Op donderdag 27 mei 2021 ondertekenden Rita Rahman, voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, en... Lees verder →
Nederlandse boeken voor Suriname: wel of niet? Afdankertjes of leesmateriaal?
I. ‘Wie eegie sanie’ fu píkin
door Els Moor
De Surinaamse literatuur vanuit de eigenheid van cultuur en talen kwam pas goed op gang in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen ‘Wie Eegie Sanie’werd opgericht in Nederland, met Bruma als centrale figuur en later in Suriname ook met de nog jonge Dobru. Dit was een belangrijke stap op weg naar de zelfstandige republiek Suriname, in verband met ‘eegie sanie’. Dat er tot op de huidige dag nog veel van het kolonialisme is blijven hangen ervaren we maar al te vaak, vooral ook op het gebied van taal en literatuur.
Een ander duidelijk voorbeeld is dat er nog steeds per boot veel, veel, vaak afgeschreven, Nederlandse kinder- en jeugdboeken naar Suriname gestuurd worden, die dan in schoolbibliotheken terechtkomen, zelfs in het binnenland of voor weinig geld verkocht worden bij boekverkopingen. Je schaamt je toch, als je zo’n boek opent en meteen een stempel ziet met in vette letters: ‘Afgeschreven’! Dat is neokolonialisme ten top: je afgeschreven boeken naar ‘die negertjes’ in je ex-kolonie sturen. En dat, terwijl er gelukkig in Suriname momenteel veel gebeurt aan de ontwikkeling van een eigen kinder- en jeugdliteratuur!
De taalsituatie in Suriname is enerzijds van een grote rijkdom die de culturele ‘eenheid in verscheidenheid ’uitstraalt, maar is anderzijds problematisch voor veel kinderen en jongeren van wie de officiële taal, het Nederlands, niet de moedertaal is. In ons land worden binnen bevolkingsgroepen zo’n twintig ‘eegie tongo’ gesproken. Daarboven staat het Nederlands voor het contact in de hele samenleving en vergeet niet het Sranan Tongo als ‘lingua franca’ (algemene contacttaal). Er zijn inheemse en marrontalen die hier ontstaan zijn en talen die ‘meegebracht’ zijn uit de landen waaruit de immigranten kwamen, zoals het Chinees, Sarnami en Javaans en niet te vergeten de ‘eegie’ versie van het Nederlands, het Surinaams Nederlands met eigen klanken, woorden en zinsconstructies. Deze veeltaligheid brengt echter ook grote problemen met zich mee. In volksbuurten in de stad, in het district, maar vooral ook in de dorpen in het binnenland spreken kinderen met hun familie meestal hun eigen taal. Veel kinderen moeten leren lezen, schrijven en rekenen in een voor hen vreemde taal. Als je dan leesboeken in de bieb hebt in die ‘vreemde taal’ en bovendien nog over allerlei dingens die jij niet kent, die ver van je bed of je hangmat zijn, dan moet je een geweldige doorzetter zijn en veel hulp krijgen van je leerkrachten om het toch te redden.
Gelukkig dat vele deskundigen, ook in de stad, dit probleem tegenwoordig erkennen en ervoor ijveren om die kinderen meer kansen te geven, het onderwijs kind- en taalvriendelijker te maken! Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is: Leer die ‘vreemde taal’ vanuit je eigen leefwereld!’ Surinaamse kinder- en jeugdboeken vormen daarbij een geweldig goed hulpmiddel. Als kinderen die moeite hebben met de schooltaal eenvoudige boeken in handen krijgen met herkenbare verhalen vanuit de eigen wereld, met veel duidelijke, ondersteunende illustraties die bovendien spannend en leuk zijn, dan gaan ze lezen leuk vinden en ze leren ‘spelenderwijs’ die moeilijke schooltaal, bovendien op een manier zoals die in het eigen land gesproken en geschreven wordt, Surinaams Nederlands dus. En wat belangrijk is: die boeken zijn niet gebonden aan leeftijd, maar aan de ontwikkeling van de taal bij het kind. Die boeken moeten echter wel aanwezig zijn in de school, niet alleen maar ‘afgeschreven’ Hollandse boeken.
Overigens is het echt niet zo dat goede Nederlandse en andere, vertaalde, boeken uit de wereld-jeugdliteratuur hier niet moeten komen. Integendeel. Er zijn prachtige Nederlandse boeken voor de jeugd, evenals vertaalde ‘klassiekers’. Denk aan Alleen op de wereld van Hector Malot. De kinderen die die boeken lezen en herlezen hebben vaak het Nederlands als hun moedertaal of beheersen de taal goed doordat ze een universele opvoeding krijgen. Zulke kinderen zijn er veel in Suriname, met name in de stad en omgeving.. De andere kinderen kunnen daarnaartoe groeien doordat er op school en elders veel gedaan wordt aan de ontwikkeling van hun taal- en leesniveau. Daar wordt hard aan gewerkt tegenwoordig, een prachtige ontwikkeling. Veel leerkrachten uit de stad, het district en het binnenland hebben trainingen gekregen om de vaardigheden en mentaliteit te ontwikkelen om kindvriendelijk, kindgericht en dus speels en creatief te werken aan de taalontwikkeling van hun leerlingen. Ook medewerkers van bibliotheken en andere plaatsen (na-schoolse opvang bijvoorbeeld).
Zo iemand is Sandra Purperhart die een bieb heeft op Abra Broki, een volkswijk in de stad. Daar komen ’s middags veel kinderen die het Nederlands moeilijk vinden, maar houden van de leuke, eenvoudige Surinaamse kinderboeken met duidelijke illustraties. Sandra maakt zelfs mét de kinderen musicals over verhalen. Die worden opgevoerd tijdens Kinderboekenfestivals, niet alleen in de stad. Dit jaar werkte ze al met de kinderen van Atjoni en van Commewijne en de resultaten waren leuke, muzikale en herkenbare musicals.
Het Kinderboekenfestival in Paramaribo wordt al dertien jaar gehouden, jaarlijks in stad, district en binnenland. Er zijn daar veel activiteiten voor kinderen, van kleuters tot en met tieners, die op een vaak creatieve manier te maken hebben met lezen. Gelukkig meestal van Surinaamse boeken! In veel stands is ook communicatie een belangrijk doel. Voor de kinderen is het echt een fijn uitstapje om erheen te gaan en zij en hun leerkrachten maken altijd weer kennis met nieuwe Surinaamse kinderboeken. Dat er tegenwoordig zoveel uitkomen, is ook voor een groot deel te danken aan de Stichting Projekten, PCOS. Zelf geven ze er jaarlijks een aantal uit en ze stimuleren schrijvers die dat willen. PCOS heeft ook trainingen georganiseerd, vooral in het binnenland, ‘Change for children’, die tot doel hadden de kindvriendelijke aanpak vanuit de eigen leefwereld te stimuleren. Ze hebben ook boeken erover uitgegeven, met veel praktische informatie, zoals Lees je wijs!, over leesbevordering van Surinaamse kinderboeken, met veel creatieve, beeldende werkvormen en drie boekjes over de resultaten van de aanpak binnen het project ‘Change for children’, helemaal in Kwamalasamutu, waar de kinderen Trio spreken. Jammer dat het te ver is om te gaan kijken in die school. Dan zou je veel tekeningen zien hangen die de verhalen uit Surinaamse kinderboeken uitbeelden. Heel eenvoudige boeken zijn meestal favoriet. De Amaisa-serie, uitgegeven door PCOS, over de dagelijkse beslommeringen van een meisje uit het binnenland , met weinig en eenvoudige taal en levendige illustraties is nog altijd een favoriet in de stand ‘Lees je wijs’op KBF. Zelfs bij zesdeklassers. Nogmaals: het gaat dus niet om de leeftijd, maar om het leesniveau. Wat Wagina, de groep van schrijfsters uit Wageningen, doet is ook bewonderenswaardig. Heel veel eenvoudige boekjes, allemaal hetzelfde formaat, hebben ze uitgegeven. Het zijn series van belevenissen uit het dagelijks leven, over dieren, over de jongen Moi-Boi en met een verdere blik een serie over andere districten en over ‘special kids’, kinderen met een probleem of een beperking. Steeds een stapje verder dus! Op het laatste KBF was Laat me niet alleen van Indra Hu, een boek met veel en vaak ook best moeilijke tekst over hiv en aids een van de populairste boeken bij vijfde en zesde klassers. ‘Waarom kiezen jullie dat? was de vraag. ‘Omdat er ook een film van is die we gezien hebben’, was het antwoord. Je ziet maar weer: je moet de inhoud ook kunnen zien!
Een heel populair boek, niet alleen in het binnenland is ook Okorié en Agambé van Sherida Sabajo. Het gaat over twee jongens in het binnenland uit twee verschillende dorpen aan een rivier, een ingi-dorp en een marrondorp. Ze raken allebei verdwaald in het bos en komen elkaar daar tegen. Een ‘telefoonboom’ is hun redding: je slaat op de wortels en het klinkt wijd en zijd. Dan worden ze gevonden. Een spannend verhaal in eenvoudige taal, met grote letters, herkenbaar voor kinderen in het binnenland, maar leerzaam en spannend op het gebied van leven in het binnenland voor kinderen uit stad en district. Overal houden ze van het boek, ook vanwege de mooie, duidelijke tekeningen van Ginoh Soerodimedjo.
Eenvoud is het kenmerk van het ware. Dat is altijd zo bij ‘eegie sanie’. Belangrijk is het dus dat Surinaamse kinderboeken op onze scholen komen, in veelvoud, vooral op lagere scholen, maar ook moeilijker boeken op de muloscholen. De puber groeit dan van zijn eigen wereld naar een vreemde (buitenlandse boeken) en zo moet het ook gaan in het leven: je verruimt je blik naarmate je ouder en wijzer wordt. Er komt veel hulp van Surinaamse maatschappijen en organisaties, maar het is nooit genoeg. Laten die Nederlandse organisaties en particulieren geen ‘afgeschreven’ kinderboeken meer sturen, maar geld om meer Surinaamse kinderboeken te drukken en vooral ook te herdrukken! Dat is ontwikkelingshulp! ‘Eegie sanie’ondersteunen!
[uit de Ware Tijd Literair, 25 mei 2013]
II. Reactie op ‘“Wie Eegie Sanie” fu pikin’ in ‘dWTL’ van 25/5/2013
door Suzanne Dekkers
Stichting ‘Unu Pikin’ is een sociale werkplaats in Paramaribo waar schoolmeubilair wordt gemaakt door mensen met een beperking. Dankzij donaties kunnen we regelmatig de inrichting van een schoolbibliotheek produceren en aan een school weggeven. Naast het meubilair verstrekken we ook een groot aantal ‘Hollandse’ boeken, zoals lees-, prenten- en ontwikkelingsboeken, soms nieuw, meestal gebruikt. Maar ook scholen die eerder een bieb van ons hebben gehad, of anders een bibliotheek hebben gerealiseerd, zijn welkom om hun collectie aan te vullen. In de afgelopen 12 maanden zijn 180 scholen en andere instellingen langsgekomen om materialen te halen. Dat geeft aan dat er een grote behoefte bestaat aan deze boeken.
De ideale situatie zou zijn dat elke school een bibliotheek heeft en de school of een overkoepelend orgaan in staat is boeken aan te schaffen. De mediatheekmedewerker kan dan bepalen welke boeken het beste zullen aansluiten bij de schoolpopulatie. Alle leerkrachten stimuleren het leesgedrag van de kinderen door regelmatig voor te lezen. De mediatheekmedewerker zorgt voor interessante lessen, alles om leesplezier en taalvaardigheid van de kinderen te vergroten. Helaas is de werkelijkheid anders. De scholen hebben dat budget niet, dus zijn ze afhankelijk van anderen. Om weer even terug te gaan naar onze specifieke situatie: deze boeken krijgen wij van bibliotheken uit Nederland, die wegens bezuinigingen sluiten. De boeken zijn van recente datum en zien er heel goed uit. Helaas staat in die boeken vaak met grote letters: afgeschreven, maar daar kan de juf iets aan doen: een sticker er overheen of die pagina verwijderen. De kinderen hoeven niet te weten hoe de school aan die boeken komt, zij hoeven alleen de voordelen te ervaren! Niet alle boeken zijn geschikt. Bij onze ondersteunende organisatie in Nederland vindt de eerste selectie plaats. De boeken met té Hollandse of Europese onderwerpen worden niet verscheept. Eenmaal in Suriname vindt de tweede selectie plaats, omdat er wegens het grote aantal wel eens een verkeerd boek tussendoor glipt (dat we bij gebrek aan adequate oudpapier-verwerking dan voor een symbolisch bedrag verkopen). Daarna vindt de derde selectie plaats. De mediatheek-juf bepaalt zélf welke boeken zij geschikt vindt voor de kinderen van haar school. Voor onze specifieke situatie geldt dat we de boeken kunnen opsturen met een minimum aan budget, dankzij samenwerkingsverbanden met andere organisaties. Dit budget is veel te klein om een voldoende aantal boeken van Surinaamse kinderboekenschrijvers te kopen. We zouden dan misschien 4 scholen kunnen helpen, tegen de eerdergenoemde 180.
Het is belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd het plezier van lezen ervaren. Scholen moeten hosselen om aan die basisvoorwaarde te voldoen. Het lijkt me goed dat we gezamenlijk proberen een oplossing te zoeken voor deze situatie, ieder vanuit zijn eigen expertise en achtergrond. Laat de Nederlandse organisaties die boeken opsturen! Zij hebben nou eenmaal de kortste lijntjes naar de bibliotheken in Nederland en kunnen zo de hand leggen op prachtige boeken. Zorg wel voor een goede selectie en betrek de Surinaamse scholen daarbij. Laat anderen, bijvoorbeeld een nieuwe werkgroep, de afdeling mediatheekwezen of de kinderboekenschrijvers zelf, zich inzetten om zoveel mogelijk Surinaamse kinderboeken op de scholen te krijgen. Zij kunnen dit doen door steun van de overheid te verwerven, samen te werken met Nederlandse organisaties of zelf aan fondsenwerving te doen, in Suriname, Nederland of elders. Zo kunnen we er samen voor zorgen dat de schoolbibliotheken een gebalanceerde collectie aan boeken hebben, die de kinderen verder op weg zullen helpen in hun ontwikkeling. Laten we niet met de vinger naar elkaar wijzen, maar samen een vuist maken!
[Susanne Dekkers, namens bestuur van ‘Unu Pikin’]
III. De Ware Tijd Literair reageert
Wij vinden het geweldig als gereageerd wordt op onze artikelen. ‘Unu Pikin’ heeft duidelijk haar standpunt uiteengezet en de lezers van ‘Literair’ kunnen hun oordeel vormen over de kwestie: wat doen we met de ‘Hollandse’ kinderboeken die in groten getale naar Suriname komen. Wij hebben ons standpunt uiteengezet dat er op neerkomt dat er niets tegen buitenlandse kinderboeken is, die geschreven zijn in een ander Nederlands dan de boeken hier en vaak over zaken gaan die buiten de leefwereld van onze jeugd liggen. Maar het gaat erom dat kinderen boeken te lezen krijgen die ze aankunnen, wat taal zowel als inhoud betreft. Een ideale ontwikkeling is dat kinderen langzaamaan hun blik verbreden: van de eigen leefwereld naar de grote wereld, en boeken kunnen, evenals films, daar een belangrijke rol bij spelen. Dan krijg je als kind plezier in lezen en houd je dat ook: van eenvoudig en herkenbaar naar vreemd en boeiend! Alles wat je leest, moet je kunnen begrijpen. En we behoren altijd te beseffen dat de meerderheid der Surinaamse kinderen uit een totaal andere thuissituatie komt met minder ontwikkelde, anderstalige ouders, weinig of helemaal geen Nederlands gesproken programma’s op/in de media, weinig tot geen toegang tot clubs, en dergelijke. De dit schooljaar begonnen ‘Naschoolse Opvang’ kan die leemte wel gedeeltelijk opvullen, maar mist daarvoor eigen tools. Fijn is dat er veel Surinaamse kinderboeken zijn, voor verschillende leesniveaus, met zonodig duidelijke illustraties. En er komen steeds nieuwe bij!
[Red. de Ware Tijd Literair]
Samenwerking tussen Adek en Vlaamse uni’s gaat nieuwe fase in
door Ewout Lamé
Restant Verdragsmiddelen geslonken naar 700.000 euro
door Eric Mahabier
Paramaribo – Per 31 december 2012 was er nog 700.000 euro over uit de Verdragsmiddelen. Dat blijkt uit het evaluatierapport 2012 van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. In april vorig jaar berichtte Buza-minister Frank Timmermans de Tweede Kamer nog dat er twintig miljoen euro aan resterende Verdragsmiddelen zou zijn.
read on…Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (7)
Ter inleiding keer ik terug naar de aanhef van dit hoofdstuk omdat ik dat als een belangrijk uitgangspunt beschouw: “Wie streeft naar het waarlijk goede, kan zich niet afwenden van het ongeluk van anderen”. Deze uitspraak heb ik verbonden met een samenleving waarin mensen waarheid en vrijheid moeten kennen en ervaren. Tolerantie is een voorwaarde om dit te bereiken. Mensen moeten bij hun streven naar het goede, ware en de vrijheid zich richten op de ander en zij ontkomen niet aan verdraagzaamheid. Het gaat juist om die specifieke combinatie. Alle componenten zijn even belangrijk. Ik gebruik hier het woord “naastenliefde” met opzet niet en dat zal later duidelijk worden.
read on…Geld ontwikkelingssamenwerking beter besteden
Persoonlijk relaas van ontwikkelingssamenwerker
door Jeroen Heuvel
Veel geld dat bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking gaat verloren, het gaat wereldwijd om miljarden euro’s. Karel van Kesteren legt in zijn boek Verloren in wanorde uit waar het fout gaat en hoe het beter kan. Van Kesteren (1948) is in dienst van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en hij vervulde functies in Nederland, Colombia, Nicaragua, Spanje, Tanzania en Bulgarije.
Van Kesteren: “De inhoud van dit boek komt geheel voor mijn persoonlijke rekening. Hier en daar bevat het stevige kritiek op de gangbare praktijk van ontwikkelingssamenwerking (OS). Niet in de eerste plaats op die van Nederland, maar veel meer op de praktijk van alle hulpgevende instanties gezamenlijk. Ik betoog dat die gebrekkig in elkaar zit, dat de totale hoeveelheid ontwikkelingsgeld in de wereld niet op de beste manier wordt besteed. Je kunt ook zeggen dat er een deel verloren gaat. ‘Verloren in wanorde’. In de Nederlandse discussie over ontwikkelingshulp wordt aan diverse kanten betoogd dat het bedrag dat Nederland aan OS besteedt, nu 0,8 procent van het bruto nationaal product, omlaag moet. Al hier in dit voorwoord onderstreep ik dat dit boek op geen enkele wijze bedoeld is als een ondersteuning van dat soort pleidooien. De noden in veel delen van de wereld zijn enorm en hulp van buiten kan een heel welkome aanvulling zijn op de eigen middelen daar. Het is ook normaal en een teken van beschaving dat welgestelde mensen bijdragen aan de verbetering van de levenssituatie van minderbedeelden.”
Waarom staat Nederland in het rijtje van landen waar de auteur functies heeft vervuld? Omdat het referentiekader van de auteur zijn land is. Dat komt mooi ter sprake in het volgende fragment. Koningin Juliana kreeg in 1978, ter gelegenheid van haar 30-jarig ambtsjubileum een nationaal geschenk, bestaande uit een som geld van het volk. “Volgens de wens van de koningin moest dat geld worden ingezet voor lotsverbetering van kinderen in de Derde Wereld. Een groep mensen had het plan ontwikkeld om in het district Kaya in Burkina Faso de polio te gaan uitroeien. Daarbij zou dan een nieuw antipolioserum worden gebruikt dat kort daarvoor was ontwikkeld in het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid te Bilthoven. Het plan was om met een team van vliegende dokters alle kinderen in het hele district in te enten en hen zo van de gevreesde ziekte te redden. Dit plan werd besproken in een vergadering van het comité van alle betrokkenen, waarin naast de initiatiefnemers van het plan ook een wat oudere arts zitting had die jarenlang in ontwikkelingslanden had gewerkt. (…) ‘Je kunt wel beweren dat je veel kinderen redt,’ zo betoogde de arts, ‘maar je let helemaal niet op de negatieve effecten van je plan. Je komt daar met een vliegtuig en allemaal prachtige spullen, je vaccineert de kinderen en tegen de tijd dat je de bevolking achterlaat in de stofwolk van het opstijgende vliegtuig, is het personeel van de lokale gezondheidszorg helemaal gedemoraliseerd, omdat ze nog scherper beseffen hoe gebrekkig ze zijn toegerust en hoe schamel hun werkomstandigheden zijn. Het plan draagt dus helemaal niet bij, nee integendeel, doet afbreuk aan waar het echt om zou moeten gaan, namelijk het opbouwen van een lokaal gezondheidszorgstelsel dat in alle opzichten de capaciteit heeft om zelf de bevolking te bedienen. Als je een goed gezondheidssysteem wilt opbouwen in een ontwikkelingsland, zul je eerst nog heel wat kinderen dood moeten laten gaan!’ riep hij in het vuur van het debat uit.” (pp 19-20) Snel resultaat willen hebben is wat de donorlanden willen, politiek kunnen scoren, het ontvangende land willen helpen in een ontwikkeling om zelf de problemen de baas te kunnen is een langzaam traject, dat langer duurt dan de vier of zes jaar tussen twee verkiezingen in.
Door het referentiekader van Karel van Kesteren, durft hij in zijn boek niet de vraag te stellen wat het ontvangende land zelf wil, waar het aan toe is in de ontwikkelingsfase van dat land. Een land is als een kind, het wordt geboren en heeft dan andere behoeftes dan wanneer het een peuter is, een kind, een puber, een adolescent, een volwassene, en zo voort. Hij durft niet de geestelijke realiteit te onderzoeken van ieder volk en de cyclus van groei en verval van landen onder de loep te nemen. Hij wijst wel op de valkuilen van corrupte politici, ambtenaren, beleidsmakers in zowel het donorland als in het ontvangende land.
“De instellingen in Colombia waarmee wij werkten hadden in uiteenlopende mate last van deze politiek geïnspireerde personeelswisselingen. Het ergste was het in de streek Chocó, een slecht toegankelijk gebied aan de kust van de Stille Oceaan, bewoond door afstammelingen van slaven die daar in de 19de eeuw terecht waren gekomen om in de rivier Atrato naar goud te zoeken. Beweerd werd dat die slaven waren aangevoerd door Nederlandse handelaren, zodat de financiering van het ontwikkelingsproject voor de streek met wat goede wil nog als een soort herstelbetaling kon worden geïnterpreteerd. Vanwege de greep van de politici op de regionale ontwikkelingsmaatschappij ging de Nederlandse projectleiding er toe over het project daar meer en meer los van te maken, door onderdelen ervan, bijvoorbeeld de rijstverbouw en de rijstverwerking, in afzonderlijke, nieuwe organisaties onder te brengen, vaak coöperaties van de boeren. De bewoners van de streek werden zo steeds minder afhankelijk van de plaatselijke overheid en dus ook van de plaatselijke politici. Zij vonden het daarom ook niet meer nodig om bij de verkiezingen op die politici te gaan stemmen. Op die manier werd het project een directe bedreiging voor de positie van degenen die het sinds jaar en dag in de streek voor het zeggen hadden gehad – ook ten voordele van hun eigen portemonnee. Op zeker moment kwam het zover dat er op de Nederlandse projectleider werd geschoten.
Conflicten had betrokkene al veel langer, hij – en wij op de ambassade – waren ons er terdege van bewust dat er bij het veranderen van machtsverhoudingen ten gunste van de armen ook verliezers zijn, namelijk de gevestigde elite. En die geeft zich niet zomaar gewonnen. Het motto van de projectleider was dan ook, naar analogie van dat van Rinus Michels, ‘ontwikkelingssamenwerking is oorlog’. Zo letterlijk hadden we het echter niet voorzien. Er zat toen weinig anders op dan hem, tot zijn eigen grote ongenoegen, terug te trekken en te vervangen door een wat minder uitgesproken persoon.” (p 35).
Aan het eind van het meer dan 200 bladzijden tellende boek komt het laatste hoofdstuk. “Het tekortschieten van de organisatie van de hulpverlening is geen nieuwe ontdekking. Er is van veel kanten al op gewezen. In een recent OESO-rapport bijvoorbeeld staat: ‘In een situatie als deze zijn overlappingen onvermijdelijk – net als inspanningen die elkaar tegenspreken of elkaar opheffen. Essentiële middelen worden aldus inefficiënt besteed, en de resultaten die ze opleveren zijn minder dan verwacht zou kunnen worden.’ (…) Precies valt dat verliespercentage niet te berekenen, maar als we het op een getal ergens in het midden houden komen we erop uit dat in de huidige hulppraktijk een derde van het ontwikkelingsgeld verloren gaat. Let wel: dat zijn dan extra verliezen, bovenop de verliezen die in zo’n moeilijke bedrijfstak als ontwikkelingssamenwerking toch al bijna altijd optreden; vermijdbare verliezen dus.’’ (pp 197-198).
Wie betaalt, bepaalt niet
Op de kaft van het door het Koninklijk Instituut voor de Tropen uitgegeven boek staat een foto van een deel van een elektriciteitsmast waar een heleboel draden aan zijn vastgemaakt, zoveel draden dat het een warboel lijkt. Ik denk dat ook hierbij geldt: wat is het referentiekader van degene die het ziet? Iemand die stroom of telefoon krijgt uit deze kluwen zal blijer zijn dan iemand die liever de modernste draden onder de grond ziet. Misschien moet er anders gedacht worden over OS, moet de prijs voor cacao, bananen, rietsuiker, koffie en thee veel hoger worden (dat wil niet zeggen dat de consument er meer voor moet betalen, maar het kan zijn dat donorlanden een eerlijke prijs er voor geven). Van Kesteren geeft ook mogelijke oplossingen. “Een eerste broodnodige verbetering is een veel betere werkverdeling tussen donoren: binnen ontwikkelingslanden, naar sectoren, zoals door de Verklaring van Parijs voorzien, maar ook naar landen. (…) Een tweede verbetering is het aanbrengen van veel meer langetermijnperspectief in het bilaterale OS-beleid van donorlanden. (…) Een langetermijnperspectief wordt nog gemakkelijker als we – en dat is mijn derde verbetervoorstel – ons beleid beperken tot financiering. Het ontvangende land moet zelf de bestemming van het geld kunnen bepalen. Niet onbeperkt natuurlijk, maar op basis van een ontwikkelingsplan dat ook voor de donoren aanvaardbaar is. (…) Vierde verbetervoorstel: ervan uitgaande dat het ontvangende land zelf de bestemming van het hulpgeld moet kunnen bepalen, moeten donorlanden niet langer willen vastleggen dat er van hun OS-begrotingen een bepaald percentage of een vast bedrag naar bijvoorbeeld onderwijs of energie of tropische bossen gaat. (…) Een laatste aanbeveling is dat donorlanden in hun ambtelijke organisaties, in Nederland het ministerie van Buitenlandse Zaken, landen centraal stellen en niet thema’s. Landen die de capaciteit moeten krijgen om zelf de problemen rond kindersterfte, drinkwatervoorziening, energievoorziening en klimaatverandering te kunnen aanpakken.
De auteur wil de keuze leggen waar ze hoort, bij de ontvangende landen, want “waar het uiteindelijk om gaat is het tot stand komen van behoorlijk functionerende staten, met weerbare maatschappijen. Samenlevingen die hun eigen kost kunnen verdienen en zelf hun problemen kunnen aanpakken.” (p 209). De adder onder het gras blijft wie bepaalt wat behoorlijk functionerende staten inhoudt, wat weerbaar betekent en wat het referentiekader is van degene die het voor het zeggen heeft bij het hun problemen kunnen aanpakken.
Karel van Kesteren, Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas. 2010 ISBN 978 60 2209 82. Paperback, 216 pagina’s. KIT Publishers.
Peace Corps
Vrijwilligers van de organisatie Peace Corps legden donderdagavond de eed af in handen van Amerika’s ambassadeur John Nay. De vierentwintig nieuwe vrijwilligers bevinden zich al ongeveer twee maanden in Suriname, hebben zich verdiept in het Sranantongo, Ndyuka en Saamaka, alsook in de verschillende Surinaamse culturen. Ze zullen zich in de komende 2 tot 3 jaren vestigen in dorpen in het binnenland en op allerlei vlak lokale gemeenschappen helpen met de ontwikkeling van hun dorpen. Bij de beëdiging beloofden de vrijwilligers niet alleen trouw aan hun vaderland, maar committeerden zich ook hun kennis en kunde naar eer en geweten in te zetten. De beëdiging vond plaats op een feest ter ere van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag.
[uit de West, 10 juli 2011]
Donateur leerstoel handelde uit plichtsbesef
door Sam Jones
De Curaçaose zakenman Gregory Elias was met stomheid geslagen toen hij hoorde dat Nederland de financiering van de bijzondere leerstoel Westindische Letteren niet rond kreeg. Hij trok de beurs en garandeerde 45.000 euro om de leerstoel te redden.
Elias is door zijn bijdrage de grootste donateur van de leerstoel. Maar ook anderen sprongen bij, zoals het Letterenfonds 25.000 voor 5 jaar, het Alumni fonds van de Universiteit van Amsterdam (5.000 euro), twee andere particulieren en zelfs de promovendi staan voor 10.000 euro garant voor als er onvoldoende geld zou zijn.
Koninkrijksburger
De Curaçaose zakenman (die eerder als sponsor zorgde voor de naam Curaçao op de shirts van voetbalclub NEC) zegt dat hij niet kan begrijpen ‘dat zo’n belangrijke leerstoel geen middelen bij elkaar kan sprokkelen’. Hij voelt zich als Koninkrijksburger verantwoordelijk om de leerstoel te steunen. Elias: “Als je van cultuur houdt en je hebt de mogelijkheid om te steunen, dat is het je plicht om te op te treden met daden. Ach ja 45.000 is veel geld, maar niet als je ziet wat deze leerstoel kan betekenen voor schrijvers uit de Cariben, Suriname of in Nederland.”
Is het omgekeerde ontwikkelingshulp? Volgens Elias niet. In het Koninkrijk heb je volgens hem de taak om elkaar bij te staan. “Ik zie het als een wisselwerking: Zij bieden expertise aan ons en ik steun op bescheiden wijze.”
Professor Marita Mathijssen en bijzonder hoogleraar Michiel van Kempen zijn in ieder geval opgelucht nu de drempels zijn weggenomen. Er moet nog wel officieel verlenging van de leerstoel worden aangevraagd; na 20 juni neemt het College van Bestuur een besluit.
[Wereldomroep, 10 juni 2011, klik hier voor radio-interviews]
Zie hier een ouder bericht
Drie verhalen, één realiteit
Op vrijdag 10 juni vindt de jaarlijkse Seva-lezing plaats in De Boskant in Den Haag. Sandew Hira verzorgt dit jaar de lezing die zal gaan over ontwikkelingshulp, gezien vanuit drie perspectieven. Titel van de lezing is: Drie verhalen, één realiteit. Ontwikkelingshulp vanuit een gekleurd perspectief. De discussie over ontwikkelingshulp gaat volgens econoom en historicus Sandew Hira in essentie over de vraag: wat is de verhouding tussen het westen en de zogenaamde Derde Wereld en hoe zou deze verhouding er in de 21ste eeuw uit moeten zien.
De Seva-lezing is een jaarlijks terugkerend evenement en staat in het teken van ‘Migranten en Ontwikkeling’. Dit thema is een belangrijk werkterrein van Seva. De lezing wordt jaarlijks in juni georganiseerd ter gelegenheid van de Hindoestaanse immigratie naar Suriname in 1873. Deze immigratie was één van de eerste vormen van georganiseerde arbeidsmigratie in de wereld na de afschaffing van de slavernij. Het thema is nog steeds zeer actueel.
Als u de lezing wilt bijwonen, kunt u e-mailen naar a.delsman@sevanetwork.net om u aan te melden. Aanmelden kan tot 4 juni 2011. U kunt meerdere introducés meenemen. Vergeet bij uw aanmelding niet om naam, telefoonnummer en e-mailadres van uzelf én uw introducé(s) aan ons door te geven. Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Annet Delsman op 070 33 00 777.
Tijd: 19.00-21.30 uur
Locatie: De Boskant, Fluwelen Burgwal 45, Den Haag
De lezing is de downloaden via de website van IISR: www.iisr.nl
De toekomst van de relatie Nederland-Suriname
Het moment dat besloten moet worden hoe de toekomst van de relatie tussen Nederland en Suriname er uit zal zien, komt naderbij. Hoe nu verder? Dertig jaar na de onafhankelijkheid is de afwikkeling van de speciale ontwikkelingshulprelatie tussen Nederland en Suriname onderwerp van controverse en conflict. De vertraging, het tumult en protest rond het verschijnen van het rapport Een belaste relatie (februari 2004) toonden aan dat gevoeligheden en over de jaren opgebouwde irritaties een ernstige belemmering vormen bij het voeren van een resultaatgerichte beleidsdialoog.
De toekomst van de relatie Nederland – Suriname analyseert de bijzondere bilaterale hulprelatie sinds 1975, de successen en mislukkingen, en brengt een scala van inzichten bijeen over de toekomst van de relatie tussen beide landen. Het boek onder redactie van Pitou van Dijck (foto), econoom aan het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns Amerika (CEDLA) te Amsterdam, en gastdocent aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo, bevat zeven bijdragen van auteurs uit Nederland, Suriname en de Verenigde Staten: Frits van Beek, Rob D. van den Berg, Pitou van Dijck, Dirk Kruijt, Hans R. Lim A Po en Gert Oostindie.
Falen wordt je vergeven, succes niet
door David Signer
Waarom komt Afrika niet vooruit? Hoe komt het dat al decennialang enorme kapitalen aan ontwikkelingshulp wegsijpelen? Noch de globalisering noch het Westen hebben daar schuld aan. Het probleem is de Afrikaanse economie van de afgunst. Die wordt gekenmerkt door de angst voor toverij. De Zwitserse etnoloog David Signer heeft drie jaar onderzoek gedaan in West-Afrika.
In sport en muziek zijn Afrikanen wereldklasse. Maar als iemand geen Henri Camara heet zoals de Senegalese voetballer of geen Alpha Blondy zoals de reggae-ster maar gewoon Jean-Claude Dao bijvoorbeeld, dan zien de toekomstperspectieven er somber uit. Jean-Claude is een jonge, intelligente man in een kleine stad in het West-Afrikaanse Ivoorkust. Zoals zovelen van zijn leeftijd brengt hij zijn tijd vooral door met niets doen. In een gesprek klaagde hij erover dat er geen werk is en dat de economie in heel Afrika stagneert.
,,Maar weet je wat het eigenlijke obstakel voor de ontwikkeling in Afrika is?”, vroeg hij mij plotseling en gaf meteen zelf het antwoord: ,,Toverij”.
,,Bedoel je echt toverij of alleen het geloof in toverij?”, vroeg ik.
,,Toverij. Toverij is reëel. Tovenaars eten het liefst succesvolle mensen, studenten, jonge veelbelovende talenten uit de eigen familie. De tovenaar ontvoert ‘s nachts de onzichtbare dubbelganger van een familielid en verdeelt de buit in de kring van tovenaars. De ‘gegetene’ verliest zijn levenskracht, wordt ziek en sterft. De volgende keer is een ander lid van de tovenaarskring aan de beurt om een familielid te offeren. Zo gaat dat steeds verder. Als je een keer hebt meegegeten, sta je bij hen in het krijt. Als je dan niet regelmatig een van de jouwen opoffert ga je er zelf aan.”
Na een pauze vroeg hij: ,,Weet je waarom er in Afrika geen flats zijn?” Nee, zei ik. Hij legde me uit dat wanneer iemand in Europa een huis van twee verdiepingen bouwt, zijn buurman er een van drie verdiepingen bouwt en diens buurman een van vier verdiepingen. Dat is vruchtbare jaloezie. In Afrika daarentegen zegt de buurman: ,,Haal je niks in je hoofd. Je zult niet oud worden in je huis.”
En hij vertelde dat het bij hem de broer van zijn vader was die op dubieuze wijze alle succes tegenhield. ,,Zijn eigen zonen slagen, maar alle andere familieleden stranden. Ik was zelf een goede leerling, maar voor het diploma zakte ik. Ik weet zelf niet waarom. Plotseling was mijn hoofd leeg. Ik moest mijn opleiding afbreken. Ik kan nu alleen nog maar hopen op een succes in de loterij.”
Jean-Claude beschrijft hier kernachtig een samenhang die in de sociale wetenschappen pas sinds een paar jaar in grove lijnen wordt gethematiseerd. Wat de Afrikanen ‘toverij’ noemen is niet gewoon een spookachtige fantasie, maar een sociale werkelijkheid. ‘Toverij’ is een metafoor voor dat soort afgunstige, ‘kannibalistische’ of ‘vampierachtige’ sociale verhoudingen die de rijkeren sparen zonder dat ze de armere echt rijker maken, onder het motto: het mag jou niet beter gaan dan mij.
Ook als men niet gelooft in bijeenkomsten waar veelbelovende familieleden worden geconsumeerd, kan men de vernietigende kracht van de afgunst in de Afrikaanse samenleving toch niet ontkennen. Deze kracht is meer dan alleen maar het product van achterlijke lichtgelovigheid. Het is niet voldoende om mensen voor te lichten. Want de druk van de familie op iemand die iets heeft, is er, of men dat nu ‘toverij’, ‘hebzucht’ of ‘afgunst’ noemt. Zij die om gunsten vragen zijn nooit tevreden, en de familiekring is nagenoeg oneindig. Dat ‘toverij’ niet valt onder psychologie of bijgeloof bewijst alleen al het feit dat iemand als Jean-Claude het probleem haarfijn omschrijft en er desondanks niet aan ontkomt.
‘Toverij’ is bij uitstek een middel waarmee een conservatieve samenleving poogt haar status quo te handhaven, veranderingen te onderdrukken of ze, wanneer ze onvermijdelijk zijn, te ontkennen. Tegelijkertijd kan zo elke kritiek teruggekaatst worden op de criticus (wie namelijk de starheid van het systeem aanklaagt, riskeert het om – als a-sociale, jaloerse excentriekeling – zelf van toverij te worden beticht).
Vatbaar voor toverij zijn samenlevingen met een economie waarin de winst van de één door een ander altijd als verlies wordt ervaren; een stagnerende, beperkte economie, waarin sociale verhoudingen autoritair en hiërarchisch zijn, waarin de verworven status (door prestatie, werk, kennis) slechts weinig voorstelt in vergelijking met de toegeschreven status (leeftijd, geslacht) en waarin geluk niet gevonden wordt in het eigen initiatief, maar in de onderwerping aan een patroon, die als tegenprestatie voor iemand moet zorgen. In een samenleving zonder arbeidsethos, die succes terugvoert op geluk, magie of de gunst van de goden, is het alleen maar logisch dat de vruchten van dit succes moeten worden gedeeld en dat het denkbeeld van ‘welverdiend bezit’ weinig ontwikkeld is.
Ook Abou is een jonge inwoner van Ivoorkust, die in tegenstelling tot Jean-Claude wél over een klein inkomen beschikt, omdat hij in de buurt van een busstation een telefooncel exploiteert. Maar per saldo gaat het hem niet beter dan zijn werkloze landgenoot. ,,Eigenlijk levert niets doen meer op dan werken,” zei hij op een dag tegen me, toen ik op een verbinding zat te wachten.
,,Waarom?”, vroeg ik.
,,Omdat het op hetzelfde neerkomt. Elke dag komen er tien mensen om geld van me te lenen. En er komen er nog eens tien om op de pof te telefoneren. Ze praten net zo lang op me in tot ik toegeef. Er zit zoveel contant geld in de la dat ik niet kan zeggen dat ik niks heb. En ik kan me ook niet uit de voeten maken. Ze kunnen de hele dag tegen me aanpraten tot ze krijgen wat ze willen. En aan het eind van de maand heb ik weliswaar gegeten, maar heb ik geen cent overgehouden, net als degenen die van mij geleend hebben en zelf niet willen werken. Sinds twee jaar zie je me hier elke dag zitten zweten, maar ik ben geen centimeter vooruit gekomen. Ik wil naar Londen, ik moet hier weg.” De twee spreuken die Abou achter zich op de wand heeft geschreven – ‘De hel, dat zijn de anderen’ en ‘Wat is de mens zonder de mensen?’ – lijken een perfecte illustratie van zijn situatie. Het Afrikaanse dilemma van gemeenschappelijkheid en kannibalisme kan nauwelijks scherper worden verwoord. Abou heeft eigenlijk alle eigenschappen om vooruit te komen. Hij toont initiatief. Naast het werk in de telefooncel handelt hij in alle mogelijke rommel. Hij is intelligent en geliefd. Hij heeft de provincie verlaten om in de stad te werken waar hij niet meer aan de benauwde beperkingen en verplichtingen van de familie is onderworpen. Toch heeft hij niet alle verbindingen afgekapt. Hij woont bij zijn oom en bezoekt van tijd tot tijd zijn geboortedorp. Hij smijt niet met geld maar is ook niet gierig. Hij is vrijgezel en hoeft nog geen kinderen te onderhouden. Hij drinkt niet en rookt niet. In een (toen) vredig, tamelijk welvarend land als Ivoorkust zou een man als hij eigenlijk vooruit moeten komen. Waarom openen zich voor hem geen perspectieven? Hij zegt het zelf: het ligt aan het soort sociale verhoudingen – aan de plicht permanent alles te delen en de daaruit voortkomende onmogelijkheid om iets te sparen.
Wat zou er gebeuren als Abou zou weigeren om kredieten te verlenen en geschenken te geven? ,,Ze zouden mijn leven tot een hel maken”, zei hij. Dat is letterlijk bedoeld: al die zelfbenoemde ‘petits frères’ zouden de godganse dag in zijn telefooncel hangen en hem met hun gejammer aan de rand van een zenuwinzinking brengen. Hij kan immers niet weg, hij is aan hen overgeleverd. En: ,,Ze zouden mijn naam bezoedelen”. Dat zou betekenen dat de klanten weg zouden blijven. Er zijn genoeg andere telefooncellen in de buurt. Maar bovenal kun je door iemand wiens woede je hebt gewekt, behekst worden.
,,De tovenaars zijn overal, je kunt niet aan ze ontsnappen. In een vloek en een zucht vliegen ze van hier tot Parijs.”
,,Wat kun je daartegen doen?”
,,Je moet vooral tegen iedereen vriendelijk zijn. Als iemand je om een gunst vraagt moet je hem niet afwijzen. Je moet altijd in het oog houden dat het jou beter gaat dan de anderen. Je moet voor de armere familieleden zorgen, anders doen ze je iets aan. Ik bescherm me ook met een koranvers dat mijn oom me gegeven heeft. Soms schrijf ik verzen op het bord, wis ze uit en drink het water uit de spons. Het is moeilijk om hier vooruit te komen. Ik ken een dorp waar negentig procent van de jonge mensen is geëmigreerd. Arm geboren worden in Afrika betekent arm te zullen sterven. De luie is slimmer dan de vlijtige, want beide komen even weinig vooruit, alleen heeft de een een makkelijker leven dan de ander.”
Vaak ziet men het voor de hand liggende over het hoofd. Voor iedere Afrikaan is de samenhang duidelijk tussen de angst voor toverij, de destructiviteit van de afgunstigen en hun remmende werking op het eigen initiatief en het opbouwen van vermogen. Misschien hebben economen en ontwikkelingswerkers deze samenhang totnogtoe links laten liggen omdat ze zich niet serieus met het metafysische willen bezighouden; ofschoon ze sinds Max Webers ‘protestantse ethiek’ – een soort tegenmodel van het Afrikaanse systeem – beter zouden moeten weten. Godsdienstwetenschappers daarentegen houden zich in de regel niet bezig met kapitaalaccumulatie.
Een jonge vrouw uit Burkina Faso schetste de gevolgen van een te snelle carrière als volgt (en er is tussen Dakar en Dar-es-Salaam nauwelijks een stad te vinden waar je niet op soortgelijke verhalen stuit): ,,Een man uit onze streek had in de hoofdstad met succes een opleiding tot piloot gevolgd. Binnen twee weken zou hij met zijn werk beginnen. Hij benutte de tijd om een bezoek aan zijn dorp te brengen. Daar raakte hij volkomen van slag. Hij vouwde papieren en kaarten voor zich uit op tafel en riep: ,,Trappen intrekken, gordels vastmaken, klaar voor de start, volle kracht vooruit!”
Toen hij na twee weken niet op zijn werk bij de luchthaven was verschenen, liet men zijn baas weten dat hij gek geworden was. Die geloofde het niet en ging de piloot in zijn dorp opzoeken. Hij riep hem ter verantwoording. ,,Waarom ben je niet op je werk verschenen?”
De man antwoordde: ,,Geen probleem, baas. We beginnen meteen. Gordels vastmaken alstublieft, we starten over enkele minuten. We verzoeken u niet meer te roken en uw stoelleuningen rechtop te zetten.”
De baas keerde terug naar Ouagadougou en de man bleef achter in het dorp, waar hij tot op heden zijn eten tussen het afval zoekt. Je zou niet denken dat hij echt piloot was. Maar bij ons hakt men alles wat te snel groeit de kop af.”
Het is bij zulke vertellingen niet belangrijk of ze ‘kloppen’ of niet. Wezenlijk is dat ze een overtuiging uitdrukken en reproduceren die dwars door etniciteit, leeftijdsgroepen, bevolkingslagen, regio’s en religies wordt gedeeld: carrière maken is gevaarlijk. Als de ander niet op enigerlei wijze kan deelhebben aan het succes, wordt de afgunst in stelling gebracht. Deze kan – in de vorm van toverij – dodelijk zijn. En je moet je het meest in acht nemen voor degenen die je het meest na staan. Dus maak je jezelf maar beter heel klein en blijf je op je vastgestelde plek of je zoekt, als je groot wil worden, je geluk ergens anders. Maar ook aan het andere eind van de wereld kun je er niet zeker van zijn dat de afgunst van je familie je niet achterhaalt. De toverij is de nachtzijde van de verwantschap.
Het eerste Afrikaanse gebod luidt: Ge zult niet proberen u boven het u gegevene te verheffen en uws gelijken of zelfs de boven u gestelden te overtreffen. Wie poogt op eigen houtje zijn grotere broer of zelfs zijn vader te overtroeven, wordt ‘naar beneden gehaald’. Door een tovenaar, zegt men. Maar ‘tovenaar’ is slechts een ander woord voor krachten in de samenleving die men egaliserend of castrerend zou kunnen noemen.
Nu is het in het moderne Afrika heel gewoon geworden dat een nieuwe generatie de oude inhaalt en dat de kinderen welvarender en hoger opgeleid kunnen zijn dan de ouders. Maar in de traditionele sfeer wordt deze vooruitgang vaak gevoeld als een provocatie van de van oudsher egalitaire en hiërarchische orde. De andersdenkende wordt tot de orde geroepen, wordt gedwongen terug te keren naar de hem toegewezen plaats (bijvoorbeeld wanneer een intelligente jongen de school ten gunste van zijn minder intelligente oudere broer moet verlaten, om de laatstgenoemde niet in zijn eer te krenken).
De Afrikaanse samenleving is tegelijk egalitair en hiërarchisch. Ze is egalitair in die zin dat een uitbraak uit het vastgestelde milieu of een inhalen van oudere broers en zussen meteen bestraft en weer genivelleerd wordt. Ze is hiërarchisch doordat met hogergeplaatsten (vader, baas, politicus) niet mag worden gerivaliseerd; sociaal onderscheid wordt gezien als een natuurlijk gegeven en daardoor gefixeerd. De machtige wordt weliswaar – als een soort biologisch gegeven – geaccepteerd, maar niet de promotie, de groei. Het zijn de ambitieuzen die afgunst wekken. Een systeem dat in een dorpsmilieu stabiliserend gewerkt kan hebben, leidt in de vrije markteconomie en de democratie tot een verlamming van elke ondernemingszin.
Een blanke of ook eenvoudig een goed geklede bezoeker van Afrika vraagt zich vrij snel af waarom hij voortdurend midden op straat door onbekenden wordt aangesproken met patron, boss of grand frère. Heel eenvoudig: omdat het een van de belangrijkste bronnen van inkomsten is om zichzelf klein te maken en zo aan de rijkdom en vrijgevigheid van de bazen te appelleren. En als je dan niets krijgt heeft ook de petit frère zijn methoden om het leven van de grand frère tot een hel te maken. ,,Omdat de arme de rijke niets anders kan geven, geeft hij hem problemen”, legde een jonge Senegalese mij uit en ze bedoelde daarmee niets anders dan de dreiging met toverij in het geval van gierigheid.
Dit soort relaties wordt aangeduid als patroon-cliënt-verhoudingen. De patroon geeft zijn beschermeling niet alleen werk, maar neemt ook de verantwoordelijkheid voor grote delen van zijn leven over. De cliënt is hem gehoorzaamheid en bewondering verschuldigd, als aan een machtige vader. Daarbij moet men zich realiseren dat arbeidskracht in Afrika nog altijd voor een groot deel door de familie gecontroleerd en uitgebuit wordt. De vader en verdere verwanten eisen een deel van het verdiende geld op, maar daarvoor in de plaats staan ze ook garant voor een mate van sociale en economische zekerheid.
Wanneer deze dorpsachtige organisatievorm wordt uitgebreid naar een groot bedrijf of een hele staat, dan krijg je onvermijdelijk problemen. De verhoudingen zijn volledig doortrokken van de uitoefening van persoonlijke macht: terwijl de cliënten hun chef gunsten betonen (deze hoffelijkheden worden bij ons corruptie genoemd), legitimeert deze zich enerzijds door zijn persoonlijke welstand tentoon te stellen en anderzijds door zijn vermogen het netwerk van relaties waarop zijn macht berust, te voeden. Dit cliëntelisme heeft natuurlijk weinig van doen met een moderne staat in westerse zin.
Met toverij wordt normaal gesproken het gevaarlijke ressentiment bedoeld van de mensen die zich tekortgedaan voelen. Maar ook iemand met een onaantastbare macht kan als tovenaar worden aangeduid. De kleine tovenaar zal men mijden, verbannen, uitsluiten of verdrijven. Over de grote tovenaar zal men daarentegen achterbaks en eerbiedig smiespelen. (De ex-president van Ivoorkust Houphouët-Boigny, die de staatsinkomsten gebruikte om zijn geboortedorp Yamoussokro als nieuwe hoofdstad uit te dossen, met een kopie van de Sint Pieter, wordt soms bewonderend de oude tovenaar genoemd.) Maar in beide gevallen is het effect hetzelfde: de sociale stijger wordt geïntimideerd door tovenaars of gedemoniseerd als tovenaar. Normale sociale mobiliteit is er niet.
In het geval van de sterke tovenaars dient het aura van het bovennatuurlijke er ook toe om vijanden af te schrikken. Zo wordt van veel Afrikaanse politici gezegd dat ze beschikken over magische krachten die hen onkwetsbaar maken en aanslagen bij voorbaat verijdelen. Ook de uitstalling van pracht en praal door de rijken, met haar intimiderende effecten op mogelijke uitdagers, behoort tot deze mystificatie van de macht.
Het is opvallend dat zich in Afrika, in tegenstelling tot andere continenten, bijna nooit sociale of culturele revoluties hebben voorgedaan. Weliswaar zijn er een massa staatsgrepen geweest, waarbij de ene patroon werd vervangen door een andere, maar vrijwel nooit aanzetten tot een radicale herstructurering van de samenleving. En wanneer zowel de Afrikanen als de Europeanen de Afrikaanse misère nog steeds uitsluitend toeschrijven aan de slavernij, het kolonialisme, de Wereldbank, de globalisering of een tekort aan ontwikkelingsgelden, dan zal dat ook nog wel een tijdje zo blijven.
De Kameroense econome Axelle Kabou heeft in een woedend manifest over de Afrikaanse onderontwikkeling (‘Noch arm noch machteloos’) de stelling geponeerd dat Afrika in zijn geheel als het ware de passieve, bedelende houding aanneemt van een infantiele cliënt tegenover een almachtige patroon: de Afrikanen zijn de enige mensen ter wereld die nog denken dat anderen dan zijzelf zich om hun ontwikkeling moeten bekommeren. Het is algemeen bekend dat het eeuwige teruggrijpen op de buitenlandse kredietverschaffers in Afrika niet als schande wordt ervaren. Minder bekend is de reden daarvoor, namelijk de omstandigheid dat de Afrikaan zich tegen het heden helemaal niet opgewassen voelt.
Vermoedelijk zijn ook de verwijten die een gekrenkt Afrika de gierige Europeanen maakt, slechts de vertaling van een relationeel model dat in Afrika het sociale systeem al sinds lang vorm geeft: een hiërarchische machtschappelijke ordening volgens het patroon-cliënt-model, het vermijden van concurrentie en een algemene neiging om zowel het kwaad (toverij) als het heil (de chef, de medicijnman) van buitenaf te verwachten.
Kabou zelf redeneert dat het mogelijk de angst van de rijken voor de afgunst van de armen en voor de tegen hen gerichte tovermiddelen van de Maraboes (islamitische wonderdoeners) is geweest die hen verhinderde erover na te denken hoe de welstand over een bredere massa uitgebreid kon worden.
Men kan niet genoeg benadrukken, schrijft zij, hoezeer het geloof in de magische krachten van de toverij de sociale ontwikkeling van Afrika heeft belemmerd en nog steeds belemmert. Hoe meer diploma’s iemand in Afrika heeft, des te meer hij gelooft het doelwit van afgunst en magie te zijn, en des te meer hij ter bescherming een talisman gebruikt.
De Afrikanen wordt vaak verweten dat ze door hun kortzichtige zorgeloosheid niet in staat zijn tot sparen, kapitaalvorming en geldbeleggingen op lange termijn. Maar vermoedelijk is het probleem toch niet zozeer gelegen in de mentaliteit als wel in de sociale betrekkingen. Ook iemand die van goede wil is en in staat is om te sparen, wordt dat door zijn familieverplichtingen nagenoeg onmogelijk gemaakt.
Niet voor niets zijn de meeste zaken in Oost-Afrika in handen zijn van Indiërs en in West-Afrika van Arabieren. Deze buitenlanders slagen niet omdat ze per se bekwamer zijn maar omdat ze buiten de ruïneuze Afrikaanse familieverplichtingen staan.
De Afrikaanse bovenlagen die zich vastbesloten proberen af te schermen tegen beneden, zouden het hen willen nadoen, doordat ze letterlijk muren rond hun bezittingen optrekken om de aanspraak op verdeling in te dammen. De economie wordt zo ook niet levendig. Terwijl de gewone mensen solidair moeten zijn met de armeren, tot ze zelf weer arm zijn, blijven de rijken op hun luxe zitten.
Veel mensen die hogerop willen, onttrekken zich aan deze ondragelijke situatie door migratie. (Men zou de Afrikaanse braindrain eens vanuit dit aspect moeten onderzoeken.) Daardoor ontkomt men weliswaar aan de directe verwachtingen, eisen en verwijten, maar niet aan de wraak door toverij die niet aan plaats gebonden is. Hier dient – als een soort tranquillizer – de medicijnman zich aan. De medicijnman kan de angst voor degenen die zich tekortgedaan voelen, sussen door hen te identificeren en magische beschermingsmaatregelen te treffen. Maar doordat hij het overgrote deel van de sociale, psychische en gezondheidsproblemen uit toverij verklaart, houdt hij het systeem en de angst tegelijkertijd in stand. Hij biedt oplossingen voor problemen die hij – ten dele – zelf creëert.
Belangrijk bij de medicijnmannen zijn altijd de offers die gebracht moeten worden. Zelfs in een miljoenenstad als Abidjan in Ivoorkust met haar snelwegen en neonreclames brengt volgens een onderzoek meer dan de helft van de inwoners regelmatig offers als kippen en schapen.
Welnu, als door de toverij vooral diegene getroffen wordt die niet geeft, dan ligt niets meer voor de hand dan zijn angst weg te nemen door hem ertoe te brengen tóch iets te geven, en wel op een geritualiseerde manier, waarbij de gave tot een doel in zichzelf wordt. Precies dat betekent het offer. Het is een geschenk aan niemand en aan allen: God, geesten, medicijnman, familie, buren, armen, afgunstigen, zichzelf.
Wezenlijk is het bevrijdende gevoel iets gegeven te hebben en daarmee een evenwicht te hebben hersteld. Maar hoewel de offers misschien verlichting brengen en de angst bezweren, ze bevrijden niet van de ideologie van het verdelen en de economie van de toverij. Ze bevestigen de maatschappelijke theorie en praktijk dat het eigen succes gevaarlijk is en door anderen op ongrijpbare wijze kan worden vernietigd, maar ook gered.
Maar waarom lukt in de sport en de muziek, wat verder nergens lukt? De Afrikaanse voetballers zelf schrijven hun succes vaak toe aan de talrijke magiërs die hen van stadion naar stadion begeleiden. Maar misschien ligt de ware reden voor de uitzonderingsprestaties hierin dat elk doelpunt dat een Senegalees scoort voor alle Afrikaanse mannen en vrouwen wordt gescoord. De doelpuntenmaker neemt zijn broeders en zusters niets af, integendeel. En wanneer Alpha Blondy voor de duizendste keer ‘Mon père avait raison’ zingt, verrijkt hij niet alleen zichzelf, maar allen die zich met hem identificeren. Hij is niet hun rivaal, maar hun vertegenwoordiger, en zo heeft iedereen deel aan zijn succes.
Wanneer deze opvatting – dat elke uitmuntende prestatie uiteindelijk de gemeenschap ten goede komt – naar alle werkzaamheden uitgebreid kon worden, zou de Afrikaanse cultus van de middelmatigheid misschien aan zijn einde komen. Maar voorlopig geldt nog steeds de slogan van het minimalisme uit Mali: Falen wordt je vergeven. Succes niet.
[Die Weltwoche, Vertaling Wim Boevink, Chris Rutenfrans]
De Aziatische weg naar rijkdom en welvaart
door Martina Amoksi
In zijn lijvige werk, Waarom Azië rijk en machtig wordt probeert Roel van der Veen de vraag te beantwoorden waarom het Afrika maar niet echt lukt om tot ontwikkeling te komen, maar Azië wel. De auteur doet dat door de golf van modernisering over het Aziatisch continent stap voor stap te volgen en te verklaren. Bij het beantwoorden van de vraag ‘Waarom is de ontwikkeling van Azië op gang gekomen?’, gaat hij in zijn analyse uit van maatschappelijke systemen, waaronder het geheel van de politiek, economie, sociale relaties en cultuur, in hun onderlinge wisselwerking. Dit is een boek over de moderne geschiedenis, ontwikkeling en politiek van de Aziatische staten met uitzondering van het noordelijk deel van het continent (behorend tot Rusland) en het westelijk deel van de zuidkant (van de Sinaï tot Pakistan). De schrijver verantwoordt zijn studie door erop te wijzen dat er over de ontwikkeling van Azië de laatste jaren veel is geschreven, maar dat deze literatuur zich gewoonlijk beperkt tot de kwestie van het ‘hoe’ en niet van het ‘waarom’.
.
Opzet
De structuur van het boek is deels chronologisch en deels geografisch. Dit is mogelijk doordat de moderniseringsgolf die de schrijver behandelt, zich in een bepaald patroon over het continent bewoog. Het boek valt uiteen in zes delen die elk weer uit zes hoofdstukken bestaan. In deel één geeft de schrijver een overzicht van het premoderne Azië. Het beginpunt van de beschrijving en analyse ligt in de zesde eeuw voor Christus, omdat toen enkele personen leefden die nog steeds hun stempel op Azië drukken. Japan, dat lange tijd, vanaf het midden van de negentiende eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog het enige moderne land in Azië was, vormt het onderwerp van deel twee. De vier relatief kleine gebieden langs de rand van het grote China (Taiwan, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore) die in de jaren vijftig en zestig economisch begonnen te groeien, vormen het onderwerp van deel drie. In de jaren zestig bereikte de moderniseringsgolf aarzelend een aantal landen in Zuid-Oost-Azië. De beginnende ontwikkeling van deze regio wordt behandeld in deel vier. In deel vijf wordt een omslagpunt behandeld dat in de jaren tachtig werd bereikt. Het grote China wijzigde in 1978 zijn beleid en begon economisch zeer snel te groeien. Daarmee verdween het onzekere karakter van de Aziatische ontwikkeling. Dit deel eindigt met Vietnam, dat aan het einde van de jaren tachtig het Chinese hervormingsspoor ging volgen. In deel zes wordt de ontwikkeling van India onder de loep genomen. Na India worden in dit deel ook de andere landen van Zuid-Azië kort besproken.
Het boek wordt afgesloten met een samenvatting en een uitgebreide reeks conclusies. Aan de hand van de milleniumdoelstellingen van de Verenigde Naties wordt gekeken wat de ontwikkeling van Azië, zijn burgers, tot dusverre heeft opgeleverd. De centrale vraag van het boek ‘Waarom wordt Azië rijk en machtig?’ wordt hier beantwoord en het mechanisme van de veranderingen wordt uiteengezet. Het verschijnsel ontwikkeling, wordt daarbij ook in een bredere, soms biologische context geplaatst. De betekenis van de ontwikkeling van Azië voor de wereld heeft een plaats; evenals de nadelen van modernisering die als het ware de achterkant van ontwikkeling vormen.
Een positief punt van het boek is dat de schrijver de golf van modernisering over het continent stap voor stap volgt en verklaart. Hij sluit af met lessen van de Aziatische weg naar rijkdom en welvaart, en laat verder zien wat arme landen daarvan kunnen leren. Ook biedt het grote inzichten in de menselijke ontwikkeling met grote gevolgen voor de wereld.
In zijn boek geeft van der Veen het belang van de ontwikkeling van Azië voor de wereld aan. Dit boek is het lezen waard. Doordat de schrijver de ontwikkeling van Azië stap voor stap bespreekt, kan hij anderen een indicatie geven op welke manier zij hun land tot ontwikkeling zouden kunnen brengen. Suriname zou zeker daaruit veel kunnen leren. Afrondend wil ik benadrukken dat Van der Veen met deze studie een imponerende bijdrage heeft geleverd, niet alleen aan de Aziatische geschiedenis, maar aan de ontwikkeling van de wereld.
Roel van der Veen studeerde onder meer geschiedenis aan de universiteit van Groningen, Nederland, waar hij in 2004 ook promoveerde. Hij is werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, tegenwoordig in de functie van adviseur van de wetenschappelijke raad. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Groningen en Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich vooral op Azië en Afrika.
Roel van der Veen, Waarom Azië rijk en machtig wordt. KIT Publishers, Amsterdam, 2010, 592 p.
[ook in de Ware Tijd Literair, 5 maart 2011]
.
Twitteren op de vulkaan
door Theo Ruyter
In ‘Ontwikkelingshulp in 2 uur en 53 minuten’ door Marieke Dijkman (zie hieronder, vrijdag 14 januari 2011) worden drie inmiddels alweer wat gedateerde boeken gepresenteerd. Want met het kabinet-Rutte is een heel nieuwe situatie ontstaan.
read on…