  internationale honkbaltoernooien, ‘de Haarlemse Honkbalweek’ en het ‘World Port Tournament’ van Rotterdam. Tot op heden is Alwin ook lid van de Commissie van Beroep Strafzaken van de Nederlandse honkbalbond (KNBSB).
Van 1959 tot en met 1975 heeft Alwin pianoles gehad van de bekende pianopedagoog Dolf Daey Ouwens in Den Haag, een ex-leerling van de beroemde Franse pianist Robert Casadesus.
Ook heeft hij zanglessen gevolgd bij de bekende alt Rijkje Wolleswinkel in Den Haag.

Reeds op 17-jarige leeftijd was hij in 1957 de pianist en de artistieke leider van “Los Ducques Del Caribe” die veel furore maakte vooral onder de jongeren in Aruba.
In de 1960’s bij “Los Ases Latinos” (Pedro Velasquez, Harry Rodriguez, Franklin Dap, Eddy Palm en Alwin Toppenberg) 

 

In Nederland is hij jarenlang actief geweest als artistieke leider van de onder alle Antilliaanse en Arubaanse studenten bekende band “Los Ases Latinos”. Met de groep “Los Ases Latinos o.l.v. Alwin Toppenberg” trad Alwin in verschillende plaatsen in Nederland op.
Ter gelegenheid van het 50-jarige jubileum van de Arubaanse Kunstkring heeft Alwin op 25 augustus 1996 een pianorecital gegeven in het “Cas di Cultura” (Cultureel Centrum Aruba). Tijdens dit recital heeft hij werken van de componisten Paradisi, Debussy, Mozart, Schubert, Liszt , Von Weber en Chopin ten gehore gebracht.
In maart en april 2007 en juni 2008 gaf Alwin in het programma Muziek met een praatje van de Regentenkamer in Den Haag, de aanwezigen door zijn zang en zijn spel een beeld van de Antilliaanse en Arubaanse muziek. In Aruba heeft dit plaats gevonden in oktober 2008 in het Cultureel Centrum Aruba (CCA). Bij al deze gelegenheden was de zaal in een vroegtijdig stadium uitverkocht. Ook treedt Alwin vaak op met de bekende schrijfster Yvonne Keuls.
Alwin Toppenberg en Yvonne Keuls

 

Ook als componist heeft Alwin van zich doen spreken. Hij heeft verschillende walsen en tumba’s gecomponeerd w.o. Much’i scol, Placa, placa en 50 Aña, danki die hij componeerde ter gelegenheid van het 50-jarige huwelijksfeest van zijn ouders in 1982. Bij het Festival di Cancion Himno y Bandera in Aruba in maart 1983, heeft zijn compositie Aruba de eerste prijs gewonnen.
Met de compositie Mamai su Wals heeft hij in 1995 zijn moeder verrast bij de viering van haar 85e verjaardag. In 2010 heeft hij ter gelegenheid van de 90e verjaardag van Padu Lampe de wals Padu del Caribe, 90 aña gecomponeerd. De teksten van al zijn composities zijn geschreven door zijn vriend Denis Henriquez, een bekend schrijver van cabaret, toneel en musicals.
In april 2002 heeft Hare Majesteit De Koningin Alwin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn belangeloos en buitengewone bijdrage en inzet voor de Nederlandse, Antilliaanse en Arubaanse samenleving.
In 2006 is hem de ‘Lifetime Achievement Passaat Award’ uitgereikt als waardering voor hetgeen hij o.a. op muzikaal gebied heeft gedaan.Programma

Het programma dat Alwin Toppenberg op 6 december zal spelen:
1.            Juliana,                Wals      Luis Belasco
               
2.            Much’i Scol,       Wals      Alwin Toppenberg
               
3.            Mama, Wals      Rómolo Bonifacio
               
4.            Atardi,  Wals      Rudy Plaate
               
5.            Potpourri,           Tumba  Folklore
               
6.            Parara,   Tumba  Folklore
                

—-
Voor de lustrumviering is nog maar een zeer beperkt aantal kaarten verkrijgbaar. Voor het bestellen van deze kaarten – goedkoper bij voorintekening – klik hier voor meer informatie.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter