blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: ontwikkelingssamenwerking

Het Maatschappelijk Middenveld: De Naïeve Advocaat van de Duivel

Civil Society: The Naïve Devil’s Advocate

door Roy I. Bhikharie

Wereldwijd zijn de rechtsstaat, persvrijheid, minderheidsrechten en eerlijke verkiezingen in gevaar. Omkoping, corruptie en mogelijkheden voor straffeloosheid zijn ingebed in de systemen van de scheiding der machten en andere checks and balances. Economische groei heeft daardoor ondemocratische en onwettige praktijken voortgebracht. read on…

Oud-minister Jan Pronk: ‘Ontwikkelingssamenwerking is een correctie op pervers koloniaal beleid’

Over zijn hartinfarct, de genocide in Rwanda en de westerse hypocrisie

Zijn vrouw zegt dat hij milder is geworden, maar ook na zijn hartinfarct maakt oud-minister Jan Pronk zich boos over de wereld. ‘Ik vind niet dat ik gelijkhebberig ben.’ read on…

3 redenen waarom de IMF lening van Suriname een deal met de duivel is

door Raisa Ghazi

Als één van de weinige landen in de wereld, was Suriname tot voor kort een staat die zich nog niet had ingelaten met de regels en wetten van instituties zoals de Wereldbank (WB) of het Internationaal Monetaire Fonds (IMF). read on…

Kolonisatie en imperialisme

door Willem van Lit

[Deel 3 van “Ze zijn er. En nu”, een serie over de migratiecrisis]

Het gaat te ver om uitvoerig bij het hele proces van dekolonisatie stil te staan. John Jansen van Galen heeft recent het hele dekolonisatieproces van Nederland beschreven in zijn boek Afscheid van de koloniën. Het betreft dan Indonesië, Nieuw Guinea, Suriname en de Nederlands Caribische eilanden. In feite wordt de schuldvraag ook in zijn boek gesteld, maar de vraag is: schuld waaraan precies? Het feit dat wij koloniën hebben gehad? De staat waarin we die mensen achterlieten? Wat er in de jaren na de onafhankelijkheid is gebeurd? read on…

65 jaar Nederlandse ontwikkelingssamenwerking: hoe nu verder?

Debat en boekpresentatie: 2 oktober Pakhuis De Zwijger, Amsterdam

 

Met een bijdrage van ƒ1,5 miljoen aan het VN-programma voor internationale technische hulp zette de Nederlandse regering op 3 oktober 1949 haar eerste schreden op het pad van de ontwikkelingssamenwerking. Nu, 65 jaar later, vragen de samenstellers van Hoe nu verder? zich af: wat is er bereikt? Maar vooral: wat zijn de nieuwe uitdagingen? read on…

Space in the Caribbean: Idee of ideologie?

door Karin Lachmising
‘Als we echt Caribisch zijn, moeten we onze eigen omgeving dan niet beter leren waarderen?’, vraagt Karin Lachmising zich af.
Billboards in Paramaribo en langs de verbindingsweg van het vliegveld Zanderij naar de hoofdstad kondigden het al weken van tevoren aan: Suriname is het gastland voor Carifesta XI. Deze maand zijn we beland in zichtbare Caribische sferen dankzij dit elfde festival of creative arts. Een evenement dat de verbondenheid van de regio door middel van kunst tentoonstelt, althans dat is een van de vele doelen. Zullen deze twee weken vol vibes ons bewustzijn vergroten over de hechte connecties tussen de Caribische landen, of worden we slechts meegesleept in een tijdelijk enthousiasme van ons ‘Caribisch’-zijn om daarna weer terug te keren naar de dingen van de dag die ons eerder dichter bij Nederland, Amerika en zelfs China brengen, dan bij een eiland enkele honderden kilometers voor onze kust?
 
Space in the Caribbean ‘Space’
Die vraag werd ook gesteld op de multidisciplinaire conferentie van de Associatie voor Caribische Studies in Grenada. Suriname kan zich, net als de wereld buiten onze regio, vaak moeilijk het imago van een Caribisch land aanmeten. Want wie denkt eraan Suriname als het over witte stranden, blauwwater en beach life gaat? Ook wij zelf lijken dit uiterlijke toeristische imago te verwarren met de onderliggende verbinding, die er wel degelijk is. Juist daarom kan een kunst- en cultuuruitwisseling misschien wel van betekenis zijn. Carifesta kan ruimte bieden aan artiesten die hun beleving van de samenleving uiten op podia, in kunsthallen, ballrooms en meer. Een samenzijn dat een gezonde dialoog over onze eigen ontwikkeling tot stand kan brengen. In de openingsspeech van Eudine Barriteau op de conferentie in Grenada werd dit samenzijn een ‘ruimte van creatieve coalities ’genoemd. De professor in Gender and Public Policy aan de University of the West Indies te Barbados gaf in een zeer wervelende toespraak weer, dat zij als uitgesproken gender-voorvechtster ervaren heeft dat ‘je case’ niet binnenskamers bij gelijkgezinden mag blijven. Haar zaak, een betere positie voor vrouwen, bereik je niet door mogelijke oplossingen in eigen groep te laten circuleren. Je moet die ruimte vergroten, jouw visie en jouw aanpak onder de aandacht brengen buiten jouw groep. Onze indigenous frameworks, de structuren van onze samenleving, moeten meegenomen worden in de internationale discussies over de ontwikkeling van ons gebied. We zijn hier niet alleen om te kijken en naar elkaar en te luisteren, niet alleen om ons gebied te bestuderen, maar om alles wat hier tot stand komt ook naar de tafels te brengen waar de besluiten worden genomen over onze regio, over onze gebieden en over ons eigen vorm van leven. Het woordje ‘space’ werd ongewild en onbedoeld de rode draad van de conferentie.
Invloed
Ruimte bleek in verschillende presentaties overal voor nodig. Er zijn magazines nodig die ‘space’, dus ruimte creëren voor uitwisseling van creatieve ideeën. Zoals het Caribisch kunsttijdschrift ARC. Er zijn pleinen nodig waar de massa bijeen kan komen, terwijl die bijvoorbeeld in Puerto Rico in beslag worden genomen door gebouwen, waardoor letterlijk ruimte ontbreekt. Tijdens de presentaties bleek ruimte een oplossing voor uiteenlopende maatschappelijke vraagstukken .In de vele jaren dat we als Caribische gemeenschap zowel in de kunst als op andereo ntwikkelingsgebieden bij elkaar komen, werd de regio vooral gebruikt als onderzoeksmateriaal, podium, tentoonstellingsruimte of tijdelijk verblijf. Op de conferentie leek het echter alsof een ieder tijdens de voorbereiding van zijn presentatie stil was blijven staan bij het toekennen van waarde aan het léven in de Caribbean. De aandacht was verschoven van de gedachte ‘wij hebben oplossingen nodig’ naar een andere invulling van de ‘idee’ ontwikkeling. Filmmaker Miguel Coyala geeft in zijn film Memorias de desarello (Herinneringen aan onderontwikkeling) een indringend en confronterend beeld van hoe ‘ideeën’ en concepten verward raken wanneer deze ‘geplakt’ worden in een andere omgeving. Zijn film vertelt het verhaal van een intellectueel die na de Cubaanse revolutie denkt in de Verenigde Staten een nieuw leven, ver van onderontwikkeling, op te bouwen. De collageachtige manier van filmen versterkt de boodschap van de vervreemding die je voelt wanneer jouw wereldbeeld niet meer klopt met de omgeving waarin je leeft. In mijn eigen presentatie bracht ik de connectie van mens en omgeving naar voren, de invloed daarvan op onze kennis en ervaring en welke plek deze kennis inneemt binnen het denken over ontwikkeling en het aandragen van oplossingen.
Ditzelfde onderwerp werd aangesneden in een paneldiscussie over ontwikkeling in het Caribisch gebied met de uit Puerto Rico afkomstige José Buscaglia Salgado en de zeer gepassioneerde spreker Tyehimba Salandy uit Trinidad. Ze stelden: ‘We moeten kritisch zijn wanneer we praten over ontwikkeling en de begrippen die we daarbij klakkeloos overnemen, want te vaak merken we dat de realiteit genegeerd wordt.’ In onze regio zitten we in een gecompliceerde ruimte, zou je kunnen zeggen. De ruimte wordt bepaald door dominante ontwikkelingsvisies die geen rekeninghouden met onze realiteit: met onze jongeren die in Europa of de Verenigde Staten studeren, onze omgevingservaring en traditionele kennis. Het Caribisch gebied kent een andere benadering van duurzame ontwikkeling dan het Westen. Daar is de discussie over duurzame ontwikkeling ontstaan vanuit rampen die hebben plaatsgevonden. In het Westen is het een ideologie die voorschrijft hoe de wereld eruit zou moeten zien, in plaats van een idee, een set mogelijke stappen die vanuit de werkelijkheid genomen kunnen worden. Als wij ontwikkeling als een idee benaderen, vraagt het van ons vooral een kritische houding ten opzichte van strategieën die de kennis en ervaring vanuit de regio negeren.
In een discussie na de presentatie over dit onderwerp werd de kritische vraag gesteld in hoeverre wij daartoe in staat zijn, als wij ons richten op het vieren en tentoonstellen wat we hebben, zonder een podium te creëren voor kritisch gedachtegoed dat zal leiden tot een model van aanpak voor ‘life in the Caribbean’.
Kritische massa
We hebben meer media in het Caribisch gebied nodig die een visie uitdragen, een podium biede nvoor de verhalen en ervaringen van eigen bodem, onze kennis vergroten over onszelf, wat bij ons speelt, door ons gemaakt wordt, onze aanpak, onze ideeën. Publicaties die een kritische massa kweken en ruimte bieden voor het uitwisselen van kennis. Omdat nagenoeg alle Caribische landen in dezelfde fase van ontwikkeling zijn en daarbij verreweg dezelfde uitdagingen een rol spelen ,kan het Caribisch platform een inspiratiebronzijn voor een succesvolle ontwikkeling van ons gebied. Onderwerpen als natievorming, identiteit, klimaatverandering, gemeenschapsontwikkeling, duurzame ontwikkeling, kunst, cultuur, literatuur en ga zo maar door, kunnen daar heel anders benaderd worden. We bewegen ons dan in een ruimte van gelijkwaardige discussies en vergelijkbare oplossingen in plaats van de exotische ruimte die ons te vaak toebedeeld wordt. Misschien moeten we leren waarderen wat onze omgeving ons biedt, kijken naar onszelf in plaats van buiten onszelf, leren oog te hebben voor wat nodig is in de omgeving waarin wijzelf leven.
De publicatie Ster in de stad, behorende bij de gelijknamige tentoonstelling over Bombay van het kindermuseum Villa Zapakara, is een goed voorbeeld van het respecteren en waarderen van je omgeving. Geen boekje over hoe zielig de inwoners van Bombay zijn, zoals je zou denken bij een tentoonstelling over een miljoenenstad met meer dan honderd sloppenwijken, maar een boek over de verhalen, ervaringen en capaciteiten van mensen binnen de context van hun eigen omgeving. Het definiëren van onze capaciteiten betekent het plaatsen van de voor anderen vaak onbekende ervaringen in het grote rgeheel. Een plek waar je geen vreemde bent en je land niet constant vraagtekens oproept.
Tijdens de conferentie was mijn Amazoneregenwoud net zo gewoon als het witte strand met palmbomen. Dat kan ik niet kan zeggen wanneer ik met studenten in dialoog ga op de campus van de Universiteit van Amsterdam of op andere Europese podia. Op de campus van St. George’s University te Grenada vervalt het vreemde van het zogenaamd exotische. Voor de regio is het alleen daarom al belangrijk om in deze space aanwezig te zijn. Het valt op dat onze diaspora in vergelijking met die van andere Caribische landen nog weinig bijdraagt aan de discussies over ontwikkeling in samenhang met de plek waar wij werken, wonen en leven. En gezien het grote aantal goed opgeleide Surinamers in diaspora, zou het helpen om wat meer de vruchten te proeven van deze intellectual cruising, het reizende Surinaams intellect. Carifesta zal misschien in staat zijn om voor even de aandacht te vestigen op de samenhang tussen Suriname en het Caribisch gebied, hopelijk los van een exotisch karakter en met meer aandacht voor de inzichten die achter de creaties van dit festival liggen. Of we vervolgens die Caribische ruimte ook daadwerkelijk kunnen bereiken om de creatieve coalities aan te gaan, zal afhangen van de vruchten van deze ‘creatieve en intellectuele Caribbean cruising’.
Schrijver en publicist Karin Lachmising opereert in het maatschappelijk middenveld als ‘communicatiestrateeg met een filosofische inslag’.
[uit Parbode, 1 augustus 2013]

Nederlandse boeken voor Suriname: wel of niet? Afdankertjes of leesmateriaal?

 
I. ‘Wie eegie sanie’ fu píkin
 
door Els Moor
 
De Surinaamse literatuur vanuit de eigenheid van cultuur en talen kwam pas goed op gang in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen ‘Wie Eegie Sanie’werd opgericht in Nederland, met Bruma als centrale figuur en later in Suriname ook met de nog jonge Dobru. Dit was een belangrijke stap op weg naar de zelfstandige republiek Suriname, in verband met ‘eegie sanie’. Dat er tot op de huidige dag nog veel van het kolonialisme is blijven hangen ervaren we maar al  te vaak, vooral ook op het gebied van taal en literatuur.
Bibliotheek Galibi
Een ander duidelijk voorbeeld is dat er nog steeds per boot veel, veel, vaak afgeschreven, Nederlandse kinder- en jeugdboeken  naar Suriname gestuurd worden, die dan in schoolbibliotheken terechtkomen, zelfs in het binnenland  of  voor weinig geld verkocht worden bij boekverkopingen.  Je schaamt je toch, als je zo’n boek opent en meteen een stempel ziet met in vette letters: ‘Afgeschreven’ ! Dat is neokolonialisme ten top: je afgeschreven boeken naar ‘die negertjes’ in je ex-kolonie sturen. En dat, terwijl er gelukkig in Suriname momenteel veel gebeurt aan de ontwikkeling van een eigen kinder- en jeugdliteratuur!
De taalsituatie in Suriname is enerzijds van een grote rijkdom die de culturele ‘eenheid in verscheidenheid ’uitstraalt, maar  is anderzijds  problematisch voor veel kinderen en jongeren van wie de officiële taal, het Nederlands, niet de moedertaal  is. In ons land worden binnen bevolkingsgroepen zo’n twintig ‘eegie tongo’ gesproken. Daarboven staat het Nederlands voor het contact in de hele samenleving en vergeet niet het Sranan Tongo als ‘lingua franca’ (algemene contacttaal). Er zijn inheemse en marrontalen die hier ontstaan zijn en talen die ‘meegebracht’ zijn uit de landen waaruit de immigranten kwamen, zoals het Chinees, Sarnami en Javaans en niet te vergeten de ‘eegie’ versie van het Nederlands, het Surinaams Nederlands met eigen klanken, woorden  en zinsconstructies.
Deze veeltaligheid brengt echter ook grote problemen met zich mee. In volksbuurten in de stad, in het district, maar vooral ook in de dorpen in het binnenland spreken kinderen met hun familie meestal hun eigen taal. Veel kinderen moeten leren lezen, schrijven en rekenen in een voor hen vreemde taal. Als je dan leesboeken in de bieb hebt in die ‘vreemde taal’ en bovendien nog over allerlei dingens die jij niet kent, die ver van je bed of je hangmat zijn, dan moet je een geweldige doorzetter zijn en veel hulp krijgen van je leerkrachten om het toch te redden.
Gelukkig dat vele deskundigen, ook in de stad, dit probleem tegenwoordig erkennen en ervoor ijveren om die kinderen meer kansen te geven, het onderwijs kind- en taalvriendelijker te maken! Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is: Leer die ‘vreemde taal’ vanuit je eigen leefwereld!’
 
Surinaamse kinder- en jeugdboeken vormen daarbij een geweldig goed hulpmiddel. Als kinderen die moeite hebben met de schooltaal  eenvoudige boeken in handen krijgen met herkenbare verhalen vanuit de eigen wereld, met veel duidelijke, ondersteunende illustraties die bovendien spannend en leuk zijn, dan gaan ze lezen leuk vinden en ze leren ‘spelenderwijs’ die moeilijke schooltaal, bovendien op een manier zoals die in het eigen land gesproken en geschreven wordt, Surinaams Nederlands dus. En wat belangrijk is: die boeken zijn niet gebonden aan leeftijd, maar aan de ontwikkeling van de taal bij het kind. Die boeken moeten echter wel aanwezig zijn in de school, niet alleen maar ‘afgeschreven’ Hollandse boeken.
Overigens is het echt niet zo dat goede Nederlandse en andere, vertaalde,  boeken uit de wereld-jeugdliteratuur hier niet moeten komen. Integendeel. Er zijn prachtige Nederlandse boeken voor de jeugd, evenals vertaalde ‘klassiekers’. Denk aan Alleen op de wereld van Hector Malot. De kinderen die die boeken lezen en herlezen hebben vaak het Nederlands als hun moedertaal  of  beheersen de taal goed doordat ze een universele opvoeding krijgen. Zulke kinderen zijn er veel in Suriname, met name in de stad en omgeving.. De andere kinderen kunnen daarnaartoe groeien doordat er op school en elders veel gedaan wordt aan de ontwikkeling van hun taal- en leesniveau.
Daar wordt hard aan gewerkt tegenwoordig, een prachtige ontwikkeling. Veel leerkrachten uit de stad, het district en het binnenland hebben trainingen gekregen om de vaardigheden en mentaliteit te ontwikkelen om kindvriendelijk, kindgericht en dus speels en creatief te werken aan de taalontwikkeling van hun leerlingen. Ook medewerkers van bibliotheken en andere plaatsen ( na-schoolse opvang bijvoorbeeld).
Zo iemand is Sandra Purperhart die een bieb heeft op Abra Broki, een volkswijk in de stad. Daar komen ’s middags veel kinderen die het Nederlands moeilijk vinden, maar houden van de leuke, eenvoudige Surinaamse kinderboeken met duidelijke illustraties. Sandra maakt zelfs mét de kinderen musicals over verhalen. Die worden opgevoerd tijdens Kinderboekenfestivals,  niet alleen in de stad. Dit jaar werkte ze al met de kinderen van Atjoni en van Commewijne en de resultaten waren leuke, muzikale en herkenbare musicals.
Het Kinderboekenfestival in Paramaribo wordt al dertien  jaar gehouden, jaarlijks  in stad, district en binnenland.  Er zijn daar veel activiteiten voor kinderen, van kleuters tot en met tieners, die op een vaak creatieve manier te maken hebben met lezen. Gelukkig meestal van Surinaamse boeken! In veel stands is ook communicatie een belangrijk doel. Voor de kinderen is het echt een fijn uitstapje om erheen te gaan en zij en hun leerkrachten maken altijd weer kennis met nieuwe Surinaamse kinderboeken. Dat er tegenwoordig zoveel uitkomen, is ook voor een groot deel te danken aan de Stichting Projekten, PCOS. Zelf geven ze er jaarlijks een aantal uit en ze stimuleren schrijvers die dat willen. PCOS heeft ook trainingen georganiseerd, vooral in het binnenland, ‘Change for children’, die tot doel hadden de kindvriendelijke aanpak vanuit de eigen leefwereld te stimuleren. Ze hebben ook boeken  erover uitgegeven, met veel praktische informatie, zoals Lees je wijs!, over leesbevordering van Surinaamse kinderboeken, met veel creatieve, beeldende werkvormen en drie boekjes over de resultaten van de aanpak binnen het project ‘Change for children’, helemaal in Kwamalasamutu, waar de kinderen Trio spreken. Jammer dat het te ver is om te gaan kijken in die school. Dan zou je veel tekeningen zien hangen die de verhalen uit Surinaamse kinderboeken uitbeelden.
Heel eenvoudige boeken zijn meestal favoriet. De Amaisa-serie, uitgegeven door PCOS, over de dagelijkse beslommeringen van een meisje uit het binnenland , met weinig en eenvoudige taal en levendige illustraties is nog altijd een favoriet in de stand ‘Lees je wijs’op KBF. Zelfs bij zesdeklassers. Nogmaals: het gaat dus niet om de leeftijd, maar om het leesniveau. Wat Wagina, de groep van schrijfsters uit Wageningen, doet is ook bewonderenswaardig. Heel veel eenvoudige boekjes, allemaal hetzelfde formaat, hebben ze uitgegeven. Het zijn series van belevenissen uit het dagelijks leven, over dieren, over de jongen Moi-Boi en met een verdere blik een serie over andere districten en over ‘special kids’, kinderen met een probleem of een beperking. Steeds een stapje verder dus! Op het laatste KBF was Laat me niet alleen van Indra Hu, een boek met veel en vaak ook best moeilijke tekst over hiv en aids een van de populairste boeken bij vijfde en zesde klassers. ‘Waarom kiezen jullie dat? was de vraag. ‘Omdat er ook een film van is die we gezien hebben’, was het antwoord. Je ziet maar weer: je moet de inhoud ook kunnen zien!
Illustratie van Ginoh Soerodimedjo voor Okorié en Agambé
Een heel populair boek, niet alleen in het binnenland is ook Okorié en Agambé van Sherida Sabajo. Het gaat over twee jongens in het binnenland uit twee verschillende dorpen aan een rivier, een ingi-dorp en een marrondorp. Ze raken allebei verdwaald in het bos en komen elkaar daar tegen. Een ‘telefoonboom’ is hun redding: je slaat op de wortels en het klinkt wijd en zijd. Dan worden ze gevonden. Een spannend verhaal in eenvoudige taal, met grote letters, herkenbaar voor kinderen in het binnenland, maar leerzaam en spannend op het gebied van leven in het binnenland voor kinderen uit stad en district. Overal houden ze van het boek, ook vanwege de mooie, duidelijke tekeningen van Ginoh Soerodimedjo.
Eenvoud is het kenmerk van het ware. Dat is altijd zo bij ‘eegie sanie’. Belangrijk is het dus dat Surinaamse kinderboeken op  onze scholen komen, in veelvoud, vooral op lagere scholen, maar ook moeilijker boeken op de muloscholen. De puber groeit dan van zijn eigen wereld naar een vreemde (buitenlandse boeken) en zo moet het ook gaan in het leven: je verruimt je blik naarmate je ouder en wijzer wordt.
Er komt veel hulp van Surinaamse maatschappijen en organisaties, maar het is nooit genoeg. Laten die Nederlandse organisaties en particulieren geen ‘afgeschreven’ kinderboeken meer sturen, maar geld om meer Surinaamse kinderboeken te drukken en vooral ook te herdrukken!  Dat is ontwikkelingshulp! ‘Eegie sanie’ondersteunen!
[uit de Ware Tijd Literair, 25 mei 2013]
II. Reactie op ‘“Wie Eegie Sanie” fu pikin’ in ‘dWTL’ van 25/5/2013
 
door Suzanne Dekkers
Stichting ‘Unu Pikin’ is een sociale werkplaats in Paramaribo waar schoolmeubilair wordt gemaakt door mensen met een beperking. Dankzij donaties kunnen we regelmatig de inrichting van een schoolbibliotheek produceren en aan een school weggeven. Naast het meubilair verstrekken we ook een groot aantal ‘Hollandse’ boeken, zoals lees-, prenten- en ontwikkelingsboeken, soms nieuw, meestal gebruikt. Maar ook scholen die eerder een bieb van ons hebben gehad, of anders een bibliotheek hebben gerealiseerd, zijn welkom om hun collectie aan te vullen. In de afgelopen 12 maanden zijn 180 scholen en andere instellingen langsgekomen om materialen te halen. Dat geeft aan dat er een grote behoefte bestaat aan deze boeken.
De ideale situatie zou zijn dat elke school een bibliotheek heeft en de school of een overkoepelend orgaan in staat is boeken aan te schaffen. De mediatheekmedewerker kan dan bepalen welke boeken het beste zullen aansluiten bij de schoolpopulatie. Alle leerkrachten stimuleren het leesgedrag van de kinderen door regelmatig voor te lezen. De mediatheekmedewerker zorgt voor interessante lessen, alles om leesplezier en taalvaardigheid van de kinderen te vergroten.
Helaas is de werkelijkheid anders. De scholen hebben dat budget niet, dus zijn ze afhankelijk van anderen. Om weer even terug te gaan naar onze specifieke situatie: deze boeken krijgen wij van bibliotheken uit Nederland, die wegens bezuinigingen sluiten. De boeken zijn van recente datum en zien er heel goed uit. Helaas staat in die boeken vaak met grote letters: afgeschreven, maar daar kan de juf iets aan doen: een sticker er overheen of die pagina verwijderen. De kinderen hoeven niet te weten hoe de school aan die boeken komt, zij hoeven alleen de voordelen te ervaren!
Niet alle boeken zijn geschikt. Bij onze ondersteunende organisatie in Nederland vindt de eerste selectie plaats. De boeken met té Hollandse of Europese onderwerpen worden niet verscheept. Eenmaal in Suriname vindt de tweede selectie plaats, omdat er wegens het grote aantal wel eens een verkeerd boek tussendoor glipt (dat we bij gebrek aan adequate oudpapier-verwerking dan voor een symbolisch bedrag verkopen). Daarna vindt de derde selectie plaats. De mediatheek-juf bepaalt zélf welke boeken zij geschikt vindt voor de kinderen van haar school.
Voor onze specifieke situatie geldt dat we de boeken kunnen opsturen met een minimum aan budget, dankzij samenwerkingsverbanden met andere organisaties. Dit budget is veel te klein om een voldoende aantal boeken van Surinaamse kinderboekenschrijvers te kopen. We zouden dan misschien 4 scholen kunnen helpen, tegen de eerdergenoemde 180.
Klik voor groter formaat
Het is belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd het plezier van lezen ervaren. Scholen moeten hosselen om aan die basisvoorwaarde te voldoen. Het lijkt me goed dat we gezamenlijk proberen een oplossing te zoeken voor deze situatie, ieder vanuit zijn eigen expertise en achtergrond. Laat de Nederlandse organisaties die boeken opsturen! Zij hebben nou eenmaal de kortste lijntjes naar de bibliotheken in Nederland en kunnen zo de hand leggen op prachtige boeken. Zorg wel voor een goede selectie en betrek de Surinaamse scholen daarbij. Laat anderen, bijvoorbeeld een nieuwe werkgroep, de afdeling mediatheekwezen of de kinderboekenschrijvers zelf, zich inzetten om zoveel mogelijk Surinaamse kinderboeken op de scholen te krijgen. Zij kunnen dit doen door steun van de overheid te verwerven, samen te werken met Nederlandse organisaties of zelf aan fondsenwerving te doen, in Suriname, Nederland of elders. Zo kunnen we er samen voor zorgen dat de schoolbibliotheken een gebalanceerde collectie aan boeken hebben, die de kinderen verder op weg zullen helpen in hun ontwikkeling. Laten we niet met de vinger naar elkaar wijzen, maar samen een vuist maken!
[ Susanne Dekkers, namens bestuur van ‘Unu Pikin’]
III. De Ware Tijd Literair reageert

Wij vinden het geweldig als gereageerd wordt op onze artikelen. ‘Unu Pikin’ heeft duidelijk haar standpunt uiteengezet en de lezers van ‘Literair’ kunnen hun oordeel vormen over de kwestie: wat doen we met de ‘Hollandse’ kinderboeken die in groten getale naar Suriname komen. Wij hebben ons standpunt uiteengezet dat er op neerkomt dat er niets tegen buitenlandse kinderboeken is, die geschreven zijn in een ander Nederlands dan de boeken hier en vaak over zaken gaan die buiten de leefwereld van onze jeugd liggen. Maar het gaat erom dat kinderen boeken te lezen krijgen die ze aankunnen, wat taal zowel als inhoud betreft. Een ideale ontwikkeling is dat kinderen langzaamaan hun blik verbreden: van de eigen leefwereld naar de grote wereld, en boeken kunnen, evenals films, daar een belangrijke rol bij spelen. Dan krijg je als kind plezier in lezen en houd je dat ook: van eenvoudig en herkenbaar naar vreemd en boeiend! Alles wat je leest, moet je kunnen begrijpen. En we behoren altijd te beseffen dat de meerderheid der Surinaamse kinderen uit een totaal andere thuissituatie komt met minder ontwikkelde, anderstalige ouders, weinig of helemaal geen Nederlands gesproken programma’s op/in de media, weinig tot geen toegang tot clubs, en dergelijke. De dit schooljaar begonnen ‘Naschoolse Opvang’ kan die leemte wel gedeeltelijk opvullen, maar mist daarvoor eigen tools. Fijn is dat er veel Surinaamse kinderboeken zijn, voor verschillende leesniveaus, met zonodig duidelijke illustraties. En er komen steeds nieuwe bij!
[- Red. de Ware Tijd Literair]

Samenwerking tussen Adek en Vlaamse uni’s gaat nieuwe fase in

door Ewout Lamé

Paramaribo – “Wij zien jullie graag.” Het is één van de redenen waarom Nederlandstalige universiteiten in België de samenwerking met de Anton de Kom Universiteit (Adek) graag voortzetten.
De uitspraak komt van professor Wim Van Petegem, directeur Onderwijs en Leren van de Katholieke Universiteit Leuven. Gisteren was hij één van de ondertekenaars die de overeenkomst voor de tweede fase in de samenwerking ondertekende. De KU Leuven coördineert de samenwerking met Suriname namens verschillende universiteiten in Vlaanderen, het Nederlandstalige gedeelte van België.
Ze gaan voor nog drie jaar: Rayen Sidin, voorzitter van het Adek-bestuur, overhandigt de samenwerkingsovereenkomst aan Wim Van Petegem van de Katholieke Universiteit Leuven. (Foto / Jason Leysner.)
De samenwerking is een vorm van ontwikkelingshulp, zei Van Petegem. “Dat wordt niet bij iedereen gunstig gezien, maar ik vind dat de drie kerntaken van een universiteit, onderwijs, onderzoek en dienstverlening, er mooi in samenkomen. Het is een alibi om met die drie pijlers bezig te zijn.”
Competitie
Hij noemde het voor de Vlamingen een voordeel dat in Suriname dezelfde taal wordt gesproken. Van Petegem: “En er is een beetje competitie met Nederland. Iemand zei dat er op dit moment meer Belgische stagiairs zijn dan Nederlandse in Suriname. Yes, we did it!”
De afgelopen vijf jaar stortte de Vlaamse universitaire wereld 750.000 euro per jaar in de Adek. Voor de komende drie jaar is er 540.000 euro per jaar vrijgemaakt. “We gaan dat afbouwen, want de Adek heeft de verplichting het zelf te gaan bekostigen”, zegt Van Petegem.
Nu zijn er dertig masterplaatsen voor Surinamers in België. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk minder Surinaamse studenten naar België en Nederland gaan. De interesse van Vlaamse universiteiten voor Suriname richt zich vooral op de onderwerpen duurzame ontwikkeling en natuurlijke hulpbronnen. Daarom hielpen de Belgen bij de studierichting Technische Wetenschappen een master Natuurlijke Hulpbronnen op te richten, en bij de studierichting Medische Wetenschappen wordt nu fysiotherapie op masterniveau aangeboden.
Zelfstandiger
Voor het inrichten van een master is niet alleen het soort vakken belangrijk, maar ook de manier waarop studenten worden onderwezen, legde Van Petegem uit. “Op masterniveau mag je verwachten dat ze zelfstandiger te werk gaan.” Daarvoor moeten Adek-docenten ook anders les gaan geven, beaamt Van Petegem. De Belgische universiteiten willen daarom bijdragen aan het professionaliseren van Adek-docenten.
Aan de opzet van masterprogramma’s gaat een fase van ‘koppeling’ vooraf. Belgische universiteiten zeggen op welke wetenschapsgebieden ze graag hun expertise inbrengen, en de Adek geeft aan waaraan zij behoefte heeft. “Dat is een kwestie van geven en nemen”, zegt Van Petegem. Zo kan hij bijvoorbeeld niet op voorhand zeggen of Belgisch hoger onderwijs kan helpen om opleidingen voor de goudsector op te zetten. “Er zullen best mensen mee bezig zijn met mineralogie of delfstoffenkunde, maar die moeten dan ook in ontwikkelingswerk geïnteresseerd zijn.”
[uit de Ware Tijd, 30/05/2013]

Restant Verdragsmiddelen geslonken naar 700.000 euro

door Eric Mahabier

Paramaribo – Per 31 december 2012 was er nog 700.000 euro over uit de Verdragsmiddelen. Dat blijkt uit het evaluatierapport 2012 van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken.
In april vorig jaar berichtte Buza-minister Frank Timmermans de Tweede Kamer nog dat er twintig miljoen euro aan resterende Verdragsmiddelen zou zijn.
Bij zijn onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname van Nederland ruim 1,6 miljard euro (3,5 miljard Nederlandse gulden) aan Verdragsmiddelen als schenking. Uit het evaluatierapport blijkt dat Suriname sinds 1975 ruim 1 miljard euro aan schenkingen heeft gekregen. Met de aanname van de Amnestiewet in april vorig jaar schortte Nederland de besteding van de resterende Verdragsmiddelen op en zou er volgens Timmermans nog twintig miljoen zijn, die reeds gealloceerd zou zijn.
De recente rapportage geeft echter niet aan of er toch geld richting Suriname is gegaan en ook is het resterende bedrag van zeven ton euro niet gespecificeerd. Wel wordt in het jaarverslag het volgende opgemerkt: “Gezien de bijzondere situatie rond het stopzetten van de verdragsmiddelen, wordt per geval besloten of een sanctiemaatregel kan worden toegepast of tot tijdelijke ontheffing van de sanctie kan worden overgegaan.”
Effecten
Maarten Schalkwijk, hoogleraar Sociale Veranderingen en Ontwikkeling aan de Anton de Kom Universiteit, pleit voor een grondige evaluatie van de besteding en de effecten van de Verdragsmiddelen op Suriname. Die evaluatie moet van Surinaamse zijde komen. En moet onder andere worden aangegeven of Suriname met de ruim 1 miljard euro, al dan niet verder zou moeten zijn met haar ontwikkeling.
Schalkwijk maakt wel een ruwe balans van de effecten van de besteding Verdragsmiddelen. Hij praat over een “gemengd resultaat”. Immers moet er per project beoordeeld worden. Er zijn projecten die hun doel en nut duidelijk hebben bewezen, zoals de bouw van vele scholen. Het West Surinameproject dat vele miljoenen heeft gekost is een duidelijke misser.
Schalkwijk vindt het niet vreemd dat er slechts 700.000 euro over is uit de Verdragsmiddelen. Bij het aangaan van de Verdrags-middelen werd van Surinaamse zijde uitgegaan dat de 1,6 miljard euro in tien jaar tijd (ultimo 1985) besteed zou zijn. Nederland had echter een tijdspad van vijftien jaar. Maar in 1982 vond de opschorting plaats van de ontwikkelingshulp. Hierdoor is de besteding verder verschoven. Volgens Schalkwijk is in allerlei rapporten duidelijk vastgesteld waaraan het geld allemaal besteed is en dat er niet zomaar geld is gegeven. “Het is altijd naar projecten en zaken gegaan die verantwoord zijn. Anders was het allang gestopt.”
Ex-minister Ronald Assem van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (1993-1996) zei eerder tegen de krant dat Nederland de ontwikkelingshulp ondermijnd en flink gefrustreerd heeft, waardoor de ontwikkelingsdoelen niet gehaald zijn. “Suriname had met het geld inderdaad veel verder moeten zijn, maar het is steeds Nederland geweest die zaken heeft getraineerd”, zei Assen.
[uit de Ware Tijd, 13/05/2013]

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (7)

Ter inleiding keer ik terug naar de aanhef van dit hoofdstuk omdat ik dat als een belangrijk  uitgangspunt beschouw: “Wie streeft naar het waarlijk goede, kan zich niet afwenden van het ongeluk van anderen”. Deze uitspraak heb ik verbonden met een samenleving waarin mensen waarheid en vrijheid moeten kennen en ervaren. Tolerantie is een voorwaarde om dit te bereiken. Mensen moeten bij hun streven naar het goede, ware en de vrijheid zich richten op de ander en zij ontkomen niet aan verdraagzaamheid. Het gaat juist om die specifieke combinatie. Alle componenten zijn even belangrijk. Ik gebruik hier het woord “naastenliefde” met opzet niet en dat zal later duidelijk worden.

Anton Tsjechov. Schilderij van Osip Braz, 1898

 

De reddende waarheid kan door geen mens geboden worden. Dat gegeven vindt Thomas Mann terug in de verhalen van Tsjechov [1]. En dat betekent dat je zelf voortdurend op zoek moet gaan. Het vermogen om jezelf te veranderen is de voornaamste morele plicht, denkt Riemen hierbij ook. Het is niet alleen een morele plicht; het is zelfs van levensbelang. Je kunt jezelf hooguit bevrijden van angst en onverschilligheid via de kunsten, maar het veranderen, de zoektocht naar de waarheid en het goede moet je zelf activeren en op gang houden.
Ik heb tolerantie een menselijk vermogen genoemd. Het is een eigenschap, die men ook steeds actief moet benaderen en onderhouden: oefenen van eerbied zoals Riemen en ook Venmans dat zeggen [2] . Het gaat om persoonlijke en individuele vorming, het voortdurend jezelf oefenen in eerbied voor anderen (alsook voor de aarde zelf, voegt Riemen daar nog aan toe). Dit persoonlijk oefenen kan alleen in vrijheid gebeuren. Je moet jezelf daarbij steeds bewust zijn van de plek die je inneemt tussen alle anderen. Dat wil zeggen dat je je eigen authenticiteit moet realiseren. Deze authenticiteit is – zoals eerder gezegd – niet historisch of genetisch gedetermineerd. De context waarbinnen je opgroeit, is niet onbelangrijk is. Paul Verhaeghe constateert in zijn boek dat identiteit tot stand komt “via de verhouding tot anderen; dergelijke verhoudingen zijn zelfs een noodzakelijke voorwaarde, want anders komt er geen identiteit tot stand”. [3] De mens is een sociaal dier en gedijt slechts in de betrekkingen die hij met anderen kan onderhouden. Tolerantie is dan ook een sociaal vermogen. De omgeving waarin je opgroeit, heeft een vormende werking op de persoonlijkheid, maar is niet bepálend voor de uitkomst van je bestaan. Je authenticiteit heeft te maken met de mate waarin én hoe je jezelf onderscheidt van anderen. Dit is een egocentrisch beginsel en het vergt voortdurend heroriëntering, een dynamiek van eigenheid. “Ken uzelf”, het Oudgriekse gezegde (dat aan verschillende Oudgriekse denkers wordt toegeschreven) heeft betrekking op deze wijze van léren kennen van wat je onderscheidt van anderen. Het is de basis van eigenwaardigheid. Ken uzelf is geen statische uitspraak; het gaat over de constante dynamiek van zelfontdekking.
Letterheren

Veranderbaarheid. Daar zit voor een deel de crux van deze beschouwing. Als tolerantie een menselijk vermogen is, dan betekent dat dat het actief ontwikkeld kan worden. Het betekent ook dat je als mens alleen maar een zinnig debat kunt voeren als je jezelf bewust bent van dit vermogen te veranderen. Je kunt in een debat inzichten verwerven. Inzichten verwerven betekent dat je kúnt veranderen, je jezelf anders leert kennen en je perspectief op de werkelijkheid (de feiten) mede verandert. Ken uzelf betekent dus ook dat je veranderbaar bent. Guépin heeft in dit verband een aantal opmerkingen gemaakt dat ook in het beeld van dit boek past. “Een door mensen veroorzaakt kwaad wordt of aan domheid of aan slechtheid toegeschreven (…). Als het kwaad aan domheid wordt toegeschreven, lijkt het nog het meest op natuurrampen, voor zover de domheid erfelijk wordt bevonden. Het is dan progressief – want alleen domheid is veranderbaar – om ook de domheid als gevolg van slechtheid van anderen te zien: vals bewustzijn, misleide geesten, kanslozen, allemaal verdrukten” [4].

…geest van veranderbaarheid… Foto © Charl Landvreugd

 

Met progressief bedoelt hij politiek progressief, dat wil zeggen linkse of het christelijk-marxistische ideologieën, de stromingen uit de laatste decennia van de 20e eeuw in Nederland. Zelf heb ik “veranderbaar” geaccentueerd in de tekst. In de constatering van Guépin zit de tragiek van het slachtofferisme besloten. En dit is gevangengehouden in de geest van het politiek correcte denken over tolerantie. Degene die de ander dom houdt, zal niet willen veranderen terwijl het slachtoffer zelf niet kán veranderen. Dit houdt de geest van het verzet in stand, het leven als strijd, want dat is het enige dat zin geeft. Binnen het politiek correcte denken is dat het sjabloon, waar men niet buiten de lijntjes kan kleuren. Het slachtoffer kan zijn waardigheid niet herwinnen; hij zit vast in zijn achterlijkheid en dat kan men hem niet verwijten. Op hem rust niet de morele plicht ook maar iets te veranderen. Sterker nog, hij is de held in zijn positie.
De traumatisering door slavernij zijn we in dit boek verschillende keren tegengekomen. Jandi Paula wil een diepgaand onderzoek naar de ziel van de Curaçaoënaar. Anders zal er nooit iets veranderen. Ook Girigori, Sluis, Mary Rose Allen, Marcha en Verweel schreven erover. In het vorige hoofdstuk heb ik ook Schotborgh – van de Ven genoemd. Mensen zijn verstrikt geraakt in hun eigen onmacht en ze zijn kennelijk niet in staat dit te veranderen. Ze ontberen het vermogen te veranderen en ze zijn niet in staat te komen tot waardigheid.
Albert Roessingh – Tuin der hemelse vreugde
Vertegenwoordigers van het politiek correcte denken versterken deze veronderstellingen. Het slachtoffer is gedetermineerd door geschiedenis en afkomst. Doordat de beschaamden niet los kunnen komen van de geest van getraumatiseerd zijn, worden verzet en weerbarstigheid een substantieel deel van hun identiteit. Hierdoor kan deze groep het vermogen tot tolerantie niet tot ontwikkeling brengen. Dat zou een logische gevolgtrekking zijn en die blokkade komt volledig op het conto van de dader. Niets aan te doen.
Ik denk dat het vermogen tot tolerantie wél in elk mens aanwezig is; het is namelijk onderdeel van de eigen waardigheid zelf en dat is het wezen van vrijheid en waarheid. Dat vermogen moet je als mens zelf op gang brengen, zoals ik eerder liet zien. Het is een individuele opgave veranderbaar te zijn.
(wordt vervolgd)

[1]Riemen, Adel van de geest, pag. 79
[2]Riemen, Adel van de geest,  pag. 51 en Venmans, Het derde deel van de ziel, pag 140.
[3]Verhaeghen, Paul, Identiteit, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, pag. 90 en 104/105.
[4]Guépin, De beschaving, pag. 246.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter