blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Oso

OSO is er weer: I love SU!?

door Els Moor

OSO is de naam van het Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. Het wordt uitgegeven onder auspiciën van  de ‘Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek’ (IBS) in Nederland.  De stichting is van uitgever veranderd: KIT  in Amsterdam is KITLV in Leiden geworden. Dat heeft  een vertraging veroorzaakt: het nummer van mei is pas in november uitgekomen en het novembernummer zal in februari 2013 verschijnen. Onder ‘Surinamistiek’ wordt verstaan:  alle vormen van studie die Suriname tot object van onderzoek hebben. Veel wetenschapsdisciplines dus, zoals geschiedenis, antropologie, literatuur en taalkunde, sociologie enzovoort.

Zoals ieder jaar wordt in het mei-nummer het colloquium van  het IBS van november van het vorig jaar besproken. Deze keer was het thema dus van het colloquium van november 2011, ‘I love Su!?’, jong Suriname aan twee kanten van de oceaan. In  verschillende artikelen, samenvattingen van de gehouden lezingen, wordt aangegeven hoe moderne jongeren staan tegenover hun land of land van herkomst, maar worden ook hun problemen, zoals delinquentie en de neiging tot zelfdoding aan wetenschappelijk onderzoek onderworpen.
Recensies van verschenen boeken vullen een deel van het tijdschrift en belangrijk, ook voor ons, is iedere keer weer de lange lijst van verschenen publicaties, boeken en essays uit en over Suruname en de Nederlandse Caraïbische eilanden. Van de gerecenseerde boeken zijn de meeste overigens al in dWTL besproken! Tot slot worden overledenen uit de Surinamistiek herdacht: Ineke van Wetering die met Bonno Thoden van Velzen veel onderzoek deed onder de Okanisi of Ndyuka marrons aan de Tapanahony  en Anil Ramdas, veelzijdig en kritisch Surinamist.  Dat Surinamist en wetenschapper bij uitstek, Ton Wolf, die in september 2011 in Suriname overleed, niet genoemd wordt, is een misser.
Het omslag  van deze nieuwe OSO deed me meteen al schrikken: de Surinaamse vlag en het thema ‘I love SU!?’ We leven immers in een periode dat die liefde voor Suriname aan het wankelen gebracht wordt. Maar de combinatie van uitroep- en vraagteken geeft hoop: doet een kritische houding verwachten. Bij lezing van de artikelen valt dat echter tegen: de meeste artikelen geven wetenschappelijk onderzoek weer, enkele naar een negatief verschijnsel onder de jeugd, zoals misdaad of zelfdoding en het resultaat daarvan wordt niet geplaatst in het geheel van de maatschappij zoals die momenteel functioneert onder aanvechtbare politieke omstandigheden.
De bijdrage van de Surinaamse  antropoloog en genderdeskundige Carla Bakboord  gaat over verschillende boodschappen die Surinaamse jongeren hier en in Nederlands willen uitdragen via muziek, met instrumenten en vooral ook in liederen. Liefde voor Suriname is een belangrijk thema, soms ook met een kritische blik bijvoorbeeld ten aanzien van vervuiling en discriminatie, maar vaak staan seksualiteit, gendervraagstukken of liefde voor god centraal. De muziek is zowel van Surinaamse als internationale stijlen, aangepast, modern.

De Nederlandse cultureel antropoloog Frank Bovenkerk  doet verslag van een onderzoek dat hij samen met Ton Wolf door studenten van IOL en ADEK liet uitvoeren  over misdaad onder jongeren. De studenten ondervroegen jongeren tussen twaalf  en vijftien jaar. Hoge misdaadcijfers zouden begrijpelijk zijn in verband met bepaalde omstandigheden zoals grote werkloosheid onder jongeren en  onvolledige gezinnen  en gelukkig noemt hij ook het feit dat de politieke bestuurders van het land vaak niet bepaald voorbeeldfiguren zijn, sommige  zelfs een criminele reputatie hebben. Dat het met de criminaliteit in Suriname onder jongeren toch meevalt is volgens Bovenkerk vooral  te danken aan de grote sociale controle in dit land. Zelf heb ik de laatste jaren verschillende malen van nabij gehoord over criminaliteit van jongeren van wie je het niet zou verwachten en ik heb het ook ondervonden. Wat zo’n onderzoek precies waard is en in hoeverre de ondervraagde jongeren de waarheid spreken, mi no sabi!

Een viertal wetenschappers onder wie de jeugdpsycholoog Tobi Graafsma die in Suriname werkzaam is, deed onderzoek naar  pogingen tot zelfdoding onder jongeren in Paramaribo en Nickerie. Het gaat hier om jongeren die een poging tot zelfdoding hebben overleefd en er dus over kunnen praten.  Uit het onderzoek komt naar voren, wat we ook zonder onderzoek wel weten, dat het hier vaak gaat om Hindostaanse vrouwen met een lage opleiding en andere jongeren die nog ongehuwd zijn en vaak geen werk hebben. Oorzaken zijn relatieproblemen, conflicten binnen het gezin of de school en vooral beperking van vrijheid.
Een interessant artikel is dat van Marcus Balkenhol die het over de functie van de ‘koto’ heeft binnen de Afro-Surinaamse gemeenschap in Nederland. In het artikel wordt duidelijk dat ouderen, vooral koto-draagsters, staan voor een ouderwetse manier van slavernijherinnering, terwijl de jongeren een bredere belangstelling hebben die zelfs tot in Afrika gaat, die zij verbeelden met drums, kleding, tradities op een moderne manier. Er is zelfs een populair toneelstuk, Remember naar een idee van jongerenwerker Otmar Watson, waarin een Afro-Nederlands meisje, Afanaisa,  door visioenen wordt meegenomen, terug de tijd in. Uiteindelijk wil ze toch modern zijn!
Er zijn meer artikelen, zoals dat over hoe Surinaams-Nederlandse jongeren tegenover het geboorteland van hun ouders staan en dat maakt duidelijk dat de meesten zich nauwelijks betrokken voelen bij Suriname. Dat is toch logisch? Jongeren zijn toch betrokken bij de plek waar  ze opgroeien, schoolgaan, vrienden hebben en als zich problemen voordoen zijn dat toch problemen van daar? Dan denk ik: waarom moet je daar onderzoek naar doen? Helpt dat die jongeren?  Zo is er ook een essay van de wetenschapper Pim van der Meiden over spanningsvelden en raakvlakken tussen Surinamers en Nederlanders.
Wel een praktisch en interessant artikel is dat van Alida Neslo over een project dat daadwerkelijk werd uitgevoerd in Santo Boma, dat tot doel had veroordeelde, vastzittende jongeren te resocialiseren via kunst. Surinaamse, Nederlandse en Belgische kunstenaars  deden eraan mee. Het project heeft succes bij de jongeren gehad. Ze brachten  zelfs een show op de planken  in Thalia. Zelfvertrouwen groeit door zulke activiteiten. Maar helaas is het eenmalig gebleven en dat maken we vaak mee. Een succesvol project, vooral voor jongeren, moet in het vaste programma worden opgenomen, of dat nou geld kost of niet.

Tenslotte: OSO blijft altijd de moeite van het lezen waard, tweemaal per jaar komt het uit en  in november  is er een een colloquium in Amsterdam. Jammer is het dat de situatie waarin Suriname nu, op dit moment in politiek en sociaal- maatschappelijk opzicht verkeert, zo weinig aan de orde komt. Ga dat eens goed analiseren, over de amnestiewet bijvoorbeeld in het volgende nummer. Is Suriname nog wel een democratie. Is dat geen goed thema?

Heel goed is het dat we hier [bedoeld is: Suriname – red. CU] nu ook ons eigen blad  hebben over Surinaamse geschiedenis en cultuur, His/her TORI. Dat wordt steeds beter en het laatste nummer had een uitstekend en actueel  thema, van binnen uit: dekolonisatie van de geschiedeniswetenschap!

OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, jaargang  31. Nr 1. KITLV, Leiden mei 2012.

OSO: gemis aan warmte

door Hilde Neus, m.m.v. Christine Samsom en Els Moor

De nieuwe OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied, is uit. Meestal zijn we blij, vanwege de variatie aan artikelen en de inhoud die voor ons vaak bij onderzoek (op welk niveau dan ook) van belang is. Deze keer zijn we niet onverdeeld enthousiast. Dit heeft mede te maken met het feit dat Els Moor en ondergetekende aanwezig waren op het symposium van november 2010 met dezelfde titel, plus de aanvulling: ‘Het Surinaamse binnenland, obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden’. De meeste artikelen die op dat symposium zijn gepresenteerd, zijn ook opgenomen in dit themanummer van het tijdschrift.

Ik ben al lang abonnee van OSO en was erg benieuwd naar het symposium van de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS), die het tijdschrift uitgeeft samen met het KITLV. Het werd een tegenvaller. In de benadering van de mensen miste ik de warmte van Suriname. Martina Amoksi stond te sukkelen met de techniek van haar powerpoint-presentatie, niemand schoot haar te hulp of stelde haar op haar gemak. Het maakte dat ze erg uit haar doen raakte. Voor ons duidelijk: ze had in het Nationaal Archief te Paramaribo deze presentatie ook gehouden, en dat verliep vlekkeloos. En als we bij de discussie vragen wilden stellen of opmerkingen wilden maken, werd ons op onvriendelijke wijze duidelijk gemaakt dat we het vanwege de tijd in twee of drie zinnen moesten doen.

De goudlijn
De documentaire De goudlijn van Hans Hylkema werd vertoond. Mijn ergernis over dit verhaal over de spoorlijn ‘van ergens naar nergens’ werd steeds groter. Recensente Elin Derks verwoordt het goed: ‘Ik vraag me af of hij überhaupt heeft nagedacht over wat hij zijn doelgroep wilde vragen (“Loopt u hier vaak?” vraagt hij aan zo’n vijf schichtige voorbijgangers, wanneer hij de spoorlijn te voet door het oerwoud volgt). De meest interessante verhalen ontstaan wanneer je de interviewer niets hoort vragen. Ook lijkt het of hij de inlanders meer irriteert dan grote betrokkenheid weet over te brengen. Dit komt vooral mooi tot uiting wanneer hij door de burgemeester van één van de dorpjes boos wordt toegesproken: “Jullie moeten ons nu helpen en niet gratis komen filmen…”’
Ik denkt dat veel van die irritatie ook ontstaat omdat de ondervraagden geen Nederlands spreken. Helaas bleef het debat over deze paternalistische insteek, dat ik op zo’n Oso-symposium verwachtte, uit.

Een deel van de IBS-medewerkers maakt zich schuldig aan bevoogding en kritiek op de situaties in Suriname. Iemand zei in de pauze: ‘Ik begrijp niet waarom alles zo moeizaam gaat in Suriname.’ Boosheid bekroop me over zoveel betweterigheid, en ik zei: ‘Simpel: twee redenen: het klimaat: mensen functioneren langzamer, wied groeit sneller, de houten huizen moeten extra goed onderhouden worden, enzovoort. Daarnaast zijn de mensen dun gezaaid, zeker in de districten. Dit betekent dat je voor alle nutsvoorzieningen veel meer geld per hoofd van de bevolking uit moet geven. Dus voor grote infrastructuurprojecten zoals bruggen of wegen moet de belastingbetaler per kilometer veel meer afdragen dan bijvoorbeeld in Nederland. Een simpele optelsom dus. Ik ben ervan overtuigd dat veel onderzoekers Suriname een warm hart toedragen. Daarom is het zo belangrijk dat ze zich goed laten informeren en niet steeds vergelijken met Nederland. Of, zoals een stagiaire in Suriname op haar blog schreef: ‘We sluiten de avond af met een glas wijn en een kaasje. Zoals ons is geleerd.’ Ik houd daar af en toe ook wel van. Maar hier, in Su, verkies ik Borgoe-cola en cassavechips.

De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
In het artikel ‘De Caribische fotocollectie van de Fraters van Tilburg’ ordenen en beschrijven de auteurs Ton de Jong en Jeroen Ketelaars dozen vol met tienduizenden foto’s die van 1886 tot aan 2000 toe gemaakt zijn. Opmerkelijk is, dat er gezegd wordt dat er rond 1900 maar enkele tientallen studio’s in Suriname waren, en wel 450 in Nederlands-Indië. Dit wijten de auteurs aan economisch gewin. Ik zou denken dat het bevolkingsaantal zeker ook meespeelt. Het beeld van de West zou beperkt zijn gebleven hierdoor. Dat mag zo zijn. Maar het blijft nog steeds beperkt als de auteurs Augusta Curiel niet noemen, wier foto’s uit de collectie van het Surinaams Museum en het KIT in een prachtig boek zijn gepubliceerd (Augusta Curiel, Fotografe in Suriname 1904-1937, Van Dijk, Van Petten en Van Putten, Libri Musei Surinamensis 3, 2007). Zij heeft ook een aantal religieuze ordes vastgelegd op de gevoelige plaat. Diverse foto’s zijn te zien op de internet, site Flickr; u komt erop als u ‘Surinaams Museum’ invoert. De foto’s uit de collectie van de fraters worden ook gedigitaliseerd. Een goede zaak, want dan heeft eenieder toegang tot de mooie afbeeldingen. Klinkt het niet lichtelijk ironisch als de archivaris van de congregatie zegt dat de foto’s juridisch gezien aan de fraters behoren, maar moreel en gevoelsmatig ook aan de Antillianen? Jammer genoeg kunnen we vele gefotografeerde personen niet meer vragen of ze toestemming hebben gegeven om vastgelegd te worden op de gevoelige plaat, maar we kunnen ons wel voorstellen hoe dat in veel gevallen is gegaan. De foto’s komen vooral van de Antillen, vanwege een grotere aanwezigheid van de fraters daar, ook in het onderwijs. De afbeeldingen kunnen zeker een ondersteunende functie hebben bij het schrijven van de geschiedenis van de fraters in de West, waartoe hier een aanzet is gedaan.

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
De uitdrukking ‘De Wetten van de Jungle’ heeft net als het woord ‘bananenrepubliek’ naast een fysieke (hoe het werkt in de natuur) ook een denigrerende lading. Zo van: ‘wij in de beschaafde wereld, wij weten hoe het hoort….’ ‘O ja?’ zeg ik dan, ‘hoe lang is het geleden dat miljoenen joden werden vermoord in dat o zo beschaafde Europa, er koloniale oorlogen werden gevoerd met alle bijbehorende wreedheden om maar te zwijgen van huidige oorlogen?’
Sinds de artikelen en verslagen over de militaire machtsovername in 1980 en vooral ook over de Binnenlandse Oorlog sinds 1986 in Nederlandse kranten en weekbladen, vraag ik me af of het werk van journalisten niet ook soms/vaak onderhevig is aan die wetten van de jungle.
Daarom ben ik erg blij met het artikel ‘The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media’, waarin Ellen de Vries, auteur van het boek Suriname na de Binnenlandse Oorlog (2005, KIT Publishers), haar mening geeft over en vragen oproept ten aanzien van de gevolgen van de berichtgeving in Nederlandse media, de invloed daarvan op het verloop van de burgeroorlog door de verheffing van Ronnie Brunswijk tot Robin Hood, guerrillastrijder respectievelijk junglecommandoleider van de ‘good guys’, tegenover de ‘bad guys’ van legerleider D.D. Bouterse. De Vries komt met veel voorbeelden, vooral tijdens de eerste weken van de Binnenlandse Oorlog, uit onder andere de Volkskrant, de Telegraaf, NRC Handelsblad (ja, die ‘kwaliteitskrant’ deed ook mee), Het Parool en het weekblad de Nieuwe Revu. Ik herken in dit artikel de mening van veel mensen in het binnenland die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt en eronder hebben geleden. Voor hen was het: ‘de duivel uitdrijven met Beëlzebub’, oftewel: iets ergs bestrijden met iets wat nog erger is! De schrijfster pleit voor meer onderzoek.

Demystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname
De cultureel antropoloog Salomon Emanuels schrijft in zijn bijdrage ‘De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers’ over hoe in het verleden en in navolging daarvan ook door huidige beleidsmakers wordt omgegaan met traditionele ideeën over grondbezit, bestuur en ander gewoonterecht in tribale gemeenschappen. De schrijver zet, met het aanhalen van onder anderen Afrikaanse wetenschappers, uiteen, hoe eurocentrisch er tot de dag van vandaag wordt gedacht door beleidsmakers, zelfs als ze zelf uit het binnenland afkomstig zijn. Volgens hem zijn ‘traditionele structuren’ op zich geen belemmering voor ontwikkeling’.

Contact, Marrons en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland
`Als je geen voeten hebt, heb je ook geen schoenen nodig` verkondigde een minister niet zo heel lang geleden toen hij op een krutu de vraag kreeg, wanneer ook het binnenland de mogelijkheid zou krijgen om mobiel te telefoneren. Dat was niet erg aardig van die minister en het werd hem dan ook niet in dank afgenomen. Maar gelukkig, deze uitspraak is allang achterhaald. Uit de bijdrage van Alex van Stipriaan blijkt de ´vooruitgang´ op dat gebied overduidelijk. Hij noemt de komst van de buitenboordmotor en de cellulair als meest revolutionaire veranderingen. En hij voorspelt nog veel meer veranderingen (en meer migratie naar de stad!) met de aanleg van meer wegen.

Overleven in de Wayanajungle
‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’, is het motto, en meteen de ondertitel, van het artikel van Karin Boven. Daarmee slaat ze de spijker op de kop van de thematiek. Karin Boven is dé deskundige op het gebied van onderzoek naar het inheemse Wayanavolk in het zuiden van Suriname. Door enkele jaren in het dorp Kawemhakan met de mensen te leven, heeft ze veel essentiële kennis opgedaan.
Overleven is altijd dé kunst voor volken die in het wilde bos in het binnenland leven. Maar tegenwoordig zijn er heel wat problemen bij gekomen. Vooral de overlast die veroorzaakt wordt door vreemdelingen die in groten getale, meest illegaal, aan goudzoeken doen, nog afgezien van de goudmijnen. Het Wayanagebied is niet meer van de Wayana, waardoor de situatie totaal ongecontroleerd is geworden. Criminaliteit stijgt onrustbarend en de gezondheid van de bewoners wordt bedreigd door het kwik in het rivierwater. Behalve een militaire post aan de grens met Frans-Guyana doet de Surinaamse overheid niets om de chaos op vele gebieden op te heffen.
Karin Boven heeft een informatief en zeer overzichtelijk artikel geschreven over deze problematiek in ‘de jungle’. Ikine Makalena, een van haar informanten uit Kawemhakan zegt het mooi: ‘Aan de Franse zijde zijn planten en dieren beschermd. Maar wie of wat zijn wij, de Wayana dan?’ )

Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana. De wetten van interculturele communicatie
Dit artikel van Eithne B. Carlin was een van de inleidingen op het colloquium van de stichting IBS in november 2010. Ik was erbij en verbaasde me steeds meer. Het begint al met de uitspraak: ‘Als onafhankelijk toeschouwer ben ik tot de conclusie gekomen dat de pogingen om van ontwikkelingshulp tot ontwikkelingssamenwerking te komen, op een enkele uitzondering na, mislukt zijn. Dat klopt in gevallen van buitenlandse projecten wel, maar vanuit Suriname en met name het project ‘Change for Children’ zijn ontwikkelingsprojecten vaak tot echte samenwerking uitgegroeid. Carlin baseert haar theorie voor een groot deel op het niet begrijpen van elkaars taal. ‘Wij’ en ‘moeten’ bijvoorbeeld, hebben een totaal andere inhoud in het Trio dan in de westerse talen. Dat zou tot miscommunicatie leiden. Maar de projecten zijn meestal praktisch, samen met kinderen spelenderwijs bezig zijn met onderwijs in de moeilijke schooltaal, samen aan sport doen en aan kunst, landbouw en gezondheidszorg. De taal is echt niet het enige middel om elkaar te begrijpen en samen te gaan werken. En wetenschap is ook werkelijk niet hét middel om aan ontwikkeling te werken. Samen creatief en inventief aan een ontwikkelingsdoel werken, vanuit de eigen omgeving, daar gaat het om!

Recensies
De Oso bestaat zoals altijd uit een aantal recensies, berichten en In Memoriams. Verder is de signalementenlijst erg belangrijk voor mensen die willen weten wat er over een bepaald onderwerp in het afgelopen half jaar is gepubliceerd. Van de recensies kunnen we met trots zeggen dat het overgrote gedeelte al is besproken op deze pagina. De boekselectie verbaast soms: er zijn uitgaven bij uit 2007.
De inhoud is vaak informatief, maar helaas soms ook onjuist. In de recensie van Tinde van Andel staan enkele storende fouten: black eyed peas zijn geen djar’pesi, en callaloo is geen klaroen maar tayerblad. Even googelen en je weet het. Of: kom weer eens hier eten meisje, we maken het voor je neus klaar en yu man tes’ ing.

[Hilde Neus, met aanvullingen van Christine Samsom (‘The making of Ronnie Brunswijk in de Nederlandse media’ , ‘De mystificering van de Marrongemeenschappen in Suriname’ en ‘Contact en de transport- en communicatierevolutie in het Surinaamse binnenland’) en Els Moor (‘Overleven in de Wayajajungle’en ‘Ontwikkelingshulp bij de Trio en de Wayana’).

OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. KITLV, Leiden, april 2011.

De wetten van de jungle

De nieuwe Oso, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied is uit. Jrg. 30, nr. 1, april 2011, bevat de teksten van het laatste colloquium en nog tal van artikelen, recensies en berichten meer. De inhoudsopgave staat hieronder. Bestellen: KITLV, Oso, Postbus 9515, 2300 RA Leiden. Een los nummer kost 16,50 euro.

Inhoud
6 Woord vooraf
Karin M. Boven
12 Overleven in de Wayanajungle; Wie niet sterk is moet
slim zijn!
Alex van Stipriaan
28 Contact! Marrons en de transport- en communicatie­revolutie in het Surinaamse binnenland
Eleonora Zito
47 Pokigron; Overleven in het hart van het Surinaamse
regenwoud
Angretha Wongsowikromo
63 ‘Is alles goud dat glinstert?’ De Surinaamse goudmijnbouw beschouwd vanuit groen-criminologisch perspectief
Ellen de Vries
73 The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media
Eithne B. Carlin
90 Ontwikkelingshulp bij de Trio en Wayana;
De wetten van interculturele communicatie
Salomon Emanuels
102 Demystificeren van de Marrongemeenschap in Suriname;
De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers
Richard Price
116 Saramaka People v Suriname; The rights of Suriname’s Maroons and Indigenous peoples in the twenty-first century
Ton de Jong & Jeroen Ketelaars
134 De Caraïbische fotocollectie van de Fraters van Tilburg
164 Recensies
L.A.H.C. Hulsman, Nederlands Amazonia; Handel met Indianen tussen 1580 en 1680 (door Victor Enthoven); Jeanette van Ditzhuijzen, Een sjtetl in de tropen; De Asjkenazische gemeenschap op Curaçao (door Wieke Vink); Esther Captain & Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee; De erfenis van de Tweede Wereldoorlog in Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname (door Gert Oostindie); Ulbe Bosma, Terug uit de koloniën; Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties (door Rosemarijn Hoefte); Gert Oostindie (red.), Dutch colonialism, migration and cultural heritage (door Angelie Sens); Lisa Djasmadi, Rosemarijn Hoefte, Harriëtte Mingoen, Migratie en cultureel erfgoed; Verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland (door Hein Vruggink); Hebe Verrest, Home-based econo­mic activities and Caribbean urban livelihoods; Vulnerability, ambition and impact in Paramaribo and Port of Spain (door Freek Colombijn); J. Marten W. Schalkwijk, The colonial state in the Caribbean; Structural analysis and changing elite net­works in Suriname, 1650-1920 (Karwan Fatah-Black); Marc Brightman, Amerindian leadership in Guianese Amazonia (Karin M. Boven); Eithne Carlin & Diederik van Gothem (foto’s), In de schaduw van de Tijger; De Indianen van Suriname (door Fabiola Jara); Alex van Stipriaan & Thomas Polimé (red.), De kunst van overleven; Marroncultuur uit Suriname (Willemijn van Geldrop); Judith A. Carney & Richard Nicholas Rosomoff, In the shadow of slavery; Africa’s botanical legacy in the New World (door Tinde van Andel); Anil Ramdas, Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle (door Walter Lotens); H.A.J. ter Steege, A.B. van der Veen & Chandra van Binnendijk, Dromers, doemdenkers en doorzetters; Over mensen en gebouwen in Coronie (door Karin M. Boven); Theo Para, De schreeuw van Bastion Veere (door Bill Monkau); Rashid Novaire, Afkomst (door Renée Jansen); Giselle Ecury, Glas in lood (door Jos de Roo); Mala Kishoendajal, Pijn in parlando (door Wim Rutgers); Lisette Lewin, De verloren savanne (door Jos de Roo); Henna Goudzand Nahar, De stem van Bever, met illustraties van Jeska Verstegen & Henna Goudzand Nahar, Lang leve Olifant, met illustraties van Jeska Verstegen (door Marijke van Mil); Johan Ferrier, Het grote Anansiboek, met illustraties van Noni Lichtveld (door Henna Goudzand Nahar); Marijke Schweitz, De andere zijde van de zon (door Marijke van Mil).
Rosemarijn Hoefte & Ellen Klinkers
216 Signalementen
219 Berichten
Michiel van Kempen
224 In Memoriam Henny Coomans (1929-2010)
Irene Rolfes
226 Recente publicaties
I Suriname
II Nederlands-Caraïbische eilanden
240 Mailadressen auteurs en recensenten

Nieuwe Oso weer gevarieerd en rijk

Het nieuwe nummer van Oso, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied is net verschenen, jrg. 29, nr. 2. Het is het varianummer van deze jaargang en bevat elf bijdragen.

Sabine van der Greft opent met een bijdrage over een Surinaams fenomeen dat in reisgidsen, buitenlandse kranten en televisieprogramma’s veel aandacht krijgt: de Surinaamse zangvogelsport. De auteur bespreekt de culturele betekenis van deze sport en besteedt daarnaast aandacht aan de mogelijkheid van plaatsing van de zangvogelsport op de UNESCO-lijst voor immaterieel werelderfgoed.

In de tweede bijdrage bespreken Jolijn Duijnhoven en Yvon van der Pijl een smakelijke bezigheid in Suriname: de Surinaamse publieke eetcultuur. Ondanks de vele verschillen in het multiculturele Suriname vinden Surinamers in de liefde voor eten een grote gemene deler. De auteurs signaleren ontwikkelingen in Suriname die wijzen op constructie van een ‘eenheidsidentiteit’ dóór en in eten. De (vermeende) invloed van mondialisering op de publieke eetcultuur van Paramaribo is het centrale thema in deze bijdrage.

Dianca Schipper beschouwt in haar bijdrage hoe Creoolse mannen de eigen rol in de zorg en opvoeding van hun kinderen zien, hoe zij zelf de band met hun kinderen ervaren en wat hun kinderen voor hen betekenen. In veel wetenschappelijke literatuur is het beeld over Creoolse mannen en vaders dat ze onverantwoordelijk gedrag vertonen door als partner ontrouw te zijn en niet of onvoldoende aan het huishouden en de zorg voor vrouw en kinderen bij te dragen.

Diana van Bergen en Sawitri Saharso behandelen in de vierde bijdrage suïcidaal gedrag van jonge Hindostaans-Surinaamse vrouwen in Nederland. Zij gaan in op de vraag in hoeverre deze groep in vergelijking met autochtone Nederlandse en andere migrantenvrouwen vaker overgaat tot suïcidaal gedrag en op de relatie tussen suïcidaal gedrag (zonder dodelijke afloop) en etnische afkomst.

In de vijfde bijdrage, van de hand van Peter Reimink, staat de strijd van de Trio-Inheemsen in het diepe zuiden van Suriname om hun leefgebied tegen pananakiri (mensen van buiten) te beschermen centraal. De auteur beschrijft lokale percepties en overwegingen van Trio ten aanzien van het landrechtendebat en de zich steeds meer opdringende mogelijkheden om te komen tot meer economische ontwikkeling.

Vanessa Elisa Grotti bespreekt in de zesde bijdrage de relaties tussen de sedentaire Trio en de nomadische Akuriyo in het zuiden van Suriname sedert eind jaren zestig. Begin jaren zeventig werd het merendeel van de nomadische Akuriyo overgebracht naar Trio-dorpen waaronder Tëpoe aan de Tapanahony. De auteur richt zich in haar bijdrage op de ontwikkeling van een duale hiërarchie tussen beide groepen, inferioriteit van de Akuriyo in de zichtbare wereld (het Trio-dorp) versus hun superioriteit in het woud.

In het zevende artikel behandelt Lodewijk Hulsman de handel van Nederlanders met Indianen in Suriname in de periode 1604-1617, een tijdvak dat tot op heden sterk onderbelicht is in de historiografie over Suriname. In deze handel vervulde De Guiaansche Compagnie een belangrijke rol. Op basis van verslagen van de Guiaansche Compagnie schetst de auteur een beeld van Suriname waar kleine groepen Europese mannen leefden tussen Indianen waarmee zij handelden en exportgewassen plantten.

De achtste bijdrage, van de hand van Suze Zijlstra, handelt over de representatie van inheemse vrouwen in Suriname in Nederlandse vroegmoderne reis- en landbeschrijving waarbij zij ingaat op de rolverdeling in het gezin en de kraam en opvoeding van de kinderen. De auteur vergelijkt deze beschrijvingen met de latere beelden van slavenvrouwen in dezelfde vroegmoderne literatuur over Suriname om verschuivingen in perspectief te plaatsen en het uitgangspunt van auteurs beter te kunnen duiden.

Ruud Paesie beschrijft in het negende artikel twee expedities naar de Akuriyo van de Coppename in 1717. De twee journalen van beide expedities zijn uniek historisch en antropologisch materiaal en behoren tot de eerste beschrijvingen van de Akuriyo. Beide journalen zijn als transcriptie in de bijdrage van Paesie opgenomen.

In de voorlaatste en tiende bijdrage van Fred de Haas staat de poëzie van de Arubaanse dichter Henry Habibe centraal. Habibe schrijft zijn gedichten voornamelijk in het Papiamentu, incidenteel ook in het Spaans en Nederlands. In zijn bespreking gaat De Haas in op de verwantschap tussen de inspiratie en de beelden van Habibes liefdespoëzie en een aantal Spaanse en Zuid-Amerikaanse geestverwanten.

Deze aflevering van OSO wordt zoals gewoonlijk afgesloten met de rubrieken Recensies (deze keer opmerkelijk kort , Lijst van recente publicaties en Berichten. Daartussen staat nog een artikel waarvan niet duidelijk is waarom dat niet als normal artikel bij de andere staat: ‘Suriname door de ogen van een achttiende-eeuwse biologiestudent’ van Tinde van Amstel.

Al met al weer een divers en rijk nummer.

Te bestellen: KITLV, T.a.v. Ellen Sitinjak, Postbus 9515, 2300 RA Leiden, E-mail hofte@kitlv.nl

Boots & Woortman, kolonialisme vanuit het perspectief van de kolonisator?

door Rolf van der Marck

 

Inmiddels bijna twee maanden geleden, op 3 mei om precies te zijn, is op de Surinaamse nieuws-site StarNieuws een artikel verschenen van Sandew Hira, onder andere auteur van Decolonizing the Mind, getiteld “Een koloniale biografie over Anton de Kom”, het werkstuk van Boots & Woortman dat ik hier zo’n half jaar geleden enthousiast heb besproken. Lezing van dit artikel liet mij zo nu en dan toch wel enige schaamte voelen, omdat Hira mij duidelijk maakte dat ik deze biografie kennelijk niet overal even objectief heb gelezen. Sindsdien vroeg ik mij af wat hiermee te doen, want ik vind dat de kritiek van Hira niet genegeerd mag worden. Ik zocht dus naar een gelegenheid om hiermee naar buiten te treden.

Die gelegenheid doet zich voor nu Christine Samsom en Els Moor hier zojuist onder de titel “De turbulente biografie van een boek” een artikel hebben gepubliceerd over het aprilnummer van OSO, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch Gebied, dat bijna helemaal is gewijd aan 75 jaar Wij slaven van Suriname, met als ondertitel De turbulente biografie van een boek. Onmiddellijk viel mij op dat de auteurs geen aandacht hebben besteed aan Hira’s visie (ook al valt die buiten de optiek van OSO), om welke redenen dan ook, niet geweten, niet gelezen, niet gewild, maar hoe dan ook jammer, want diens kritiek mag niet worden genegeerd, ook al is Hira dan niet onomstreden. Om dezelfde reden is het te betreuren dat Boots & Woortman hieraan nog geen aandacht hebben besteed.

De kern van Hira’s benadering is gelegen in diens uitspraak: “De terminologie –ze (Boots & Woortman, RvdM) praten over slaven, terwijl tegenwoordig antikolonialisten de term enslaved (tot slaaf gemaakt) gebruiken– verraadt hun opstelling in de slavernijdiscussies.” Het is een standpunt, maar een discutabel standpunt. Het is duidelijk dat de semantiek hier boekdelen spreekt, zoals dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten al decennia lang opgeld doet, getuige de steeds wisselende terminologie voor ‘zwarten’ tot wat nu heet ‘African Americans’ of  ‘enslaved Americans’. De andere kant van de medaille is, dat Hira uitermate achterdochtig is, achter elke boom schuilt voor hem een koloniaal/racist. Dat is zijn goed recht, maar het voert af en toe wel ver. Maar dat gezegd zijnde, Hira heeft zeker niet altijd ongelijk.

 

Ik kan met Hira meegaan waar hij zegt: “Boots & Woortman wantrouwen De Kom’s intenties om eenheid onder Surinamers te brengen, waarvoor hij zo hartstochtelijk pleitte in zijn daden en woorden. Zo beschrijven ze een reactie in het koloniale blad De Banier: ‘In De Banier van 25 januari verschijnt een ingezonden stuk waarin de aantrekkingskracht van Anton wordt verklaard door het feit dat Hindostanen en Javanen de meest eenvoudigen van geest zijn. Vervolgens vragen de auteurs zich af: ‘Heeft Anton zich bewust gewend tot de contractarbeiders om daar zijn succes te behalen zoals vaker wordt beweerd? Was de aandacht van Anton voor deze arbeiders een kwestie van tactiek?’ Ze concluderen: ‘Vanuit zijn concept van eenheid en organisatie vond Anton dat alleen een gesloten front tegen het koloniaal bewind uitkomst kon brengen en dat de redenen zijn waarom hij zich ingespannen heeft voor de Javanen en de Hindostanen. Maar zijn bedoelingen zijn, zoals wel vaker, door de omstandigheden ingegeven.” (p. 122-123).

Waarna Hira zich afvraagt: “Waar baseren ze dit wantrouwen op? Niet op feiten, maar op hun eigen koloniale visie over de geschiedenis van Suriname en de strijd tegen het kolonialisme. Ze nemen de koloniale gedachte over dat Javanen en Hindostanen ‘eenvoudigen van geest’ waren en geen legitieme redenen hadden om zich te verzetten tegen het kolonialisme. Ze gaan vervolgens door op die redenering en proberen uit te leggen dat De Kom uit opportunistische redenen zich tot deze simpele geesten heeft gericht. Dat is een interpretatie en geen onderbouwing met feiten. Ze kunnen gewoonweg niet geloven dat de intenties van De Kom oprecht waren.

 

Hun koloniale visie komt het duidelijkst tot uiting in de volgende passage: ‘Anton mag zijn gepassioneerde lezingen in het communistisch circuit dan beëindigen met de leuze die hij overneemt van de CPH: Indonesië, Curaçao en Suriname los van Holland, NU!, het is in wezen niet het pleidooi dat hij in zijn boek Wij slaven van Suriname houdt. Intelligent als Anton is, beseft hij heel goed dat er meer verschillen zijn tussen Nederlandsch-Indië en Suriname, dan alleen de omvang van land en bevolking. Indië heeft een eigen oude cultuur en een eigen bestuurselite. Suriname kent maar weinig intellectuelen en de enkeling die zich roert, zoals Doedel, is van gemengde afkomst. De voormalige slaven krijgen nauwelijks een kans zich te ontwikkelen en de contractarbeiders komen uit de armste lagen van de bevolking in hun thuislanden. Het ontbreekt de Surinaamse bevolking aan een bestuurlijke elite, een basis waarop de onafhankelijkheid kan drijven. Omdat Anton zich nergens uitspreekt over de aard van een zelfstandig Suriname, blijft het moeilijk na te gaan wat zijn exacte ideeën daarover waren. Het is zeker dat hij autonomie voor het Surinaamse volk opeiste, maar de vorm die deze moest aannemen, blijft onduidelijk.’ (p. 190) Hier praat niet Anton de Kom maar het duo Boots en Woortman, die gewoonweg niet accepteren dat De Kom al voor de Tweede Wereldoorlog – vooruitlopend op de Surinaamse nationalistische beweging– al de roep om onafhankelijkheid had gelanceerd. Ze construeren een eigen redenering die ze in de schoenen van De Kom schuiven.”

Kijk, zeker bij lezing van dit voorbeeld dat Hira gebruikt voelde ik schaamte, schaamte dat ik dit bij eerste lezing niet heb onderkent. Hier wreekt zich zonder twijfel dat ik een ‘bakra’ ben, die zich ondanks zijn lange verblijf in Suriname nog steeds niet heeft losgezongen van wat hem met de paplepel is ingegoten. En dat is zeker ook de zwakke plek bij Boots & Woortman, die ondanks hun lange en grondige voorbereiding op het schrijven van deze biografie hun afkomst niet verloochenen, hetgeen – zoals Hira aantoont – is doorgedrongen tot in hun opus magnum.

Hiermee toont Hira ook aan dat zijn achterdocht niet altijd onterecht is, en meer nog, dat de Surinaamse geschiedschrijving – tot nu voornamelijk in handen van bakra’s – door landgenoten moet worden overgedaan en herschreven.

De turbulente biografie van een boek

door Christine Samsom en Els Moor

Het aprilnummer van OSO, tijdschrift voor surinamistiek en het Caraïbisch Gebied, is bijna helemaal gewijd aan 75 jaar Wij slaven van Suriname met als ondertitel De turbulente biografie van een boek. Een uitdagende titel! Kan een boek een biografie hebben, zoals levensbeschrijvingen van mensen, van de wieg tot het graf? Wij slaven van Suriname is nog lang niet dood. Dat blijkt wel uit dit nummer van OSO.

Maar over de geboorte en jeugd van het boek is heel veel te vertellen. Dat is mede te danken aan de Anton de Kom. Biografie (2009) van Alice Boots & Rob Woortman. De journalist René Zwaap schrijft in een spannend verhaal en onder de titel ‘Anton de Kom als staatsvijand. Hoe de CID bijdroeg aan de lancering van Wij slaven van Suriname’, over de manier waarop de Centrale Inlichtingendienst (CID; voorloper van de AIVD in Nederland) invloed probeerde uit te oefenen vanaf het moment dat men daar lucht kreeg van de mogelijke publicatie van een kritisch, door antikolonialistische, communistische ideeën geïnspireerd boek, geschreven door de Surinamer Anton de Kom. Men hield hem al in de gaten vanwege zijn bewogen toespraken over discriminatie en onderdrukking in de koloniën op congressen van de communistische partij. Toespraken die terug te vinden zijn in de archieven van de CID. De minister van Koloniën waarschuwde de toenmalige gouverneur en bracht daarmee de autoriteiten in Suriname in opperste staat van paraatheid. Hierdoor was de komst naar Suriname van De Kom in 1933 om zijn zieke moeder te bezoeken al bij voorbaat verdacht en leidde die inderdaad tot een overspannen reactie, waarbij 2 doden vielen. De Kom werd verbannen naar Nederland. Diezelfde CID ging eind 1933 op bezoek bij ene De Neve van uitgeverij Contact, waar Wij slaven van Suriname zou verschijnen. Maar of dat heeft geleid tot cruciale veranderingen in het manuscript valt te betwijfelen. In zijn voorwoord vindt De Neve het wel nodig de lezers te verzekeren, dat enkele passages in overleg met de schrijver zijn gewijzigd. Uit deze interessante bijdrage van Zwaap blijkt in ieder geval de paniek bij de CID met betrekking tot de mogelijke invloed van Anton de Kom op de Nederlandse publieke opinie. (- C.S.)

In ‘De geschiedenis van een manuscript. De wording van Wij slaven van Suriname van Anton de Kom’ door Alice Boots en Rob Woortman – de auteurs van bovengenoemde biografie – staan twee vragen centraal: Werd Wij slaven van Suriname ernstig gecensureerd door de CID? En: is de schrijver Jef Last (co-)auteur? Beide vragen waarover lange tijd twijfels bestonden, worden ontkennend beantwoord. Het manuscript is vele malen in overleg tussen De Kom en de uitgever herschreven. In de biografie wordt daar ook uitgebreid op ingegaan met veel verwijzingen naar correspondentie ter zake. (- C.S.)
De essayist Theo Para (pseudoniem van Henry Does) is in ons land geen onbekende door zijn aanhoudende publicaties over de Decembermoorden in 1982, gebundeld in zijn vorig jaar verschenen boek De schreeuw van Bastion Veere. Zijn bijdrage onder de titel ‘Anton de Kom en de menselijke waardigheid’ begint met wat hij noemt ‘een surrealistische gebeurtenis’ op de Universiteit van Suriname: het ‘openingscollege’ door de legerleiding ‘van een dictatoriaal regime’ op 17 oktober 1983, na 9 maanden sluiting van de universiteit en de moord op twee vooraanstaande docenten, Sugrim Oemrawsingh en Gerard Leckie, op 8 december 1982. Para herinnert eraan dat Bram Behr toen hij in april 1982 gevangen zat in Fort Zeelandia, in een brief schreef dat hij, Bram, kracht putte uit de gedachten aan Anton (de Kom), die daar in 1933 ook gevangen had gezeten. Die verbondenheid in ideologie was duidelijk. Historische rolmodellen zijn van groot belang voor de identiteit en zeden van een volk.

Het is volgens Para een bezoedeling van de nagedachtenis aan Anton de Kom als vrijheidsstrijder en verzetsheld om als propagandastunt de universiteit een ‘instrument van nationale bevrijding’ te noemen en daar dan de naam van Anton de Kom aan te verbinden. Had een vreedzame De Kom in 1933 de jachtgeweren die men hem toen wilde brengen, niet geweigerd: ‘Het was mij te doen om organisatie, niet om een bloedbad’. Van Para mag de naam van de universiteit blijven, maar dan als teken van vrijheid van het wetenschappelijk onderwijs en universitaire autonomie. Para prijst de literaire schoonheid van De Koms boek, bijvoorbeeld waar hij schrijft over de dapperheid van de marronvrouw Sery. Met Wij slaven van Suriname breekt De Kom een lans voor menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid. Kritiek heeft Para op de schrijvers van de biografie van De Kom, waar zij de sympathie van De Kom voor de communistische partij verzwijgen om een slecht imago van De Kom te vermijden. (- C.S.)

Interessant is de bijdrage van de cultureel antropoloog Wim Hoogbergen: ‘Wat las De Kom voor zijn Wij slaven van Suriname?’ Hoogbergen geeft een overzicht van de bronnen waarop De Kom zich heeft gebaseerd toen hij z’n boek schreef. Hij begint met de jeugd van De Kom die op school alleen maar ‘Vaderlandsche Geschiedenis’ kreeg… van Nederland…, waarbij hij hele rijen namen en jaartallen van gouverneurs moest leren (‘mannen die met het zwaard des Vredes veiligheid en orde in Suriname beschermden: de Hollandse Vrede’, schreef hij later in Wij slaven van Suriname). Hoogbergen noemt dat soort geschiedenisonderwijs een goed middel voor minderwaardigheidsgevoelens bij een ras: de helden van een ander volk prijzen.
Hij geeft aan dat Anton de Kom, als trouwe bezoeker van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, vooral geput heeft uit Geschiedenis van Suriname (1861) van J. Wolbers, die Suriname nooit heeft bezocht maar een groot tegenstander was van de slavernij, en Reize naar Surinamen… (1799) van J.G. Stedman, en in mindere mate uit boeken van onder anderen Hartsinck, Helman, Roos en Vlier en… uit de Bijbel (de vervloeking van Cham!). Maar al die historische gegevens dienen slechts om zijn aanklacht tegen Nederland vorm te geven. Want daarom werd Wij slaven van Suriname geschreven en niet als geschiedenisboek. Als De Kom schrijft over het dagelijks leven op de plantages ‘waar de planten des te beter schijnen te groeien naarmate zij beter met negerbloed bemest zijn’, haalt hij de feiten weliswaar bij Stedman, maar het zijn De Koms woorden, zijn indrukken. Hij vindt getallen daarom ook niet belangrijk. De mens en zijn lot staan centraal, niet of het historisch allemaal wel volledig of juist is. De feiten, maar soms ook geruchten, helpen De Kom om ‘een emancipatorisch boek te schrijven voor de zwarte bevolking, de nazaten van de slaven’.

Hoogbergen haalt aan het begin van zijn betoog een onderzoek aan dat gehouden werd onder sleutelfiguren uit de Afro-Caraïbische gemeenschap in Nederland: welke boeken of films over de slavernij hen persoonlijk het meest aanspraken. Tot onthutsing van Hoogbergen waren dat niet werken van wetenschappers als Oostindie, Thoden van Velzen, Van Stipriaan of Price, maar het waren Wij slaven van Suriname van Anton de Kom en Hoe duur was de suiker?‘van Cynthia Mc Leod. Heeft dat misschien te maken met het feit dat er te weinig bezieling zit in al dat overigens verdienstelijk wetenschappelijk werk, terwijl juist die diepe verontwaardiging over mensonwaardige, discriminerende toestanden in het collectieve geheugen van de twee schrijvers én hun lezers in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is opgeslagen? (- C.S.)

‘Doe iets!’ is de krachtige titel van het prachtig geschreven artikel van Antoine de Kom, kleinzoon van de auteur waar in deze editie van OSO alles om draait. Het is geen wetenschappelijk essay over Wij slaven van Suriname, maar een mengeling van herinneringen aan zijn zoektocht naar zijn opa. Antoine werd geboren in 1956, toen zijn opa al elf jaar daarvoor in een Duits concentratiekamp was overleden. Het stuk begint en eindigt met een scène in een Surinaamse klas waarin Antoine zelf leerling is en de meester de gebeurtenissen van 1933 moet behandelen. In de beginscène is de meester een onzekere man die zijn leerlingen uitscheldt (‘Stil jullie varkens! Jullie bos-apen!) en het duidelijk griezelig vindt om over De Kom te praten in het bijzijn van z’n kleinzoon. De klas aan het slot is modern, vol computers. Geen leerling kliert. Meester danst van vreugde. Op het scherm Anton de Kom, die hen toelacht.

Verder zijn er veel dialogen tussen Antoine en z’n opa in het verhaal. Kleinzoon vertelt zijn opa over het standbeeld in Amsterdam Zuidoost, opa is naakt… maar ook over de mogelijkheden die Suriname nu heeft en opa antwoordt… Zo springt Antoine in zijn tekst van het een naar het ander en de boodschap, van zijn ouders naar hem en van opa naar kleinzoon is: ‘Doe iets’. Knap, humoristisch, modern, in proza en poëzie. Antoine de Kom laat ook zijn experimentele poëzie zien. U moet het lezen. (- E.M.)

‘Literariteit’, het literaire karakter van een tekst of een boek, dat is het onderwerp van twee bijdragen in deze OSO. Van Michiel van Kempen ‘Menschen zijn er nauwelijks om van deze schoonheid te genieten. Anton de Koms Ons bloed is rood als bron van literariteit’ en van Liselotte Hammond ‘Wie zegt dat Anton de Koms Wij slaven van Suriname (geen) literatuur is?’ In het woord ‘literariteit’ zit ook ‘rariteit’ en dat klopt ook wel. Het beoordelen van literaire kwaliteit moet passen bij de eigenheid van het te bespreken boek. De literaire kwaliteit staat nooit alleen, zo’n beoordeling kan een lite-‘rariteit’ worden.
Van Kempen onderzoekt niet Wij slaven van Suriname op ‘literariteit’, maar een romantekst, Ons bloed is rood (1933), die De Kom eerder heeft geschreven en nooit gepubliceerd. De tekst is jarenlang zoek geweest en recentelijk gevonden, met inkt geschreven in vier schriften. Een manuscript dus, waarin De Kom met rood potlood typografische aanduidingen heeft gegeven. Waarom is deze tekst nooit uitgegeven, vraag ik me af. Vond hij geen uitgever ervoor? Of zag hij een jaar later, toen hij Wij slaven van Suriname wel had gepubliceerd, in dat dat een veel belangrijker boek was? We weten het niet, maar of zo’n manuscript in kladschriften nou hét stuk is om de ‘literariteit’ van De Koms werk te beoordelen? Wel interessant is de inhoud: de roman gaat over de ontvluchte slaaf Kwakoe die in het binnenland een opstand voorbereidt en daarbij geholpen wordt door andere weggelopen slaven en door indianen. Vóór Wij slaven van Suriname was De Kom dus al bezig met het schrijven van een stuk eigen geschiedenis vanuit Surinaams, niet-koloniaal perspectief. Dat is immers wat hij ook deed met Wij slaven van Suriname.

Liselotte Hammond – die werkt aan een dissertatie over (postkoloniale) weerstand in de Surinaamse literatuur van de twintigste eeuw – slaat met haar artikel wél de spijker op de kop. Zij onderzoekt wat voor genre Wij slaven van Suriname is, een geschiedkundig boek, een essay… of fictie. Of het boek ook onder literatuur gerekend kan worden hangt af van wat men onder literatuur verstaat, en dat verschilt van periode tot periode. Literatuur functioneert in een bepaalde context. Een moeilijkheid bij dit werk is dat de auteur zich bewoog binnen verschillende culturele contexten. Een vraag hierbij is ook waarom Multatuli’s Max Havelaar in de Nederlandse canon is terechtgekomen en Wij slaven van Suriname niet. Twee belangrijke literatoren en critici uit De Koms eigen tijd waren Eduard du Perron en Menno ter Braak. Hun literatuuropvatting was ‘Vorm of Vent’. Het gaat er bij hen dus om wat de mens, de auteur, uitdraagt. ‘De vorm’ moet dus aansluiten bij het wezenlijke van ‘de vent’. Du Perron schreef aan Ter Braak dat het een boek is waarbij je niet aan literatuur denkt, maar dat je absoluut gegrepen wordt door wat er staat. De Koms boek wordt in zijn tijd ook gezien als proletarische literatuur, die moet begrijpelijk zijn voor de arbeidersklasse, de lezers meeslepen en ze wezenlijke informatie verschaffen. Het gaat Liselotte Hammond dus om de vraag welke opvatting over literatuur wij zouden kunnen hanteren om De Koms boek op een adequate manier als literatuur te kunnen beschrijven. Daarvoor is een postkoloniaal perspectief noodzakelijk. Niet vanuit een nieuw te veroveren territorium voor de Nederlandse, Europese literatuurwetenschap. Dan is het nog steeds vanuit koloniale visie. (- E.M.)

Dit themanummer van OSO is over het algemeen geslaagd. Met kleinzoon Antoine de Kom vinden we dat hier, in Suriname, door deskundige vaklieden ook een soort OSO zou kunnen verschijnen, helemaal vanuit postkoloniaal, Surinaams perspectief, vanuit onderzoek en beleving en niet vol wetenschappelijke vaktermen, want die schrikken de gewone maar wel geïnteresseerde lezer af. ‘Doe iets!’

IBS en KITLV: OSO, tijdschrift voor surinamistiek…: 75 jaar Wij slaven van Suriname. De turbulente biografie van een boek, jrg. 29, nr. 1, april 2010. ISSN 0167-4099
Voor info en abonnementen: KITLV ter attentie van Ellen Sitinjak, Postbus 9515, 2300 RA Leiden, e-mail: sitinjak@kitlv.nl

Nieuwe Oso over o.m. Astrid Roemer

Het laatste nummer van Oso, tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied (jaargang 28, nr. 2, 2009) biedt de volgende bijdragen:
Artikelen
Koen Alefs, De kunst van het niet-weten; Pingojacht in West-Suriname.
Cindy Nortan, Winti en criminaliteit; Magische rituelen en attributen bij delicten.
Matthijs Ponte, Gaten naar de toekomst [over Astrid Roemer].
Annika Ockhorst, ‘Hervorming van de culturele uitwisseling? Het cultureel akkoord, 1975-1982.
Leni Thiers, Een Surinaams compromis tussen steen en hout; De kathedraal van Paramaribo.
Marije Schaafsma, Suriname en de Hollandse ziekte; Economische ontwikkeling tussen 1975 en 2002.
Ruud Paesie, Van monopolie naar vrijhandel; De illegale slavenhandel tijdens het octrooi van de Tweede West-Indische Compagnie, 1674-1730.
Daniël Tuijnman, Politie en leger in Suriname; De interne ordehandhaving van 1895 tot 1940.
Essay
Rashid Novaire, Een zee van mogelijkheden; Obstructie en ontwikkeling in een Surinaamse module fictief schrijven.
Recensies
Wieke Vink, Creole Jews; Negotiation community in colonial Suriname (door Lila Gobardhan-Rambocus); S. Ramsahai, Thuiswedstrijd in een vreemd land; Een 5 Inhoud sociaal wetenschappelijke analyse van voetbal in eigen kring (door Rosemarijn Hoefte); Ellen de Vries, Nola; Portret van een eigenzinnige kunstenares (door Edwin Marshall); Tip Marugg, De hemel is van korte duur; Verzameld werk 1945- 1995 (samengesteld en bezorgd door Aart G. Broek en Wim Rutgers) en Petra Possel, Niemand is een eiland; Het leven van Tip Marugg in gesprekken (door Michiel van Kempen).
Irene Rolfes: Recente publicaties, I Suriname, II Nederlandse Antillen en Aruba
Wim Hoogbergen, In Memoriam Silvia Wilhelmina de Groot-Rosbergen (1918-2009)
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter