blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ooft Benny

Benny Ooft, 31 jaar geleden…

Vandaag exact 31 jaar geleden overleed Benny Ooft. De Surinaamse schrijver, actief in de grote nationalistische generatie van de jaren ’60 en ’70, woonde toen al enige tijd in Nederland. Michiel van Kempen herdenkt hem.

read on…

Benny Ooft

Portret van de Surinaams-Nederlandse schrijver Benny Ooft, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 72 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto is ook in verschillende uitvoeringen te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Het laatste hoofdstuk moet nog verschijnen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over het werk van Benny Ooft.

door Michiel van Kempen

Benny Ooft in Suriname

Een hindostaanse modeshow wervelt voorbij op het toneel, gevolgd door een set’dansi door acht creoolsen. Het is 24 november 1989, vooravond van de viering van veertien jaar srefidensi. Achter in de zaal van de Vereniging Ons Surina­me aan de Amsterdamse Zeebur­ger­dijk is een boekenstand ingericht. Tot mijn vreugde ligt er ook Het laatste hoofdstuk, de docu­mentaire die Benny Ooft in 1976 pu­bli­ceerde over de laatste stappen naar de onafhankelijkheid van Su­riname. Ik ken het boek wel, maar ik heb het nooit kunnen kopen om­dat het in Suriname uitverkocht is. Ik weet op dat moment niet dat de schrijver van het boek die ik nog enkele weken eerder om een exemplaar gevraagd heb, enkele uren geleden dood op zijn bed is aangetroffen. Het laatste hoofdstuk in het leven van Benny Ooft werd in de loop van de morgen van 24 november 1989 afgesloten.

Benny Ooft was een exponent van de groep die zich in 1968 schaarde rond het tijdschrift Moetete: Thea Doelwijt, R. Dobru, Shrinivási, Jozef Slagveer, Ruud Mun­groo, P. Marlee. Met hart en ziel deel uitmakend van de Surinaamse gemeenschap, nationa­lis­tisch, idealistisch, verwoordde hij in zijn korte prozastuk `Shaante­devi’ in het eerste nummer van Moetete de eenheid van de Suri­naam­­se rassen: de liefde tussen een creoolse jongen (die Sarna­mi spreekt) en een hindostaans meisje. Hun liefde blijkt zo sterk te zijn dat donkere mannen met dreigend opgeheven stokken van het toneel ver­dwijnen zonder enige actie ondernomen te hebben.

Geboren op 3 februari 1941 te Paramaribo was Benny Ooft ook in zoverre exponent van zijn generatie dat het nog geheel op Neder­land­se leest geschoeide onderwijs een sterk stempel op zijn vorming drukte. Het eerste hoofdstuk van zijn ongepubli­ceerde roman Tus­sen palmen en dijken ver­haalt over de fraters van de Paulus­school (Mu­lo) en de koloniale brainwash die zij hun pupillen trachtten te laten ondergaan. Dat dit op velen uit de jaren zestig juist een ave­rechts effect sorteerde, moge inmiddels duidelijk zijn. Interes­sant was wel dat van dat onderwijs, waarin de huma­niora een belang­rij­ke plaats kregen toebedeeld, invloed uitging op jonge Surina­mers om zich als schrijvers en dich­ters te ontplooien, al was er eerst een Trefossa nodig om te laten zien dat dat ook kon in een andere taal dan het Neder­lands. Wat dan ook de implicaties geweest mogen zijn van het koloniale frateronderwijs, feit is dat de eerste generatie schrij­vers een voortreffelijke taalbeheersing kenden en het pleit voor de ernst waarmee zij hun taak opna­men, dat zij die lijn ook door­zet­ten voor het Sranantongo. Zo schrijft Benny Ooft in het twee­de nummer van Moetete een aantal persoonlijke notities over schrijven in het Sranan­tongo waarbij hij ondermeer opmerkt dat on­volledige beheersing van het Sranan, schrijven vanuit het Neder­lands en het zelf maar lukraak woorden scheppen uit den boze die­nen te zijn. De radio‑omroeper die het begrip voorzitter vertaalt door `amra­basi’ laat zien dat hij abso­luut geen moeite gemaakt heeft om te ontdekken dat er een veel adequater woord als `edeman’ bestaat.

Het frateronderwijs op Nederlandse leest heeft ook sterk zijn in­vloed doen gelden op beeldvorming en stijl van die eerste genera­tie schrijvers, men leze er de vroege verzen van Dobru en Shri­nivási maar op na. Verwonderlijk is dit niet, het is veeleer verwon­derlijk met welk een elan die generatie de eigen wereld onder woorden heeft weten te brengen. Benny Ooft was een van de weinigen van de­ze dichtersgeneratie die zich primair toelegde op het schrijven van proza. De zeven verhalen die hij in 1967 bij drukkerij Para­ma­ri­bo liet uitkomen onder de titel Silhouetten zijn geschreven in een nu wat traditio­neel aandoend proza, vol van wendingen die laten zien dat hij goed gekeken had naar ouder proza, maar die een eigen stijl in de weg stonden. Toch geven de zeven verhalen al een vlot verteller te zien die de sfeer van vooral het Surinaamse binnenland goed weet op te roepen.

Wat in Silhouetten nog een soort schrijfoefeningen waren, werd in de novelle Avonden aan de rivier met meer durf en kracht voort­ge­zet. Het boek verscheen bij Varekamp in 1969 en ondanks het feit dat het nooit werd herdrukt, is het altijd een veelgelezen uitgave ge­bleven. Avonden aan de rivier speelt zich af op een plantage aan de Surinamerivier. Door leegloop en verwaarlozing wordt de kleine ge­meen­schap met de ondergang bedreigd. De vraag is of het de moei­te loont de oude generator nog te vervangen, of dat de hele zaak maar beter opgedoekt kan worden. De uiteindelijke keuze voor een aanpassing aan de omstandigheden door een kleine­re generator te kopen, is de enige keuze die een natio­nalistische schrijver als Ben­ny Ooft de personen in zijn novelle kon laten maken.

Feit is dat Benny Ooft met die eerste twee boeken ver­wach­tingen wek­te en dat hij die verwachtingen als literator nooit heeft ingelost. Het `fragmentarisch dag­boek’ Pelgrim op zee had hij nog in porte­feuil­le en zou daar ook altijd blijven. In de bloemlezing Gelui­den/ Opo sten verscheen in 1984 een fragment uit de roman Tussen pal­men en dijken en nog een fragment waarvan het ondui­delijk is of het uit dezelfde aange­kondig­de roman komt. Wie die fragmenten leest, zal direct opmer­ken hoezeer Ooft lite­rair gegroeid is, maar ook dat hij toch net datgene mist wat Leo Ferrier, Bea Vianen en Ed­gar Cairo tot schrijvers met een unieke stem maakt.

Benny Ooft (midden) op een antikoloniaal congres naast Ludwich van Milier (links van hem) en Hans Caprino (rechts van hem); geheel rechts: Dorothee Wong Loi Sing (?).

Sinds de jaren zeventig heeft Benny Ooft zich vooral toege­legd op journa­listiek werk en filmen. Al in 1968 bun­delde hij in De vlucht opstel­len van hemzelf, Thea Doelwijt, Henk Her­renberg, Hen­­ny de Ziel en R. Dobru en het onder­werp van die bundel ‑ de mi­­gratie naar Nederland ‑ heeft hij ook uitgewerkt in films als Denk aan de dag van morgen (1970) en latere documentaires. De Suri­naamse politie­ke actualiteit becommenta­rieerde hij in het boek Het laatste hoofd­stuk, maar sterker nog in zijn boek Suriname 10 jaar re­publiek. Duidelijk spreekt uit dit boek zijn verontwaardiging over de hou­ding van Lachmon vóór 1975 en vervolgens over Arron vóór 1980, maar zijn onge­remde enthousiasme over de ontwikkelingen na 1980 maakt ook duidelijk dat zijn jarenlange verblijf buiten Su­ri­name de vorming van een evenwichtig oordeel in de weg was gaan staan.

Al deze werkzaamheden hebben ongetwijfeld een obstakel bete­kend voor een gestadige ontwikkeling als literator. Het moet een prikkel voor hem geweest zijn om bij de presenta­tie van mijn boek Su­rinaamse schrijvers en dichters te lezen dat ik hem `kampioen­‑aan­kondiger van nieuwe romans’ noemde, want enkele dagen later belde hij me op en zei me dat zijn roman Tussen palmen en dijken zo goed als af was, maar dat hij hem niet zelf meer wilde uittikken, want dat hij dan weer alles zou gaan omwerken. En inderdaad ligt hier nu een stapel van 415 pagina’s proza en dat is nog maar de helft. Het is nu nog niet te overzien in hoeverre deze roman het ge­hele beeld van het schrijverschap van Benny Ooft kan beïnvloe­den. Op ons rust hoe dan ook de plicht om als het even kan deze roman het licht te geven. Natuurlijk zit er veel tragiek in het feit dat een schrijver zijn levenswerk nooit zelf in druk zal zien. Maar meer nog dan in zijn stoffelijk omhul­sel leeft een schrijver bij gratie van wat de lezers wordt geboden en uit respect voor deze Sranan­man in hart en nieren mag de lezers niets onthouden blijven van wat Benny Ooft nog voor hen in petto had.

Benny Ooft in Nederland

Weinig heeft Ooft in het Sranantongo geschreven. Ik besluit met een gedicht dat in Moetete nr. 2 verscheen en ik geef geen verta­ling, zodat wie het niet verstaat, gedwongen is, om in de geest van Benny Ooft, die andere Surinamers op te zoeken.

SHÁNTIDEVI
Mi no sabi joe

ete
soso leki wan fisioen
mi e tjari joe
na baka na grasi foe mi ai

Ma mi sabi
wan dé
joe sa djompo kon na mi fesi
dat mi sabi

Mi sa dansi nanga joe

pré
bosi joe
en safri mi singi
sa kon moksi nanga na pingi
foe na sitár
ham tumse mohabat kar baithi

[Dit stuk verscheen eerder in De geest van Waraku (1993).]


    [1]. Noot 1993: Inmiddels is een fragment uit Tussen palmen en dijken verschenen on­der de titel `Morgen zullen we ver­der zien’ in de door mij samenge­stel­de verhalenbundel Hoor die tori! (In de Knipscheer, Amsterdam 1990). Maar waar ik in 1989 bang voor was, is gebeurd: de complete roman­ma­nu­scrip­ten van Ooft zijn duistere wegen gaan volgen en nog steeds niet ge­publiceerd!

Dan zal er geen slavernij meer zijn!

door Michiel van Kempen

Ruud Mungroo en Benny Ooft hadden veel gemeen. Ongeveer even oud – Mungroo werd geboren in ’38, Ooft in ’41 – verkregen beiden een degelijk onderricht in de Nederlandse taal door de fraters en beiden zouden zich literair bijna uitsluitend in die taal ontplooien. Uit hun schooljaren groeiden zelfbewuste, nationalistisch denkende mannen die zich strijdbaar inzetten voor hun politieke idealen, maar die `relaxed’ met die idealen omsprongen. Plezierig in de omgang, beschikkend over een royale lach, niet de minsten onder de volgelingen van Bacchus, verrieden zij geen spoor van de hebi’s die sommige nationalisten tonen als figuren die niet helemaal lekker in hun vel zitten.

 

Ook in het werk dat zij naar buiten brachten, lieten Ruud Mungroo en Benny Ooft een opvallende parallel zien. Beiden waren actief in de journalistiek en de filmwereld (Ooft als regisseur, Mungroo kortstondig als acteur in Pim de la Parra’s Wan pipel uit 1976). Beiden publiceerden één verhalenbundel (Afanaisa, respectievelijk Silhouetten). Beider belangrijkste werk tot op heden is een novelle die een belangwekkende overgangsperiode uit de Surinaamse geschiedenis verbeeldt: Oofts Avonden aan de rivier (1969) vertelt over de dreigende ontvolking van het binnenland na de komst van de stuwdam, Mungroos Tata Colin (1982) gaat over de beroeringen onder de slaven die hun vrijmaking voelen naderen. Nog een opvallende parallel tenslotte: de literaire productie van de zwagers is moeizaam tot stand gekomen en hun grootste werk is nooit verschenen. Wijlen Benny Ooft zal zijn opus magnum, de roman Tussen palmen en dijken, nooit in druk zien. De roman De erfenis van Ruud Mungroo was volgens uitspraken van de auteur al in 1987 voltooid (een fragment ervan stond in dat jaar in het Surinamenummer van het Vlaamse tijdschrift Deus ex Machina), maar is ook nooit ter perse gebracht.

 

Tata Colin verscheen in 1982 en werd in 1989 herdrukt. Het boek was Ruud Mungroos hoogste literaire gooi tot op dat moment. Tata Colin overtrof de korte novelle Het raam aanzienlijk in omvang èn kwaliteit. Op het spoor gezet door een artikel in het Bulletin van het Rijksmuseum, Amsterdam was Mungroo aan het gegevens-verzamelen geslagen over de gebeurtenissen die zich in de jaren ’30 van de 19de eeuw in Coronie hadden voorgedaan rond de charismatische figuur van Tata Colin. Het verhaal speelt zich af in jet jaar 1835 op de plantage Leasowes. Honend spreekt de slaag George over de vrijheid die `een dwaas als Colin’ de slaven in het vooruitzicht heeft gesteld. De lezer wordt middels een flashback meegenomen naar drie jaar eerder, 1832, het jaar van de grote brand van Paramaribo, zoals bekend (en door Rikken in zijn roman Codjo, de brandstichter in 1903 verhaald) aangestoken door Kodjo, Mentor en Present. Tata Colin heeft in die brand het voorteken gezien van de naderende bevrijding. Maar de planters voelen de onrust in de lucht zitten en William Mackintosh, met de verraderlijke Kwadjo aan zijn zijde, zorgt ervoor dat Colin een flinke aframmeling krijgt. In een korte flashback (pp. 34 36) binnen de grote flashback (pp. 4 36) zien we Colins gedachten teruggaan naar hoe hij uit Afrika geroofd werd en als slaaf naar Suriname werd gebracht.

 

Na zijn wrede straf verliest Colin voor drie jaar zijn spraakvermogen. In die tijd verkrijgen de slaven in de Engelse koloniën hun vrijheid. Op zekere dag begint Tata Colin weer te spreken. Als teken van zijn onafhankelijke geest steekt hij zijn huisje in brand. Hij wordt opgesloten in het negerziekenhuis. Van daaruit tracht hij de andere slaven moed in te spreken en profeteert hij de naderende opstand. Maar door het verraad van de slaag George worden hij en zijn medestanders in de ketens geslagen en naar Paramaribo vervoerd om berecht te worden wegens samenzwering. Tata Colin wordt ter dood veroordeeld (wat er van de anderen wordt, horen we niet), maar het vonnis kan niet voltrokken worden, zoals de oude slavin Peggy verhaalt:

Luister goed, en vertel aan de anderen dat Tata Colin twee dagen geleden Suriname heeft verlaten. Zonder dat de deur van de gevangenis werd geopend, stapte hij door de muur heen naar de rivier en liep over het water naar zee. Hij zal terugkeren wanneer de granmaster en de officiersster aan de hemel samenkomen. Dan zal er, zoals hij ons dat jaren geleden voorspeld had, geen slavernij meer zijn!

Als het gaat om de geschiedenis van Suriname, dan ligt er nog veel terrein braak voor de Surinaamse schrijvers. Veel heldenlevens zijn nog nooit tot onderwerp van een literair verhaal gemaakt, terwijl de herdrukken van Johan Hokstams Boni, Cynthia McLeods Hoe duur was de suiker? en andere romans, Clark Accors De koningin van Paramaribo en ook Tata Colin bewijzen dat er een bijzonder geinteresseerd lezersvolk voor bestaat. De novelle van Ruud Mungroo (want het gebeuren is te beperkt van omvang en de karakters zijn te weinig uitgewerkt om van een roman te kunnen spreken) is een waardevolle bijdrage in literaire vorm aan de geschiedschrijving van Suriname. Het mythische einde de geest van Colin die over de wateren terugzweeft naar Afrika geeft het juiste perspectief aan de hoopvolle verwachting die Colin in de harten van de slaven gelegd heeft en die uiteindelijk in 1863 haar inlossing vond.

Jammer is dat de herdruk niet te baat is genomen om een aantal oneffenheden glad te strijken. Op een aantal plaatsen gaat de stijl in de richting van het cliché: striptaal als `smerige honden’, `Gevangen in de greep van de angst’, `bittere woede’, `jammerlijk verdronk’. De stijl vertoont ook wat onhandigheden. Neem deze zin: Wat zal ons een teken zijn, Tata Colin, zeg het ons zodat we het aan hen die wanhopen, en zich door de blanken die twee oogsten geleden in Coronie aankwamen, laten dopen, omdat ze zijn gaan twijfelen aan onze overwinning, kunnen vertellen. Het is natuurlijk een zin die niemand ooit uit zijn strot kan krijgen. Klunzig is ook: Hij voelde hoe haar nagels zich in zijn vlees boorden, langzaam zakten ze op de vloer neer. Nagels die op de vloer zakken? Enkele taal en drukfouten zijn in de heruitgave niet rechtgezet, maar echt vervelend is de slordige manier waarop wordt omgesprongen met de tijdsaanduidingen. De al eerder vermelde grote flashback speelt zich af in het jaar 1832. Daarin lezen we (p. 19): het feit dat de slavernij volgend jaar wordt afgeschaft in de Britse koloniën. Het volgend jaar is dus: 1833. Maar die afschaffing vond pas plaats in 1834! Als die flashback dan voorbij is, zijn we dus weer terug bij het begin: het jaar 1835. Dan staat er opeens weer (p. 37): Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen gingen er drie jaren voorbij. Maar die drie jaren zijn gerekend vanaf 1832! Er had dus moeten staan: waren er drie jaren voorbijgegaan. Overigens is de zin ook anderszins een tenenkrommer: onderwerp is `drie jaren’ en dan zouden dus die drie jaren hebben zitten zwoegen in de katoenloodsen… Geheel correct had de zin dus moeten luiden: Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen hadden de slaven drie jaren voorbij zien gaan. Zij die schrijven niet als een vak zien vinden dit soort opmerkingen muggenzifterij. Het zij zo, ik neem een boek van de eerste tot de laatste bladzijde serieus.

 

 

Foto rechts: standbeeld voor Tata Colin in Totness, Coronie, @ Michiel van Kempen

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter