blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Paasman Bert

Reizen op papier

De Illustre School van Amsterdam organiseert een reeks colleges over reizen en literatuur

Vertellingen van verre streken hebben altijd een fascinerende uitwerking gehad op luisteraars, lezers en kijkers. In de tijd dat reizen nog een hachelijke onderneming was, luisterden de mensen graag naar gefantaseerde of werkelijk beleefde verhalen over reizen, maar ook nu bewijzen de kijkcijfers van reisprogramma’s hoe populair reisverhalen nog steeds zijn. Reizen is ook het thema van de Boekenweek 2014. read on…

Oratie voor dr Jos de Roo

Op vrijdag 12 september 2014 promoveerde Jos de Roo aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Praatjes voor de West; de Wereldomroep en de Antilliaanse en Surinaamse literatuur 1947-1958. Hieronder de laudatie door promotor prof. dr Michiel van Kempen. read on…

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot

Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.
Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoeltvind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. read on…

Album van de Indische poëzie

= GEEN KAARTEN MEER BESCHIKBAAR =

Over Indië zijn in de loop der eeuwen vele honderden gedichten geschreven. Van matrozenliedjes uit de VOC-tijd tot cabaretteksten van Diederik van Vleuten en light verse van Drs. P. Van gecanoniseerde literatuur tot kindergedichten. Alle grote Nederlandse dichters schreven over Indië: van Vondel en Bilderdijk tot Slauerhoff en Lucebert. De genres lopen uiteen van plechtige lofdichten tot smartlappen.

Op 16 maart is er een feestelijke presentatie van deze bundel met een aantal prominente gasten, onder wie Willem Nijholt, Ernst Jansz, Wieteke van Dort, Marion Bloem, Piet Schreuders (vormgever van het album) en Patty Scholten. Aafke de Jong zal Indische dansen uitvoeren op twee gedichten van Han Resink. Peter Zonneveld presenteert de middag.

Bert Paasman

Organisatie in samenwerking met Uitgeverij Rubinstein

Zondag 16 maart 2014, 15 uur, Theater van ’t Woord, OBA, Amsterdam
Toegang gratis,

Try-out De man van veel van Karin Amatmoekrim

door Stuart Rahan
 
Paramaribo – De officiële presentatie is pas op 19 oktober in Hotel Torarica maar donderdag werd alvast het eerste exemplaar uitgereikt van het nieuwste boek van Karin Amatmoekrim, De man van veel. Uitgever Mai Spijkers van Prometheus noemde het een try-out voorafgaande aan een grootse presentatie in Paramaribo.
De met lof sprekende [bedoeld is: lofprijzende – red.] emeritus hoogleraar Bert Paasman (r) kreeg het eerste exemplaar van de vijfde roman De man van veel van Karin Amatmoekrim (l) uitgereikt. De kinderen Soemi en Lee waren haar getuigen. Foto: Stuart Rahan.

 

Emeritus hoogleraar Bert Paasman, die volgens Karin Amatmoekrim haar de liefde voor het schrijven aanwakkerde, kreeg het eerste exemplaar uitgereikt. “Hij heeft niet alleen de liefde voor het vak aangewakkerd, maar was ook degene die meer dan wie dan ook mij heeft doordrongen van de nuances die naast elkaar kunnen bestaan in de literatuur. De verschillen in perceptie en het gegeven dat er niet één waarheid is en dat er niet zoiets bestaat als een absolute kraakheldere blik”, roemde de schrijfster haar gewezen professor.
Autoriteiten aanspreken
De man van veel gaat over de Surinaamse verzetsheld Anton de Kom die kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tijdelijk gedwongen wordt opgenomen in een Haags gesticht. Het is een periode uit zijn leven waar behalve de tijdelijke opname verder niks over bekend is. Vanaf dat moment kruipt Amatmoekrim in de psyche van Anton de Kom met dit nieuwe boek en haar vijfde roman als resultaat. Bert Paasman mocht meelezen maar hield er na een paar pagina’s mee op. “Ik werd gegrepen door de scène aan de voordeur en gezogen in het verhaal. Toen zei ik: stop. Dit boek is te goed om van het scherm af te lezen. Ik wacht hier op”, zwaaiend met het resultaat van zijn geduld. In zijn dankwoord deed Paasman ook een beroep op de in zijn ogen ‘piepjonge schrijver’ om bij de aanstaande presentatie in Suriname een beroep te doen de autoriteiten om iets te doen aan het bijna ingestorte huis waarin Anton de Kom bijna een maand verbleef. De Kom werd door het toenmalige koninkrijksgezag gevangen gezet en daarna uit zijn geboorteland verbannen. “Dat huis is een ruïne en dat past niet”, vindt Paasman.
Naakt

 

Paasman was ook de enige professor die Karin Amatmoekrim aan het huilen bracht in de collegezaal. De schrijfster vertelt daarover. “Literatuur is doordrongen van geschiedenis. Het is veel dieper en veel gelaagder dan we doorgaans beseffen. Slavernijgeschiedenis, ontworteling, emancipatiestrijd van Surinamers is nog te vers en te jong. Generaties nu en na mij dragen het nog steeds met zich mee. De geschiedenis leeft in ons. Om dat te horen uit de mond van een blanke man in het huis van de wetenschap, dat was een openbaring. Het was alsof ik daar naakt was in de collegezaal en het leek alsof iedereen kon zien waar mijn kwetsbaarheid zat. Een ervaring van waarheid, schoonheid en groei die ik nooit zal vergeten.” Daarop hoopte Bert Paasman dat de verhalen uit haar eerste jaar uit de as van de open haard zullen verrijzen. “Karin is goed. Genadeloos goed. Zij kan helder, sterk en scherp formuleren en dat hebben wij gezien in Het Gym.” Van Het Gym, dat twee jaar geleden verscheen, zijn al tienduizend exemplaren verkocht.

[uit de Ware Tijd, 05/10/2013]

Een boekopdracht van Karin Amatmoekrim

Gistermiddag werd bij uitgeverij Prometheus, Keizersgracht 540 in Amsterdam, de nieuwe roman van Karin Amatmoekrim, De man van veel, ten doop gehouden. Uitgever Mai Spijkers voerde het woord, Anton de Kom – kleinzoon van Anton de Kom over wie de roman gaat – las een lang gedicht voor en prof. Bert Paasman, Karins oude leermeester, kreeg het eerste exemplaar aangeboden. En toen was het signeren. Hierboven is te zien wat Karin Amatmoekrim schreef in het exemplaar voor de vriend van haar klein zusje.

Op zaterdag 19 oktober wordt het boek gepresenteerd in hotel Torarica in Paramaribo.

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen

Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.
Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

 

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.
Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.
Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.
In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.

 

Enkele uitgangspunten
Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.
Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.

 

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.
Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011. Foto © Michiel van Kempen
Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
Ena Jansen en Michiel van Kempen

 

Inbedding
          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?
Internationale inbedding
          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?
Institutionele vormgeving
          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?

Kraspoekol – aanklacht tegen slavernij in Oost-Indië

Dirk van Hogendorp
Indië was amper een kolonie, of ze liet zich gelden in het Haagse literaire leven. Op 20 maart 1801 ging Kraspoekol in première in de schouwburg, geschreven door Dirk van Hogendorp, voormalig resident in Indië en oudere broer van Gijsbert Karel die zo’n belangrijke rol zou spelen bij het ontstaan van het Koninkrijk in 1813.
Het stuk is gebaseerd op de novelle uit 1780 door zijn vader Willem van Hogendorp, Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verregaande strengheid jegens de Slaaven. Het klaagt de slavernij aan, die op dat moment nog in Indië bestond. De opvoering werd verstoord, maar de tekst van het stuk was in Den Haag een groot verkoopsucces.
Op verzoek van Stichting Tong Tong zal Bert Paasman op zondag 2 juni in het Haags Historisch Museum meer vertellen over Dirk van Hogendorp en Kraspoekol. Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In het museum is dan de tentoonstellingIndië in Den Haag, een eeuwenoude band te bezoeken.

Waar blijft een monument ter nagedachtenis aan de slavernij in Oost-Indië?

door Tanja Fraai
Bert Paasman. Foto @ Lilian van de Kamp
 
Tijdens de Tong Tong Fair, beter bekend als de Haagse Pasar Malam, vraagt Bert Paasman  aandacht voor de afschaffing van de slavernij in ander perspectief. Nu eens niet met ‘De West’ als centrum waar de slavernij plaatsvond, maar ‘De Oost’; Oost-Indië. Paasman is emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis (UVA) en kent beide werelden goed..
150 jaar
Waarom was er in 2010, toen de slavernij in Oost-Indië precies 150 jaar geleden werd afgeschaft geen aandacht voor dit feit, vraagt Paasman zich af. Vooral omdat er dit uitgebreid stil gestaan wordt bij 1863, het jaar dat de slavernij in Suriname en de voormalige Antillen werd afgeschaft.
Mardijkers, vrijgemaakte slaven in Oost-Indië, afbeelding uit 1704
Aantal
Slavernij was er wel degelijk en zelfs op dezelfde schaal als in West-indië; er werden zo’n 600.000 mensen slaaf gemaakt in Oost-Indië. Vanuit India, Ceylon, Bali, Celebes (het huidige Sulawesi) werden de slaven vervoerd naar Java. “Dat waren vaak minder zeewaardige schepen, mensen stierven aan boord.”  illustreert Paasman.
Huisslaven
Anders dan in de West waren er vrijwel geen plantages dus ook geen plantageslaven die zwaar werk in de brandende zon moesten doen. De Oost-Indische slaaf was een huis-tuin-en keukenslaaf die op het erf aan het werk werd gezet. “Eigenlijk de voorloper van de baboe en de kokki dus het huispersoneel,” voegt Paasman toe. Bij aanleg van steden en forten en in de havens van de VOC verrichtten de slaven echter wel degelijk zware lichamelijk arbeid.
Verhoudingen
Relaties tussen witte mannen en donkere slavinnen kwamen veelvuldig voor en werden geaccepteerd. De slavinnen moesten Nederlands leren en Protestant worden als ze gingen trouwen. Omgekeerd was een verhouding tussen een witte vrouw en een donkere slaaf uit den boze. Voor de slaaf in kwestie restte de doodstraf als de relatie aan het licht kwam.
Aandacht
Paasman besluit zijn lezing met een antwoord op de vraag waarom er zoveel minder aandacht is voor die slavernij in de Oost. Om te beginnen is er veel minder onderzoek naar gedaan dan in het West-Indisch gebied. Ook is de oude slavenbevolking geassimileerd met de Indonesische bevolking; nazaten zijn dus nauwelijks meer aan hun uiterlijk herkenbaar. Een derde reden is het ontbreken van wat Paasman noemt pressure groups  dus afstammelingen van nazaten die aandacht vragen.
 
De lezing werd gehouden op donderdag 23 mei 2013 op de Tong Tong Fair in Den Haag.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter