blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: oraliteit

Orale geschiedenis in Papiamento

Aruba
Historia Oral ta historia di pueblo; Un metodo pa investigacion di Historia Oral van Jeanne D. Henriquez  beschrijft de methodiek van de orale geschiedenis in Papiamento. Orale geschiedenis is de geschiedenis die een persoon heeft beleefd en ervaren, en die hij of zij vertelt aan een onderzoeker. De persoon heeft  de informatie in zijn geheugen, als een eigen ervaren gebeurtenis die deel uitmaakt van zijn leven en ook van de samenleving en de maatschappij waarin hij/zij leeft.
Het boek beschrijft de geschiedenis en de orale geschiedenis. Over de orale geschiedenis in het Caribisch Gebied en de traditie van de orale geschiedenis in deze regio. Over het onderzoek van de orale geschiedenis op Aruba en de mensen die hieraan hebben bijgedragen. En tenslotte de methodiek zelf. Ook is er een lijst van publicaties op dit terrein.
Historia Oral ta historia di pueblo – Jeanne D. Henriquez
Papiamento | hardcover | 64 pagina’s | Unoca | Aruba | 2013
ISBN  978 99904 1 690 9
Prijs: 16,50€ 

Een orale vertelling van Haïti: Krik? Krak!

Antoine Montas (1926): ‘Fiesta’ (circa 1963) in: Kunst aus Haiti, p. 60. Ulm: International Primary Art’
Uit dit beeld straalt overmoedige levensvreugde. Muziek, dans en spel zijn in lichtende kleuren en beweeglijke penseelstreken weergegeven. Zelfs de natuur viert het feest mee!  Op de voorgrond is de slang op de trommel, symbolisch. Voor de voodoo-gelovigen belichaamt ze Damballah, de god van het leven.
Het eiland La Gonâve
 
Iedereen op Haïti weet het: het eiland La Gonâve was lang geleden een walvis die al heel lang in onze wateren verbleef. Op een mooie ochtend was Baleine, de walvis, aangekomen met op haar rug een godin die gedurende de oversteek van de zee in slaap was gevallen. Om haar wakker te maken stak Baleine voorzichtig haar neus boven het water uit en begon te bewegen en te zingen. Ze sloot op die manier vriendschap met de zeebewoners, zoals haaien, dolfijnen, vliegende vissen en kaaimannen en dat zijn dan alleen nog maar haar beste vrienden. Met de haaien probeerde ze haar stem uit, ze lieten een gezang van sirenen horen, daarna stak ze de baai over om raad te vragen aan de kaaimannen, toen de dolfijnen ophielden met haar te spelen. Dat alles deed ze om de goddelijke passagier wakker te krijgen die rustig op haar rug dommelde.
Baleine wendde zich toen naar de kust om hulp te vragen van de leguanen, de kolibri’s, de vogels met lange neuzen, de aguti en de tigrikati. Als ze het geluk had hen te kennen zou ze evenals haar passagier niet zomaar ontwaken, haar passagier die op haar rug sliep, met gesloten vuisten en de armen gekruist over de borst. In feite had  de godin slechts één gesloten vuist.
Men vertelt dat ze in die vuist een boodschap verborgen hield die een Afrikaanse god haar had toevertrouwd voor de mensen van Haïti. De inwoners van het eiland noemden haar in de taal van toen La Gonâve. De walvis leefde gedurende zoveel jaren met de godin in de golf dat ze de naam van de godin kreeg en de ‘Golf van La Gonâve’ werd.
Op een avond floten de passaatwinden een heerlijke sarabande die het hoofd van de walvis zo aangreep dat ze bedwelmd in slaap viel, net als haar passagier op wier rug zich kleine breekbare schelpjes hadden vastgezet. De godin sliep in haar sirenenjurk die schitterde van parels en koraal, en in haar vuist sluimerde de boodschap van de Afrikaanse god ook.
Beiden sliepen ze gedurende vele lichtjaren, bewogen door het zuchten van de passaatwinden, verbrand door de stralen van de zon of nat geworden door de tropische regens. Toen ze ogenschijnlijk ongevoelig waren voor zon, wind en regen, waren ze een eiland geworden, het eiland van de ingeslapen vrouw, genoemd naar de walvis, het eiland van La Gonâve.
Men zegt dat ze allebei, de walvis en haar godin, wachten om wakker te worden, als de mensen van Haïti in het hart van hun eiland hun geheim ontdekken: de boodschap van liefde van hun Afrikaanse god…
In: Gérard Barthélémy, Mimi Barthélémy: Haïti La perle nue (Haïti, de naakte paarl), vertaling: E.M.. Vents d’ailleurs, 1999. (Dit tekstje is vertaald uit het Creools-Frans van Haïti. Woorden als ‘aguti’ en ‘tigrikati’ zijn bijna hetzelfde als in het Sranantongo.)
Deze flessen bevatten de lievelingsdranken van de goden. Ze hebben de symbolen van de verschillende goden op zich. Je ziet ze op altaren in voodoo-tempels. De priester biedt tijdens de rituelen de goden hun drank aan. Kunst aus Haiti, p. 39

Fosten singi vastgelegd voor nageslacht

door Audry Wajwakana

Paramaribo – Meer dan veertig owruten singi als Rorac, Friyari prisiri, Zestien april, Mi kant’ O en Jai Jai Sarnam zijn in een zangboek met cd vastgelegd voor het nageslacht. Behalve de teksten van de liedjes is bij sommige ook uitleg gegeven over de inhoud. “Het doel van de verzameling is om de liedjes in hun originele vorm te behouden”, zegt Judith Tilborg van Bigi Sma Kontren.
Creoolse prodo-groep, verm. op Koninginnedag, ca. 1900

 

Versies
De organisatie werkt al tien jaar aan het verbeteren van de kwaliteit van het leven van ouderen. Vanwege haar betrokkenheid bij deze doelgroep is zij door de Nederlandse Stichting Fos’ten Surinaamse vrouwen 50+ benaderd om een zevental boeken met cd aan zeven bejaardentehuizen aan te bieden.
“De stichting organiseert jaarlijks twee samenkomsten met Surinaamse bejaarden in Nederland. Daarbij worden liedjes van vroeger gezongen. Om te voorkomen dat deze verbasteren heeft de stichting besloten deze allemaal vast te leggen”, zegt Tilborg.
Verschillende liedjes hebben diverse lezingen over de achtergrond. “Zoalsno fas mi kindi kent een andere versie getiteld No fas’ mi bobi. Deze twee versies zijn beide in het boek opgenomen, omdat niet uitgemaakt kon worden welke de juiste is.”
Ook zijn originele tekstschrijvers en componisten van de liedjes in het boek opgenomen, althans zover dat getraceerd kon worden.

Aanbieding van het boekje

 

Intussen heeft Tilborg de instellingen Kibri mi, De Mantel, Fatima Oord en Stichting Soos een exemplaar overhandigd. “De komende dagen zijn Huize Ashiana en Stichting Wiesje aan de beurt. Met de zevende moeten wij nog contact maken.” De overhandiging wordt in aanwezigheid van Liesbeth Venetiaan gedaan. Zij heeft het contact gelegd met de instellingen zodat ze de boeken konden ontvangen. Ook de voormalige penningmeester van de Nederlandse stichting Mildred Zuidveen probeert zoveel mogelijk bij de overhandigingen aanwezig te zijn. “Met het aanbieden van de boeken (inclusief cd) aan de bejaardentehuizen hopen wij dat het tehuis dit in hun activiteitenplan opnemen. Hierdoor kunnen onze bigi sma de oude tijden herleven en over vroeger praten.”
De boeken zijn niet in de handel verkrijgbaar. “Ik heb veel aanvragen gehad en heb de organisatie al benaderd of zij meer exemplaren kunnen laten drukken. Persoonlijk vind ik het ook belangrijk dat de jeugd dit boek in handen krijgt. Maar het is nog even wachten wat de organisatie besluit”, zegt Tilborg.
[uit de Ware Tijd, 31/01/2013]

Workshop poëzie voordragen

Schrijf / lees jij poëzie en treed je graag op? Lijkt het je interessant om voor een publiek jouw of andermans poëzie voor te dragen en aldus de oren van anderen te bekoren? Schrijf je dan in voor de workshop poëzie voordragen van Perdu.
Perdu wil graag beginnende performers de kans geven zich verder te ontwikkelen. Tijdens de workshop zal je zelf uitgekozen poëzie ten gehore brengen in het bijzin van de andere cursisten. Het doel van de workshop is inzicht krijgen in hoe de voordracht het beste kan werken, wanneer de toehoorders wel of niet aan je lippen hangen…Aan bod komen je houding, stemgebruik, tekstbegrip en -behandeling, verbeeldingskracht, de kracht van stilte, en scherpte en helderheid in het maken van keuzes.

De workshop wordt begeleid door Erik Koningsberger, ervaren theatermaker, acteur en regisseur (zie www.erikkoningsberger.nl).De betrokkenen bepalen hierbij zelf wat ze lezen en waar ze aan willen werken. Eigen inbreng bepaalt met andere woorden voor een groot gedeelte wat er wordt geleerd.

Wil je meedoen, reageer dan voor 28 februari 2012 via perdu@perdu.nl. Graag ontvangen we van te voren een e-mail met daarin een korte motivatie, c.v. en de poëzie die je hebt gekozen.

Hoofden van de Oayapok!

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over de roman in vijf redevoeringen van Albert Helman, Hoofden van de Oayapok! 

door Els Moor

Courtesy edition van de Engelse vertaling
door Scot Rollins van Hoofden van de Oayapok!

In 1984 verscheen van Albert Helman, pseudoniem van Lou Lichtveld (1903-1996), Hoofden van de Oayapok! Roman in vijf redevoeringen. De schrijver was toen al eenentachtig jaar. Het werk bestaat uit ‘vijf redevoeringen’. Hiermee sluit Albert Helman aan bij de Grieks-klassieke traditie van drama in vijf bedrijven, maar vooral ook bij de inheemsen, die in het dagelijks leven stille mensen zijn, maar bij officiële gelegenheden eindeloze redevoeringen kunnen houden. Zelf had hij twee volbloed indiaanse grootmoeders en hij voelde zich zeer verbonden met de inheemse volken. We lezen dat ook in Zuid-Zuid-West, zijn eerste werk, dat hij schreef in Nederland op 25-jarige leeftijd, vol heimwee naar zijn geboorteland Suriname. Hij beschrijft zijn land vanuit het thema dat hemzelf toen op het lijf geschreven was. ‘Alle rassen ter wereld ontmoeten elkaar in dit land. Niemand stoort de ander, omdat elk eenzaam is’.

In Hoofden van de Oayapok! vat Helman de thematiek van de tegenstrijdigheid tussen het eigene en de grote wereld samen in Malisi, een indiaan uit een volk in het gebied van de Oayapok, grensrivier tussen Frans-Guyana en Brazilië. In vier redevoeringen in verschillende periodes van zijn leven richt Malisi zich tot de hoofden van zijn volk. Hij vertelt hoe hij als kind door paters naar Parijs gebracht, een Europees-christelijke opvoeding kreeg, hoe hij bij de dreiging van de Tweede Wereldoorlog terugkwam naar zijn dorp met het voornemen om zich in te zetten voor zijn volk. Hij stuitte echter op traditionele wetten en gewoontes die dat voornemen soms bemoeilijkten. Malisi leefde gelukkig samen met Akontina, een jonge vrouw uit het dorp. Volgens de wetten van hun cultuur volgde hij de geboorte van hun eerste kind op afstand, liggend in een hangmat.

De moeder baart immers het kind en de vader de geest. Malisi: ‘Maar ik wil u wel bekennen dat, hoe langer de foltering duurde en de avond reeds dichterbijkwam, hoe meer ik dacht: een blanke medicijnman had haar misschien kunnen helpen en redden. O, had ik maar de moed gehad om haar bijtijds stroomafwaarts mee te nemen tot wij er een zouden ontmoeten… Ik wist dat gij het niet zoudt goedkeuren als ik dit gedaan had, en heb het niet gedurfd, helaas, helaas. Tenslotte hoorde ik geen geluid meer uit de geboortehut. Zelfs niet het krijsen van een zuigeling.’

Spreker van het Tunayana-Katwena in Kwamalasamutu,
met zijn fluit in de hand. Hij is een van de vertellers
van de mythe van Taana. Foto © Roland Hemmauer.

Moeder en kind overlijden en Malisi verlaat zijn dorp en gaat terug naar Europa. Veertig jaar later houdt hij zijn vijfde toespraak tot de hoogwaardigheidsbekleders van een universiteit, wanneer hij een hoge onderscheiding gekregen heeft vanwege zijn verdiensten als wetenschapper, antropoloog die onderzoek deed naar de indianen aan de Oayapok, inmiddels uitgestorven stammen. Aan het eind van zijn redevoering stokt hij… de emoties worden hem te veel! Hij denkt aan zijn vrouw en zijn kind en even heeft het hart het gewonnen van het hoofd.

De historische werkelijkheid in deze prachtige korte roman in redevoeringen is die van de indianenvolken van de Guyana’s in de twintigste eeuw, van wie er veel uitgestorven zijn, mede door de besmettelijke ziektes die zij opliepen via Europeanen die het gebied bezochten, maar ook die van Helman zelf, die op vele plaatsen in de wereld gewoond heeft. De vraag ‘Wie ben ik en waar hoor ik thuis’ hoort duidelijk bij de twintigste-eeuwse emigratie en de veranderingen die zich daardoor in de menselijke geest voltrokken. In zijn beknoptheid is dit een van de beste werken van Albert Helman en de dramatisering ervan in 1995 door de Theatergroep De Nieuw Amsterdam, met Felix Burleson als Malisi was een groot succes, ook in Suriname in 1996.

Schooljeugd van Kwamalasamutu

Dorpen zoals Kwamalasamutu zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw gesticht door veelal Amerikaanse zendelingen die in samenwerking met de Surinaamse overheid ervoor zorgden dat er westerse gezondheidszorg kwam naast de inheemse van de sjamanen, een vliegveld voor snelle verbinding met de stad, lager onderwijs, enzovoort. Door de overgang naar het christendom zijn de bewoners van deze dorpen enerzijds veel van hun authentieke cultuur kwijtgeraakt, anderzijds hebben ze nu veel contacten met de ‘grote wereld’. In vergelijking met Malisi zijn de leerlingen van de zesde klas van Kwamalasamutu moderne jongeren die kennis willen nemen van de gevaren die de jeugd nu overal ter wereld bedreigen, zoals besmetting met het hiv-virus en aids, vaak veroorzaakt door vrije seks. Net als Malisi kunnen zij hun mogelijkheden ontwikkelen en zelfs wetenschapper worden, maar de problematiek van Malisi en de strengheid van hun eigen cultuur, is ver van hun hangmat.

In de laatste decennia is er een nieuwe relatie ontstaan tussen inheemse dorpen en de ‘westerse wereld’. Het toerisme ontwikkelt zich en voor de inheemsen ligt er de uitdaging hoe betalende gasten op een goede manier te ontvangen, zonder dat toeristenondernemingen van elders baas gaan spelen en de winst opstrijken. Ook komen er veel stichtingen, ook buitenlandse, ‘ontwikkelingswerk’ doen in de dorpen. Dat kan alleen maar slagen vanuit een grondige kennis van de leefwereld en de cultuur ter plaatse en vooral in intensieve samenwerking met de betrokkenen uit de dorpen, die zelf moeten aangeven waaraan er behoefte is en niet omgekeerd. Dat gebeurt lang niet altijd. De externe ‘deskundigen’ hebben dan hun ‘exotische’ ervaring gehad en de inheemsen gaan weer over tot de orde van de dag!

Albert Helman geeft ons met Hoofden van de Oayapok! een sterk voorbeeld van de eenzaamheid in de inheemse dorpen in de eerste helft van de vorige eeuw. Eenzaamheid heeft nu een andere vorm: binnen de door zendelingen gestichte dorpen is het samenzijn van verschillende volken die elkaar niet ten volle vertrouwen, niet vanzelfsprekend. In het verleden kunnen zij, toen nog nomadenvolken, vijanden van elkaar geweest zijn. Eenzaamheid is het grote thema van de literatuur van Latijns-Amerika met als hoogtepunt het meesterwerk van Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid (1972), waarvan de laatste woorden zijn […] ‘omdat de geslachten die gedoemd zijn tot honderd jaar eenzaamheid, geen tweede kans krijgen op aarde’. Hoofden van Oayapok! past hierbinnen, maar ook binnen het hele oeuvre van Albert Helman. 

Albert Helman: Hoofden van de Oayapok! Roman in vijf redevoeringen. ’s Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar, 1984. ISBN 90 236 5612 1 

De tekst van Helmans roman is ook digitaal te lezen, klik hier

Op zoek naar het levenswater van Ana Bolindo-Kondre

door Els Moor

Op 29 juni had het Heilpedagogisch Instituut Matoekoe in Lelydorp weer zijn jaarlijkse toneelstuk ter gelegenheid van 1 juli, Manspasi-dei, afschaffing van de slavernij, een feest van vrijheid dus! De pupillen van Matoekoe zijn vrije mensen. Geen slaven van hun beperking. Ze werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en dankzij hun liefdevolle en deskundige begeleiders, lukt dat. Kunst is een belangrijk middel tot het vergroten van je zelfvertrouwen en je eigenheid, vooral ook toneel; dat doe je samen en je hebt veel plezier.

Het levenswater van Ana Bolindo-Kondre is een verhaal uit de orale traditie in Suriname. Rubbertappers, balatableeders, vertelden het elkaar vroeger als ze de nacht moesten doorbrengen in het bos. Het gaat over een vader van drie zoons die blind wordt doordat hij het giftige sap van een broodvrucht in zijn ogen krijgt. De lukuman raadt de jongens aan dat ze ‘het levenswater’ moeten halen bij Ana Bolindo. Dat zal vader genezen. Moeder weet dat het heel gevaarlijk is om daarheen te gaan, maar om de beurt, eerst de oudste, dan de middelste en ten slotte de jongste, gaan ze, op een paard. Indri, de dappere jongste broer, slaagt erin het levenswater te bemachtigen, zijn door misdadige heksachtige vrouwen gedode broers weer tot leven te wekken en ten slotte pa’s ogen weer ziende te maken met het levenswater van Ana Bolindo. Hij is de enige die communiceert met Krab’dagu die steeds weer opduikt, met wie hij zelfs zijn eten deelt. Aan dit goede dier heeft hij veel hulp te danken om het doel te bereiken en zijn twee broers te redden. Eind goed al goed!

Om vrijheid te bereiken moet je dapper zijn, maar ook sociaal. Regisseur Marylou Asmodikromo van Matoekoe heeft weer een prachtige prestatie geleverd met haar acteurs, pupillen en medewerkers. Het verhaal werd deels door een verteller verteld en deels gespeeld. Bijna helemaal in het Sranantongo dat de pupillen en hun families beter verstaan dan het Nederlands en dat bovendien het verhaal weer origineel maakt. Want de balatableeders vroeger zullen echt geen Nederlands gesproken hebben en de bevrijde slaven ook niet!

Alles was eenvoudig, maar creatief: het spel, het decor en de kleding. Op een stok met een paardenkop maakten de drie jongens achtereenvolgens hun reis. En alles doorspekt met liedjes, muziek en grappen. Het publiek genoot. Veel familieleden van de pupillen, veel kinderen. Het publiek leefde ook duidelijk mee, waardoor het stuk één groot geheel werd.

Balatableeders aan het werk: met inkepingen wordt
het balata (de rubber) uit de boom getapt.
Foto @ Surinaams Museum.

Dankzij de positieve instelling van Indri en zijn persoonlijkheid (hij laat zich niet verleiden door die heksachtige wijven) overwint hij alle hindernissen om het levenswater te bemachtigen. Dat is een stuk vrijheid en vandaaruit geeft hij zijn broers het leven terug, hun persoonlijke vrijheid en zijn vader het licht. Indri is een voorbeeld, hij is de ‘manspasi ‘in levenden lijve! De voorstelling is een prachtig voorbeeld van wat je bereiken kunt als je met jongeren met een beperking een tekst speelt die herkenbaar voor ze is, spannend en toch ook gewaagd, zoals de confrontatie van de broers met de heksachtige vrouwen die kaart met ze speelden en als ze geen geld meer hadden voor hun verlies, dan maar hun leven!

Het levenswater van Ana Bolindo Kondre is in 1979 uitgegeven in een bewerking van Ané Doorson. Het is echt een ‘klassiek’ verhaal uit de orale traditie en we hopen dat het ooit herdrukt gaat worden.

Tumbero’s binden strijd aan

In het Festival Center op Curaçao vond gisterenavond de eerste aflevering van het Tumbafestival plaats. Twaalf tumbero’s beklommen het podium om het festival af te trappen. Elke tumbero wordt ondersteund door een band. Met hun uptempo muziek weten ze het publiek aan het swingen te krijgen. De tweede en derde ronde vinden vandaag en morgenavond plaats. Vrijdagavond is de eindstrijd en daarna zal de best gekozen tumba menigmaal te horen zijn tijdens de carnavalsoptocht dit jaar. Op de foto is Eldrison ‘El Genio’ Eugenia samen met de muziekgroep Maria Cornelia te zien. Het liedje van ‘El Genio’ heet ‘Kòrsou den melodía’.

[overgenomen van Antilliaans Dagblad, 1 februari 2011]

Tumba is een muziek- en dansstijl die gespeeld wordt op Aruba, Bonaire en Curaçao. Tumba kan worden beschouwd als de meest oorspronkelijke muzieksoort van de ABC-eilanden. De oorsprong van de tumba ligt in Afrika. De naam tumba is afkomstig uit de Bantu-cultuur in Congo.

De tumba is net als de tambú (muziek) nauw verweven met de geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Beide stijlen worden in 2/4-maat genoteerd. En beide stijlen werden door de Afrikaanse slaven meegebracht. Afrikaanse ritmes werden gespeeld op landbouwgereedschap en zelfgemaakte trommels. Voor de slaven was het een manier om hun verdriet en weemoed te uiten. Vanwege de wulpse dansbewegingen tussen man en vrouw werden tumba en tambú lange tijd verboden. Pas in het begin van de jaren zeventig werden ze officieel erkend als muziek en dans van het volk.

De tumba draagt een morele boodschap uit, gestoeld op saamhorigheid. Hij is vrolijk en moet mensen samen brengen. In 1971 werd de tumba dé muziek van het Curaçaose Carnaval, dat voor die tijd werd gedomineerd door Calypso en steelbands. In het Roxy Theater werd het allereerste tumba-festival gehouden. Boy Dap werd als eerste tot Tumbakoning gekroond.

Ook nu nog is tumba, vooral op Curaçao en Bonaire, heel populair in de Carnavalsperiode. Op alle drie de ABC-eilanden wordt er een groot tumba-festival in die periode. Het is een vierdaags evenement waarbij de beste schrijvers, zangers en bands van het eiland de strijd met elkaar aangaan. Het is een van de belangrijkste evenementen van het jaar. De winnaar wordt Rei di Tumba (Tumbakoning). Er is ook een kinder- en een tienertumba-festival waar jonge zangers en zangeressen hun talent kunnen tonen.

Aanvankelijk werden veel instrumentale tumba’s gecomponeerd. Bijvoorbeeld de tumba’s van onder andere Jan Gerard Palm, Rudolph Palm en Janchi Boskaljon op Curaçao en meer recent op Aruba Rufo Wever en Padu Lampe. Jan Gerard Palm was de eerste componist die het aandurfde om in de verfijnde negentiende eeuw erotische tumba’s te schrijven. Tegenwoordig wordt Anselmus “Boy Dap” (foto rechts), geboren op 25 oktober 1933, beschouwd als de “Tata di Tumba” (vader van de tumba). Hij werd als enige acht maal tumba-koning, met respectievelijk de tumba’s: Bashé (1971), Dal e Cos (1973), Mandé (1974), Sigi Awor (1979), Tur hende compañié (1981), Un biaha mas (1983), Despensa, e ta bini (1985), Waya pasa bai (1989) en Bolt’e blachi (1992). Een andere belangrijke tumba-schrijver van de moderne tijd is Rignald Recordino (Doble R).

 

 

[informatie uit Wikipedia]

Ismene Krishnadath – Toespraak bij de aanvaarding van de Henny Frans de Zielprijs

Geacht bestuur van de Trefossastichting, geachte juryleden, geachte Self Reliance-vertegenwoordigers, geachte oud-president Venetiaan en mevrouw Venetiaan, directeur Cultuur en vertegenwoordiger van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, mevrouw Wijdenbosch, familie, vrienden, collega’s en belangstellenden.

De Henny Frans de Zielprijs gun ik aan welke Surinaamse schrijver dan ook, want elke schrijver levert op zijn eigen manier een waardevolle bijdrage aan de geestelijke ontwikkeling van Suriname en daarmee aan het bestaan. Toch ben ik blij dat ik deze prijs mag ontvangen. Ik wil alle mensen die mij genomineerd hebben dan ook hartelijk dank zeggen daarvoor. Bedankt mensen, voor deze kans om een paar dingen te zeggen tegen de crème de la crème van het literaire leven in Suriname.

Kri Kra, un yere mi tori. Als we af willen van het beeld van de hosselende dichter die zijn zelfgedrukte boekjes op straat slijt en vaak niet aan de straatstenen kwijt kan, van de schrijver met de slecht gelayoute boekjes vol taalfouten, dan zullen we 1) behoorlijk moeten investeren en 2) een grote draai moeten maken in ons denken over literatuur. Vanavond wil ik het vooral over dat laatste hebben.

Suriname heeft een literaire waaier die zo divers en kleurrijk is, dat het jammer is dat bij veel mensen in het literaire veld het idee heeft postgevat dat de roman de hoogste vorm van literatuur is. Bij S’77 propageren we al jarenlang het idee van ‘Diversity is Power’. We helpen de wereld alleen vooruit wanneer wij inclusief denken, allen een plaats en een eigen waarde geven binnen het spectrum van het bestaan. Dit geldt ook voor literatuur. Er is een overvloed aan literaire vormen waar het gewone volk prima mee uit de voeten kan, maar waar wij, van de zogenaamde literaire scène, te weinig mee doen.

Laten we de spotlight ook op die vormen beginnen te richten. Wat is onze kracht? Simpel: We zijn erg goed in korte, kernachtige teksten, die als ze geschreven zijn goed oraal kunnen worden gebracht, of, als ze oraal worden gebracht, makkelijk op schrift kunnen worden gesteld. Deze teksten zijn er in allerlei vormen en soorten. We hebben poëzie, liedteksten, toneel en dingen als fatu, odo en spreekwoorden. Maar het allerbelangrijkste wat we hebben is de tori. Een tori is een gesproken tekst over een gebeurtenis of gebeuren. Alle Surinaamse etnische culturen hebben de lobitori, de jorkatori, de fostentori, de ondrofenitori , de agersitori, langabere tori, de shat tori, de inbere tori, de sebere tori, de waka waka tori en ga zo maar door.

Alle literatuur is in de kern een verhaal, een tori. Suriname is een waar verhalenland. Er gebeurt zoveel dat wij meer verhalen kunnen bedenken dan er sterren aan de hemel zijn. Het aan elkaar vertellen van verhalen, de tak tori, is hier een absoluut natuurlijk gegeven. Het sluit naadloos aan bij een aantal kenmerken van onze samenleving:
1. We hebben meer een praatcultuur dan een schriftcultuur, omdat we via het onderwijs gedwongen worden onze schriftelijke vaardigheden te ontwikkelen in een taal die de meesten ervaren als een taal van het verstand en niet als een taal van het gevoel.
2. Door onze hosselcultuur hebben we niet veel vrije tijd. Schrijven kost tijd, zeker als we het hebben over de roman. Bovendien kan het vertellen van en luisteren naar tori goed gecombineerd worden met handwerkzaamheden.
3. Wij zijn een wij-gerichte samenleving. Dat wil zeggen, we hechten waarde aan samen-zijn. Sociale en economische motieven spelen daarbij een rol.
4. Door het warme klimaat en de bouwstijl speelt ons leven zich voor een groot deel buiten af. Ons samen-zijn is vaak buiten, waar we niet worden afgeleid door bijv. de televisie.

Moderne literaire vormen die Surinamers hebben gekoppeld aan de tori hebben vaak wel een schriftelijke kant. Denk maar aan de column ‘Borrelpraat’ van Rappa. De teksten voor spoken word, rap teksten en teksten voor stand-up comedy worden meestal ook op papier gezet.

Ik wil even stilstaan bij die stand-up comedy, omdat ik daarmee het best kan demonstreren welke mogelijkheden onze traditionele tori-vormen hebben.

De stand-up comedian is niets anders dan een toriman of een tori uma. Jörgen Raymann is het grote Surinaamse voorbeeld van de succesvolle tori-man. Zijn nieuwe show, die hij nu qua aankleding in een moderner jasje heeft gestoken is nog steeds gebaseerd op het oeroude tak tori principe. Wesje is een andere stand-up comedian die heeft laten zien hoe populair de tori is. Toen ik zijn nieuwe show zag, ging er helemaal een lichtje bij me branden. Die man had gewoon een yorkatori uitgewerkt in zijn show, compleet met sound en licht-effecten.

Trouwens, iets waar wij zeker op basis van onze tori-traditie talent voor hebben is de talkshow. Oprah Winfrey is een van de rijkste vrouwen van de wereld geworden, met een talkshow die qua vorm helemaal is ingebed in een tori-traditie.

Beste aanwezigen. Ik ben er heilig van overtuigd dat de belangrijkste dingen in het leven buiten de geldeconomie vallen, maar op een goede manier geld verdienen heeft ook zijn voordelen. Ik roep onszelf dus op om te kijken naar de mogelijkheden om het tori vertellen te ontwikkelen tot een cultuurelement dat geld in het laatje brengt.

Het tori vertellen zal geprofessionaliseerd moeten worden. We moeten literatuur maken, live, op papier, op beeld- en geluidsdragers om er de commerciële markt mee op te gaan. Ik zie al een geweldige ontwikkeling bij de stand-up comedy. Er is ook al een mengvorm van tori, poëzie en liedtekst in de vorm van spoken word en rap. We zouden de kot’tori-traditie kunnen verwerken in een wedstrijdshow. We kunnen werken aan een Surinaamse ontwikkeling van tori-traditie naar talk-show. Er zijn legio mogelijkheden.

Ik roep de scholen en beroepsinstanties op in te spelen op de vaardigheden die nodig zijn bij de verdere ontwikkeling van deze sector. De scholen die zich toeleggen op literatuur en taal kunnen aan het volgende denken. De schriftcultuur kan gebruikt worden om gesproken teksten, zowel hedendaagse als traditionele, vast te leggen en te ontwikkelen. Verder. Elke tori sma moet taal bestuderen. Wat kan ik wel zeggen, wat kan ik niet zeggen, hoe zeg ik het, welke zinsnede zal het beste effect sorteren. En in onze samenleving, welke taal gebruik ik? Hoe maak ik gebruik van onze talenrijkdom? Wesje is daar erg goed in. Hij heeft bijvoorbeeld steeds een stopwoord. Zijn laatste stopwoord was ‘sac hai’.

Welke genres zijn interessant? Er zal aandacht besteed moeten worden aan het verder ontwikkelen van genres. We zijn sterk in de yorkatori. Dat heeft Wesje al laten zien. Maar er is veel meer. We moeten kijken welke genres er nu zijn? Denk ook aan de genres die vanuit de verschillende moederlanden zijn meegekomen, zoals het Ramayan volkstoneel. Hoe zien de bestaande genres eruit, wat is hun opbouw? In welke mate zijn ze al gemoderniseerd en hoe kunnen we ze verder moderniseren?

 

En dan: Welke technieken kennen we? Kunnen we bijvoorbeeld de techniek van het wajongspel ergens inzetten. Of die van de kot’tori? Hoe zit het met piki en troki? Hoe zit het met de traditionele aanheffen? Jörgen Raymann heeft gevleugelde woorden gemaakt van ‘Wie je vader? Wie is je moeder?’

Naast taal moet er gewerkt worden aan kennis en vaardigheden van de beeldcultuur om er een show omheen te bouwen. We moeten kennis en vaardigheden hebben van audiovisuele middelen om opnames te maken, te vermenigvuldigen en bekendheid te krijgen. We moeten vertalers hebben om ondertiteling op het beeld te kunnen brengen en internationaal door te dringen. Er zal aan cultuursales en marketing gedaan moeten worden.

Dames en heren, er is werk aan de winkel. Ik wil mijn betoog eindigen met een oproep aan de literaire kringen in Suriname om een heroriëntatie te plegen op de mogelijkheden van onze rijke en diverse literatuurtradities en die te ontwikkelen tot trendsetters van Surinaams/Caribische wereldcultuur.

Workshop Oral History

Saskia Wieringa, antropoloog en directeur van het Aletta Instituut voor Vrouwengeschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam geeft op vrijdag 12 november, 17:00 uur een workshop Oral History in het Amsterdamse Bijlmer Parktheater.

Op 17 november is de eerste sessie van een tweedaagse workshop ‘Oral History’ waarbij het vastleggen van de orale traditie en ervaringen van de oudere generaties vrouwen behandeld wordt. Jonge vrouwen die hun (groot) moeders, tantes of andere verwanten willen interviewen worden in deze workshop vertrouwd gemaakt met de mogelijkheden van oral history.

Aanmelden bij info@blackmagicwomanfestival.nl

 

De tweede sessie is op zaterdag 13 november om 16.00 uur.
Entree € 2.50

De verhalensalon rondom migratieverhalen

Oproep om mee te doen aan de verhalensalon rondom migratieverhalen

Yvette Kopijn (verzamelaar van levensverhalen en medeauteur van het boek Stille Passanten) wil u graag uitnodigen om deel te nemen aan haar verhalensalon. Kopijn is door het museum Beelden aan Zee in Scheveningen gevraagd om een serie verhalensalons te verzorgen in het kader van de tentoonstelling The Unwanted Land. De tentoonstelling is een initiatief van kunstenaars die kinderen zijn van Nederlanders die ooit besloten om te emigreren. Op de tentoonstelling laten ze in hun kunst zien wat migratie voor hen betekent.
.

Foto rechts: Yvette Kopijn met de Javaanse Kemie

Op zaterdag 6 november nodigt Yvette Kopijn Javaans-Surinaamse en Hindostaanse 50+ers uit om in haar verhalensalon verhalen en herinneringen met elkaar uit te wisselen over hun migratie-ervaringen. In de verhalensalon worden herinneringen en verhalen uitgewisseld over de kindertijd in Suriname, de komst naar Nederland en het settelen alhier. Het uitwisselen van verhalen gebeurt aan de hand van meegebrachte foto’s en een dierbaar voorwerp.

De verhalensalon vindt plaats op zaterdag 6 november tussen 11.00-14.00 uur in het museum Beelden aan Zee in Scheveningen.

Er is plaats voor ca. 10 Hindostaanse deelnemers en 10 Javaanse deelnemers.

Heeft u interesse om mee te doen aan de verhalensalon? Neem u dan contact op met Yvette Kopijn: kopij005@planet.nl. U kunt ook bellen: 06 26955699

Voor de website van The Unwanted Land klik hier

Yvette Kopijn is van Indische afkomst en houdt zich ruim tien jaar bezig met het losmaken en vastleggen van levensverhalen van koloniale migranten in boeken, artikelen, tentoonstellingen, websites, verhalenworkshops en levensboeken. Zij was onder meer verbonden aan Imagine Identity and Culture, Het Indisch Huis en het Internationaal Archief en Informatiecentrum voor de Vrouwenbeweging (IIAV), waar zij inhoudelijk invulling gaf aan het project Haar Geschiedenis (zie www..haargeschiedenis.nl). Momenteel opereert Yvette Kopijn vanuit haar eigen bedrijf Verhalen Over Leven.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter